Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling kortverhalen daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van 'Onklare taal'. Ik ben tijdelijk gestopt met kortverhalen, maar in 2016 heb ik een geredigeerde bundel van de beste verhalen uitgebracht: 'Recombinant' is gratis te downloaden in PDF- en in EPUB-formaat.

zondag 11 november 2012

Zeppelin



Jozef Vermeer kneep zijn ogen dicht tegen de zon die langzaam onderging waar de grens met Nederland begon, even voorbij Malmünd. Daardoor kreeg hij het tegelijk berustende en opgelaten gevoel bijna thuis te zijn. 's Ochtends, bij het opstijgen in Berlijn, had de zeppelin zijn schaduw nog lang en sigaarvormig voor zijn boeg uit geworpen, maar nu baadde alles dat voor het gevaarte lag, in een goudoranje schijn van een mooie nazomeravond.
"Excuseert u mij," vroeg een stem in het Duits, "stoor ik u?"
Jozef draaide zich met tegenzin weg van bij het venster en keek in een paar open, donkere ogen die toebehoorden aan het afgelijnde gezicht van een man die ongeveer Jozefs leeftijd moest hebben.
"Nee, gaat u zitten," zei Vermeer zelf in vlot Duits.
"U bent Vlaming?" vroeg de Duitser, die onmiddellijk plaats genomen had aan het tafeltje met zijn buffetbord. Het restaurant zou niet lang meer openblijven voor de laatste maaltijd, en veel eters waren er niet.
"Dat klopt," antwoordde Jozef met enige verbazing, "de meeste mensen herkennen het verschil niet tussen Nederlanders en Vlamingen, laat staan aan hun accent in het Duits."
De Duitser glimlachte.
"Ik ben al vaak genoeg in Nederland en Vlaanderen geweest om het verschil te weten."
Beide mannen aten even alvorens de Duitsers weer begon te praten.
"U woont in Brussel?"
"Enkele kilometers buiten Brussel, technisch gesproken, maar mijn zaak is in de stad zelf."
"Waarin handelt u?"
"IJzerwaren."
Het gezicht van zijn gesprekspartner klaarde op.
"U komt van de IJzerbeurs in Berlijn. Ik was er ook."
"U zit ook in de handel?"
"Nee, maar vrienden van mij wel. Om eerlijk te zijn vermijd ik Berlijn als ik kan. Te luid, te groot, te decadent naar mijn smaak."
Jozef knikte.
"Het is anders dan Brussel. Het is er inderdaad luid. Maar het is wel een stad die lééft, die energie heeft. Parijs heeft afgedaan."
De Duitser nam een slok water en trok daarbij zijn wenkbrauwen op.
"Ja, dat is het minste wat je kan zeggen."
De kranten spraken al weken over de ontwikkelingen in Frankrijk. Sinds de verkiezing van Pierre Semard als president in '36, nadat hij de politieke arena al bijna tien jaar gedomineerd had buiten de regering, was de vrees voor een nieuwe oorlog erg concreet geworden.
"Bent u ooit in Parijs geweest?" vroeg Vermeer.
"Nee," zuchtte de man, "men zei me altijd dat het mooi was, als je de Fransen er bij kon nemen."
Jozef lachte beleefd.
"Ik ben er zelf geweest als kind, in 1901. Ik was geweldig onder de indruk, maar ja, als kind ben je makkelijk onder de indruk van iets dat zo groot en modern is."
"Dat klopt. Toch kunnen we niet ontkennen dat dat soort ervaringen ons vormen en ons wereldbeeld mee bepalen."
De Duitser werkte aan ijltempo zijn bord naar binnen. Jozef had geen honger meer en liet ongeveer één derde liggen. Het zeppelinvoedsel was niet bepaald grote gastronomie, en hoewel hij met de Duitsers op zowat alle vlakken al vrede had genomen, zou hij nooit hun keuken kunnen appreciëren.
"Je vraagt je bijvoorbeeld af," zei de Duitser, toen Jozef weer uit het venster keek en Malmünd al bijna onder hen weggegleden was in zijn rotsige Ardennenlandschap, "hoe iemand communist kan worden. Een gebrek in hun jeugd misschien? Een slechte ervaring met autoriteit?"
"Ik weet het niet," zei Jozef, die zelf zelden filosofische gedachten had en in gedachten afdwaalde naar zijn vrouw, "Het lijkt me een vorm van collectieve hebzucht, misschien. Een redenering die zegt dat als zij niet kunnen hebben wat gewone mensen hebben, dan niemand het mag hebben."
De Duitser was door deze uitspraak zeer geamuseerd en knikte.
"Dat is een mooie. Toch denk ik dat we de oorzaak moeten zoeken bij de jeugd. Heeft u wel eens Freud gelezen?"
"Al van gehoord," gaf Vermeer toe, "ik heb niet erg veel tijd."
"Natuurlijk," verontschuldigde zijn gesprekspartner zich, "handel voeren en reizen nemen veel tijd in beslag."
"Waar bent u dan mee bezig in het dagelijks leven?"
De Duitser had net gedaan met eten. Hij legde zijn mes en vork over zijn bord en veegde traag zijn mond af. Jozef dacht een ogenblik dat hij iets verkeerds gevraagd had of dat er een taalkundige nuance in zijn vraag was die hem ontgaan was.
"Ik doe een beetje van alles," zei de Duister toen. Hij leunde achterover. Het oranje avondlicht gaf zijn ogen een warmere gloed. Jozef fronste.
"Van alles?"
"Ik bezoek mensen. Ik lees. Ik ben bezig met kunst, met de mensen, met politiek."
Vermeer had eindelijk een aanknopingspunt gevonden.
"U bent een filosoof, dan?"
"Het restaurant gaat sluiten binnen een kwartier. Gelieve u naar uw kajuiten te bewegen. Landing in Brussel is voorzien om 21u," werd er omgeroepen door een vrouwenstem.
Noch Jozef, noch de vreemde Duitser maakten aanstalten om op te staan.
"Ach, 'filosoof', dat is een groot woord," antwoordde deze, "Schopenhauer, Nietzsche... ja, dat waren filosofen. Ik zoek de brug op tussen filosofie, kunst en politiek. Hoe kan men bijvoorbeeld met kunst het communisme bestrijden?"
"Ik volg politiek niet zo," zei Jozef neutraal, "maar ik heb gehoord dat men Italië wel bezig is met een soort anticommunistische kunst. Futurisme?"
"Mja, het is een poging, maar een poging die toch nog schatplichtig is aan ideeën die te radicaal en modern zijn," vond de Duitser, die nu zijn servet in één hand opgefrommeld had en ermee speelde.
"En goed," ging hij verder, "het zal ook niet alleen kunst zijn waarmee we de Fransen, de Russen en de Spanjaarden gaan verslaan. Gelooft u dat er een nieuwe oorlog komt, meneer...?"
"Vermeer."
"Ah, als de schilder," zei de andere man samenzweerderig.
"Ja, maar ik denk niet dat ik echt familie ben."
"Vlamingen zijn te bescheiden, meneer Vermeer. U kan toch best familie zijn? Maar goed, wat denkt u?"
Jozef vouwde zijn handen samen. Hij had al over het onderwerp gesproken met zijn vrouw en zijn vrienden, maar had het steeds vermeden als hij in Duitsland was, waar men niet begreep dat het verse, grotere Nederland erg ambigu stond tegenover een nieuwe oorlog. Als de Fransen oorlog wilden, werd het oude België weer het eerste slachtoffer. Duizenden Belgische communisten zaten aan de grens te wachten om hun oude dorpen en steden terug binnen te trekken, zogezegde landverraders te executeren en een sovjet in te stellen.
"Ik zal u wat zeggen, meneer..."
"Schicklgruber."
"Ik ben erg bang van wel. Neemt u dit alstublieft niet persoonlijk, maar in de Grote Oorlog is ons land kapotgemaakt. Eerst door het Duitse leger, daarna door de Hollanders. Wij, als Vlamingen, hebben het onder de Nederlanders goed en onze welstand is gestegen. Maar vele verbannen Franstaligen zijn rancuneus, en worden met de dag rancuneuzer en opstandiger. Iedereen praat over president Semard, maar ik vrees zijn bondgenoten nog meer. Stalin zit ver weg, maar hij is het verdrag van Brest-Litovsk niet vergeten. Waarop kunnen we hopen, dan? De Britten zijn bang om iets te doen en de Italianen zitten al vast in hun koloniale oorlogen."
Shicklgruber grimaste.
“U bent ongeveer mijn leeftijd, vermoed ik, meneer Vermeer. Het zijn natuurlijk mijn zaken niet, maar het is best mogelijk dat wij elkaar op een bepaald ogenblik in de ogen hebben gekeken als vijanden op het front, in de modder van West-Vlaanderen.”
Hoewel hij Jozef aankeek, stonden zijn ogen ver.
“Die oorlog was voor u en voor uw volk een onrechtvaardige oorlog. Er zijn te veel mensen nodeloos gestorven. En toch weet ook u, als Vlaming, dat de staat België niet deugde. De Belgen die meeheulen met de communisten in Frankrijk en Spanje zijn dezelfde Belgen die uw volk onderdrukten en in de loopgraven stuurden, als ik zo vrij mag zijn dat te zeggen.”
Vermeer voelde zich triest worden. In de verte kwamen de eerste stadjes en steden al in zicht die erop wezen dat Brussel steeds dichterbij kwam.
“Wij hebben veel verloren, meneer Schicklgruber,” zei Jozef, “En alles was wij willen, is dat het niet opnieuw gebeurt. Niet onder Duitse, niet onder Nederlandse noch onder Franse vlag.”

Achttien jaar later, toen Jozef in een lekke schuilkelder luisterde op de radio hoe het tot op de laatste man uitgeputte Duitsland in lichterlaaie stond door Russische atoombommen en er van Parijs niks meer overbleef dan een geruïneerde modderpoel, moest hij, zoals hij zo vaak had gedaan, denken aan zijn gesprek met Adolf Schicklgruber. Ze hadden elkaar nooit meer gezien na hun toevallige ontmoeting op de zeppelin, maar hij was vanaf toen steeds frequenter te horen geweest op de radio. Steeds bozer. Steeds fanatieker. Tot het bloed begon te koken en verdampen over de hele wereld.