Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling kortverhalen daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van 'Onklare taal'. Ik ben tijdelijk gestopt met kortverhalen, maar in 2016 heb ik een geredigeerde bundel van de beste verhalen uitgebracht: 'Recombinant' is gratis te downloaden in PDF- en in EPUB-formaat.

donderdag 15 augustus 2013

De goudvissen (IV)

4. Toen het gegrinnik was weggestorven, kwam er weer een stilte

Toen het gegrinnik was weggestorven, kwam er weer een stilte. Die werd al snel opgevuld door Senne die Christophe herinnerde aan een anekdote uit de studententijd, en een gezamenlijke kennis die ze al lang niet meer gezien hadden. Sophia was niet echt aan het luisteren; haar gedachten waren weer afgegleden naar wat ze zonet beseft had. Uiterlijk leek ze nog altijd de conversatie te volgen. Het was een gezichtsuitdrukking waar ze goed in geworden was op het werk, tijdens ellenlange vergaderingen met haar beide bazen, die soms meer leken op een getrouwd koppel dat uit gewoonte zit te bekvechten over futiliteiten, dan dat er werkelijk zinnige dingen verteld werden. Die vergaderingen verliepen ook altijd in het Frans, en als er al één verschil was tussen Vlamingen en Franstaligen, was het wel dat de Franstaligen hielden van uitgebreid vergaderen.
“... heeft die kapotte wc nooit terugbetaald!”
Sophia dacht nu na over haar eigen zelfkritiek van daarnet, en dat was geen aangenaam gevoel, omdat het opnieuw een ring leek te leggen rond haar gedachten. Ze mocht dan misschien wel verzand zijn in een bepaalde routine, was het belangrijkste niet dat ze zich amuseerde? Wie kon het dan wat schelen dat ze vaak dezelfde mensen zag in dezelfde omgevingen? Was het bovendien zo dat Evie, Christophe en Senne zo gelukkig waren en dat ook hun leven geen aaneenschakeling was van routines?
“Ongelooflijk dat die in het onderwijs nog ...”
Evie had zich ook terug in het gesprek gemengd, wat Sophia de kans gaf om nog dieper terug te zakken in haar eigen gepieker. Ze zag de anderen praten, maar luisterde niet echt. Ze merkte dat die tevreden trek om Christophes mond ook iets bitter kon voorstellen, een weerbarstige melancholie. Senne praatte dan wel weer over de studententijd en leek in niets ingeboet te hebben aan zijn bevlogen ideeën over politiek, maar was ook dat geen routine?
“... uit de struiken.”
Onwillekeurig blies ze een zucht uit langs haar neus en keek ze over Evie’s hoofd de rest van de treincoupé in. Hier zat een heel legioen mensen dat aangedreven werd door routine. Zouden hun weekends zo veel spannender zijn? Wie weet was die ene oudere zakenman daar een bezoeker van een parenclub en verveelde hij zich daar stierlijk. Of misschien waren die drie vriendinnen met hun sporttassen meisjes die het hele weekend lang voor de tv hingen tot hun hoofden vol ruis en digitaal zaagsel zaten. Ze hield niet van dat soort negatieve gedachten, en keek terug naar de drie anderen.
“Daar wordt zo veel over bericht, maar alleen het sensationele haalt de media,” zei Senne net.
“Kranten moeten verkopen. Het zijn geen liefdadigheidsinstellingen,” zei Christophe.
“Ja, maar ze hebben wel de deontologische plicht om te informeren,” zei Evie.
Christophe gaf dat punt toe met een handgebaar.
“Nu ja, kranten zijn toch ten dode opgeschreven,” besloot Senne.
“Denk je dat echt?” vroeg Sophia, “De Metro wordt nog altijd veel gelezen.”
“Die kost ook niets,” zei Senne, “Mensen lezen hem omdat hij er ligt.”
“En voor de strips!” zei Christophe.
“Binnen twintig jaar leest iedereen die dingen op z’n tablet-pc,” zei Senne.
“Zeiden ze ook niet dat internet printers overbodig gingen maken, indertijd?” vroeg Evie met opnieuw een bijzonder charmante glimlach.
“God ja,” pikte Christophe daar op in, “Ik hoor het mijn vader nog zo zeggen.”
“Zoon,” imiteerde hij een stem met een Frans accent, “dit is de revolutie! Geen bomen meer moeten kappen voor al dat papier! Alles numérique! En natuurlijk zit hij nog steeds al zijn e-mails af te printen omdat hij dat mooier vindt.”
“Akkoord,” lachte Senne, “maar dat is een oudere generatie.”
“Wij zijn zelf de volgende oudere generatie,” zei Sophia.
Senne keek Sophia aan met een blik alsof hij haar opnieuw moest inschatten. Ze vond dat wel leuk.
“Ja, raar hé,” zei Evie, “Wij stellen onszelf nooit voor als we oud zijn.”
“Ik sta daar soms wel bij stil,” zei Christophe, “Dat heb je als je met je familie samenwerkt.”
“Mmh,” zei Senne, tijdens de stilte die volgde, “wat een kutgeneratie zijn we ook.”
Opnieuw wat gelach.
“Meen je dat?” vroeg Evie.
Senne haalde de schouders op.
“We verwijten graag aan de generatie van onze ouders en grootouders dat ze de wereld om zeep geholpen hebben, maar ’t is niet alsof wij er ook veel tegen doen. Om maar iets te zeggen, bij al die grootbanken werden veel fouten vooral gemaakt door gasten van onze eigen leeftijd.”
“Die waren wel geïnspireerd door de generatie voor hen,” bracht Evie daar tegenin.
“Hopelijk herhalen we gewoon niet alle fouten,” zei Sophia.
Ze dacht nu aan haar eigen ouders, die allebei rondreden met een dikke SUV. Ze vond het storend om hen zo achteloos met dat soort vervuilende auto’s over de wegen te zien ploegen, soms zelfs voor afstanden die ze makkelijk met de fiets of te voet zouden kunnen doen.
“Ach, wie weet zijn we gedoemd,” zei Senne.
“Ja, man, moet ik de Zelfmoordlijn bellen voor je?” vroeg Christophe.
“Laat maar. Ik leef graag.”
“Best,” zei Evie, “Depressie is niet om mee te lachen.”
De ultieme routine, vond Sophia.
“Je moet met alles kunnen lachen,” zei Christophe monter.
De trein vertraagde.
“We zijn er bijna,” zei Evie overbodig.
De conducteur kondigde precies een tel later aan dat de trein Gent-Sint-Pieters naderde.
“Ik vraag me af waarom ze dat altijd zo lang op voorhand aankondigen,” zei Senne, “Je ziet dan al mensen opstaan” – en daarbij gebaarde hij naar een dik koppel dat hun tassen en zakken al aan het pakken was om naar de uitgang te stommelen “en ze staan dan nog vijf minuten voor die deur te wachten.”
“Sommige mensen willen snel thuis zijn, zeker,” zei Christophe.
“Die stress is toch nergens voor nodig?” vond Evie.
Sophia haastte zich ook graag naar huis, maar had het er niet voor over om bij het eerste signaal dat Gent eraan kwam, aan de deuren te gaan staan. Nu ze de mensen bekeek die Senne aangewezen had, had het op een komische manier iets pavloviaans. Belletje gaat en mensen ontwaken uit hun verdwazing.
“Misschien zijn ze gewoon blij dat het weekend is,” opperde Christophe, “Gaan ze ergens eten waar ze op tijd moeten zijn, je weet nooit.”
“Mja, ze zagen me er niet het type uit dat het weekend uitgebreid viert,” zei Senne.
“We kunnen niet allemaal een ‘Lord of the Rings’-marathon plannen hé,” riposteerde Christophe. Senne glimlachte. Anderen begonnen nu ook op te staan, terwijl het aantal sporen naast de trein zich uit het niets vermenigvuldigde. Sophia pakte haar tas.
“Soms stel ik mij voor dat ik op een boot zit als de trein aan het stoppen is,” zei Evie.
“Hoezo?” vroeg Christophe met een frons.
Evie stond op en de rest volgde.
“Wel ja. Dat bewegen en plots stoppen en zo. Dan denk ik altijd dat je daar zeemansbenen voor nodig hebt.”
Sophia moest glimlachen, ondanks het feit dat het een uitspraak was die alleen maar de mond kon verlaten van meisjes als Evie, die nu voor haar stond en haar best deed om niet tegen een lange student met een rugzak te botsen. Overal was er het geluid van jassen die aan gingen. Het regende nog altijd.
“Chance dat het geen boot is,” zei Senne, die als laatste was opgestaan, “anders zou ik alle dagen zakjes moeten meenemen?”
“Om in te kotsen?” vroeg Christophe.
De trein kwam tot stilstand.
“Nee, om over mijn hoofd te trekken en twee gaten in te doen voor mijn ogen. Natuurlijk om in te kotsen.”
“Het zou nochtans niet mis zijn als je dat eerste eens zou proberen.”
Een bescheiden golf van gelach ging door het viertal. De deuren gingen open en als in een processie ging iedereen richting uitgang.
Toen ze buiten waren, bleek algauw dat Christophe en Evie een andere kant op moesten. Dat liet Sophia en Senne terug alleen na de uitwisselingen van de obligate beleefdheden over het weekend, net als toen ze elkaar tegen het lijf gelopen waren in Brussel-Centraal.
“Moet jij straks ook door het park?” vroeg Senne terwijl ze de trap afdaalden. De treden waren vuil en nat.
“Nee, ik heb een fiets staan. Ik woon aan de Nederkouter.”
“Ach zo.”
Een gejaagde kale man schoot langs hen heen. Voor hen blokkeerde een zware dame met een bloemetjesbloes en vele tassen de vlotheid van het verkeer.
“Waarom is dat zo dat oude dikke mensen altijd zo veel gerief bij hebben,” vroeg Senne stil aan Sophia.
“Kom nu, lachen met dikke mensen is niet ok.”
“Sorry,” zei hij.
“Het is wel waar. Ik heb me dat nog nooit afgevraagd, maar nu je het zegt...”
“Hmm,” bromde hij instemmend.
Ze kwamen in de grote hal.
“Goed, ik ga nu mijn kant uit,” zei Sophia, “Amuseer je met je films.”
Hij leek wat verrast door de plotsheid van de mededeling.
“Ah. Ok. Wel, jij ook met – ik ben het vergeten, sorry.”
“Het is niet erg. Ik blijf vanavond gewoon thuis.”
Het voelde goed om dat te zeggen, als een tros die gelost werd.
“Amuseer je ook dan,” zei hij, “En tot later.”
“Tot later!”
Sophia wandelde weg en voelde alsof dit het begin was van een andere baan in het aquarium. Wat als ze nu ook nog een andere fietsroute nam dan gewoonlijk?

