Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling kortverhalen daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van 'Onklare taal'. Ik ben tijdelijk gestopt met kortverhalen, maar in 2016 heb ik een geredigeerde bundel van de beste verhalen uitgebracht: 'Recombinant' is gratis te downloaden in PDF- en in EPUB-formaat.

dinsdag 13 augustus 2013

De goudvissen (II)

2. Iedereen probeerde wat plaats te maken

“Hey!”
Het drietal werd begroet door een brede glimlach vol stralend witte tanden.
“Moh.”
“Hallo!”
Het was Evie, nog een ex-studiegenote van de andere drie, die blijkbaar opgestapt was in Brussel-Zuid en zich nu op de laatste vrije plaats genesteld had. Iedereen probeerde wat plaats te maken.
“Wat doe jij hier? Werk je hier ook?” vroeg Senne.
“Ja. Allez, werken, het is eigenlijk een betaalde stage.”
“Waar dan?”
“Eh, ik weet niet of je die organisatie kent, het is het Vlaams Intercultureel Netwerk.”
“Nooit van gehoord,” bekende Senne. Ook Christophe zag er niet uit alsof die naam een belletje deed rinkelen, en Sophia had eveneens geen idee wat het Vlaams Intercultureel Netwerk mocht voorstellen.
“Wel,” zei Evie, op een toon die verried dat ze deze uitleg al vaak had moeten doen, maar nog steeds met diezelfde brede glimlach, “het VIN subsidieert artistieke producties in binnen- en buitenland die samenwerking zoeken binnen Vlaanderen. Dat zijn soms toneelstukken van scholen in Noord-Frankrijk die een stuk spelen in het Nederlands, of een artiest hier die bijvoorbeeld wil samenwerken met iemand uit Rusland of India.”
“Ach zo,” zei Senne.
Sophia verbaasde zich inwendig over Evie’s perfect geknipte frou, die blijkbaar stand had gehouden in de regen. Ze moest ook denken aan wat ze daarnet gezegd had tegen Senne over hipsters, want Evie was er duidelijk wel één. Niet dat ze onsympathiek was, verre van, maar Evie bewoog zich in een wereld waar Sophia direct door de mand zou vallen door haar gebrek aan kennis van wat de laatste coole band was of wat de nieuwste sensatie was in beeldende kunst.
“Je stage is betaald, zei je?” vroeg Christophe aan Evie, “Dan heb je geluk.”
“Ik weet het,” zei Evie, “het is zo al moeilijk genoeg om werk te vinden in de culturele sector.”
“Hm. Jij hebt zeker cultuurmanagement gedaan na Twee Talen?” vroeg hij.
Ze knikte.
“Ja, onbetaalde stages, dat is een echte plaag,” zei Senne.
“Hoezo?” vroeg Sophia.
Senne was duidelijk blij met die vraag en prutste opnieuw aan zijn dasknoop terwijl hij antwoordde als een volleerde docent.
“Bedrijven weten dat er voor elke vacature die ze uitschrijven, zeker in sectoren als cultuur of marketing, veel meer kandidaten zijn dan er ooit werk zullen vinden. Voor jobs die niet bijzonder veel ervaring vereisen, nemen ze stagiair na stagiair aan die ze niet hoeven of niet willen betalen, omdat ze het zich kunnen permitteren. Zo zijn er niet alleen mensen die zonder werk blijven zitten, er zijn ook altijd maar meer mensen die misschien 24 of 25 zijn en nog geen dag betaald zijn voor het werk dat ze gedaan hebben, terwijl de bedrijfswereld daar natuurlijk winst op maakt.”
“Ik denk niet dat de cultuursector daar winst op maakt,” meende Christophe.
“Het principe blijft hetzelfde. Het is niet omdat een organisatie moet overleven op subsidies, dat ze daarom haar werknemers als slaven moet behandelen.”
“Pff, vind ik wat overdreven hoor,” zei Christophe.
Sophia dacht aan haar eigen werk.
“Ik moet zeggen dat we dat ook vaak te horen krijgen op kantoor: bedrijven die zeggen dat ze intern al iemand hebben voor vertaling. Dat blijken vaak studenten, of vrijwilligers die een beetje vertaalwerk doen, maar ja, de kwaliteit blijkt dan ook ondermaats te zijn.”
“Dat is nog zo’n gevolg, inderdaad,” zei Senne.
