Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling kortverhalen daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van 'Onklare taal'. Ik ben tijdelijk gestopt met kortverhalen, maar in 2016 heb ik een geredigeerde bundel van de beste verhalen uitgebracht: 'Recombinant' is gratis te downloaden in PDF- en in EPUB-formaat.

donderdag 20 december 2018

Wandelen over de langste plank (V)

(5) Eindbaas

Mijn paniekaanvallen werden frequenter, maar gebeurden gelukkig niet meer op het werk. Ik maakte noest mooie presentaties, nam sessies op voor het project om het Engels bij Oregon te verbeteren, en ik schaafde voor Ginn blogteksten bij tot ze diamanten werden. We kregen in ons team ook een nieuwe collega, de aangespoelde Amerikaan Cain. Daarmee wist ik dat mijn duidelijk zichtbare competitieve voordeel – mijn superieure Engels – was ingehaald. Dat was zo’n beetje de doodsklok. Maar dat wist Cain niet. Hij bleek een uiterst sympathieke, praatgrage man. Hij had een permanent verbrand gezicht en schaamde zich om Donald Trump.

Over Trump gesproken, ik wist in 2017 soms niet of ik de actualiteit nog moest volgen. Ik had het eerder over fatsoen, en hoe vele positieve kwaliteiten maar voor gewoon worden aangenomen, terwijl de hele wereld in de ban is van maniakken die geen enkel moreel kompas lijken te hebben. Niet alleen dat, er is een hele industrie die het schaamteloos boertig en nodeloos beledigend zijn viert als de hoogmis van de vrije meningsuiting. Is dat nu burgerparticipatie? Iemand die een duimbreed afwijkt van de rechtse hegemonie of toevallig een ander kleurtje heeft, op sociale media de meest ranzige doodsbedreigingen sturen? Meer dan ooit voelde ik me een vreemde balling uit een andere realiteit.

Met Sisteo werd het niets. Ze lieten een voicemail na om te zeggen dat ze me heel gekwalificeerd vonden, maar dat ik overredingskracht miste. Eind november kwam uiteindelijk mijn vierde evaluatiegesprek, waar de man van HR zei dat Oregon me ontsloeg. Ik zei dat ze me de redenen niet hoefden te vertellen. Celine leek er oprecht spijt van te hebben, vooral omdat ik blijkbaar goed lag in het team en altijd leek te zorgen voor sfeer. Ik geloofde haar. Maar ik geloofde ook dat ze handelde op basis van vooroordelen die al maanden eerder gevormd waren. In elk geval protesteerde ik niet.

De paniekaanvallen werden op slag minder frequent en minder erg. De dagen na m’n ontslag kreeg ik lieve sms’jes van de Mariekes en ook van de Amerikaan Cain. Dat was een kleine balsem op een gapende wonde. November was een horrormaand geweest: ziekte, het niet halen bij Sisteo, alles met Sofia dat ineenzakte als een mislukte soufflé, ontslagen worden, m’n auto crashen en meegevoerd worden door de politie. Ik voelde me als een complete loser.

Was het dat dan, bijna 35 zijn, werkloos, met 0 boeken uitgegeven, geen relatie en weinig toekomstperspectief? Was het dat dan, het middelmatige zelfmedelijden dat mij overviel terwijl miljoenen mensen een moord zouden plegen om mijn bestaan te kunnen leiden? Was het dat dan, gaan liggen in een bed van angst, al bang van m’n eigen buren, terwijl vrienden ergens rondcirkelden in banen rond andere planeten?

Nietsdoen is moeilijk

De eerste dagen na het ontslag nam ik me sowieso voor om zo weinig mogelijk te doen. Niet schrijven, niet lezen, niet discussiëren op het internet, geen mensen zien, niet sporten. Ik had wel een abonnement in een fitnesszaal, maar ironisch genoeg lag die niet op loopafstand en ik had geen fiets, dus daar stond ik dan.

De enige die met deze gang van zaken enorm blij was, was Tyr, die zich vaak naast, op en bij me kwam nestelen als ik op de zetel lag of in bed dutjes deed. Maar het was nu ook niet alsof ik wilde wisselen van plaats met hem. Hij is nog bang van een stofzuiger en kruipt onder het bed als het onweert. Geef me dan maar romans kunnen lezen en de bus kunnen nemen.

Nietsdoen vond ik niet zo eenvoudig. Ik mocht dan wel tot onder de grond gestampt zijn door omstandigheden, ik ben van nature een wroeter, een worstelaar, een knokker. Maar ik hield me koest. Geen eindeloze drinkgelagen, geen zielige berichten naar Sofia, geen wanhopige pogingen om in het gevlei te komen bij een potentiële nieuwe werkgever. Ik schreef me wel in bij de VDAB, waarbij ik reikhalzend uitkeek naar de nutteloze vacatures die ze me zouden sturen die nauwelijks zouden aansluiten bij mijn werkervaring (“marketing event assistant in Genk!” – “drollen opkuisen in het circus!” – “technical writer bij een tandlabo!”). Ik kreeg ook een afspraak bij de psychiater.

Bij mondjesmaat zag ik vrienden en vriendinnen. Daar hoorde ook Chiara bij die me het jaar voordien gedumpt had. Intussen waren we gewoon goede vrienden geworden en daar was ik blij mee. Ik kon nog altijd zien wat me aan haar had aangetrokken, maar zag eveneens dat onze relatie nooit een lang leven zou beschoren geweest zijn. Ik las veel, lag veel in de zetel en keek films en series, steeds met Tyr als mijn trouwe secondant.

Van de kant van Sofia bleef het stil. Ik dacht nog elke dag aan haar. Aan haar mooie zwarte haar dat ze in een tic constant achter haar rechteroor draaide. Aan haar grote donkere ogen, waar in haar kindertijd sommige mensen blijkbaar van dachten dat haar moeder haar mascara op gedaan had. En haar zachte kleine handen die soms konden verdwalen in mijn nek. Het was hels, maar ik moest er door.

Het verdriet brak volledig door toen ik voor tv was blijven hangen bij ‘Pitch Perfect’. Sofia had me al verteld dat sommige mensen vonden dat ze iets weg had van de actrice Anna Kendrick, en dat bleek inderdaad zo te zijn. Vooral haar mimiek en lichaamstaal waren heel gelijkaardig. Bij het fijne happy end zat ik een half uur aan een stuk onbedaarlijk te wenen. Bij een film over een a capella-dansgroep. Ook dat was 2017.

Het chagrijn van de middenklasse

Eerder zei ik dat ik mijn omstandigheden, hoe penibel ze ook waren relatief aan mijn ambities, eerder middelmatig konden genoemd worden. Maar ook dat is precies deel van die hele middelmaat, beseffen dat er vele anderen zijn die het nog zo veel harder te verduren hebben. Daklozen, vluchtelingen, mensen met een zware handicap, slachtoffers van seksueel geweld, en ga zo maar verder. Maar dat wist de eigen pijn niet weg, het maakt ze eerder nog acuter omdat ze plots aangevuld wordt met een besef van de oneindige futiliteit ervan.

Ik kreeg een beter beeld op de paniekaanvallen. Die hadden bijna altijd iets te maken met sociale situaties. Met de angst dat mensen aan m’n gezicht zouden kunnen aflezen dat er iets niet in orde met me was. Dat ze zouden vinden dat ik er uit zag als een zot, of dat ik stonk, zoals Celine ooit had gezegd, naar tabak en alcohol. Of dat ze zouden zien dat ik in elkaar kromp bij harde geluiden. Ik probeerde er doorheen te bijten en geen afspraken af te zeggen, niet te vermijden de bus te nemen en niet te stoppen met naar mijn vertrouwde supermarkten te gaan.

Temidden dit pandemonium aan grijze tristesse werkte ik ‘De Nieuwe Staat’ af, een uitgebreid politiek traktaat waar ik al twee jaar aan zat te werken. Mijn beleefde digitale baksteen door het venster van de elite, die hier uiteraard geen nota van nam. Tevens was er weer een editie van Droef, het podium voor pessimisme, waar ik in een groezelig krakerscafé een gedicht ten berde bracht met 50 redenen om zelfmoord te plegen. Ronald was in opperbeste stemming, en zijn kleine leger aan outcasts ook.

Hoewel m’n gedicht eerder komisch opgevat was, waren er toch momenten waar ik dacht dat de wereld misschien een betere plek zou zijn zonder mij – zonder die zeurkous, zonder die potverteerder die toch nooit iets zou bereiken buiten nu en dan een opinie in de marges van een weekblad of een lollige tweet die enkele honderden volgers doet glimlachen. De antidepressiva die ik nam deden te weinig, buiten mijn libido verlagen en mijn erectiele prestaties geheel onbetrouwbaar maken. Soms voelde mijn lul aan als een stuk rubber. Je de kan de man wel uit de mythe over mannelijkheid halen, maar de mythe over mannelijkheid uit de man halen is een heel ander verhaal.

Optimisme en badschuim

Wat waren de media en veel weldenkenden opgelucht toen Emmanuel Macron het Front National versloeg, toen Mark Rutte de PVV wist te verdringen van het hoogste politieke schavot of hoe het AfD in Duitsland uiteindelijk geen machtsfactor bleek in de regeringsvorming. Dat soort optimisme vond ik misplaatst. Eind 2017 leek het me dat de enige zogenaamd democratische krachten die aan de macht waren, vooral veel retoriek van extreemrechts hadden overgenomen. En die retoriek was nooit gegrond in echte feiten. Bij elke fascist hoort een samenzweringstheorie, en bij elke zelfverklaarde democraat die lucht pompt in die theorieën hoort een nuttige idioot in de media die dit kritiekloos berichten.

Ik mocht dan wel onder de grond zitten, mentaal gezien, het was me niet ontgaan hoe journalisten N-VA-kopstukken keer op keer lieten wegkomen met leugens, verdraaiingen en intentieprocessen terwijl ze hun kritische elan terugvonden als het er op aan kwam om sjoemelende socialisten aan de schandpaal te nagelen. Ik haat het om die vergelijking te maken, maar het was eigenlijk Celine writ large, die mij wriemelend onder een microscoop had gehouden terwijl anderen de ruimte hadden om te blunderen.

De psychiater vond dat ik (tenminste voor een tijd) moest stoppen met drinken. Ik ging akkoord. Het stond een genezing enkel maar in de weg. Na mijn huisarts in 2015 en mijn tandarts in 2016 was ze de nieuwste dokter in m’n leven die jonger was dan ikzelf, wat het er nog meer in wreef dat ik niet meer de glunderende jonge god was die nog allerlei ingebeelde kansen had gehad. En temidden van al die waanzin miste ik Sofia nog altijd. Tegelijk was ik langzamerhand aan het opstijgen uit de diepste krochten van miserie en zelfmedelijden. Tyr en ik waren op lange avonden vaak beste maatjes, hij opgekruld in de kom van m’n arm, ik verdiept in een boek of een film.

Ik zal niet zeggen dat ik op 1 januari 2018 weer volop hoopte. Daar was ik nog te murw voor. Maar er begon zich een schijnsel af te tekenen aan de horizon dat meer was dan enkel proberen om de volgende crash te overleven. En al bij al waren er nog vrienden, familie en was de kans niet verkeken op ander en beter werk.

Maar eerst besloot ik nog een lang en uitgebreid bad te nemen, met heel veel schuim, de asbak op de badrand en een boek bij de hand, terwijl Tyr bij me zat op de badmat, langzaam knipperend met zijn grote amberogen, alsof hij wilde zeggen “het is ok”. Er zat nog steeds liefde in me. Ik had nog altijd passie. Ik was nog altijd bereid om mee te werken aan een betere wereld. Mijn grootouders en overgrootouders overleefden één of beide Wereldoorlogen. Dan moest het toch mogelijk zijn voor mij om uit mijn mijnschacht terug naar boven te komen? 


Wandelen over de langste plank (IV)

(4) Politie, griep en afwijzing

In mijn jeugd was ik soms een kwajongen – wat men in archaïsche en affectieve termen soms omschrijft als een belhamel, een stouterik, of in mooi Vlaams een pitou. Als man lig ik steeds op de loer voor een kwinkslag, of om een opmerking te geven die iemand kort uit balans brengt. Ik gebruik graag schuttingtaal of stop lekker vieze beelden in mensen hun gedachten. Zoals die keer, toen ik voortijdig van een muziekevenement naar huis moest en een vriend moest meenemen, dat ik tegen een vriendin vertelde dat die vriend me als betaling in de auto onder het rijden nog een handjob moest geven. Of dat ik mensen spontaan vraag om zich voor te stellen hoe een tapijt van vlees er uit zou zien. Of dat ik aan een collega vroeg of hij liever zou hebben dat zijn vrouw plots overal haargroei heeft, of dat ze plots een onnatuurlijk lage stem krijgt.

Ondanks die uitingen van kleine rebellie – een hardleerse cultuurcriticus zou zelfs kunnen spreken over een bourgeois vorm van rebellie – vonden leraren me in m’n jeugd al bij al een geschikte jongen. Iemand die het goed meende en fundamenteel een positieve ingesteldheid had. Later, op het werk, of ik daar nu goed zat of niet, zagen zelfs de meest koele bazen dat ik altijd zorgde voor sfeer op de werkplek. Onlangs nog zei m’n moeder dat alleen ik er mee kon wegkomen van in de rayons van de Colruyt rond te lopen met een duivelsmasker over m’n hoofd en dat ik er mensen mee deed lachen. Er is ook het verhaal dat, toen ik met grootouders aan zee was, dat ik blijkbaar als driejarige al door had dat als ik sprong en danste en lachte in de zetel, dat ze me langer lieten opblijven.

Toch is me ook altijd meegegeven dat het belangrijk is om beleefd te zijn en mededogend. Om je te verplaatsen in het perspectief van iemand anders. Met andere woorden heb ik er au fond altijd naar gestreefd om een fatsoenlijke persoon te zijn. Iemand die niet liegt op zijn belastingaangifte. Iemand die meewerkt met de politie als die me voor iets nodig heeft. Iemand die z’n best doet. Daar hoef ik absoluut geen schouderklopjes voor te krijgen.

Ik vind het maar normaal dat je eerlijk probeert te zijn, of dat je andere mensen probeert te benaderen als volwaardige andere mensen die hun eigen gedachten, gevoelens, kwetsbaarheden en onzekerheden hebben. Want ben ik dan zo anders? En ik heb altijd geprobeerd nooit te nemen wat me niet vrijelijk gegeven werd – of dat nu ging om geld, seks, werk, vriendschap of appreciatie. In die zin zou je me zelfs in de kern een liberaal kunnen noemen.

Bij mijn terugkeer uit verlof naar Oregon Consulting leek niets van dat alles veel uit te maken. Of: het werd gewoon maar voor normaal aanzien. Dat terwijl ik sommige managing partners boertig en inhalig zag doen. Of dat ik ook dichte collega’s menselijke fouten zag maken die hen niet werden aangewreven, en mij wel. De betere lezer begrijpt hopelijk dat dit geen apologie is voor mijn eigen tekortkomingen, die er zeker zijn.

Maar intussen was me duidelijk dat als Celine zou zeggen dat ik groen haar had, dat mijn haar groen was, wat er ook mocht gebeuren. Ik bleef op de uitkijk voor andere mogelijkheden, wat mijn mentor Anja een heel goed idee vond. Ik wist niet of ik daar iets profetisch in moest zien – met andere woorden of zij al meer wist dan ik.

Frietjes met Sofia

Sofia was klaar om terug af te spreken, een dikke week nadat ik terug lange dagen aan het draaien was bij Oregon en weer op visite was bij klanten. Ik probeerde er nieuwe energie uit te halen. Bovendien was ik op een goed gesprek geweest bij autogigant Sisteo, in de vlakke semi-polders van Gent-Zeehaven, en was ik doorgestoten tot de volgende ronde. Ik leefde, zoals zo vaak in 2017, op de brandstof van de hoop.

Op gezondheidsvlak hakte ik de knoop door en maakte ik een afspraak met de psychiater die me aangeraden was door mijn huisarts. Intussen had ik terug het project opgepikt met Yuri van HR om het Engels in Oregon een boost te geven, en zaten mijn teksten voor Ginn in de lift. Aldaar had ik zowel het team van mijn Amerikaanse MVP als mijn Deense MVP voor mij gewonnen.

Anja kwam op mijn grote project voor de HoGent. Dat vond ik fijn. Ze gaf me steeds goede adviezen om beter te worden in de stiel en van mijn kant hielp ik haar uit de brand op een chaotische dag waar ze haar bestanden was vergeten meenemen. Jammer genoeg was ik op een andere dag, waar een meeting plaatsvond met één of ander bestuurslid, net iets later dan zijzelf, en moest ik buiten wachten in de auto. De dag erop kreeg ik een woedende telefoon van Celine. Anja en ik praatten het uit, maar ik voelde dat mijn band met Celine onherstelbaar was geworden.

Op een dag, toen ik alleen was met mijn voormalige baas Joris, vroeg ik hem hoe hij zich nu voelde, sinds zijn terugkeer. Hij glimlachte en zei: “weet je dat het de eerste keer is dat iemand me dat gevraagd heeft?”. Daar werd ik even stil van. Hij zei dat collega’s deden alsof er niets gebeurd was, alsof hij niet een paar maanden out was geweest.

Partner-in-crime (intussen niet meer zo) Nieuwe Marieke en ik woonden een groots intern evenement bij waarop pijnlijk duidelijk werd wat het grote probleem van Oregon Consulting was. De bazen hadden de mond vol over innovatie, persoonlijke ontwikkeling en het uitwerken van projecten die geen onmiddellijk nut hadden voor de omzet, maar onze officiële ‘usability’ (de tijd die we konden factureren aan klanten) lag extreem hoog en er was altijd zo veel werk dat zulke projecten de eerste waren die we moesten laten gaan. Dat was ook aangestipt geweest op de team-building in Mechelen en ook toen was daar geen oplossing voor gevonden.

Ik zag Sofia. Ik maakte eten voor haar – mijn signature dish, kipfilet met een slaatje en een zelfgemaakte dressing en frietjes – en we hadden een heel gezellige avond. Ik overhandigde haar mijn brief, die ze ingespannen las. In die brief stelde ik haar voor de keuze: ofwel onze relatie, wat die ook inhield, officieel maken en daar langzaam in groeien, ofwel onze relatie, wat die ook inhield, verbreken en een paar maanden afstand houden.

Ze kon me op dat moment geen antwoord geven. Ze woonde nog steeds bij haar ex. Ze zat nog steeds op een job die haar draineerde. Ik herinner me nog hoe ik voor de zoveelste keer, terwijl ze zat te lezen, besefte hoe tenger ze eigenlijk was, als een veruiterlijking van haar gevoeligheid en kwetsbaarheid. Alsof haar bange DNA ervoor had gezorgd dat ze nooit groter was geworden dan 1m54 en haar stembanden enkel geschikt hadden gemaakt om zachtjes te praten, of haar mond om zich in een stoute glimlach af te wenden na een diepe kus, alsof dat iets was waarvan ze vond dat het haar eigenlijk niet toekwam.

Het Rad van Fortuin draait bankroet

Terwijl ik bij Oregon in het marsritme mee stapte en vakjes afvinkte – een goedkeuring van een interne tekst, een goedkeuring van een externe tekst, een diepte-interview met een HoGent-bobo, een snedige presentatie over hoe mensen snel hun Engels konden verbeteren – raakte ik bij Sisteo in de finale ronde. Ik had slechts één tegenstander over. Stond ik nu echt op de springplank, of was het slechts de plank van een piratenboot met in het water rondcirkelende haaien?

Ik zag Sofia terug, twee weken nadat ik haar mijn brief had gegeven. Na een gezellig restaurantbezoek en wat drankjes nadien pookte ik het oude vuur terug op. Als een IKEA-bouwpakket in m’n bureaustoel gevouwen vertelde ze me dat ze van me hield, dat ze me knap vond, dat ze graag bij me was, dat ze bang was om me te verliezen, maar dat ze niet voelde wat ze vond dat ze moest voelen om in een relatie te stappen. Dat die constante twijfels haar misselijk hadden gemaakt. Dat die twijfels haar stress hadden gegeven.

Zijsprong: ik vind verliefdheid een overschatte emotie. Misschien is dat omdat ik snel verliefd word en het snel ook weer niet ben. Het is voor mij geen goede barometer over waarom je in een relatie moet stappen. Mijn beste relaties zijn niet met verliefdheid begonnen (al werd ik wel verliefd na een tijdje en kon dat gevoel ook terugkeren). Sofia zei dat ze misschien ooit verliefd was geweest op me, hetzij tijdens onze digitale kennismaking 10 jaar terug, of in een korte periode in onze zomer van feestjes en drugs. Maar nu was dat gevoel er niet.

Je kan niet discussiëren met een afwijzing, net zomin als je dat kan met een negatieve evaluatie van de baas. We knuffelden en weenden. Ik belde een taxi voor haar. Ik zei haar dat ze me niet kwijt was maar dat ze op z’n minst enkele maanden zou moeten wachten tot ik over dit alles heen was, en dat ze me best niet zou contacteren tenzij ze zich bedacht of dat er plots een kwestie van leven op dood zou oprijzen.

Ik hield me uiterlijk sterk, maar was innerlijk kapot. De vrijdag erop, na een babbel met een vriend, ging ik uit, radicaal solo. Op de terugweg naar huis, vlak voor de nachtwinkel waar ik nog snel sigaretten wilde inslaan, ramde ik een paaltje. De schade aan m’n auto was aanzienlijk, maar ik dacht dat dat wel goed te maken viel later. Ik dacht verkeerd. Heel verkeerd.

Gedeukte auto’s en gemis

De volgende ochtend belde de politie me uit m’n bed. Tijdens een toevallige patrouille hadden ze eerst gezien dat m’n auto een beetje te ver stond voor een garagepoort, en hadden ze nadien de schade opgemerkt. De nacht voordien had er blijkbaar iemand twee stilstaande auto’s geramd en was er toen vandoor gereden, en een ooggetuige had gezegd dat het een zwarte Mercedes was geweest – zoals mijn auto.

Het verhoor op het bureau was meer saai dan iets anders, vooral twee agenten die muisklikken uitvoerden terwijl ik daar nog hongerig en half-versuft in een plastic stoel zat. Alle buren waren buiten gekomen of hadden vanaf hun balkons gekeken om het spektakel te zien van ik die in een combi werd gestopt om naar het politiekantoor te rijden. Bovendien bleek na m’n terugkeer van het verhoor dat ik ziek was. Ik had 39° koorts. Onder een verse paniekaanval mailde ik Celine dat ik zowel m’n auto had gecrasht als dat ik te ziek was om te komen werken.

Het enige voordeel van mijn griep was dat de nieuwe evaluatie met Celine uitgesteld werd. Toen ik terugkwam bij Oregon, werkte ik als een mier die 100% toegewijd is aan de koningin. Ik was open en eerlijk tegenover de mensen van Fleet Management, die intussen het PV hadden gezien van het ongeval. Weliswaar zaten er op m’n autowrak geen verfresten (dus ik was niet de dader van het vluchtmisdrijf) maar ik wist dat hier nog een staart aan zou komen.

Sofia liet me weten dat ze me miste. Ik miste haar ook. Ik miste haar grapjes, haar nabijheid, haar ene vinger die door m’n hemd heen pookte om me dichter te trekken als ik haar kuste, het geluid van haar hakken op m’n vloer, haar geplaag van mijn huiskater Tyr, en haar zachte stem. Ik zei haar na de tweede keer dat ze zei dat ze me miste, dat ze misschien haar beslissing moest heroverwegen, maar dat gebeurde niet. Toen vroeg ik haar om me met rust te laten tot ik me weer klaar voelde om contact op te nemen en eventueel verder te gaan als gewone vrienden.

Verder naar het laatste deel.

Wandelen over de langste plank (III)

(3) Zomer zonder depressie

Een voordeel aan de afwezigheid van collega’s tijdens de zomer was dat ik meer m’n vleugels kon uitslaan. Ik deed wat ik kon voor mijn klanten. Zowel de computergigant Ginn als de NGO als de vervoersmaatschappij waren tevreden over mijn werk. Ook intern ging het stevig, met één van de patriarchen van het (volledig mannelijke) bestuur die een blog van me retweette met het bericht erbij dat hij meer wilde zien van zulke teksten. Ik pakte er niet mee uit, maar hoopte vurig dat Celine die rooksignalen opving.

Met Sofia ging ik weer naar de Gentse Feesten. We wandelden hand in hand over de Vrijdagsmarkt, dansten op Latino-muziek op Sint-Jacobs en babbelden met tal van mensen. Na een nacht waar we samen misschien iets te liberaal coke en MDMA deelden, viel ze naast me in slaap terwijl ze “I love you, I love you” bleef herhalen, heel dicht tegen me aan. Ik wilde haar vasthouden, haar koesteren, haar nooit meer laten gaan.

Hoewel ik in de jaren voordien altijd gevoelig was geweest voor een zomerdepressie, bleef dit nu uit. Ik grapte er op los met de Mariekes en met andere collega’s, en ook Joris kwam terug uit zijn burn-out. Celine was weinig op kantoor, wat, als ik eerlijk ben, de sfeer ten goede kwam. Als zij er was, voelde ik me steeds geremd, en ik was niet de enige.

Sofia woonde jammer genoeg nog steeds bij haar ex. Ze had wel haar banden verbroken met andere jongens en mannen en haar depressie leek te beteren. Ondanks haar natuurlijke geslotenheid zei ze af en toe dat ze er naar uitkeek om me te zien. We zaten nu in een vreemd soort limbo, waar we in alles behalve naam een relatie hadden en ik voor haar eigen omgeving nog steeds een onbekende was. Dat frustreerde me. Ik wist nu wel dat ik veel voor haar betekende, maar haar wegen bleven ondoorgrondelijk, ook voor haarzelf, zo leek het.

Zomerse sneeuw

Niet alleen de sympathieke Joris was teruggekeerd uit zijn burn-out, ook een HR-medewerker die de opleidingen verzorgde voor Oregon-beginners en ervaren consultants was teruggekeerd van zijn eigen burn-out. Yuri en ik konden het erg goed vinden. We waren allebei één van de weinige rokers bij Oregon, en we praatten honderduit over persoonlijkheidstests, te snel rijden en mensen op de juiste functie zetten. Met zijn goedkeuring begon ik aan een project om de kwaliteit van het Engels te verbeteren binnen Oregon.

Naar de intussen derde evaluatie met Celine ging ik met lood in de schoenen. Ik vreesde ontslag. In de plaats daarvan kreeg ik een lange preek over tamelijk irrelevante dingen, zoals redactiewerk dat niet naar de tevredenheid was van een managing partner 8 maanden voordien, of dat ik er ’s ochtends dikwijls belabberd uit zag. Wat denk je dan als iemand aankomt om 8 uur na 5 uur slaap en met stress? Ik geloof dat Celine me oprecht probeerde te begrijpen, maar dat er haar iets ontglipte. Maar ik was al zo open als ik kon zijn tegen iemand waar ik altijd een beetje bang van werd.

Intussen werd Sofia blijkbaar bang over de gehele lijn. Ze vond dat ik “te dicht” gekomen was, hoewel zij me zelf dichter had getrokken. Ze ging op reis naar Kroatië met haar ouders, en ik moest tot september wachten om iets van haar te horen. Terug naar het cachot, dus. Ik zei haar dat het de laatste keer was dat ze dit met me kon doen. Ik stemde niettemin mijn verlof af op haar terugkeer. Dan zou ik twee weidse weken hebben en dan konden we eindelijk misschien de stap zetten naar iets definitiefs, al was die hoop getemperd door een fiks realisme.

De combinatie van de werkstress en de relationele problemen leidden ertoe dat ik twee dagen voor m’n herfstverlof voor het eerst in jaren een paniekaanval kreeg. Zelfs Celine gaf toen toe dat ze me vanuit Oregon te veel druk op me gezet hadden. Ironisch genoeg hadden we de dag erop team-building, waar we als verzopen soepkiekens een zoektocht op steps moesten uitvoeren in Mechelen.

Aan de oppervlakte hield ik me goed en was ik verrast door het medeleven van Anja en de Mariekes, maar ik voelde op een instinctief niveau dat de zaken niet goed zaten. Bij het avondeten deed ik geen mensen lachen. Het voelde alsof mijn normaal intrinsieke talent om te entertainen mij had verlaten. Als ik mijn mond open deed, leek het alsof er enkel scheten uit kwamen. Was ik in de ogen van anderen intussen ook gereduceerd – of misschien zelfs teruggebracht tot ware grootte? En wat was die ware grootte dan? En weliswaar taalvaardige maar ook te grillige, wat verlopen figuur die soms te veel met zijn hoofd elders zat? Een clown die eindelijk werd ingehaald door de realiteit en wiens dosis geluk op was?

Verlof, verlaten, verbrand

Het verlof bracht niet de verhoopte rust. Sofia was terug, maar niet bepaald in een betere staat. De hele twee weken die ik had uitgetrokken, met een zo blank mogelijke agenda, kreeg ik haar niet te zien. Natuurlijk was dat m’n eigen schuld, als bouwer van imaginaire jenga’s op dromen. Ik kreeg nog een paniekaanval en toen nog één. Bij de tweede was de huiskater aanwezig als lokale mesmerist, die me met zijn gespin en zijn zachte vacht snel wist te kalmeren. Ik haalde hem liefkozend aan en noemde hem “mijn maatje”, en hij wentelde zich graag in die warme aandacht.

Ik sliep erg veel. Van mijn huisarts kreeg ik een verwijzing naar een psychiater, die ik voorlopig even naast me neerlegde. Ik keek wat rond voor ander werk. Ik ging nog licht in het hoofd en veel te optimistisch te voet naar een babyborrel van een journalist die ik kende. Daar zat ik meer dan een uur alleen tussen tientallen onbekenden voor andere vrienden arriveerden, in een onwerkelijke nazomer-zon en op een grasveld dat ingenomen was door onstuimige scoutsmeisjes en springkastelen. Vrienden maakten zich zorgen om me.

Het leek alsof mijn voormalige zelf was weggedeemsterd in een werk dat me verwrong in een handpop die ik niet was, en alsof Sofia een soort imaginaire vampier was die permanent aan m’n nek vast zat. Daarbij kwam dat wat gold voor mijn mentale zelf, niet gold voor mijn fysieke zelf. Ik was in slechte conditie, aangedikt als zichzelf vermenigvuldigend deeg, en ik haatte elk moment daarvan, ook al lag ik in bad gewoon te lezen of keek ik televisie.

Met Sofia moest er een definitieve wending komen. Ik schreef en herschreef een brief, omdat ik wist dat ik al mijn gevoelens en gedachten niet zomaar zou kunnen overbrengen als ze weer opgekruld naast me zou zitten in de zetel, of als ze weer tipsy op m’n schoot zou zitten terwijl we plaatjes draaiden en grapjes maakten. Laat staan dat ik het zou kunnen na seks, als ik niets liever zou willen dan haar aanhalen en haar strelen.

Het verlof was te snel voorbij. De bladeren waren al langzaam aan het veranderen in gouden, oranje en rode tinten in het mini-parkje voor de deur, en ik ging ook nog eens eten en cocktails drinken met Silke. Ze had nu zelf een vriend, een onzeker avontuur, maar het stond haar wel aan, en ik was blij voor haar. Toeristen in de cocktailbar dachten dat we de eigenaars waren, rijzig en iets te deftig gekleed als we daar stonden aan de bar om te betalen. Ik was nog steeds geïnteresseerd in Silkes teksten. Ik denk dat die interesse omgekeerd veel minder groot was. Zij was blijkbaar meer geboeid door mij als persoon dan door wat ik produceerde.

Vroeger had ik nog misbaar gemaakt over vrouwen die me zagen als “de schrijver” en daar dan één of ander mystiek rock & roll-imago aan hadden gekoppeld, terwijl mijn teksten bijzaak hadden geleken. Nu was ik zelfs niet eens “de schrijver”. Wat ik dan wel was, ik weet het niet, en bovendien was het ook m’n eigen schuld.

Een vuurkuil van waanzin

Laat in m’n verlof werd ik bijna toevallig betrokken in een nieuwe culturele activiteit in Gent. De Gent-minnende Nederlandse schrijver en zelfverklaarde mafketel Ronald van Ligteren, die ik ooit had geïnterviewd voor een radioprogramma, had zich terug in de Arteveldestad gevestigd en had een “podium voor pessimisme” opgezet. De eerste editie daarvan was me een beetje ontgaan omdat ik toen aan de drank en de drugs had gezeten met Sofia, maar hij nodigde me uit op een brainstorm voor de tweede (en derde, en vierde) editie op het pleintje van de cité waar hij ingetrokken was. Zoals zo vaak in 2017 trok ik erheen met een open geest en nul verwachtingen.

Die brainstorm werd half-interessant, half-pijnlijk. In de kring rond de vuurkuil zaten een aantal mensen uit de amateurkunstenscène in Gent die ik al een tijdje vermeed: een grofgebekte multidisciplinaire artiest die in geen enkel van zijn kunsten veel talent of groei vertoonde en leefde op een fonds van zijn ouders; een soort marginale Mecenas wiens relatie met mij over de jaren verzuurd was door zijn constante negativiteit en artistieke pretentie; een oude hippie die zijn dreadlocks droeg als een tulband; en een gast die er constant ladderzat bij liep en een kwade dronk had. Gelukkig waren er ook Ronald zelf, mijn oude radio-compagnons Petrus en Paulus, en de emotionele open zenuw Didier, een charmante Nederlander met een overschot aan emotie.

Ik beloofde op Ronalds volgende optreden via een laptop en een projector live slechte commentaar te leveren op zijn performance. De brainstorm zelf verliet ik toen er ruzie uitbrak tussen de tulband-hippie en de zatlap. Ik had alweer genoeg gezien en ik had een aversie tegenover nodeloze conflicten die vooral leken te draaien om gewonde ego’s. Want ook al stelden de meeste mensen in die scene geen lul voor, de lul was altijd bijzonder prominent. Het hielp wellicht niet dat er ook maar één vrouw aanwezig was, en dan nog als bijzit of babysit van de alcoholicus.

In die tijd, zoals men zegt in de bijbel, bracht ik ook ‘In de vorm van een vogel’ uit, mijn testament van 99 korte prozateksten die ik geselecteerd en geredigeerd had uit 9 jaar schrijfwerk. Initieel wilde ik dat aanpakken met een grootse campagne, maar ik had daar algauw geen zin meer in. Het was niet alsof één of andere poortwachter me er mee zou opmerken, aangezien het in 2017 alweer afwijzingen had geregend van uitgevers en andere culturele curatoren.

Ik kan ideeën marketen, andere mensen in de markt zetten of een bedrijf promoten, maar mezelf promoten heb ik altijd een beetje vies gevonden, alsof ik plots een deur-aan-deurverkoper ben van wat zou moeten gelden als mijn meest oprechte uitingen. Is dat een sentimenteel idee? Waarschijnlijk.

Verder naar deel vier.

Wandelen over de langste plank (II)

(2) De zwarte lente

Joris viel plots weg. Na al eerder enkele dagen afwezigheid wegens migraine en ziekte kwam bovendrijven dat onze sympathieke baas een burn-out had. Celine moest noodgedwongen de taken van Joris overnemen. Zoals in chaostheorie werd het nog complexer. Ten eerste bleek dat FedEdge expliciet gezegd had aan Celine dat ze mij niet wilden op hun project. Ten tweede bleek een kladversie voor een boekje dat ik voor de computerreus Ginn aan het schrijven was, een complete ramp.

Er kwam een meeting met Celine waar van m’n eerste vijf maanden alle grote en kleine zonden onder de loep werden genomen. Gestaald nam ik me voor van in de hoogste versnelling te schakelen. Intussen zat ik ook met m’n mentor Anja op een project bij een grote NGO en een vervoersmaatschappij, en met een andere collega op een project bij een bank. Alsof ik terug was gesmeten in de jaren ’80 van Reagan en Gordon Gecko, werkte ik als een bezetene.

Met Sofia bleef het moeilijk. Ze was in een depressie geraakt en zegde afspraken af. Als we elkaar zagen, hadden we telkens een fijne tijd, maar haar depressie had haar libido de nek omgewrongen. En dat terwijl ik meer dan ooit wist dat ze voor mij een primair soort type vervulde.

In die periode kwam ook Silke op m’n radar. Of, eerlijker, Silke was altijd al op m’n radar geweest. Net als Sofia was ze van Brussel, maar iets ouder dan me. Een scherpzinnige, geestige vrouw en een schrijfster, iemand die me een klein beetje intimideerde door haar verbale dolkstoten op sociale media, maar me ook aantrok door haar gevoel voor stijl. In een Messenger-conversatie bleek dat we allebei single waren (ik theoretisch, maar goed), en spraken we af om koffie te drinken in Brussel. Ik ging er argeloos heen, zonder de minste verwachting, nieuwsgierig maar zonder agenda.

Eén is genoeg

Ik had nooit kunnen vermoeden dat Silke zich aangetrokken zou voelen tot mij. Het was dan ook best een verrassing dat ze me kuste na onze koffie en een stadswandeling. En ik wilde haar ook wel. Ik zat enkel nog te veel in m’n hoofd met Sofia, en al spoedig bleek dat ik niet – zoals Sofia – seksuele relaties kon hebben met meerdere mensen tegelijk. Als ik een psychopaat was geweest, had ik met Silke verder kunnen aanpappen om haar als koevoet te gebruiken om in te breken in die zeer besloten wereld van uitgevers en literaire demiurgen, en het zou alleszins een toffe tijd hebben opgeleverd, maar ik kon het niet en wou het niet. De mens is een doel op zich, zei die lul uit Königsberg ooit, en hij had gelijk.

Sofia zelf had een pauze ingelast. Ze wilde even weg van alles. Ik respecteerde dat en zei niets, maar ik voelde me als een soort half-gesmolten Ken-pop, terwijl ik van hot naar her reed in m’n patserige bedrijfswagen, van klanten in Ronse tot klanten in Mechelen. Ik hield mezelf aan de allerhoogste standaarden. Oregon Consulting kon niet klagen over me. Was het perfect? Nee. Is iets dat ooit? Ook niet.

Ik schreef boekjes en blogs voor klanten en maakte presentaties. Ik sprong in op interne projecten die in barensnood zaten en loste collega’s af die overwerkt waren. Ik checkte teksten op taalfouten en las corrigeerde slordige presentaties. Nadat Celine me had gezegd, terwijl haar ijsblauwe ogen zich in me boorden, dat ik ’s ochtends soms nog rook naar de avond voordien (tabak en alcohol) gooide ik ook het roer om op dat vlak. Ik nam me voor om de perfecte consultant te worden. Opnieuw voelde ik die gestaaldheid, die wil om het 200% goed te doen.

Het was niet genoeg. Op een nieuwe evaluatie werden foutjes opgehaald van heel in het begin van m’n Oregon-reis, in aanwezigheid van de HR-medewerker die m’n contract had getekend. De lijken die uit de kast tuimelden van meer dan een half jaar geleden leken haast over elkaar te willen buitelen in een verticale danse macabre. Een andere collega vond me blijkbaar “raar” terwijl hij zelf een wandelend personage was uit ‘In de gloria’. Toen ik me op enkele van die zaken verdedigde, zeiden zowel Celine als de HR-man dat perceptie realiteit is, zonder toe te geven dat zij zelf die perceptie mee vormden. “We houden je niet onder de microscoop, hoor,” maar zo voelde het wel.

Huilen op de N60

Het werden bijzonder zware weken, die nog zwaarder werden gemaakt doordat ik de ongelukkige beslissing had genomen om zomerverlof over te slaan opdat mijn collega’s zouden kunnen genieten van een beetje zomervakantie. Mijn eigen grote verlof zou er pas aankomen in de herfst. Ik was vaak al van voor 8 uur ’s ochtends op kantoor als ik niet naar een klant moest, en bleef dikwijls tot bijna 6 uur ’s avonds. Ook thuis las en beantwoordde ik nog regelmatig mail, iets wat ik op nog geen enkele job gedaan had. Misschien klinkt dit voor sommige mensen heel normaal, maar dat is het niet.

Het deed pijn om Silke te moeten teleurstellen, ondanks de klik die we hadden en ondanks het feit dat de wederzijdse aantrekking er nog steeds was. Silke had het lef dat ik niet had: pijn tonen als ze pijn voelde, zonder daarmee te hengelen naar medeleven. Een vrouw naar mijn hart. Maar Sofia was zich nog steeds een weg aan het wriemelen door mijn geest. Omdat ik geen idee had wanneer en hoe ze terug contact zou opnemen, probeerde ik haar vergeefs te vergeten. Soms zat ik, terwijl ik volop gas gaf op de N60 en voorbij diverse plaatsen reed van m’n herinnering – oude vrienden, oude scholen, ex-lieven – te huilen in de auto.

Ondanks dat ik meer dan ooit m’n best deed en de meeste van m’n klanten tevreden leken over mijn werk, waarbij er één zelfs mailde naar Celine hoe onder de indruk ze waren over een presentatie van een collega en ikzelf, had ik het gevoel dat ik constant aan het koorddansen was. “Dat komt omdat je niet het krediet hebt opgebouwd dat anderen hebben,” zei Anja tijdens een brunch. Met andere woorden, ik moest de perfectie belichamen om uit de put te klimmen die ik gedeeltelijk zelf had gegraven en gedeeltelijk was uitgediept door Celine en HR. Maar hoe doe je dat? Was de consultancy misschien toch mijn ding niet?

En plots, rond m’n verjaardag, kwam Sofia terug. Ze had in Italië gezeten met vrienden en had daar een appendicitis gekregen. Net toen ik haar een beetje aan het vergeten was, verscheen ze terug op de scène. En natuurlijk wilde ik haar terugzien. Ze zei zelf ook dat ze me snel terug wilde zien, dat ze me miste. Hoe kon ik die sirenenzang negeren?

De verjaardag van een dikke kat

2017 markeerde het jaar dat mijn getrouwe huiskater Tyr, een soort gecastreerde Garfield, 10 jaar werd. Indertijd had ik hem samen met mijn toenmalige huisgenoot Frank geadopteerd. Hij was van een half-wilde nest gekomen die in de tuin zat van Franks ouders, en eigenlijk te jong om al door mensen te worden opgenomen. Ik had hem leren eten, drinken en naar het toilet leren gaan, en had ook zijn eerste ronkje gehoord toen ik z’n zachte pelsje streelde. Tyr was snel een centraal personage in mijn leven geworden, en bij mijn vrienden was hij onlosmakelijk met mij verbonden, alsof hij een viervoetige homunculus was die zoals in de beste parabels en sprookjes naar mij was beginnen aarden.

Nu was Tyr al 10 jaar aan mijn zijde. Ik noemde hem vaak mijn “kleine man”, en hij was over de jaren, door te weinig beweging en te veel smeken om eten, dik geworden. Maar zijn verjaardag moest gevierd, vooral omdat ik mijn eigen verjaardag zonder tromgeroffel had laten voorbijgaan. Sofia, die zelf ook een kat had, was een klein beetje verliefd op Tyr, door zijn grote, expressieve ogen en zijn bijna menselijk gedrag. De liefde was wederzijds. Tyr hield nooit op met snuffelen aan Sofia’s schoenen en leek altijd dicht bij haar te willen zijn. Ze plaagde hem graag zoals ze zijn baasje plaagde, en zowel dier als baasje lieten zich dat welgevallen.

Op Tyrs 10de verjaardag waren heel wat vrienden en familie aanwezig, en ook Sofia, ondanks haar schrik voor een hele hoop nieuwe mensen. Dit viel samen met het begin van de Gentse Feesten, en ook al gingen we daar niet heen, we werden allebei royaal dronken.

Sofia en ik waren allebei gelegenheidsgebruikers van recreatieve drugs – we hadden fijne herinneringen aan de occasionele snuif. Ik zorgde voor wat suikerpoeder de week na Tyrs feestje, en we hadden een fantastische date. Ze ontpopte zich tot zulk een spraakwaterval dat ik er haast met open mond bij zat. Zelfs nadat ik haar zei dat ze die woorden kon terugnemen, bekende ze me dat ze mij graag zag en dat ze me zelfs 10 jaar geleden al graag had gezien, dat ze zich als jong meisje had afgevraagd of ik haar leuk zou vinden en of ze leek op de meisjes die ik toen leuk vond, en dat ik er geen idee van had hoe belangrijk ik toen voor haar geweest was. We hadden nadien seks die beter thuis hoort in een vies verhaaltje.

Verder naar deel drie.

Wandelen over de langste plank (I)

Dit is het verslag van een persoonlijk, emotioneel en professioneel desastreus 2017 en de perifere maanden van 2016 en 2018 eromheen. Wie weet is het louter therapeutisch schrijven. Wie weet heeft iemand anders er iets aan. Wie weet zijn sommige situaties herkenbaar. Toen ik eind 2017 op Twitter het jaar een 1/10 gaf en iemand vroeg waarom toch nog dat ene punt, zei ik "wel, ik ben nog in leven". Dat vat het goed samen. Alle namen zijn heel erg slimme schuilnamen die totaal niet herkenbaar zijn.

In het voorjaar van 2016 solliciteerde ik bij LTL, een vrij kleine maar ambitieuze consultancy-groep die op zoek was naar mensen voor hun communicatie- en marketingvleugel. Nipt moest ik het afleggen tegen de laatste andere kandidaat, maar niet getreurd – LTL vroeg me een jaar later om in zeven haasten en als onafhankelijke enkele teksten voor hen te schrijven, en zo geschiedde.

Op dat moment werkte ik nog voor eGlyph, een licht anarchistische KMO die zich vooral specialiseerde in het aanbieden van PDF-middleware. LTL was intussen overgenomen door Oregon Consulting, en teambaas Joris belde me op om me te vragen of ik het nog steeds zou zien zitten om consultant te worden, weliswaar onder de vlag van Oregon. Ik stemde toe voor een gesprek, dat heel ontspannen plaatsvond in Kortrijk, en nadien in Gent met Joris’ secondant Celine.

Men vond het jammer dat ik wegging bij eGlyph, maar de CEO en mijn manager begrepen het wel – m’n manager was een jaar jonger dan ikzelf, en zowel CEO als management verstonden dat ik te lang zou moeten wachten op promotie als ik bij het nochtans groeiende eGlyph zou blijven.

(1) Uit overwintering

Technisch gesproken was het geen winter toen ik na een dikke maand werd gedumpt door Chiara en toen ik aangenomen werd bij Oregon Consulting. Maar het was koud en druilerig in die periode. Het voelde als een cesuur. Mijn oude schil viel af – Chiara en mijn vorige werk hadden nauwelijks op 300 meter van elkaar gehuisd, en nu was het tijd voor iets nieuws. Niet alleen ging ik werken voor Oregon, er dook ook terug een vrouw op in m’n leven waarvan ik nooit had gedacht dat ik haar in het echt zou ontmoeten. Daar is wat uitleg voor nodig.

In 2007 ontmoette ik in één of andere schimmige digitale krocht Sofia. Onze wederzijdse interesse was initieel alleen maar seksueel, met gedeelde fantasieën en kinks. Naderhand praatten we ook over meer persoonlijke dingen en ik probeerde zelfs één keer met haar af te spreken, maar dat feestje ging niet door. Achteraf bekeken zou dat ook een slecht idee geweest zijn. Ik was 24 en zij was 18. Niet illegaal, nee, maar gegeven de omstandigheden een dubieuze situatie.

We bleven in contact tot rond 2010. Hoewel ik nooit een foto van haar te zien kreeg, kwam ik te weten dat ze ondanks haar leeftijd iemand was met de onfortuinlijke combinatie van een hoge intelligentie en een kwetsbare persoonlijkheid. Onzeker en gevoelig. Getalenteerd in taal en nieuwsgierig naar de wereld. Na verloop van tijd kwam ze wat uit haar cocon, vatte ze hogere studies aan en maakte ze vrienden. Ongeveer op dat punt stopten mensen massaal met MSN Messenger (onze rode telefoon) te gebruiken, cancelde ik mijn daarmee samenhangende Hotmail-account en verdwenen we van elkaars radar.

In 2015 kreeg ik op Facebook een vriendschapsverzoek van een zekere Sofia, die ik helemaal niet herkende. De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik dergelijke verzoeken bijna altijd categoriek negeer. Maar omdat ze me (1) schattig leek en (2) geen spambot, stuurde ik haar een berichtje waarin ik haar vroeg waarom ze me had toegevoegd. Dit lijkt nu een op voorhand gemaakte conclusie, maar op dat moment was het een serieuze blast from the past toen ze uitlegde dat zij het meisje was waarmee ik ongeveer vier jaar af en aan over van alles en nog wat had gebabbeld online. Intussen had ze een job, al een jaar een vriend en woonde ze in Brussel. Ik was blij voor haar dat ze zo ver gekomen was. Ze had blijkbaar al die jaren mijn naam herinnerd en ook hoe ik er ongeveer uit zag (zij wist dat wel over mij, niet omgekeerd).

Het bleef een jaar relatief stil tussen ons, tot ze me ergens in november 2016 aansprak via de Messenger van Facebook. In het gesprek dat daar op volgde, bleek dat we allebei niet alleen recent een nieuwe job hadden aangenomen, maar dat we ook recent single waren geworden. Weliswaar was dat bij haar na twee jaar en bij mij na een maand, maar het schiep een bepaalde gedeelde treurnis. Intussen was ik al 33 en zij 27. Onze conversaties waren hartelijk, geestig en op het scherp van de snee, maar ze helden nooit meer over naar het seksuele, alsof onze eerste, ranzige babbels eigenlijk niet echt bestaan hadden.

De lijn Oregon-Brussel

Bij Oregon Consulting ging er een nieuwe wereld open. De voorbije 9 jaar had ik altijd ‘binnen’ gezeten als voltijdse tekstenboer, marketeer en occasionele designer. Nu zou ik als consultant ingezet worden bij klanten om hen beter en aantrekkelijker te leren communiceren, zowel intern als extern. Oregon was een op en top modern bedrijf, met flexdesks, fruitmanden, open ruimtes en tal van intelligente, gedreven mensen. Niet dat ik voordien werkte met idioten, maar hier hing de ambitie haast in de lucht als een naderend onweer.

Mijn initiële chef, Joris, was een innemende, warme man met een hoed en grijs haar, net als ik afgestudeerd als germanist (toen dat nog een richting was), en zat nooit verlegen om een kwinkslag. Ons team was een klein team, en was een buitenbeetje in een consultancy-firma waar vooral developers, integratoren en software-experts rondliepen. Dat maakte de bewijsdrang van dat team groot en voerde de stress op. Toch bleken mijn eerste proefopdrachtjes vrij succesvol, waardoor ik onmiddellijk in het diepe werd gegooid.

Intussen chatte ik bijna elke dag met Sofia, alsof er nooit zes jaar waren voorbij gegaan. Ik stelde uiteindelijk voor om elkaar eindelijk eens in het echt te ontmoeten, zonder dat ik daar per se iets mee hoopte te bereiken. Uiteindelijk waren haar profielfoto’s al vrij oud en niet zo duidelijk, en ik had er geen idee van of het in het echt wel zou klikken. We spraken af in haar Brussel, niet ver van de bekende en soms bespotte Dansaertstraat, die konijnenpijp van Nederlandstalige Brusselaars.

Het had wat voeten in de aarde (parkeerperikelen, volle cafés, straten afgezet), maar uiteindelijk vond ik Sofia in een kleine menigte aan één of ander café op Sint-Katelijne. Ik herinner me nog dat ik onmiddellijk werd getroffen door hoe mooi ze was. Grote bruingroene ogen, een licht-donkere tint, bijna ravenzwart haar, heel fijn van gestalte, en zeer stijlvol en vrouwelijk gekleed. Ze sprak met een onmiskenbaar Antwerps accent (wat ze ontkende – “ik klink toch vrij Brabants?”). We belandden in Bar Beton, en daar begon onze eerste echte babbel.

De kast wordt vol lijken gestopt

In het echt bleek Sofia nog veel grappiger dan ze online was. Er was niets van ongemakkelijkheid of stroefheid in het gesprek. We spraken honderduit over boeken, over Russisch (ze was vertaler-tolk Russisch-Engels van opleiding), over de zinloosheid van corporate jobs, over links zijn en toch ook kinky en sexy willen zijn, over vrijheid, over familie, kortweg over alles. Toen we afscheid namen, wist ik zeker dat ik haar terug wilde zien.

Dat gebeurde al enkele dagen later in een druk bezocht Ethiopisch restaurant in Brussel. Ik was een beetje te laat. Mijn hart sloeg veel harder dan anders. Ik was niet per se verliefd, maar ze was als een levensgrote magneet voor me – of een muggendeur, al naargelang. We deelden een grote schotel met veel kurkuma en gingen daarna nog elders wat drinken. Bij het afscheid nadien kuste ik haar, waar ze noch fysiek, noch verbaal op reageerde, wat me deed denken dat ik een vergissing had gemaakt. In opperste verwarring ging ik naar huis.

Intussen begon het bij Oregon lastiger te worden. Ik deed een aantal interne jobs die zonder feedback en gevolg bleven, zowel voor als na de jaarwisseling. Ik probeerde, zoals men ooit placht te zeggen, naar godsvrucht en vermogen andere karweien af te werken, maar die werden gewogen en te licht bevonden. De standaarden lagen duidelijk heel hoog. We hadden ook een nieuwe collega gekregen. Nieuwe Marieke, die haar naam deelde met een andere Marieke in ons team, werd mijn vaste loopgraven-compagnon.

Een derde afspraak met Sofia leek uit te blijven. Ik had het gevoel dat ze zocht naar excuses om niet af te spreken, tot ze me op een zondagavond ontbood naar Brussel, niet lang na Nieuwjaar. Ik was zo nerveus dat m’n handen trilden toen ik haar haar eerste glas wijn gaf in het café waar we hadden afgesproken. Ik moest het met twee handen vasthouden. In de beslotenheid van een lounge op het eerste verdiep kusten we opnieuw, en dit keer leek het enorm naar haar zin. “Je geeft zo’n kleine kusjes,” merkte ik op. “Dat is omdat ik een klein mondje heb,” zei ze, “het voordeel daarvan is dat het dingen groter doet lijken.”

De plank wordt uitgeschoven

Bij Oregon begon ik langzaam mijn eigen netwerk uit te bouwen. Ik had in mijn oudere en meer ervaren collega Anja een uitstekende mentor. Net als ik was zij iemand die mensen en zaken intuïtief benaderde, maar met het voordeel van meer levenservaring. Met de Mariekes was het altijd dolle pret als we samen aan een bureau zaten, en ik hongerde naar meer ervaring bij klanten. Die kwam er spoedig aan.

Hoewel Joris de baas van het team was, werd de werkplanning waargenomen door Celine. Celine was enkele jaren ouder dan ik en iemand die ik van meet af aan intimiderend vond. Ze was bijna even lang als ik – en met 1m84 ben ik zeker niet klein – en had ijsblauwe ogen die dwars door mijn schedel heen leken te kijken, in combinatie met een altstem die bullshit genadeloos doorprikte. Celine en ik zouden samenwerken op het FedEdge-project, een klant in het Antwerpse met vertakkingen in meer dan 100 landen.

Ik zag ook Sofia terug. Ik kookte voor haar bij mij thuis. Nadien dronken we wat te veel en hadden we wat flauwe seks. Het was niet dat ik niet opgewonden genoeg was, maar iets te veel op had om goed te kunnen functioneren, en het geworstel met het condoom hielp ook al niet. Ze aarzelde een beetje. “Misschien betekent dit meer voor jou dan voor mij. Of omgekeerd,” zei ze cryptisch.

Nadien maakte ze me via Facebook Messenger duidelijk dat ze niet op zoek was naar een relatie. Ze bleek nog altijd met haar ex samen te wonen, hoewel ze niet dacht dat ze daar ooit naar zou terugkeren. Ook bleek dat ze graag seksueel experimenteerde. Dat was al zo geweest in haar vorige relatie. Haar ex had haar dat toegestaan onder de voorwaarde dat hij er niets over wist, en dat was een deel geweest van waarom het afgesprongen was – ze kon niet leven met doen alsof. Ze vertelde me in bed dat ze binnenkort naar een seksfeestje ging, en dat maakte me veel minder jaloers dan ik gedacht had. Zo lang ze alles deed in veiligheid en met volle goesting, zag ik het probleem niet.

Verder naar deel twee.

donderdag 27 oktober 2016

Ananke (VIII)

De hel van Eden (Sol 4)

Toen Sia terug in de tent was, viel haar oog onmiddellijk op één van de verklikdisplays die ze samen met Hwang geïnstalleerd had. Eén van de exoscooters van de hangar achterin de basis was weg, en dat klopte niet.
Hwang?
Wat is er? kwam het antwoord vrijwel onmiddellijk terug.
Eén van hun exoscooters is weg. Ze hadden vandaag geen exomissies.
Nathalie en Ignacio zijn nog steeds bij mij.
Sia zette de verbinding op laagband en activeerde haar linkeroogdisplay. Gelukkig moest ze alleen opnieuw haar helm vastklikken, terwijl ze zocht naar haar wapen.
“Godverdomme,” mompelde ze tegen zichzelf.

Sia rende het complex binnen. Toen ze de keuken in marcheerde, na drie lege kamers gevonden te hebben, trof ze een verraste Ma-Jing Rui aan.
“Wat is er?” vroeg hij. Hij zat te lezen.
“Wie heeft één van jullie exoscooters genomen?”
Hij stond onmiddellijk op.
“Nathalie en Ignacio zijn bij je collega. Iemand heeft er één genomen zonder toestemming.”
Sia draaide zich net op tijd om om niet omver gelopen te worden door het massieve lichaam van Dan Loeber. Hij had zijn tuinoverall nog aan.
“Er is een exoscooter weg,” zei hij. Zijn anders bedaarde Texaanse gezicht stond wild.
“Ik weet het,” zei Sia.
Ze baande zich een weg langs Dan en rende onvast, door die vervelende g-kracht van Ananke, naar de leefvertrekken. De deur stond open. Giada zat in een zetel voor een onaangeroerd schaakbord. Dieprood licht gaf de kamer een zonderlinge sfeer.
“Wie heeft een exoscooter genomen?” vroeg Sia, wijdbeens in het deurgat.
“Geen idee,” zei Giada, maar ze had net zo goed “Ik kwam je bezig houden om er voor te zorgen dat je niks zou merken” kunnen zeggen.
De groep rond Giada heeft de scooter genomen.
Hwangs antwoord kwam van dichtbij.
We zijn al terug onderweg naar de basis. Nathalie en Ignacio weten nog niks.
Sia richtte haar wapen op Giada.
“Ik arresteer je voor obstructie van een onderzoek van de Verenigde Naties,” zei ze.
Giada stond op.
“Sla me dan maar in de boeien,” zei de Italiaanse met de onverzettelijkheid van een martelares. Intussen waren ook Ma-Jing en Dan de kamer binnengekomen.
Er kwam van buiten een lichtflits. Sia’s greep om haar wapen verstevigde zich.
Het was Catherine. Ze heeft de A2 opgeblazen.

Sia moest tegen elk instinct vechten in haar lichaam om geen kogel door Giada’s lichaam te jagen. Als een mantra herhaalde ze in haar hoofd flarden van haar training terwijl de Italiaanse haar uitdagend bleef aankijken. De flits van de A2 die opgeblazen was, brandde nog na op Sia’s netvlies, en daarmee ook de enige mogelijkheid dat ze hier ooit zou wegraken.
Intussen was Hwang de kamer binnengekomen. Hij hield Nathalie en Ignacio onder schot en had onderweg Ilona opgepikt, waardoor iedereen in de woonkamer aanwezig was.
“Allemaal naar één kant,” zei Hwang rustig tot de kolonisten. Sia zette enkele passen terug tot ze naast Hwang stond en ze keken elkaar aan. Ze kon zien dat hij precies hetzelfde dacht als haar. Hij draaide zich terug naar de kolonisten, bij wie een heel spectrum aan gevoelens te zien was. Nathalie was sfinxachtig als altijd, Dan zag er geschokt uit, Ignacio had een mengeling van vrees en trots, en de rest zat daar ergens tussenin.
“Krachtens de autoriteit die in ons is geïnvesteerd als speciale agenten van de Verenigde Naties, staat iedereen van de kolonie Ananke A op de wereld Ananke onder arrest,” zei Hwang tot de kolonisten, “De zelfmoordaanval van Catherine Crowley op het tweede interstellaire bemande schip van de mensheid en de dood van onze piloot, Gustav Jensen, is een bijzonder zwaar vergrijp.”
Sia voelde haar hand in een kramp staan om de greep van haar wapen.
“Maar het verandert niets aan de feiten,” zei Giada, die haar medestanders om haar heen verzameld had, “De mensheid zal geen kennis maken met het Vesch.”
“Ik denk niet dat ik jou toestemming heb gegeven om te spreken,” zei Hwang voor Sia iets kon zeggen. Giada glimlachte maar zweeg.
“Giada, kom hier,” zei Sia. Ze maakte zich los van de groep. Voor er iemand anders iets kon zeggen of doen, sloeg Sia Giada neer met een klap van haar wapen. Haar kaakbeen kraakte en ze zakte onmiddellijk in elkaar op de grond.
“Als we ons niet meer gaan houden aan gelijk welke regel – wat jullie goed recht is om te proberen – dan zullen de gevolgen er ook naar zijn,” zei Sia, die over Giada’s lichaam stapte en langs de andere kolonisten heen liep. De angst had het nu gewonnen van de verdeeldheid. Het bloedrode licht in de kamer was bijna indigo geworden.
Wat nu?
Sia reageerde niet op Hwangs mentale stem.
“Werkt de algemene zender nog zodat we contact kunnen opnemen met Aarde?”
Het bleef stil.
“Antwoord!”
“Hij is permanent beschadigd geraakt,” zei Ignacio toen.
Sia trok een gezicht.
“Hoe lang duurt het om een nieuwe te maken?”
“Daarvoor hebben we niet het juiste materiaal,” zei Nathalie Pohl. De informele leidster van de kolonie was nu zelf uit de groep naar voren gestapt. Ze keek beurtelings van Sia naar Hwang.
“Ik zou jullie met respect willen vragen om niet verder mijn mensen te verwonden,” zei ze, “Ik besef de ernst van de situatie, maar geweld brengt ons nergens.”
“Ga jij dat uitleggen aan Gustav?” vroeg Hwang.
“Nathalie, het is nu niet het moment om te onderhandelen. Dat is noch je positie, noch je plaats. Je hebt gefaald als leider,” zei Sia, die haar woede gradueel voelde wegebben en in de plaats daarvan een misselijkmakende wanhoop in haar voelde opwellen, “Ga terug bij de anderen staan.”
Nathalie sloot haar ogen even.
“Wacht,” zei ze, “Laat me even, alsjeblieft.”
Terwijl Hwang de rest van de groep onder schot hield, kwam Sia vlak voor Nathalie staan.
“Maak het kort. Wat wil je?”
“Ik was niet op de hoogte van de plannen van Giada en Catherine,” zei Nathalie, die haar ogen weer geopend had en Sia vol aankeek, “En ik neem het falen van Ananke A volledig op mij. Wat zij gedaan hebben, valt niet goed te praten. Maar maak daar de anderen niet het slachtoffer van, alsjeblieft.”
In weerwil van zichzelf, alsof het een zeeziekte was, voelde Sia medelijden.
“Er zal verder niemand gewond raken als iedereen zich gedraagt.”
Wat nu? vroeg Hwang opnieuw. Ze draaide zich om en keek hem aan.
We nemen dat vervloekte Vesch in beslag en wachten vier jaar tot ze ons komen halen.
Hwang knikte.
“Nathalie,” zei Hwang, “kom mee met mij.”
Gedwee volgde de psychologe Hwang naar buiten.
“Gaan jullie het Vesch in beslag nemen?” vroeg Ma-Jing. De Chinees keek alsof hij hard probeerde mee te denken met de agenten. Sia knikte kort en ging in een stoel zitten, nog steeds met haar wapen in de aanslag.
“Het Vesch in de grot is niet het echte ding,” zei Ignacio toen duister.
“Hoezo?”
Ook bij de anderen ontstond consternatie. Ignacio haalde een kleine kubus uit zijn zak. Sia stond op uit haar stoel. Het indigo licht in de kamer leek intenser te worden.
“Geef dat hier.”
Ignacio schudde zijn hoofd. Een windstoot gierde door de basis.
“Dat zal niet gaan. Ik heb het zonet geactiveerd.”
Sia opende haar mond om iets te zeggen, maar haar adem stokte. De kamer verkleurde nog een tint donkerder. Het lawaai van de kolonisten werd één aangehouden muzieknoot, en ze verwerden tot zwarte pilaren, met in het midden Ignacio.
Het dakvenster brak open en de muren zakten in de grond. Een stofwolk waarin elk partikel apart zichtbaar was in een miljoenvoudige reflectie, onttrok de werkelijkheid aan het zicht. Sia ging door haar knieën net als Giada daarnet, en voelde, terwijl haar ogen naar boven rolden, hoe ze begon aan een oneindig diepe val – en er was een deel van haar dat dat niet eens zo erg vond.

Alles om Sia heen proefde naar regen. Ze zat neer tegen een boom, en nam gradueel haar omgeving in zich op. Ze bevond zich in een wild grasveld zoals ze er gezien had in Wales, met heuvels die tot in de oneindigheid leken verder te rollen, hier en daar enkele bomen, veel bloemen, en het geruis van de wind door takken. In de verte waren er zelfs dierengeluiden te horen.
“Sia?”
Sia stond op en draaide zich om. Aan de andere kant van de boom zat Hwang. Hij keek naar haar op. Het was nu pas dat ze ook besefte, door hem te zien, dat ze allebei naakt waren.
“Iemand heeft het Vesch geactiveerd, is het niet?” vroeg Hwang. Hij zag er niet langer ongeschoren en gespannen uit, en leek meer alsof hij er net een verkwikkende slaap had opzitten. Sia zei niets en keek verder over de horizon.
“Godverdomme,” zei Hwang, en hij liet zijn hoofd zakken, “De rotzakken.”
Sia zette een paar passen verder, van onder de schaduw van de boom. Er was geen wolk aan de hemel. Haar implantaten en oogdisplays waren verdwenen.
“Zouden de anderen hier ook zijn?” vroeg Hwang zich luidop af.
Sia sloeg een vorm gade in de verte, onder een andere boom. Ze ging op haar hurken zitten.
“Het is een leeuw,” mompelde ze, meer tegen zichzelf dan tegen Hwang, “verdomme.”
Hwang was nu zelf opgestaan.
“Wat zie je?” vroeg hij. Sia wees de vormen aan onder de boom verderop.
“Een leeuw,” herhaalde hij, “Hij is niet alleen.”
Naast de leeuw zat een schaap. Het gevoel van duizelingwekkende wanhoop dat ze zoëven gevoeld had, was weer helemaal terug.
“Weet je wat dit betekent?” vroeg Sia, opkijkend naar Hwang.
“Wat?” vroeg hij zwak.
“Het Vesch, wat het ook is, wil ons doen geloven, of heeft ons geplaatst, in de Tuin van Eden.”
Hij lachte eerst, maar zweeg abrupt.
“Het kan erger, maar...”
Hij maakte ook zijn zin niet af. Sia stond op. De leeuw en het lam lagen nog steeds broederlijk naast elkaar. De warmte zorgde ervoor dat het gras een goudachtige gloed afgaf, en de wind koelde haar gezicht af. Ze sloot haar ogen en strekte haar armen uit.
“We raken hier nooit meer uit, Hwang,” zei ze, “Ignacio heeft een technologische singulariteit geactiveerd. Elke mens op Ananke is er in meegezogen.”
Hwang keek om zich heen.
“Een volgende expeditie zal...”
Maar ook die zin maakte hij niet af. Sia raapte een steen op.
“Hwang, ik heb geen zin om hier Adam en Eva te spelen,” zei ze. Hij vloekte in het Koreaans.
“Wat stel je dan voor?”
Ze toonde hem de steen.
“Ofwel vinden we zelf uit wat de dood hier voorstelt, ofwel maak ik het je makkelijker.”
Verschillende emoties worstelden zich een weg naar zijn gezicht.
“Ho daar. We kunnen... dit is toch niet... De anderen kunnen hier ook zijn.”
Sia had sterk het gevoel dat dat niet het geval was en Hwang klonk eveneens niet overtuigd van zijn eigen woorden.
“Het is dat, of er komt een punt waarop –”
Hij stapte naar achter.
“Laat me gaan,” zei hij. Sia telde inwendig tot drie en mikte de steen naar Hwangs gezicht. Hij ging neer. Ze sprong bovenop hem, raapte de steen op en bleef op hem in kloppen tot ze zeker wist dat hij dood was. Bevend, met tranen en zweet die langs haar bloederige lichaam naar beneden rolden, stond ze toen op.

Tegen dat de volgende ochtend aangebroken was, hing Sia Pierce uitgerokken, met een rood gezicht en een bleek lichaam, aan een tak zacht te schommelen op het ritme van een zuiderwind.

Ananke (VII)

Uit de hand (Sol 4)

Hwang en Sia hadden nu elk met alle kolonisten op één na gesproken. Daarnet was ze langs geweest bij Giada en toen bij Ilona. Hwang zat momenteel bij Catherine en Sia ondervroeg Ignacio, de Braziliaanse fysicus. Ze zaten op zijn kamer, een duister oord dat slechts opgelicht werd door drie displays die permanent berekeningen toonden. Ignacio Da Silva was samen met Giada Catanzano het jongste lid van de kolonisten en had de laagste rang. Niet dat dat veel betekende in de context van Ananke, want zelfs de laagst gerangschikte kolonist beschikte over een indrukwekkende waslijst aan diploma’s en verwezenlijkingen in de ruimtevaart.
Zoals Hwang voorspeld had, zat Ignacio’s hand vastgelijmd om een dampende mok koffie.
“Weet je dat we hier onze eigen koffiebonen verbouwen?” vroeg Ignacio toen hij zag dat Sia keek naar zijn mok. Hij had gemoedelijke muziek opgezet.
“Dat wist ik. Ik heb vernomen dat jij het merendeel van de koffieconsumptie voor je rekening neemt,” zei Sia. Ignacio lachte kort.
“Dat is juist. Ik ben dan ook de lokale koffieboer.”
“Goed. Licht je positie eens toe, Ignacio.”
“Zoals je weet ben ik voorstander van het Vesch hier te houden en te activeren zonder dat de rest van de mensheid het weet.”
“Geloof je ook dat de VN wist dat het Vesch bestond?”
“Dat weet ik niet. Het zou kunnen. Hebben ze er iets over gezegd tegen jullie?”
“Ik stel hier de vragen, Ignacio.”
“Vast niet, dan,” concludeerde hij, “dus als de VN het al wist, dan weet bijna niemand het. Dat is niet zo erg. Maar het is wel een interessante denkpiste. Wat als de VN gehoopt had dat we het zouden activeren? Op basis van onze psychologische profielen moeten ze geweten hebben hoe we zouden reageren op bewijs van buitenaards intelligent leven.”
“Dat valt niet echt te voorspellen,” zei Sia, die zich de cursussen over Drake, Fermi, Kardaschev en Singh herinnerde, “Je weet net als ik dat het een buitencontextueel probleem is.”
Ignacio trok zijn wenkbrauwen op en nam een slok koffie.
“En toch,” zei hij.
“En toch wat?”
“Als de reactie van zeven kolonisten onvoorspelbaar is, hoe zou Aarde reageren?”
“Dat is niet aan jou om over te beslissen of om iets over te anticiperen. De procedures –”
“De procedures zijn duidelijk,” zei Ignacio, “Ik weet het. Ik herhaal enkel mijn standpunt, dat je vast ook al gehoord hebt van Catherine en van Giada.”
Giada was daar bijzonder strijdbaar over geweest. Ignacio leek eerder gelaten.
“Ja en je bewijst jezelf er geen dienst mee door je weerspannig te blijven opstellen.”
“De missie veranderde van inhoud toen Dan terugtrad als leider.”
“Om erger te voorkomen,” zei Sia.
Ignacio haalde zijn schouders op en nam nog een slok koffie.
“Als je het zo wil bekijken.”
“Terug naar mijn eerdere vraag. Waarom wil je het Vesch hier houden?”
De Braziliaan glimlachte mysterieus.
“Je collega heeft ook al zitten spitten om het uit mij te krijgen.”
“Ik spit niet, ik stel een vraag.”
“De meeste collega’s hier denken dat ik dingen over het Vesch weet die zij niet weten, buiten Giada. Die weet alles. Maar in werkelijkheid weet ik niet zoveel meer dan zij. Ik ken de nanokervingen en de patronen van de koolstoftubes beter dan de rest en ik denk dat ik ook een iets scherper idee heb over wat zo’n singulariteit kan doen met ons, maar dat is het dan ook. Nee, wat ze niet weten gaat over mezelf.”
Hij liet een beladen stilte hangen. Sia keek hem slechts aan. Hij nam op z’n gemak nog een slok koffie en hoestte.
“Het is binnenkort allemaal voorbij, niet?” zei hij toen, “Het was van meet af aan vruchteloos om jullie aan onze kant te krijgen. Giada is een prachtvrouw, maar zo idealistisch.”
Ze had Sia met passie proberen te overtuigen waarom het Vesch hier moest blijven. De mensheid was er niet klaar voor, het zou misbruikt worden, het was beter om het Vesch te gebruiken voor een select aantal mensen die er – wie weet! – iets nuttigs mee zouden kunnen doen. Het had niet gebaat. Giada was weerspannig geworden en Sia had Hwang een verklikker laten hangen rond Nathalie in het geval Giada in een wanhoopspoging zou proberen om de codes te ontfutselen en het Vesch zes kliks verderop te activeren.
“Sommige mensen geloven van zichzelf dat ze diep vanbinnen de geest hebben van een dier, wist je dat?” vroeg Ignacio.
Sia knikte.
“Voor sommige mensen is het deel van hun identiteit. Al heel m’n leven wil ik zo ver mogelijk weg van waar ik vandaan kom in de hoop om iets terug te kunnen vinden van wat ik voel. Weg van Aarde, weg van de mensheid. Maar altijd is die onbeantwoorde echo blijven bestaan en in elke nieuwe omstandigheid, hoe buitenissig ook, ben ik nog altijd vastgeklonken aan een al bij al vrij beperkt mensbeeld.”
“Wat voor dier geloof je te zijn?”
Hij glimlachte.
“Doet het ertoe of het een specht is of een havik? Het is niet alsof je me meer zou geloven.”
“Ik vind het op z’n minst opmerkelijk dat een astro-ingenieur zoiets gelooft.”
“In iets geloven is opmerkelijk,” gaf hij toe, “maar het is ook deel van wat we zijn. Dan gelooft ook heilig zijn zijn menselijke plicht om kennis te delen en Nathalie gelooft in haar neutraliteit. Of dat allemaal waarheid is of niet, doet er niet eens toe. Het feit is dat het Vesch mij, meer dan de rest, misschien totaal zou kunnen bevrijden. Geloof me maar dat ik bij mijn onderzoek vaak gedacht heb om Nathalie, die er altijd bij aanwezig is ter controle, dood te slaan en het ding zelf te activeren.”
“Waarom heb je dat nooit gedaan?”
“Kennelijk omdat ik toch mijn ethiek laat zegevieren boven mijn verlangen. Of omdat ik er te laf voor was.”

“Ik kan niets voor je doen, Giada,” zei Sia. De drie zonnen van Ananke hingen laag aan de karteling van de bergen, verderop, wat de namiddag een zeldzaam rode gloed gaf. Giada Catanzano’s mooie, maar diep liggende, donkere ogen leken zich nog verder in haar gezicht terug te trekken.
“Dus het wordt een arrestatie,” zei ze. Ze stak haar kaak licht vooruit.
Beide vrouwen stonden in de ingang van de tent van Sia en Hwang. Sia had haar buitenpak aan, Giada zelf had alleen een voorbindmasker aan en voor de rest een werkoverall. De atmosfeer van Ananke was natuurlijk volkomen adembaar voor mensen, maar veiligheidsvoorschriften stonden er toch op dat de kolonisten buitenpakken droegen. Het ergerde Sia dat Giada ook dat met de voeten trad.
Hwang was samen met Nathalie en Ignacio nogmaals naar het Vesch gegaan, maar dat was meer om tijd te rekken dan wat anders. Tegen de avond verwachtten beide agenten tot een definitieve conclusie gekomen te zijn, maar ze dachten er sterk over om Gustav met de A2 weg te sturen en dat risico te nemen.
“We kiezen er zelf wel voor wanneer we wat aankondigen.”
“Het lag al vast vanaf het moment dat jullie hier aankwamen. Als jullie je politionele taken uitvoeren, betekent dat dat de operatie hier opgedoekt wordt en dat het Vesch mee terug gaat naar Aarde,” zei Giada, “Alleen als jullie ook van jullie regels afwijken, kunnen we voorkomen dat de mensheid ten onder gaat.”
Sia zuchtte.
“Je hebt gezegd wat je dacht tijdens je ondervraging. Tenzij je daar nog iets aan wil toevoegen, is er niks dat ik kan doen, en je moet het ook niet proberen. Meer nog, als je blijft aandringen, kan ik je arresteren omdat je de loop van het onderzoek verhindert.”
Giada lachte achter haar mondmasker. Het was geen vrolijke lach.
“Misschien vind ik dat wel de moeite waard. Snap je het niet?”
De Italiaanse schudde haar hoofd. Ze keek achterom, naar de basis met haar koepels en beschermende stoflaag, en fixeerde toen weer Sia met haar panterblik.
“Als het Vesch er al in slaagt een kolonie van amper negen mensen te destabiliseren, wat verwacht je dan dat het gaat doen met Aarde? Dit is geen uitvinding die we zelf gemaakt hebben. Het is geen wiel, geen stoommachine of geen Alcubierre-aandrijving. Het is het einde van alles waar we zeker van waren. Het Vesch moet op Ananke blijven en nergens anders.”
Sia vouwde haar armen over haar borst.
“Ben je werkelijk zo arrogant te denken dat andere wetenschappers er niet mee zouden kunnen omgaan? Of dat er plots woeste menigtes op straat gaan komen?”
“Ik ben oud genoeg om me te herinneren dat de eerste Alcubierre-aandrijving een aantal levens gekost heeft in de straten van Washington en Karachi,” schampte Giada.
“Fundamentalisten vinden altijd wel een reden uit om ergens boos over te zijn.”
In weerwil van zichzelf was Sia nu ook beginnen argumenteren, en het ergerde haar dat Giada daar genoegen aan leek te beleven. Ze konden hier geen dag langer blijven, of ze waren onvermijdelijk deel van de politiek.
“Dat wil niet zeggen dat we daarom een lading versie olie over dat vuur moeten gieten. Dan nog: is Aarde beter af met de wetenschap dat het Vesch bestaat?”
Sia sloeg met haar gehandschoende hand op de deurpost van de tentsluis.
“Giada, ik blijf het niet herhalen. Dat soort kwesties lossen wij niet op. Dit valt buiten mijn bevoegdheden, en zeker ook buiten die van jou.”
“Ja? Het Ding is niet eens van menselijke oorsprong. Welke wetten regelen dat allemaal?”
“Daar zijn regels voor in het Handvest, en dat weet je zelf ook.”
Giada snoof. Haar ogen flikkerden.
“Het Handvest, prachtig ding, geschreven door bureaucraten die nooit verder dan de Maan geweest zijn. Wij zijn het begin van een nieuwe tak van de mensheid zelf. Het Handvest was al verouderd toen het uitkwam, en had helemaal geen idee dat we ooit iets als het Vesch zouden vinden. De geest en de letter van die wet zijn richtlijnen, geen ijzeren wetten.”
Sia hervond haar kalmte.
“Je hebt ongelijk. Ga terug naar de basis.”
Giada zette een stap achteruit en knikte traag.
Sia bleef staan met gevouwen armen tot Giada terug het wooncomplex binnen was. Een warme bries deed stof dwarrelen over de rotsen.

Verder naar deel VIII.