woensdag 14 augustus 2013

De goudvissen (III)

3. De anderen lachten

Christophe had een bevlekte Metro opgepikt van het tafeltje.
“Aan het kijken of je vermeld staat in de Kiss & Ride?” vroeg Sophia.
“Niet echt,” antwoordde hij serieus, “ik had het vervolg op de strip nog niet gelezen.”
“Stripfan?” vroeg Evie.
Christophe knikte met dezelfde ernst, maar zei verder niets omdat hij zijn strip blijkbaar gevonden had.
“Ik kijk elke morgen in de Kiss & Ride maar ik sta er nooit in,” zei Senne, “Jammer.”
“Is dat ook niet een beetje zielig, dat hele concept? Zou dat ooit lukken, dat mensen met elkaar iets beginnen door in te gaan op zoiets?” vroeg Sophia zich luidop af.
Senne haalde zijn schouders op.
“Allicht niet. Maar het is de gedachte die telt.”
“Mja, zo beloerd worden door een vreemde die daarna iets schrijft over de broek die je aanhad, vind ik maar raar,” besloot Sophia.
“Dat valt echt goed mee hoor,” zei Evie opgeruimd, “Je zou eens moeten weten wat je allemaal te lezen krijgt als je een profiel hebt op een datingsite.”
Nu spitste Christophe ook de oren.
“Heb ik dat zo luid gezegd?” vroeg Evie, toen ze de stilte zag en een beetje bloosde.
“Het is toch niets om je in te schamen?” vroeg Senne, “Veel mensen doen het. Het internet is van iedereen hé, ’t is niet dat online dating nieuw is of alleen voor nerds.”
Sophia dacht er het hare van, maar was tegelijk ook nieuwsgierig naar Evie’s verhalen. Voor Sophia leek zo’n profiel een hachelijke onderneming. Ze had het al niet zo voor Facebook, tenzij als ontspanning als er niets anders te doen was, maar het universum dat bevolkt werd door miljoenen digitalen die tweetten, postten en becommentarieerden dat het een lieve lust was – ze stelde zich daar steeds een termietenhoop of een bijenkorf bij voor waar alle diertjes de gezichten hadden van de mensen die ze digitaal moesten voorstellen – kon voor haar even goed Mars geweest zijn. Telkens als ze het gevoel kreeg dat ze er iets mee miste en het probeerde te begrijpen, raakte ze gefrustreerd door het idee dat haar iets ontging wat mogelijk belangrijk was, maar haar niet nodig had om belangrijk te zijn.
“Wat voor berichten krijg je dan?” vroeg Christophe, die het krantje opgevouwd had en teruglegde op het tafeltje. Evie boog zich wat meer voorover naar de anderen opdat toevallige luistervinken niet zouden kunnen horen wat ze zei.
“Wel ja, er was een kerel die direct begon over zijn voetfetisj in een eerste bericht, zo compleet zonder leestekens en hoofdletters, waardoor het precies was alsof hij er alles in één keer uitgooide.”
De anderen lachten.
“Heb je met hem afgesproken?” vroeg Senne.
“Zot. Bovendien ja, ik verstond dat niet, ’t is niet dat er foto’s van mijn voeten op stonden.”
“Misschien stuurde hij dat bericht naar iedereen,” zei Sophia.
“Wat voor berichten kreeg je nog?” vroeg Christophe, die duidelijk het meest geamuseerd was.
“Eh, veel venten van boven de 40 ook, hoewel er op mijn profiel stond dat mijn grens 35 was.”
“Dat vind ik ook al niet zo jong meer,” zei Senne.
Evie ging intussen verder.
“Goh, ook een gast die stuurde dat hij aan het masturberen was. En dan ja, zo’n kerel die een superlang bericht stuurde, ik had er echt compassie mee, maar hij was echt enorm lelijk.”
“Dik?” vroeg Senne.
“Nee, juist extreem mager, en zijn profiel stond vol met allerlei rare hobby’s.”
“Zoals wat dan?” vroeg Christophe, “Naar de mis gaan of zo?”
“Nee, hij was lid van een Star Wars-club en er stond ook iets in over zijn level 50 trol in World of Warcraft of zo. Ik leg het nu slecht uit, maar het was precies of die jongen had nog nooit een lief gehad, en hij was 28 of zo.”
Christophe schaterlachte.
“Jezus.”
“Die mensen hebben ook liefde nodig, zeker,” zei Senne. Sophia vond dat het bitterder klonk dan hij misschien had bedoeld, maar maakte ergens een aantekening in haar achterhoofd.
“’t Zal mijn liefde alleszins niet zijn,” zei Evie, waarop ze zelf moest lachen.
“Maar er zitten toch ook normale mensen op?” vroeg Senne.
“Natuurlijk, maar je moet het kaf van het koren scheiden hé.”
Ze ging terug achterover in haar stoel zitten. Op dat moment kwam de trein ook weer in beweging.
“Wel ja,” zei Senne toen, “ik heb het zelf wel eens overwogen, maar ik denk altijd dat ik er niet klaar voor ben. Dat soort verhalen geeft me ook weinig hoop. Ik wil niet ergens eindigen met m’n ogen uitgestoken door breinaalden van een of andere crazy cat lady.”
Sophia lachte.
“De zotten haal je er zo uit, hoor,” zei Evie wijs.
“De wereld zit vol zotten,” zei Christophe vermoeid.
In de stilte die volgde bleven Sophia’s ogen toevallig op Christophe rusten, en gleden ze toen naar Evie, die allebei uit het venster keken, alsof ze zich aan hadden geboden voor een studie in contrasten. Er leek in Christophes gezicht tevredenheid te zitten, zelfs zelfgenoegzaamheid met de gang van zaken in zijn alledaagse leven en hoewel ze dat geen aangename trek vond, voelde ze afgunst op wat die mysterieuze bron moest zijn van zijn welbevinden, want ze herinnerde zich nu dat hij altijd al zo geweest was: zeker van zijn plaats in het leven, waar hij naartoe ging en met wie hij zich omringd had. Evie, aan de andere kant, had door haar open gezicht de zeldzame combinatie van wereldwijsheid en naïviteit, en Sophia kon zien dat veel mannen dat wel aantrekkelijk zouden vinden, wat haar eens te meer verwonderde over het feit dat ze haar toevlucht had genomen tot online dating. Misschien was ze te veeleisend.
“Kijk eens naar jezelf,” zei een stem in haar hoofd, met precies dezelfde intonatie als die van haar beste vriend, “Je bent zelf al meer dan anderhalf jaar single.”
Ze fronste onwillekeurig. Wat was het dan eigenlijk, dat haar single maakte? Ze probeerde daar niet te vaak bij stil te staan, ook al omdat ze moest bekennen dat ze geen man in haar leven nodig had. Dat toegeven viel haar op een rare manier zwaarder dan als het omgekeerde waar zou geweest zijn.
“Die trein blijft hier maar traag rijden, vind ik,” merkte Senne op.
“Het is altijd wel iets,” zei Christophe.
“Tja, het is een schande dat de spoorweginfrastructuur zo verwaarloosd is,” zei Senne met de boosheid van een midlifer.
“Maar wat kan je eraan doen?” vond Evie.
“Dat is het probleem juist,” pikte Senne daarop in, “Mensen aanvaarden veel te veel. Zolang we het maar genoeg meemaken, vinden we slechte dienstverlening normaal, net als dat we bijvoorbeeld dat overwerken normaal vinden.”
“Een perfecte wereld is ook niet mogelijk,” zei Christophe.
“Als we daar niet naar gestreefd hadden, leefden we nog altijd in grotten.”
Dat argument klonk Sophia zinnig in de oren, maar leek op Christophe weinig indruk gemaakt te hebben.
“Akkoord, maar op een bepaald moment moet je vooruit met iets dat goed genoeg is. Perfectionisme kan even erg zijn als nietsdoen.”
“Zo raak je ook vast in een mijnenveld van definities,” vond Sophia, “Ik zou ook wel willen dat de treinen stipter waren. Ze hoeven niet perfect op tijd te rijden.”
“Elke dag één minuut vertraging zou ik gerust aanvaarden,” zei Senne.
Christophe maakte een handgebaar. Het landschap was intussen weer aan hoog tempo beginnen voorbijrazen, en Sophia herkende al een aantal van de straten en wegen waar de trein elke dag langs ploegde. Alles zag er nat uit.
“Of twee weken minder regen op een jaar,” zei Evie.
“Daar kunnen wij niets aan doen,” zei Senne ernstig.
“Verhuizen,” stelde Sophia voor.
“Ik heb het overwogen,” bekende Christophe, “want slecht weer, dat word ik toch echt niet gewoon.”
“In warme landen is de dienstverlening meestal nog slechter,” zei Senne onheilspellend.
“Ja, maar dat is jouw probleem, niet het mijne,” zei Christophe welgemutst.
“Goh ja, misschien word ik binnen tien jaar steenrijk en kan ik me een privéchauffeur betalen.”
“Als Belfius nog bestaat,” zei Sophia.
“Ik kan ook de Lotto gewonnen hebben,” zei Senne met opgeheven vinger.
“Speel jij met de Lotto?” vroeg Evie.
“Nee.”
Iedereen lachte.
“Ik wel,” zei Sophia, “samen met een paar vrienden.”
“Ooit al iets gewonnen?” vroeg Christophe.
“Eén keer €500. Daar zijn we goed van gaan eten.”
“Mmh.”
“Ik zou niet weten wat ik zou doen als ik echt Euromillions zou winnen of zo,” zei Evie.
“Ah, ik wel!” zei Sophia, “Een huis kopen, een auto kopen, veel op de bank zetten en een jaar feesten.”
“Een jaar?” herhaalde Christophe ongelovig, “Zou dat wel lukken?”
“Niet laten merken dat je veel geld hebt, hé,” zei Sophia.
Christophe knikte en glimlachte.
“Natuurlijk. Slim.”
“Zou dat niet vermoeiend worden, elke dag feesten?” vroeg Senne zich af.
“Mja. Misschien.”
Ze wist echter dat het antwoord ‘ja’ was, vooral nu ze zich sluipend zorgen begon te maken dat haar weekends zo goed op elkaar waren beginnen lijken. De clubs, de vrienden, de mensen. Het barpersoneel dat haar voorkeuren al lang kende op het gebied van mixers en cocktails. Het was meer dan een gewoonte. Ze amuseerde zich zeker nog, maar ze had tegelijk het gevoel dat ze elk weekend staarde naar een fata morgana. Misschien wilde ze gewoon dat er iets buitengewoon zou plaatsvinden en was het daarom dat ze elke keer uitging tot vijf uur ’s ochtends, maar behalve de willekeurige nachtcharmeur of iemand met een gek verhaal, gebeurde dat nooit.
“Je kan elke dag van het jaar een ander thema nemen,” opperde Senne.
“Dieren van de boerderij,” stelde Evie voor.
“Ja, of voetfetisjisten,” zei Senne met een knikje richting Evie.
“Ik heb weer wat gezegd, blijkbaar,” zei ze.
“Je kan het ook niet helpen dat je zo’n leuke voeten hebt,” zei Sophia geruststellend.
“Ik zei toch al dat er geen foto’s van mijn voeten op stonden!”
Ook dat bleek een beetje te luid gezegd.

Verder naar deel vier.

dinsdag 13 augustus 2013

De goudvissen (II)

2. Iedereen probeerde wat plaats te maken

“Hey!”
Het drietal werd begroet door een brede glimlach vol stralend witte tanden.
“Moh.”
“Hallo!”
Het was Evie, nog een ex-studiegenote van de andere drie, die blijkbaar opgestapt was in Brussel-Zuid en zich nu op de laatste vrije plaats genesteld had. Iedereen probeerde wat plaats te maken.
“Wat doe jij hier? Werk je hier ook?” vroeg Senne.
“Ja. Allez, werken, het is eigenlijk een betaalde stage.”
“Waar dan?”
“Eh, ik weet niet of je die organisatie kent, het is het Vlaams Intercultureel Netwerk.”
“Nooit van gehoord,” bekende Senne. Ook Christophe zag er niet uit alsof die naam een belletje deed rinkelen, en Sophia had eveneens geen idee wat het Vlaams Intercultureel Netwerk mocht voorstellen.
“Wel,” zei Evie, op een toon die verried dat ze deze uitleg al vaak had moeten doen, maar nog steeds met diezelfde brede glimlach, “het VIN subsidieert artistieke producties in binnen- en buitenland die samenwerking zoeken binnen Vlaanderen. Dat zijn soms toneelstukken van scholen in Noord-Frankrijk die een stuk spelen in het Nederlands, of een artiest hier die bijvoorbeeld wil samenwerken met iemand uit Rusland of India.”
“Ach zo,” zei Senne.
Sophia verbaasde zich inwendig over Evie’s perfect geknipte frou, die blijkbaar stand had gehouden in de regen. Ze moest ook denken aan wat ze daarnet gezegd had tegen Senne over hipsters, want Evie was er duidelijk wel één. Niet dat ze onsympathiek was, verre van, maar Evie bewoog zich in een wereld waar Sophia direct door de mand zou vallen door haar gebrek aan kennis van wat de laatste coole band was of wat de nieuwste sensatie was in beeldende kunst.
“Je stage is betaald, zei je?” vroeg Christophe aan Evie, “Dan heb je geluk.”
“Ik weet het,” zei Evie, “het is zo al moeilijk genoeg om werk te vinden in de culturele sector.”
“Hm. Jij hebt zeker cultuurmanagement gedaan na Twee Talen?” vroeg hij.
Ze knikte.
“Ja, onbetaalde stages, dat is een echte plaag,” zei Senne.
“Hoezo?” vroeg Sophia.
Senne was duidelijk blij met die vraag en prutste opnieuw aan zijn dasknoop terwijl hij antwoordde als een volleerde docent.
“Bedrijven weten dat er voor elke vacature die ze uitschrijven, zeker in sectoren als cultuur of marketing, veel meer kandidaten zijn dan er ooit werk zullen vinden. Voor jobs die niet bijzonder veel ervaring vereisen, nemen ze stagiair na stagiair aan die ze niet hoeven of niet willen betalen, omdat ze het zich kunnen permitteren. Zo zijn er niet alleen mensen die zonder werk blijven zitten, er zijn ook altijd maar meer mensen die misschien 24 of 25 zijn en nog geen dag betaald zijn voor het werk dat ze gedaan hebben, terwijl de bedrijfswereld daar natuurlijk winst op maakt.”
“Ik denk niet dat de cultuursector daar winst op maakt,” meende Christophe.
“Het principe blijft hetzelfde. Het is niet omdat een organisatie moet overleven op subsidies, dat ze daarom haar werknemers als slaven moet behandelen.”
“Pff, vind ik wat overdreven hoor,” zei Christophe.
Sophia dacht aan haar eigen werk.
“Ik moet zeggen dat we dat ook vaak te horen krijgen op kantoor: bedrijven die zeggen dat ze intern al iemand hebben voor vertaling. Dat blijken vaak studenten, of vrijwilligers die een beetje vertaalwerk doen, maar ja, de kwaliteit blijkt dan ook ondermaats te zijn.”
“Dat is nog zo’n gevolg, inderdaad,” zei Senne.
De trein kwam in beweging, wat samenviel met een korte pauze. Het leek alsof hij langer had stilgestaan dan anders, maar niemand zei er iets van. Uit vele zitplaatsen stegen gesprekken op. Enkele zetels verder zat er iemand een broodje uit luidruchtig krakend papier te halen. Blijkbaar had Evie het ook gemerkt.
“O God,” zei ze tegen de drie anderen, op een wat stillere toon, “dat is zo erg, maar ik kan het geluid van mensen die op de trein zitten te eten, echt niet verdragen.”
“Bedoel je die gast met zijn broodje?” vroeg Sophia.
“Ja. Ugh.”
Sophia liet haar blik nog eens op de man vallen. Hij zag er eerlijk gezegd nogal zielig uit: permanent naar beneden getrokken mondhoeken, vormeloos gezicht, kalend. Ze kon zich niet voorstellen dat hij gelukkig was.
“Mij stoort het alleen maar als het chips is of zo,” zei Senne.
“Te luide muziek vind ik veel irritanter,” vond Christophe.
“Het is allemaal even ergerlijk,” lachte Evie.
“Mja. Waar eindigt het dan hé? Mag niemand nog één geluid maken?” vroeg Senne.
“In Engeland heb je van die stille coupés,” herinnerde Sophia zich. Ze dacht aan haar citytrip naar Manchester van twee jaar terug met vier vriendinnen, en dat ze op die trein vooral geslapen had, eerst om te bekomen van erg vroeg de Eurostar te nemen, op de terugweg om uit te blazen van een nacht doorsteken in een uitgaansbuurt die er op z’n zachtst gezegd apocalyptisch had uitgezien. Als een schilderij van Hiëronymus Bosch, dat was het geweest, en ze had zich toen best clever gevoeld met die opmerking. Het leek haar niet iets waar Senne of Evie van onder de indruk zouden zijn.
“Hm, dat is interessant,” zei Evie, die haar warme ogen opsloeg naar Sophia, “zouden ze hier ook moeten doen. Geen baby’s, geen telefoons, geen eten of drinken.”
“Wat doe je dan met iemand die in slaap valt en ligt te snurken?” vroeg Christophe.
“Geen idee,” zei Sophia met een schouderophalen, “voor zover ik weet was ik het wel die toen lag te snurken.”
Gegrinnik.
“Ik wou trouwens even terugkomen op wat je zei van die stagiairs,” zei Christophe toen tegen Senne, “Wij hebben er ook regelmatig rondlopen, en misschien vind je het oneerlijk dat die niet betaald worden, maar het zijn ook stagiairs voor een reden: ze kunnen niet wat een voltijdse werknemer kan, ze moeten het vak nog leren.”
“Akkoord,” zei Senne, “ik zeg ook niet dat ze altijd veel toegevoegde waarde leveren, maar het is wel zo dat ze in steeds meer gevallen echt wel het werk doen van een voltijdse werknemer.”
“Ik heb toch ook veel onbetaald stagewerk gedaan met veel verantwoordelijkheden, hoor,” zei Evie tegen Christophe, “Ik bedoel, voor het Filmfestival moest ik bussen met VIPs coördineren en zien dat al die mannen op tijd aankwamen, weg waren en naar de juiste plaatsen op het festival gebracht werden.”
“Hm,” zei Christophe slechts.
“Wat voor VIPs waren dat dan?” wilde Senne weten.
Evie haalde de schouders op en glimlachte weer haar charmante glimlach. Vanuit haar ooghoek had Sophia door dat die zijn effect op Senne niet miste.
“Ach ja, zakenmensen, sponsors, hier en daar een acteur of een regisseur.”
“En allemaal mannen, zeker?” vroeg Sophia.
“Ja.”
“Bij ons circuleerden er ook VIP-tickets, ik herinner me dat nog,” zei Christophe, “Het was wel ongelooflijk wat sommige mensen over hadden voor wat gratis champagne en een film. Het was allicht niet eens champagne?”
“Natuurlijk niet,” zei Evie.
Christophe lachte duister.
“Typisch. De meeste van die gasten proeven niet eens het verschil, maar ze zeggen allemaal van wel.”
Sophia dacht terug aan ‘exclusieve’ feestjes die georganiseerd waren door mensen die ze kende, en wist zelf ook dat er telkens opnieuw intuinden om veel geld neer te tellen om zich belangrijk te voelen. Ze begreep dat wel. Voor haar betekende het niks omdat ze uit een familie kwam die altijd al rijk was geweest en dat vanzelfsprekende zelfvertrouwen meegegeven had aan alle kinderen, maar ze was niet blind voor het feit dat die ene avond geld kunnen uitgeven als een oliesjeik op zwier in Las Vegas, ook al was het aan verdunde cava in plastic fluiten, voor sommige mensen belangrijk was.
“En wat doen jullie dit weekend?” vroeg Evie toen, nadat niemand nog iets zei.
“Ik ga misschien eten met de familie van m’n lief,” herhaalde Christophe kort wat hij al gezegd had voor Evie hen vervoegd had.
“Ik weet het zelf nog niet,” zei Sophia.
“Bij mij wordt het een filmmarathon.”
“O, leuk. Welke film?”
“De hele ‘Lord of the Rings’-trilogie.”
“Director’s cut, hopelijk?”
“Natuurlijk. En wat doe jij?”
“Ik zal moeten werken, vrees ik,” zei Evie.
“Dat is niet leuk,” vond Sophia. Ze had een hartsgrondige hekel aan weekendwerk.
“Helaas hoort het er soms bij,” zei Evie.
De trein was op volle kruissnelheid gekomen. Beton en groen wisselden lage bomen en voorsteden af aan een ijltempo. Ergens trokken ze ook door de streek waar Sophia zelf vandaan was gekomen, maar nu eigenlijk geen band meer mee voelde.
“Overwerk vind ik niet zo erg, maar weekendwerk, daar trek ik toch de grens,” zei Sophia.
“Ik denk precies het omgekeerde,” zei Senne, “Ik ben ook weggegaan waar ik voordien werkte omdat er zo’n cultuur van overwerk heerste. Onbetaald, trouwens.”
“Zolang je werk maar gedaan is,” vond Christophe. Hij zag er weer bijzonder Frans uit.
“Ja,” ging Senne akkoord, “maar te veel overwerk wijst er ofwel op dat je je job niet goed doet, ofwel dat ze meer mensen moeten aannemen. Er zijn ook mensen die overwerk zitten te doen voor de schijn, maar in werkelijkheid Farmville zitten te spelen.”
“Ik had zo’n collega,” grijnsde Christophe, “tot m’n vader erachter kwam.”
“Ik kan gelukkig m’n uren min of meer zelf kiezen,” zei Sophia, “Dat is echt geweldig.”
“Mooi,” zei Evie bewonderend, “ik wou dat ik dat ook kon. Op sommige dagen ben ik al na drie uur klaar, maar er zijn dagen dat ik met tien uur nog niet rond zou komen.”
“Tja. Onze werkindeling dateert uit de negentiende eeuw, toen de meeste mensen arbeider waren en op tijd achter een machine moesten gaan staan. Dat is nu nogal achterhaald. Terwijl we nota bene productiever zijn dan ooit.”
Sophia keek vreemd naar Senne op.
“Nota bene?” lachte ze.
Senne keek verward.
“Ja, ik wist niet dat er mensen waren die dat in spreektaal gebruikten.”
Evie en Christophe lachten hartelijk.
“Beroepsmisvorming,” gaf Senne toe, “Ik word de hele dag omringd door bankadviseurs.”
“Het is ok hoor,” stelde Sophia hem gerust.
Ze vroeg zich af in hoeverre mensen na een tijd hun werk werden. Ze betrapte zich er ook op dat ze soms in haar hoofd doelloos zat te vertalen, of dat ze de neiging had mensen die toegaven dat hun Frans niet al te best was, mentaal een klein minteken opplakte, terwijl dat niets zei over hun kwaliteiten als persoon. Het was eigenlijk geen opbeurende gedachte.
“Iedereen heeft dat wel,” zei Evie, “Ik moet soms ook beseffen dat bijna niemand er om geeft wat wij op het VIN doen, behalve die drie man en een paardenkop die het cultuurbeleid volgt.”
“Het kan ook omgekeerd,” zei Senne, “Iedereen heeft een mening over banken, en zeker over Belfius, maar slechts weinig mensen hebben er verstand van. Daartoe reken ik trouwens de meerderheid van de mensen die voor een bank werkt.”
“Wat is je specialisatie eigenlijk?” vroeg Christophe.
“Uitbesteding van diensten,” antwoordde Senne.
“O. Toevallig geen industriële textielreiniging nodig?”
Senne moest lachen.
“Ik zal eens navraag doen.”
De trein vertraagde.
“Zijn we er bijna?” vroeg Evie, kinderlijk haast.
“Nope,” zei Christophe, die uit het raam keek, “nog lang niet.”
Met een geknars van metaal op metaal stopte de trein.

Verder naar deel drie.

maandag 12 augustus 2013

De goudvissen (I)

1. Het regende dat het een ongeluk goot

Het regende dat het een ongeluk goot, maar Sophia stoorde zich daar niet aan, niet alleen omdat je daar buiten de natte vloeren in Brussel-Centraal toch niks van merkte, maar ook omdat het een soort mantel over de wereld leek te leggen waar harde geluiden van luidsprekers, auto's en treinen automatisch gedempt werden. Ze voelde zich moe en luisterde ook niet echt naar de muziek in haar oortjes. Ze hoopte op een kalme treinrit.
“Hallo.”
Ze draaide zich om en keek in het gezicht van Senne. Ze besefte dat ze hem hier al eens gezien had, maar dat ze toen niet gesproken hadden.
“Oh hey.”
“Lang geleden.”
Ze deed haar oortjes uit en schakelde haar mp3-speler eveneens uit.
“Zeg wel. Moet je ook terug naar Gent?”
Senne knikte. Hij droeg een natte lange jas. Zijn das zat scheef.
“Yup. Elke dag. Normaal neem ik een vroegere trein, maar ik moest langer werken.”
“Waar werk jij ook alweer?”
Op een ander spoor kwam een trein aan met een hels gepiep. De perrons stonden overvol. Senne kneep zijn ogen samen, alsof dat zou helpen om het lawaai te verminderen.
“Bij Belfius,” zei hij met een grimas.
“O ja,” zei Sophia, “dat is nog waar ook. Hoe staan de zaken daar nu?”
Senne haalde de schouders op.
“Ik heb nog werk,” zei hij zuinig, “en wat doe jij? Vertalen, was het?”
Sophia knikte.
“Frans-Nederlands en Nederlands-Frans,” vulde ze aan.
“Daar is altijd wel vraag naar,” zei Senne.
“Dat wel, maar er is veel competitie.”
“Mja. Deze economie.”
Ze wierpen gelijktijdig een blik op het aankondigingsbord. Geen vertraging vandaag, of toch alleszins geen vertraging die meer zou moeten bedragen dan vijf minuten.
“De treinen rijden weer wat stipter de laatste tijd,” zei Senne. Hij herschikte zijn das.
“Als hij te laat is, kan je er niets aan doen.”
Sophia had geprobeerd zich vooral niet te ergeren aan de onbetrouwbaarheid van het openbaar vervoer in Brussel toen ze er begon te werken. Het had gewoon geen zin.
“Mmh. Ik zorg ervoor dat ik altijd een boek bij heb,” zei hij.
“Ik lees echt te weinig de laatste jaren.”
Ze hadden allebei talen gestudeerd, maar hadden in andere jaren gezeten. Ze kenden elkaar vooral van naar dezelfde cafés te gaan. Sophia kwam daar nog steeds, maar Senne was er al lang niet meer geweest, bedacht ze zich.
“Ga jij eigenlijk nog vaak uit?” vroeg ze.
“Niet echt, ik heb het allemaal zo'n beetje gezien. Soms ga ik eens naar de Oude Beestenmarkt, maar ik blijf nooit lang.”
“Bij de hipsters,” glimlachte Sophia.
“Precies,” zei Senne, waarbij zijn glimlach een reeks sterke, gele tanden toonde. Het viel Sophia op dat hij de laatste jaren verouderd was en dat zijn haar ook dunner was geworden.
“Maar,” zei hij toen, “liever hipsters dan de zoveelste plek vol studenten, of van die afgelikte kerels met strakke hemdjes.”
“Ach, ik weet het niet,” zei Sophia, “je gaat toch niet echt voor de mensen maar om je te amuseren?”
“Mensen vormen wel een belangrijk deel van je amusement.”
Ze dacht aan gezichtsloze, slecht dansende mannen - inderdaad, met te strakke hemden - onder donkerblauw licht. Ze had er zich met de jaren in bekwaamd om niet steeds in gesprekken met dat soort types te raken, maar in van die hipsterbars kon ze zich ook niet vinden. Ze voelde er zich te gewoontjes voor, alsof iedereen er automatisch op haar zou neerkijken omdat ze geen idee had wat de laatste coole band was of welk patroon de legging van de week had.
“Het zijn de vrienden waar je mee optrekt die tellen,” zei ze.
“Dat is ook waar,” gaf Senne toe.
De trein kwam langzaam binnengerold. De massa op het perron zette zich schrap, jockeyde voor de beste posities als de deuren zouden opengaan. Tot Sophia’s opluchting bleef Senne gewoon staan waar hij stond en overschouwde hij het gekrioel met berusting. Ze hield niet van mensen die van alles een race wilden maken, en het deed haar bovendien nog vermoeider voelen dan ze zich al voelde. Terwijl ze wachtten tot de trein tot stilstand kwam, wierp ze nog een zijdelingse blik op Senne en zijn uitdunnende haar.
“En, ben jij nog samen met Erica?” vroeg ze, toen ze vlak naast elkaar voor de deuren stonden. Ze bemerkte dat ze automatisch een hekel had aan die naam toen ze hem uitsprak, maar kon niet zeggen waarom.
Hij leek verrast door die vraag.
“Nee. Al anderhalf jaar niet meer,” antwoordde hij, “en hoe zit het bij jou?”
“Het is kalm,” zei ze. Ze had geen zin uit te wijden over de drie opeenvolgende mislukte relaties van het laatste jaar, waarna ze er meer dan ooit een punt van gemaakt had niks te beginnen met mannen die ze leerde kennen als ze uitging. Eén ervan was te dom gebleken om te helpen donderden, de tweede te onbetrouwbaar en de derde veel te opdringerig.
“Dat kan goed zijn,” zei Senne, maar het leek op een rare manier meer alsof hij dat tegen zichzelf zei.
Ze stapten op. Sophia was eerst. Een deel van haar baalde ervan dat ze de treinrit niet kon gebruiken om een dutje te doen, maar Senne was niet het onaangenaamste gezelschap.
In de coupé trof haar blik als vanzelf de blik van Christophe, ook al een ex-studiegenoot. Ze wist dat hij in Brussel werkte maar was hem nog nooit eerder tegengekomen. Hij herkende haar en Senne en legde zijn schoudertas opzij om hen plaats te kunnen bieden.
Er werden groeten uitgewisseld terwijl alle zetels in de coupé snel bezet werden door pendelaars, studenten, toeristen en bejaarden. De sfeer was drukkend.
“Zo, Christophe, da’s ook al lang geleden,” zei Senne.
“Zeg wel,” zei hij. Christophe zag er eigenlijk uit als een Fransman, met zijn gestreepte hemd, keurige haar en iets donkerder tint.
“En… werken jullie samen of zo?” vroeg Christophe, terwijl hij van Sophia naar Senne keek.
“Nee,” zei Sophia, “we zijn elkaar ook toevallig tegengekomen op het perron. Ik vertaal.”
“En ik werk bij Belfius,” zei Senne. Christophe maakte er geen opmerking over. Sophia wist dat hij werkte in het bedrijf van zijn vader, een koeriersdienst die actief was in heel Brussel.
Het was even stil tussen hen, alsof er nu een estafettestok gevallen was en iemand hem maar moest oprapen.
“Hebben jullie al plannen voor het weekend?” vroeg Sophia toen, terwijl ze zichzelf verweet wat voor een clichévraag dat was.
“Niet echt,” zei Christophe met een schouderophalen, “het kan zijn dat ik ga eten met mijn schoonfamilie.”
“Schoonfamilie? Ben je getrouwd?” vroeg Senne.
Hij lachte.
“Nee. Bij wijze van spreken. Voor mij hoeft al dat trouwen niet.”
“Ach, ik vind het wel iets hebben,” vond Senne.
“Ik vind het ook niet nodig,” zei Sophia. Ze dacht aan foute huwelijksfeesten en de echtscheiding van haar oudste broer, die nu volop in een midlifecrisis zat. Het was lelijk om te zien.
De trein zette zich in gang.
“Dat zijn de moderne tijden, zeker,” zei Senne, die met zijn uitspraak oud klonk, dat leek te beseffen en toen vergoelijkend lachte, “die jeugd van tegenwoordig toch, niet!”
“Je bent maar een jaar ouder dan ons,” zei Sophia. Senne bleef glimlachen.
“Ik zie de romantiek van dat trouwen gewoon niet,” zei Christophe onverstoord.
“Ik zeg ook niet dat het met een lange witte jurk en in een kerk moet zijn, hé,” verdedigde Senne zich, “maar ik vind het idee wel mooi. Ik bedoel, dat uitspreken tegenover de gemeenschap, zo van ‘ok, dit zijn wij, en wij zijn van plan om samen oud te worden’. Bovendien is het ook leuk om iedereen nog eens samen te krijgen.”
“Er zijn ook wel massa’s veel echtscheidingen,” zei Sophia, die opnieuw aan haar broer dacht.
Senne haalde zijn schouders op.
“Sowieso,” zei Christophe, waarbij zijn mond in een karteling vertrok die halverwege lag tussen misprijzen en aanvaarding, “ik weet niet of iets eeuwig blijft duren.”
Hij keek uit het venster. De rosheid van de Brusselse binnenstad gleed traag voorbij.
“Is dat niet nogal makkelijk om te zeggen?” vroeg Senne, “Het is soms ook een excuus om niet te proberen.”
“Waarom is het dan eigenlijk uit geraakt tussen jou en…,” vroeg Sophia, waarbij ze vermeed die lelijke naam ‘Erica’ te zeggen.
“Heh,” zei Senne, “Nu heb je me. Het was niet mijn schuld.”
Christophe keek geamuseerd weg van zijn venster en keek Sophia en Senne aan.
“Dat zegt iedereen toch?”
“Ik zweer het,” zei Senne, “Ze was blijkbaar verliefd op haar yogaleraar.”
“Yogaleraar?” herhaalde Christophe, opnieuw met die afwijzende kronkel om z’n mond.
Sophia moest lachen.
“Had hij een staartje en sprak hij over helende chakra’s?”
“Het leek me zo’n type, ja. Hij had zo’n boekje geschreven over aryuvedische geneeskunde waarin hij zichzelf citeerde. Zegt genoeg, denk ik,” zei Senne, “Erica voelde zich ‘spiritueel openbloeien’ bij hem, maar echt serieuze filosofie interesseerde haar niet.”
“Beter kwijt dan rijk,” besloot Christophe.
“Zo denk ik er nu ook over,” zei Senne, “maar goed,” – en daarbij draaide hij zich terug naar Sophia – “dat wil niet zeggen dat elke relatie daarom moet eindigen.”
Het was weer stil tussen hen. De trein rolde traag Brussel-Zuid binnen. Hier en daar stond iemand op, maar de meeste passagiers maakten zich vooral op voor de tweede instroom van pendelaars, toeristen en mensen die om God wist welke reden uit Brussel weg moesten.
“Soit. Hoe staat het dan met jouw weekendplannen?” vroeg Christophe toen aan Sophia, om het onderwerp van daarnet te hernemen.
“Nog geen vaste plannen,” antwoordde ze, waarna ze haar schouders ophaalde.
Ze wist echter dat de kans groot was dat ze in dezelfde bars en clubs zou terechtkomen waar ze anders bijna elk weekend zat. Ze spiegelde zichzelf soms graag voor dat weekends braakliggend terrein waren, en dat ze eindelijk nog eens een theatervoorstelling zou gaan bekijken, of naar een museum zou gaan, maar het kwam er nooit van. Omdat het er nooit van kwam, voelde ze ook dat ze ingeboet had aan een onzichtbaar cultureel kapitaal, wat haar nog terughoudender had gemaakt om eindelijk eens iets anders te doen dan uitgaan, uitslapen en uitkateren. Die levensstijl kon geen jaren meer blijven duren, wist ze, maar het was ook niet dat ze er iemand iets mee misdeed. Dat ze er zich niet onverdeeld gelukkig over voelde kwam misschien door het idee dat het niet hoorde om op haar 27 nog elk weekend tot in de vroege uurtjes weg te blijven, terwijl veel leeftijdgenoten in een warme cocon zaten van kleine vriendenkringen en langdurige relaties.
“Hm,” zei Christophe slechts. Hij vroeg niet door.
De deuren van de trein waren opengegaan.
“Ik ga me wagen aan een ‘Lord of the Rings’-filmmarathon,” kondigde Senne aan.
“Leuk,” glimlachte Sophia, “zou ik misschien ook eens willen doen.”
“Ik ben in slaap gevallen in de cinema toen ik de eerste ging bekijken,” bekende Christophe, “Al dat gedoe met orks en elfen is niets voor mij.”
“Je moet er voor zijn,” zei Senne laconiek.
Een deel van Sophia wenste dat Senne haar zou uitnodigen om mee te kijken, niet omdat ze hem zo boeiend vond, maar omdat ze er eens iets anders zou door doen dan wat ze gewoon was, ook al was het eigenlijk gewoon voor tv zitten. Maar Senne zei niets in die strekking.
Mensen stroomden over het gangpad.

Verder naar deel twee.

woensdag 27 maart 2013

Einde (III)

3. Laatste woorden

“Ik, Tja,” zeg ik, en laat dat laatste woord even tussen ons in hangen. Ons tempo is al wat vertraagd in de zon.
“Iedereen die belangrijk voor me is, laten weten dat ik heb graag zie, en daarna naar m’n familie rijden in Eeklo.”
“Het einde van de wereld in Eeklo,” zegt Frank plechtig, “het zou de titel kunnen zijn van een boek.”
“Het is misschien niet spectaculair,” geef ik toe met een schouderophalen, “maar als je erover nadenkt, gaan alle stranden, bergen en plekken met een mooi uitzicht toch al bezet zijn.”
Jelena trekt haar neus op.
“Inderdaad. Dan liever thuis zitten.”
“Maar misschien denkt iedereen dat, en blijft iedereen thuis,” oppert Frank.
We komen bij een open, ronde plek met in het midden een verweerd prieel. Er spelen twee kinderen. Alle bankjes errond zijn bezet.
“Dat zal ook wel niet,” zeg ik beslist. We blijven even staan om een groep andere mensen van onze leeftijd door te laten.
“Heb je die gast gezien met zijn zwart haar?” vraagt Jelena aan me als ze net buiten gehoorsafstand zijn. Frank draait zich om en fronst.
“Ja,” zeg ik, “knap, maar ziet er arrogant uit.”
“Die met die zonnebril in z’n haar?” vraagt Frank, met één opgetrokken wenkbrauw.
“Wat maakt dat nu uit?” vraagt Jelena, “je kijkt toch naar z’n gezicht en niet naar wat hij in zijn haar heeft.”
“Bovendien is het een warme dag en je kan je zonnebril niet altijd op hebben,” val ik haar bij. We komen weer in beweging.
“Ja, ok. Maar mannen met een zonnebril in hun haar komen altijd fout over. Ze doen met denken aan van die macho kmo-bazen van midden de veertig, je weet wel, met zo’n patserige Mercedes, een dure smartphone en een enorme eigendunk.”
“Iemand is jaloers hier,” zingt Jelena. Frank lacht.
“Niet echt.”
“Mijn vader is ook een kmo-baas van in de veertig,” zeg ik tegen Frank, een beetje beledigd door het karikatuur dat hij van dat soort mensen schetst.
“Draagt hij z’n zonnebril in zijn haar?” vragen Frank en Jelena.
“Hij is kaal,” zeg ik.
Nog drie jongens komen ons voorbij. De knapste van de drie heeft ook een zonnebril in zijn haar, en ik moet toegeven dat die er inderdaad arrogant uit ziet.
“Zie je wel?” zegt Frank. Hij heft z’n hoofd hoog en doet alsof hij van zijn sociologische triomf geniet.
“Ja, en toch maakt dat niet zo veel uit hoor,” vindt Jelena.
“Wat vind je daar dan van bij vrouwen?”
“Doen die dat ook, dan?” vraagt Frank zich luidop af, waarop hij zich al snel herstelt: “Ik ken er inderdaad een paar die dat doen. En ja, het gaat ook voor hen op. Meisjes met veel geld, meestal.”
“Je kan je ook duur kleden en toch arm zijn, als kleren je prioriteit zijn,” zeg ik.
“Dat zal je zeker wel al gezien hebben op je werk?” vraagt Frank aan mij.
“Bij sommige thuisbezoeken, ja. Slecht onderhouden huizen, diepvriesmaaltijden, apparaten die niet goed meer werken en de kinderen die bepaalde schoolboeken niet hebben, maar hun tweedehands-BMW is tot in de puntjes verzorgd.”
“Ik had ook ooit zo’n lief,” zegt Jelena, “en hij zei dat zijn huis hem niets uitmaakte omdat daar bijna nooit iemand kwam. Met zijn auto moest hij overal komen, en dat maakte veel meer indruk.”
“En toch zal ook dat niets meer uitmaken als de wereld ten onder gaat,” zeg ik, terwijl ik in de verte de heuvel in het park zie opdoemen, met keurig verspreide groepjes zonnebaders op handdoeken.
“Hij kan de ondergang tegemoet rijden in zijn BMW,” zegt Frank.
“Iedereen die een BMW heeft, mag er voor mijn part mee ten onder gaan,” zeg ik schamper, “of nee, laat maar zitten. Het zijn Audi-chauffeurs die tegenwoordig eikels zijn.”
“Zeker als ze een zonnebril in hun haar dragen,” voegt Frank er aan toe. Jelena lacht, maar houdt dan abrupt op.
“Kijk,” zegt ze, “weer een ijskraam.”
“Niet naar kijken,” zeg ik, terwijl snel achter haar kom en haar tegen hou aan haar frêle schouders, “dat is wat ze willen dat je doet!”
Frank overweegt om nog een sigaret op te stekken, maar wist het zweet van zijn voorhoofd en bedenkt zich.
“Maar... ik kan... er niet... weerstaan,” zegt Jelena, zwak worstelend in mijn greep. Frank kijkt ons zijdelings geamuseerd aan.
“En wat als ik trakteer?” stelt hij voor, “Ik denk dat we wel een pauze verdiend hebben, nu.”
“Ja!” zeggen Jelena en ik in koor. Ik pak Frank even vast.
“Beste vriend ooit!”
Hij glimlacht bescheiden, op een manier die hem moeilijk afgaat.
“Maximum twee bollen elk, wel,” voegt hij er aan toe.

Vijf minuten later zitten we in de schaduw van een laag muurtje gretig aan het roomijs te likken. We zijn nu zelf deel van het decor geworden waar we daarnet doormeanderden. Ik denk er even niet aan dat het zondag is, en morgen weer een werkdag. Ook andere zorgen zijn veraf, gaand van een afwas van drie dagen die nog moet gedaan worden tot en met een ex-lief dat ik onlangs weer tegenkwam en die me bij die hatelijke naam Alfredina noemde. Ik kijk naar Jelena en Frank, die dezelfde gemoedstoestand uitstralen – Frank die als een hagedis met zichtbaar genoegen ijs van z’n hoorntje wegsteelt, en Jelena die alleen maar verticaal likt.
“Er hangt een dot ijs aan je neus,” zeg ik tegen Jelena. Ze lacht en veegt ‘m snel af.
“Overkomt mij ook vaak,” zegt Frank, wiens lange neus inderdaad vervaarlijk dicht bij de bovenste bol van zijn ijsje komt.
“It was as if the world was one big Sunday afternoon. Nothing to do, nowhere to go,” citeer ik iemand waarvan ik de naam al vergeten ben.
“Verdomme toch,” zegt Jelena nu, tussen twee happen door, “het is echt wel een schitterende dag.”
“Misschien dat de wereld best op zo’n dag eindigt. Plots.”
De avondschemer zet zich langzaam verder.

dinsdag 26 maart 2013

Einde (II)

2. Doodgaan is doodgaan

"Om eerlijk te zijn vind ik je plan voor het einde van de wereld nogal flauw, Frank," zeg ik, "Ik bedoel, reduceert het je hele leven niet tot wat drinken en seks?"
"Natuurlijk is mijn leven meer dan dat," verdedigt hij zich terwijl hij zijn ogen samenknijpt tegen het zonlicht, "maar denk je echt dat het een jota uitmaakt of je je laatste momenten zit te mediteren of je tuinhek repareert? Niemand zal er een barst om geven."
"Je kan toch samenkomen met vrienden ook?"
"Sorry, als het gedaan is, ben ik liever alleen. Ik hoef geen miserabele mensen om me heen als ik zelf al miserabel ben."
"Dat vind ik echt griezelig," zegt Jelena, "ik zou niet alleen kùnnen zijn op zo'n moment."
"Goed, maar het zou geen verschil maken."
"Voor mij wel."
Frank maakt een handgebaar en kijkt naar mij.
"Ik denk trouwens dat je nog moest zeggen wat jij ging doen."
"Was het niet Jelena’s beurt?"
In het gras zitten twee mensen met twee verschillende honden, die mak naast elkaar liggen in de warmte. Een fietser rijdt langs in volle amateurwielrennersoutfit. Rood stof van het wandelpad dwarrelt omhoog.
“Shit ja,” zegt Jelena, “wel... Ik zou er zelf een einde aan maken voor het zo ver komt. Misschien eerst nog wat muziek opzetten, vrienden zien, sigaret roken. Maar daarna is het gedaan.”
“Hm,” zeggen Frank en ik tegelijk, waarop we lachen. Jelena kijkt op naar ons beiden.
“Het is toch zo raar niet? Als we er toch allemaal aan gaan, doe je ’t beter zelf. Dan heb je nog een keuze hoe je doodgaat.”
“Dat is waar,” geeft Frank toe.
“Hoe zou je het dan doen?”
Jelena haalt haar schouders op. In de verte vliegt een frisbee omhoog boven de struiken. Iemand roept.
“Aders oversnijden en dan in bad gaan zeker.”
Frank lacht.
“Klinkt zeer gewoontjes allemaal.”
“Doodgaan is doodgaan. Dat is niet zo speciaal, toch?” zegt Jelena.
“Maar stel nu dat de wereld uiteindelijk niet eindigt,” zeg ik, “dan lig je daar dood.”
“Ja-a,” zegt Jelena, “maar dat zou ik toch niet weten.”
“Tenzij je gelooft in leven na de dood,” zegt Frank.
“Geloof jij daar dan in?” vraag ik aan hem. Het lijkt me on-Franks om in zoiets te geloven.
“Natuurlijk niet,” stelt hij me direct gerust, “maar je kan het nooit uitsluiten.”
“In de hypothese die Frank stelde, was het einde van de wereld trouwens wel een gegeven,” zegt Jelena nog. Ik wil iets zeggen, maar haar aandacht wordt getrokken door een enorme hond die blij voor zijn baasje uit rent.
“Machtig,” zegt ze. Ook Frank grijnst.
“Dat is tenminste een echte hond,” zeg ik, “zo geen kuitenbijtertje.”
“De max toch,” zegt Jelena, die de hond nakijkt alsof het een knappe man is.
“Ja, ik heb gelezen dat als de mensheid plots zou verdwijnen, dat die kleine hondjes binnen een paar jaar zouden uitsterven. Alleen grote honden zouden kunnen overleven.”
“Wel, ze verdienen het,” zeg ik. Frank lacht boosaardig.
“Zo ken ik je wel, Dina,” zegt hij. Ik lach terug en kijk dan voor me uit. Even verder liggen bloembakken met knalrode bloemen. Tussen de pilaren in het gras zitten twee groepjes jongeren. Er ligt een fiets neer in het gras.
“Ha,” zegt Jelena, die haar dunne armen spreidt en haar ogen sluit, “eindelijk nog eens een mooie dag. Het werd tijd.”
“Ja, en wat doen wij? Praten over het einde van de wereld.”
“Daarover praten op een dag met regen en mist is zo’n cliché,” zegt Frank.
Het is even stil.
“Ik denk – zou het einde van de wereld niet heel veel geweld opleveren?” zeg ik, “Ik bedoel, neem nu dat radio en tv aankondigen dat het gedaan is binnen een week, onherroepelijk. Er zouden toch erg veel mensen zijn die zouden gaan moorden, plunderen en verkrachten.”
“Hm, ik denk dat dat wel zou meevallen. Misschien ook omdat iedereen daarvoor zou vrezen, en dus iedereen binnen zou blijven,” zegt Frank.
“Ja, maar jij bent een man. Jij hebt minder te vrezen dan wij.”
Frank laat z’n onderlip boven z’n bovenlip krullen.
“Goed punt. Toch denk ik dat mensen elkaar meer gaan opzoeken voor troost en steun, dan dat ze plots de boel in de fik zouden steken en elkaar de kop zouden inslaan.”
“Ik denk ook dat dat hier nog zou meevallen,” zegt Jelena, “misschien dat het in andere landen anders zou zijn.”
Ik frons en kijk naar een man met een zonnebril die op een verhoogje zit. Hij is alleen. Zou hij bij een nakende apocalyps veranderen in een gewetenloze moordenaar of een verkrachter? Of zou hij net als Jelena thuis blijven, een trieste plaat opzetten en dan zelfmoord plegen?
“Veel hangt ook af van wie de leiding neemt over gemeenschappen en groepen,” zegt Frank dan, “één individu kan veel invloed hebben. Ik denk dat je plots weer veel mensen in de kerk zou zien zitten.”
“Misschien zou ik dat ook wel doen,” zegt Jelena.
“Jij gelooft toch niet?” merk ik op.
“Ja, maar je moet toch niet geloven om tot rust te kunnen komen in een kerk?”
“De Kerk is er voor iedereen,” zegt Frank plechtig.
“Ach, ga weg,” zeg ik, “ik zou wel wat beters doen met mijn tijd dan bij een hoop bejaarden te gaan zitten. Trouwens, ik denk niet dat pastoors veel zinnigers te zeggen zouden hebben dan de willekeurige man in de straat, in zo’n geval.”
“Ik zou het ook niet doen,” zegt Frank, “al was het maar omdat ik op dat moment niet wil herinnerd worden aan al m’n katholieke zonden.”
“Zonden zijn cool,” zegt Jelena.
“Dat zijn ze,” knikt Frank. Ik lach.
We komen langs een bestelwagen die ijsjes verkoopt.
“Heeft er iemand zin in een ijsje?” vraagt Jelena.
“Hmm, dat wel, maar ik ben aan het diëten,” zeg ik.
“Wat? Dat is nergens voor nodig,” zegt Jelena.
Ik zeg niks. Het is makkelijk voor Jelena om zoiets te zeggen, mager als ze is. Als je bijna een meter tachtig bent en door de zeventig kilo weegt, liggen de zaken anders. Frank kijkt verlangend richting ijsventer, maar zegt ook niks.
“Hé trouwens, jij hebt eigenlijk nog niet gezegd wat je zou doen,” zegt hij dan tegen me, terwijl hij zoekt naar een nieuwe sigaret.

Verder naar deel drie.

maandag 25 maart 2013

Einde (I)


1. Niets nieuws onder de zon

De eerste aanzet van de schemer maakt zich kenbaar, maar dat is geen aanleiding voor de mensen die lui in het gras liggen, op dekentjes en met radio's, om naar huis te gaan. Het is een warme zomeravond. Met ons drieën wandelen we over de paden van het park. Ik slenter een beetje achter Jelena en Frank aan.
"Gaan we te snel?" vraagt Frank, die zich met een kwartslag omdraait. Zijn indrukwekkende neus snuift licht spottend.
"Jongens toch, het is wàrm. We hebben net gegeten. We moeten nergens heen."
"Dina heeft gelijk," zegt Jelena, die nu Frank aankijkt, "Het is geen wedstrijd snelwandelen."
Frank wacht een tel en wandelt dan tussen ons in aan een trager tempo. Ik ben blij dat Jelena me consequent Dina blijft noemen - mijn werkelijke naam vind ik vreselijk.
"Het zal wel goed zijn om het eten te doen zakken, zeker?" zegt Frank, terwijl hij op z'n buik klopt, die iets dikker is dan toen ik 'm laatst zag. Frank heeft een winterkop, en de zomer lijkt hem niet zo te bevallen.
"Absoluut," zegt Jelena opgewekt.
"En grote fysieke inspanningen leveren na de maaltijd is niet gezond, ook," voeg ik eraan toe. Ik voel me een reuzin tegenover Jelena en kom bijna op gelijke hoogte met Frank.
"Dat is een mythe, denk ik," zegt Frank nu, terwijl we een flauwe bocht nemen in de schaduw van een paar bomen, "al is er naar 't schijnt een oudovergrootvader van mij op die manier verdronken in de Schelde. Hij ging zwemmen na het eten, werd onwel en zo... Tja. Dat is wat ze zeiden."
"Zwemmen in de Schelde. Zouden we dat nu niet kunnen doen?" vraagt Jelena.
"Superkoud, volgens mij," zeg ik.
"Ik zou ook verdrinken," zegt Frank, "Ik ben nooit goed geweest in zwemmen."
"Het is tenminste een originele manier van doodgaan. In de Schelde springen en hup," zegt Jelena.
"Verdrinken schijnt inderdaad nog mee te vallen," zeg ik met een frons, terwijl ik uit een ooghoek zie hoe een groep jongens ons aangaapt, "Als je longen vollopen met water, voel je niets meer."
"Ja, maar er is altijd die eerste doodstrijd," zegt Frank, die een sigaret opsteekt, "die paniekreactie die je automatisch hebt. Dan zou ik toch liever anders aan mijn einde komen."
"Hoe dan?" vraag ik.
"In mijn slaap of zo."
"Dat is zo cliché," zegt Jelena, waarbij ze de laatste lettergreep lang laat hangen, "kom Frank, ik ben je creatiever gewoon. Bijvoorbeeld een gasexplosie, wat denk je daarvan?"
Frank glimlacht maar zegt niets.
"Hoe gaat het nog met Sven?" vraag ik aan Jelena in de stilte die erop volgt.
"O, dat is alweer een maand gedaan hoor," zegt ze luchtig, "uiteindelijk bleek hij toch wat te dom te zijn voor mij."
"Hm."
"Doe je dat nog vaak, je dates hier mee naar het park nemen?" vraagt Frank.
"En met de honden van het asiel gaan wandelen? Natuurlijk. Altijd een winnaar, dat idee," zegt Jelena.
Soms bewonder ik Jelena's vasthoudendheid aan haar losse relaties, die telkens volgens hetzelfde patroon verlopen. Ooit vond ik het een beetje triest dat ze altijd in dezelfde val leek te trappen, maar door haar de laatste twee jaar minder vaak te zien, ben ik er anders over beginnen denken. Het houdt haar levendig en het is een vrolijke vorm van zelfbedrog die ze nodig heeft - deze keer wordt het anders, 't is de ware, het zal voor altijd zijn.
"En bij jou?" vraagt Jelena aan mij.
"Niets nieuws onder de zon."
"Hier ook niet," zegt Frank, "intussen al anderhalf jaar."
"Anderhalf jaar zonder seks?" vraagt Jelena ongelovig.
"Mmh. Dat niet. Maar hoe minder ik daarover vertel, hoe beter."
Ik denk terug aan de avonden, vroeger, hoe we met ons drieën uitgingen en de onnozelste dingen zeiden en deden. Frank en Jelena belandden zelfs ooit in bed met elkaar.
"Trouwens," zegt Frank nu, terwijl we terug in het volle zonlicht komen, "over de dood gesproken, daarjuist. Neem nu dat de wereld gaat eindigen. Laat ons zeggen, binnen drie dagen. Het is onherroepelijk en iedereen zal doodgaan. Wat doen jullie?"
"Het is prachtig weer, en jij denkt aan de apocalyps," zeg ik.
"Ik denk altijd aan de apocalyps," zegt Frank, maar hij ziet me vanuit zijn ooghoek glimlachen.
"Wel, beantwoord dan misschien eerst je eigen vraag," zeg ik. Jelena valt me bij. Frank knort en gooit zijn sigaret weg.
"Jij rookt nooit je sigaretten volledig op," merkt Jelena op. Frank haalt zijn schouders op.
"Als het te warm is, warmt de filter mee op. Zeer onaangenaam."
Jelena schudt haar hoofd en kijkt even achterom naar de nasmeulende peuk. Ik denk eraan dat het jaren duurt eer zo'n filter volledig vergaat.
"Goed dan. Ik zou eerst," begint Frank, "mijn beste vrienden contacteren om te zeggen dat hen graag zie. Dat lijkt me niet meer dan logisch. En mijn familie ook."
Ik grimas onwillekeurig. Ik zou m'n familie nooit bellen.
"Daarna... allicht elke vrouw waar ik van denk dat ik er wel eens seks mee zou kunnen of willen hebben, opbellen."
"Zijn wij daar ook bij?" vraagt Jelena. Het is een totaal ongepaste vraag, maar ik denk er natuurlijk ook aan.
"Uiteraard."
Ik weet nu al dat ik nee zou zeggen. Ik ben niet in staat Frank als een volledig seksueel wezen te zien.
"Afhankelijk van m'n succes daarmee, zou ik me nadien compleet lamzuipen."
"Wil je het einde van de wereld dan niet bewuster meemaken?" vraag ik.
Frank haalt de schouders op.
"Het zal toch overroepen zijn, wat het ook is. Het is ook niet omdat ik stomdronken ga zijn, dat ik het niet zal meemaken, want slapen zal er ook niet in zitten."
Er valt weer een stilte. Vanop een heuveltje klinkt reggae. Verderop voetballen drie jongens en een meisje.
"Nu jullie," zegt Frank, "Wie eerst?"
Jelena en ik kijken elkaar even aan. Ik knik haar toe dat zij maar moet praten.



Verder naar deel twee.

dinsdag 22 januari 2013

Fantoomnostalgie

1

Een paar handen bewerkt mijn hoofdhuid. Mijn hoofd wordt omringd door dampen van zeep en chemie, en rondom klinkt het zachte, precieze metaal-op-haar snijgeluid van scharen, nu en dan eens omlijst door een tondeuse of iemand die gaat zitten in een kappersstoel. Ik sluit mijn ogen. Een gemasseerd hoofd is er twee waard. Kappersbezoeken zijn zo één van die dingen die ik telkens te lang uitstel, tot drie à vier weken toe omdat het al snel aanvoelt als tijdverlies. Nu heb ik besloten dat allemaal weldadig op te nemen, en het helpt dat de vrouw die m'n haar bewerkt, er schattig en lief uit ziet. In mijn kindertijd moest ik me behelpen met een bijzonder dikke dame en een zilveren vos met een dunne snor die zelfmoord pleegde na problemen met een sekte.
Even later verlies ik per seconde enkele strengen haar terwijl ik koffie drink en door 'The Sun' blader. Waarom ze die hier hebben, is me een raadsel. Sensationele berichtgeving met gele Britse tanden. Een uitgezakte vrouw laat in grofkorrelig zwart-wit een borst zien. De jeugd is verdoemd. Politici bakken er niets van. Er zou geknoeid zijn met een voetbalwedstrijd, en lezersbrieven zijn eens te meer het open riool van de Verlichting. Mijn blik kruist die van m'n kapster als ik er bij stil sta dat ze toch wel al een tijdje door mijn haar aan het woelen is.
"Je hebt erg veel haar."
"Ja," zeg ik, "het groeit dik. Beter dat dan kaal zijn op 30."
Ze lacht een professioneel vriendelijke lach waar ik vooral niet in probeer te zien dat ze me leuker vindt dan ze me hoort te vinden.
"Zeker! Zeker!"
Onder het verderlezen van verse koppen in schreefloze letters denk ik aan Engeland. Dat ik ooit van plan was geweest er te gaan wonen. Ik ken de Engelse volksgeest, ruw maar absoluut niet stom, agressief maar speels voor wie er mee om kan. De kapster behandelt mijn haar alsof het een uniek beeldhouwwerk is en lacht opnieuw naar me via de spiegel. Ik lach terug maar voel dat m'n kaken rozerood worden en verwijt mezelf daarbij dat ik van diep uit mijn huid weer de vijftienjarige, verlegen jongen voel opwellen die ik ooit geweest ben en die in artefacten van m'n gedrag nog altijd aanwezig is.
"De oortjes vrij of niet?"
"Oortjes? Zeg maar gerust 'oren' hoor. Gelukkig zijn het geen flaporen."
Ze blijft lachen maar wacht op een antwoord.
"Het maakt me eigenlijk niet veel uit," zeg ik, en dan: "Ja of doe toch maar vrij," want ik heb door dat een open antwoord die een verdoken vraag is onzekerheid genereert.
Ik kijk naar mezelf en naar de handen van de kapster die rond m'n hoofd zweven, en in gedachten zie ik in oververzadigd zonlicht foto's voor met van thisisnthappiness.com, waar ik soms minutenlang naar zit te staren. Verstilde vrouwen met alleen hemden aan, rokend in tegenlicht. Bestofte vensters en onopgemaakte bedden. Ze activeren telkens opnieuw herinnerde fragmenten van tv-films uit de jaren '70, lange road trips door Amerikaanse steppes en afgebleekte jeansbroeken. Toen leken dingen eenvoudiger, alles kwam gewoon nog op me af zoals het was.
Ik buig me weer over 'The Sun' en de koffie. Had ik definitief kunnen aarden in een Engelse metropool als het hier al zo moeilijk blijkt? A man who's tired of London, is tired of life, zegt men. Was ik verhuisd, was ik mogelijk compleet berooid teruggekeerd, met weinig verwezenlijkingen, maar de vraag is of het hier allemaal zo veel beter is in de gezellige kattenbak van de stad. Op kwade momenten verdenk ik er mezelf van dat alles wat ik doe, bezigheidstherapie is om niet toe te geven dat er zich jaar na jaar deuren sluiten. Vandaag is niet zo'n dag. Het is nog niet eens voorbij de middag, dus conclusies dringen zich niet op. De winterzon buiten speelt een handig spel met de geheugenfoto's die me een vals gevoel van nostalgie geven.
"Is het goed zo?"
Ze woelt weer één ogenblik te lang door m'n haar en opnieuw moet ik er van blozen als een boerenjongen.

2

Het is bijna mechanisch hoe ik mijn arm naar boven breng om te drinken. Een gin-tonic die eigenlijk te zoet is. Ik sta te wachten op mijn vriend, die vijf minuten geleden ging aanschuiven in de toiletten. Ze zouden verdomme beter een aparte wc maken voor mensen die coke willen gaan doen. Dat ze de hele zwik legaliseren. Als het even kan, mogen ze ook extra toiletten installeren voor niet-hetero's en transgenders. Ik heb gehoord dat ze dat in Thailand blijkbaar doen.
Ik zie mezelf weerspiegeld achter de rekken met halflege flessen korte drank. De twee barmeiden zijn druk in de weer. Zo mechanisch als ik drink, zo mechanisch handelen zij alle bestellingen af en glimlachen ze net niet te lang naar de klanten. Het is hier vannacht weer een worstenpaleis. Dat zou me normaal moeten aanstaan, maar het heterogehalte ligt hier te hoog naar m'n zin. Je kan ze er zo uit pikken, die slechte dansers met te stijve hemden en veilige kapsels. Ik draai me met m'n rug naar de bar en probeer onder de bassen en beats door naar m'n eigen ademhaling te luisteren terwijl ik zo traag mogelijk over de mensen glijd met mijn blik.
Het nummer dat nu speelt herinner ik me uit de diepe jaren '90, van voor ik uit de kast kwam maar van na dat ik besefte dat ik liever keek naar mannenlijven dan vrouwenlijven. Een tijd die omkransd is door klimop dat tezelfdertijd zoet en giftig smaakt. Op de zanglijn van het nummer had ik voor het eerst gekust met een man en had ik hem m'n leven kunnen geven. Ik ben blij dat ik dat niet gedaan heb, maar het is een overweldigend verlangen dat ik nooit vergeten ben en telkens kleine splinters van ben blijven opzoeken in de relaties nadien. De huidige splinter zit nog in de wc. Een metafoor waar ik om had gelachen als ik me beter gevoeld had.
Langs de muren van de zaal staan de gebruikelijke figuren die je overal tegenkomt, in elke middelgrote club die je maar kan vinden: de eenzame, onhandige mannen, in het donker niet te onderscheiden van hun boosaardige tweeling, de verkrachter. Vanavond zal geen enkel van hen scoren, als hyena's die op een afstand toekijken, hopend dat een prooi zich vanzelf zal komen aanbieden. Wat is het probleem toch, denk ik, terwijl naar één zo'n exemplaar kijk, rond en door en door gamma, met muppetlippen en een bril die verdonkert in zonlicht. Verderop maakt een gezelschap hipsters grote sier met een veel te dure emmer champagne. Ik merk dat m'n mondhoek naar beneden trekt bij dat vertoon en neem een grote slok gin waar steeds meer tonic in begint door te smaken.
Een nieuw nummer explodeert over de dansvloer. Twee meisjes vallen elkaar in de armen. Sommigen onder hen merken het zelfs niet eens meer dat er altijd wel één kerel is die hen aanstaart. Ik kruis een blik met één kerel en zie onmiddellijk dat hij niet homo is. Hij valt op omdat hij boven iedereen in de club uit torent en zich daar ook goed van bewust is. In zijn vleugels staan een vrouw en een man. De man heeft het niet naar z'n zin. Ik zie dat hij vandaag nog naar de kapper geweest is door de ongemakkelijkheid waarmee hij zich beweegt. Hij heeft er de pest in om hier te zijn. Het heeft zeker te maken met een vrouw.
Dieper in de club is er een dik meisje dat met twee mannen tegelijk danst, en het lijkt me één van de weinige mensen die het hier effectief leuk vindt en er zich geen bal van aantrekt wat andere mensen van haar denken. Het doet me inwendig een toost uitbrengen op haar. Mijn ademhaling rolt rustig, half zo traag als de muziek. Waar zit die gast toch? Wind je niet op, zeg ik tegen mezelf, hij is bezig, hij komt eraan. Bovendien is de kans hier bijzonder klein dat hij iemand leuker dan ik zou tegengekomen zijn in de toiletten, aangezien het aantal homo's hier op één hand te tellen is. Zeker ben je natuurlijk nooit. Ze zeggen altijd wel dat we dat feilloos van elkaar aanvoelen, maar ik heb me toch al lelijk vergist, zeker naarmate ik ouder word.
Ik draai me weer naar de bar wat m'n glas is leeg. Een dronken stoethaspel duwt langs me heen. De man met het norse gezicht die ik daarnet zag, komt water bestellen. Zéker een vrouwenkwestie. Ik heb zin om hem er iets over te zeggen, maar doe het niet. Het is hier al druk genoeg, en m'n gedachten moeten niet met nog meer gezwam opgevuld worden.

3

In een frituur, zeker om zes uur 's ochtends, maakt het niet meer uit wie je bent. Er is altijd wel de toevallige dronkaard die het nodig vindt om een gesprek te beginnen - meestal meer een monoloog - maar daarbuiten laat iedereen elkaar met rust. We herkennen dat we allemaal de laatste overlevenden zijn van één nacht, die samen op de laatste warme plaatsen zijn waar nog plezier is. Het geluid van het pruttelende frietvet is geruststellend, maar de zoutige, vette geur van de frietjes is dat nog veel meer. Ook rustgevend is dat ik er zelden aangekeken word op m'n kleur.
Ik kauw traag, met veel plezier. De nacht is zeer lang geweest, de dag voordien leek nog langer omdat ik uren op het werk doorbracht. Het is bovendien de eerste keer in meer dan vierentwintig uur dat ik volstrekt alleen ben, en ik doe hard m'n best om dat zo te houden door met niemand oogcontact te zoeken. De cocktailsaus smaakt hemels en ik voel een eenvoudig verlangen naar mijn bed. Het is niet ver meer vanaf hier.
Ongemerkt kijk ik rond. Twee dronken jongens praten onder elkaar in een onverstaanbaar West-Vlaams dialect en dragen allebei een lelijke pet. Een ouder, zelfvoldaan koppel is aan het bestellen. Achteraan de korte rij staat een man die had kunnen doorgaan voor een collega van me. Ik ben er vrijwel zeker van dat hij homo is. Hij ziet er triest uit. Uit nieuwsgierigheid zou ik 'm wel willen vragen wat er scheelt, maar ik blijf zitten en eet verder. Al te vaak heb ik geleerd dat nieuwsgierigheid bestraft wordt met onvoorziene gevolgen. Iedereen wil wel iets van je, en dan wordt het netelig. Vraag ik een klant naar zijn dag, hij denkt dat het de eerste stap is naar seks. Wil ik vrienden maken met een andere vrouw, er is direct achterdocht omdat ze denken dat ik ergens onoprechte motivaties koester. Wou ik vroeger uitgaan, het was slechts een kwestie van tijd voordat ik een hoer zou worden.
Ik buig opnieuw m'n hoofd en merk dat er nog slechts één derde, met saus bedekt, over blijft van het pakje friet, en laat een lange ademtocht uit. M'n nagels glanzen van zowel het vernis als het vet, en bijna moet ik lachen als ik denk aan frietvet als nail polish, of dat ik het in mensen hun haar zou doen zonder dat ze het beseffen. Met donkere humor spring je een eind om de dingen te relativeren.
De dronken West-Vlamingen zijn gaan zitten met hun buit. Eén ervan zit even te loeren naar me maar merkt dat ik zijn blik niet beantwoordt, en dan gaan ze allebei aan het eten. De droevige homo wacht op zijn bestelling. Voorbij de friturist staart hij door het venster, maar ik denk dat zelfs al was er een carnavalsparade langskomen over straat, dat zijn blik nog altijd dezelfde geweest was. Hij lijkt me rond de veertig te zijn, maar ziet er jonger uit. Met m'n vinger dip ik de laatste zoutkorrels op die in het bakje achtergebleven zijn. Eén van de duizenden kleine, heimelijke dingen waar ik van geniet. Ik kijk nu zelf uit het andere venster. Er is bijna niemand meer op straat, ik voel hoe de slaap zelf overal over ligt, alsof ze uit de gesloten vensters en deuren zelf komt gekropen, en vergelijk dat beeld met foto's die ik gezien heb van Casablanca waar m'n vader opgroeide, een stad die niet alleen nooit leek te slapen maar altijd leek te wachten op iets, vol verlangen naar morgen of gisteren, of in een hinderlaag lag als een piraat. Mijn vader vertelde me dat het een piratenstad was, ooit. Toen ik er zelf was, merkte ik er niks van. Een negatieve cultuurschok, zelfs. De herinnering die m'n vader me had doorgegeven, bleek een leugen.
"Is het ok als ik hier zit?"
Ik kijk naar de trieste man en ik glimlach - ik kan niet anders - bemoedigend.
"Geen probleem. Ik was toch bijna klaar."
Na meer dan twintig jaar voel ik nog altijd dat Nederlands me nooit honderd procent juist in de mond ligt. De man zegt er niets van en knikt slechts. Klein pakje zonder saus en een cola.
"Ook uit geweest?" vraagt hij beleefd. Hij wil z'n gedachten verzetten.
"Ja," antwoord ik, "het was leuk. Met vriendinnen. Maar ik had nog honger."
"Kan gebeuren. Ik ben blij dat je je geamuseerd hebt."
Ik frommel het papier, het bakje en wat overblijft van de saus op in een bal.
"Ik hoop hetzelfde," zeg ik terwijl ik opsta, "en hoop dat je straks goed slaapt."
Even fleurt er iets op aan hem.
"Ja. Dat zal deugd doen," zegt hij. Hij begint te eten.
"Slaap ze," knik ik hem toe, terwijl ik 'm liever een knuffel zou geven en hem zou willen zeggen dat hij het zich niet te hard moet aantrekken en dat er nog veel knappe mannen in deze wereld zijn, maar ik heb geleerd om me in te houden.
"Jij ook," zegt hij, en daarop stap ik naar buiten.