De trein kwam in beweging, wat samenviel met een korte pauze. Het leek alsof hij langer had stilgestaan dan anders, maar niemand zei er iets van. Uit vele zitplaatsen stegen gesprekken op. Enkele zetels verder zat er iemand een broodje uit luidruchtig krakend papier te halen. Blijkbaar had Evie het ook gemerkt.
“O God,” zei ze tegen de drie anderen, op een wat stillere toon, “dat is zo erg, maar ik kan het geluid van mensen die op de trein zitten te eten, echt niet verdragen.”
“Bedoel je die gast met zijn broodje?” vroeg Sophia.
“Ja. Ugh.”
Sophia liet haar blik nog eens op de man vallen. Hij zag er eerlijk gezegd nogal zielig uit: permanent naar beneden getrokken mondhoeken, vormeloos gezicht, kalend. Ze kon zich niet voorstellen dat hij gelukkig was.
“Mij stoort het alleen maar als het chips is of zo,” zei Senne.
“Te luide muziek vind ik veel irritanter,” vond Christophe.
“Het is allemaal even ergerlijk,” lachte Evie.
“Mja. Waar eindigt het dan hé? Mag niemand nog één geluid maken?” vroeg Senne.
“In Engeland heb je van die stille coupés,” herinnerde Sophia zich. Ze dacht aan haar citytrip naar Manchester van twee jaar terug met vier vriendinnen, en dat ze op die trein vooral geslapen had, eerst om te bekomen van erg vroeg de Eurostar te nemen, op de terugweg om uit te blazen van een nacht doorsteken in een uitgaansbuurt die er op z’n zachtst gezegd apocalyptisch had uitgezien. Als een schilderij van Hiëronymus Bosch, dat was het geweest, en ze had zich toen best clever gevoeld met die opmerking. Het leek haar niet iets waar Senne of Evie van onder de indruk zouden zijn.
“Hm, dat is interessant,” zei Evie, die haar warme ogen opsloeg naar Sophia, “zouden ze hier ook moeten doen. Geen baby’s, geen telefoons, geen eten of drinken.”
“Wat doe je dan met iemand die in slaap valt en ligt te snurken?” vroeg Christophe.
“Geen idee,” zei Sophia met een schouderophalen, “voor zover ik weet was ik het wel die toen lag te snurken.”
Gegrinnik.
“Ik wou trouwens even terugkomen op wat je zei van die stagiairs,” zei Christophe toen tegen Senne, “Wij hebben er ook regelmatig rondlopen, en misschien vind je het oneerlijk dat die niet betaald worden, maar het zijn ook stagiairs voor een reden: ze kunnen niet wat een voltijdse werknemer kan, ze moeten het vak nog leren.”
“Akkoord,” zei Senne, “ik zeg ook niet dat ze altijd veel toegevoegde waarde leveren, maar het is wel zo dat ze in steeds meer gevallen echt wel het werk doen van een voltijdse werknemer.”
“Ik heb toch ook veel onbetaald stagewerk gedaan met veel verantwoordelijkheden, hoor,” zei Evie tegen Christophe, “Ik bedoel, voor het Filmfestival moest ik bussen met VIPs coördineren en zien dat al die mannen op tijd aankwamen, weg waren en naar de juiste plaatsen op het festival gebracht werden.”
“Hm,” zei Christophe slechts.
“Wat voor VIPs waren dat dan?” wilde Senne weten.
Evie haalde de schouders op en glimlachte weer haar charmante glimlach. Vanuit haar ooghoek had Sophia door dat die zijn effect op Senne niet miste.
“Ach ja, zakenmensen, sponsors, hier en daar een acteur of een regisseur.”
“En allemaal mannen, zeker?” vroeg Sophia.
“Ja.”
“Bij ons circuleerden er ook VIP-tickets, ik herinner me dat nog,” zei Christophe, “Het was wel ongelooflijk wat sommige mensen over hadden voor wat gratis champagne en een film. Het was allicht niet eens champagne?”
“Natuurlijk niet,” zei Evie.
Christophe lachte duister.
“Typisch. De meeste van die gasten proeven niet eens het verschil, maar ze zeggen allemaal van wel.”
Sophia dacht terug aan ‘exclusieve’ feestjes die georganiseerd waren door mensen die ze kende, en wist zelf ook dat er telkens opnieuw intuinden om veel geld neer te tellen om zich belangrijk te voelen. Ze begreep dat wel. Voor haar betekende het niks omdat ze uit een familie kwam die altijd al rijk was geweest en dat vanzelfsprekende zelfvertrouwen meegegeven had aan alle kinderen, maar ze was niet blind voor het feit dat die ene avond geld kunnen uitgeven als een oliesjeik op zwier in Las Vegas, ook al was het aan verdunde cava in plastic fluiten, voor sommige mensen belangrijk was.
“En wat doen jullie dit weekend?” vroeg Evie toen, nadat niemand nog iets zei.
“Ik ga misschien eten met de familie van m’n lief,” herhaalde Christophe kort wat hij al gezegd had voor Evie hen vervoegd had.
“Ik weet het zelf nog niet,” zei Sophia.
“Bij mij wordt het een filmmarathon.”
“O, leuk. Welke film?”
“De hele ‘Lord of the Rings’-trilogie.”
“Director’s cut, hopelijk?”
“Natuurlijk. En wat doe jij?”
“Ik zal moeten werken, vrees ik,” zei Evie.
“Dat is niet leuk,” vond Sophia. Ze had een hartsgrondige hekel aan weekendwerk.
“Helaas hoort het er soms bij,” zei Evie.
De trein was op volle kruissnelheid gekomen. Beton en groen wisselden lage bomen en voorsteden af aan een ijltempo. Ergens trokken ze ook door de streek waar Sophia zelf vandaan was gekomen, maar nu eigenlijk geen band meer mee voelde.
“Overwerk vind ik niet zo erg, maar weekendwerk, daar trek ik toch de grens,” zei Sophia.
“Ik denk precies het omgekeerde,” zei Senne, “Ik ben ook weggegaan waar ik voordien werkte omdat er zo’n cultuur van overwerk heerste. Onbetaald, trouwens.”
“Zolang je werk maar gedaan is,” vond Christophe. Hij zag er weer bijzonder Frans uit.
“Ja,” ging Senne akkoord, “maar te veel overwerk wijst er ofwel op dat je je job niet goed doet, ofwel dat ze meer mensen moeten aannemen. Er zijn ook mensen die overwerk zitten te doen voor de schijn, maar in werkelijkheid Farmville zitten te spelen.”
“Ik had zo’n collega,” grijnsde Christophe, “tot m’n vader erachter kwam.”
“Ik kan gelukkig m’n uren min of meer zelf kiezen,” zei Sophia, “Dat is echt geweldig.”
“Mooi,” zei Evie bewonderend, “ik wou dat ik dat ook kon. Op sommige dagen ben ik al na drie uur klaar, maar er zijn dagen dat ik met tien uur nog niet rond zou komen.”
“Tja. Onze werkindeling dateert uit de negentiende eeuw, toen de meeste mensen arbeider waren en op tijd achter een machine moesten gaan staan. Dat is nu nogal achterhaald. Terwijl we nota bene productiever zijn dan ooit.”
Sophia keek vreemd naar Senne op.
“Nota bene?” lachte ze.
Senne keek verward.
“Ja, ik wist niet dat er mensen waren die dat in spreektaal gebruikten.”
Evie en Christophe lachten hartelijk.
“Beroepsmisvorming,” gaf Senne toe, “Ik word de hele dag omringd door bankadviseurs.”
“Het is ok hoor,” stelde Sophia hem gerust.
Ze vroeg zich af in hoeverre mensen na een tijd hun werk werden. Ze betrapte zich er ook op dat ze soms in haar hoofd doelloos zat te vertalen, of dat ze de neiging had mensen die toegaven dat hun Frans niet al te best was, mentaal een klein minteken opplakte, terwijl dat niets zei over hun kwaliteiten als persoon. Het was eigenlijk geen opbeurende gedachte.
“Iedereen heeft dat wel,” zei Evie, “Ik moet soms ook beseffen dat bijna niemand er om geeft wat wij op het VIN doen, behalve die drie man en een paardenkop die het cultuurbeleid volgt.”
“Het kan ook omgekeerd,” zei Senne, “Iedereen heeft een mening over banken, en zeker over Belfius, maar slechts weinig mensen hebben er verstand van. Daartoe reken ik trouwens de meerderheid van de mensen die voor een bank werkt.”
“Wat is je specialisatie eigenlijk?” vroeg Christophe.
“Uitbesteding van diensten,” antwoordde Senne.
“O. Toevallig geen industriële textielreiniging nodig?”
Senne moest lachen.
“Ik zal eens navraag doen.”
De trein vertraagde.
“Zijn we er bijna?” vroeg Evie, kinderlijk haast.
“Nope,” zei Christophe, die uit het raam keek, “nog lang niet.”
Met een geknars van metaal op metaal stopte de trein.

Verder naar deel drie.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten