Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling kortverhalen daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van 'Onklare taal'. Ik ben tijdelijk gestopt met kortverhalen, maar in 2016 heb ik een geredigeerde bundel van de beste verhalen uitgebracht: 'Recombinant' is gratis te downloaden in PDF- en in EPUB-formaat.

zaterdag 15 augustus 2015

Hoofd geflankeerd door vlees (III)

Er werd goedkeurend geproefd, genipt en gemompeld. William vond dat altijd vermakelijk aan mensen die aan hun maaltijd begonnen. Dan vielen alle gesprekken even stil en concentreerde men zich op het eten en het drinken, omdat dat zo hoorde uit beleefdheid, want de meeste mensen gaven uiteindelijk veel minder om wat ze aan het eten waren dan ze van zichzelf dachten. Hij vond al die kookprogramma’s verdacht. Nu was hij zelf niet onaardig in de keuken, maar die race om om ter fijnst afgestelde experimenten uit de oven te toveren of om doordeweekse schotels bereiden een exacte wetenschap te maken, dat vond hij belachelijk. Het draaide meer om het ego van de kok en het gevoel dat mensen daar aan konden deelnemen door zijn eten op te eten, dan dat het iets te maken had met genot. Jana dacht soms dat William cynisch was geworden door zijn sociologie maar het omgekeerde was eerder waar: hij was socioloog geworden omdat dat paste bij zijn cynisme. Wat op zich bekeken een cynische gedachte was.
“Waarom zit je zo stom te lachen?” vroeg Fin hem. Zijn oudere broer zat tegenover hem. Die had toch ook altijd alles in de gaten.
“Niets, Fin,” zei William, waarna hij een slok water nam.
“Er overigens straks nog dessert,” zei Paul van de andere hoek van de tafel.
“Paul, lieve schat, we zijn nog maar net begonnen aan de hoofdmaaltijd,” zei Kelly.
“Ik kon het maar meegeven,” zei Paul praktisch.
“Wat voor dessert is het?” vroeg William.
“Chocolademousse,” antwoordde Paul.
“Lekker lekker lekker,” zei Fin erg snel na elkaar. William en Kelly lachten.
“Fi-hin,” zei Budur.
“Sorry. Insider van toen we klein waren,“ verklaarde Fin.
“Voor de chocolademousse hebben we trouwens stukjes van Sinterklaas-chocolade gesmolten,” zei Paul, “Want die is goedkoper dan dezelfde hoeveelheid in pakjes kopen, en nog zo lekker. Hollandse koopmansgeest, al zeg ik het zelf.”
“Fondant of melkchocolade?” vroeg William.
“Van beide een beetje,” antwoordde Paul.
Er werd even verder gegeten.
“Kwam Sinterklaas ooit bij jullie thuis langs?” vroeg Fin toen aan Budur.
“Nee. We wisten wel wat het was en kregen snoep op school, maar toen ik thuis vroeg of de Sint ook bij ons kwam, legde mijn vader uit dat die niet bestond.”
“Da’s ook sneu,” vond Jana.
“Ik vond het niet zo erg,” zei Budur.
“Ik herinner me de lokale Sint die naar onze school kwam,” zei William.
“Ja, die foute Sint met die pedobril,” zei Fin.
“Wat is een pedobril nu weer?” vroeg Paul.
“Je kent dat toch, zo’n zonnebril uit de jaren ’70 die verkleurt in het zonlicht, met veel te grote glazen,” legde Fin uit, “ook wel bekend als een Freddy Horion-bril.”
“Is dat de ontwerper?” vroeg Paul.
“Nee, Freddy Horion was een crimineel die een heel gezin uitmoordde bij een roofmoord, ergens eind de jaren ’70. Hij droeg ook zo’n bril,” zei William.
“Gezellig onderwerp voor aan tafel,” zei Jana.
“Laten we het terug over vrolijkere dingen hebben, inderdaad,” zei Kelly, “Zoals de Sint.”
“Zo vrolijk maakt de Sint me niet, anders,” zei William. Zijn vrouw keek hem scheef aan.
“Waarom niet? Is de Sint weer een symptoom van onze neoliberale strafmaatschappij en het ééndimensionaal consumerisme?” vroeg ze.
William moest lachen door haar geslaagde imitatie van zijn jargon.
“Nee, ik bedoelde het racisme.”
“O, dat,” klonk het uit verschillende monden.
“Die discussie is veel heviger in Nederland dan hier,” zei Paul, “Hier heb ik er nog niet veel van gemerkt.”
“Dat is waar,” zei William, “maar het komt wel. Ik begrijp vooral niet dat mensen er zo lastig over doen om Zwarte Piet gewoon wat roetvegen te geven en geen afro-pruik en dikke rode lippen meer. Tradities veranderen toch constant?”
“Dat is niet wat veel mensen geloven,” zei Budur.
“Dat is waar, William, veel mensen houden vast aan het idee dat sommige dingen onveranderlijk zijn,” zei Jana.
“Zoals FC De Kampioenen,” schertste Fin.
“En daar worden mensen dan boos over. Ik vind dat moeilijk om te verstaan. Wat voor impact heeft dat nu op hen?” vroeg William zich af.
“Ze voelen zich bedreigd, Will,” zei Kelly, die tegenover haar man zat op de hoek.
“Door wie dan? Door een paar progressieven en Afrikanen die willen dat een traditie afstand neemt van een racistische karikatuur?” vroeg William.
“Ik vind het raar dat je je zoiets afvraagt als socioloog,” zei Fin, “je weet toch dat mensen vandaag in het Westen zich om het minste al bedreigd voelen?”
“Omdat ze bang gemaakt worden,” zei William, “door de media en door politici. Dat gaat dan over misdaad en terrorisme. Maar wat heeft Zwarte Piet daar mee te maken? Ik heb beelden gezien – uit Nederland, inderdaad Paul – waar mensen echt woest waren door het idee dat Piet niet meer in blackface en met dikke lippen ging optreden.”
“Die woede kan een kanalisering zijn van een andere drift,” zei Budur. Ze had nog niet veel gegeten.
“Hoe bedoel je?” vroeg Jana.
“Ik doe niet aan psychoanalyse,” zei Budur, “dus dat kan ik je niet zeggen. Om eerlijk te zijn verdiep ik me ook niet graag in de psychologie van racisten.”
“Maar niet iedereen die Zwarte Piet verdedigt is een racist, toch?” wierp Jana op.
“Ja, maar alle racisten verdedigen wel Zwarte Piet,” zei Budur.
Er viel een bedachtzame stilte. Bestek tikte. Voedsel werd aangesneden.
“Het is trouwens bijzonder lekker, Paul,” zei Fin.
“Dank je,” mompelde die met z’n mond vol, z’n duim omhoog stekend.
William dacht nog na over wat Budur gezegd had. Er was natuurlijk het weid verspreide idee dat de Europese cultuur op de helling stond. Dat idee was niet nieuw. Het werd al gezegd in het interbellum en het werd gebruikt om de Holocaust te rechtvaardigen. Ook hedendaagse racisten grepen dat idee aan om hun haat te rechtvaardigen. Misschien werd die primaire reactie verder versterkt doordat het iets aanraakte uit mensen hun kindertijd. Voor William was die nostalgie afwezig. Hij was per ongeluk te weten gekomen dat de Sint niet echt was toen hij vier was en zijn ouders had betrapt die speelgoed naar beneden aan het brengen waren. Fin geloofde toen zelf al niet meer in de Sint en was verbannen bij het familiale gezang van Sinterklaasliedjes omdat hij altijd schunnige parodieën zat te verzinnen op de teksten. In feite was hij nog niet zo veel veranderd. Kelly had nog lang geloofd in de Sint.
“Mag ik nog eens de kroketten?” vroeg Fin, die ze dan ook kreeg via Kelly.
“Enfin, het is goed dat er een debat over is, over die hele kwestie. 30 jaar geleden was dat ondenkbaar,” zei Fin toen, de discussie weer oprakelend.
“Het is waar. Allochtone gemeenschappen zijn mondiger geworden,” zei Jana, en toen tot Budur, “of wacht, mag ik dat woord eigenlijk nog gebruiken?”
Budur haalde haar schouders op.
“Het woord zelf wordt natuurlijk in stigmatiserende zin gebruikt, maar welk woord je ook kiest, het stigma gaat niet weg. Er zijn mensen die vallen over woordkeuze, maar ik niet zo erg. Onze buurjongens indertijd waren zwart en verwezen naar zichzelf als negers. En ik moet zeggen dat de mensen die de grofste moppen kenden over Marokkanen, meestal Marokkanen zelf waren.”
“Met jezelf lachen is één ding. Ik heb William vaak uitgemaakt voor debiel toen we klein waren, maar hij wist dat ik dat niet meende. Ik zou zoiets nooit gezegd hebben tegen iemand die ik niet kende.”
“Ja, als je op dezelfde hoogte staat, sociaal, kan zoiets acceptabel zijn,” zei William, “maar dat is iets wat veel mensen niet begrijpen aan discriminatie: dat het een systeem is, geen verzameling losse incidenten.”
“Ik ga eerlijk zijn en toegeven dat ik er niet zo veel last van heb als anderen,” zei Budur, “maar dat komt omdat ik mij kleed zoals jullie en praat zoals jullie. Mijn nicht, die een hoofddoek draagt, wordt op straat soms zomaar uitgescholden. Ze is nochtans hier geboren.”
“Dat is erg,” vond Kelly.
“Ja, en het is ook niet omdat je niet hier geboren bent, dat je mag uitgescholden worden,” zei Paul.
“Heb jij vaak te maken met anti-Nederlandse gevoelens?” vroeg Fin niet helemaal ernstig.
“Wel,” zei Paul, die z’n mond afveegde met een servet, “het zal wel niet zo erg zijn als een Afrikaan die oerwoudgeluiden moet horen, maar soms worden die clichés over Nederlanders me ook te veel hoor.”
“Ik erger me daar zelfs meer aan dan hem,” zei Kelly.
“Meestal is het niet slecht bedoeld,” zei Paul, “zo’n grap over kaas of gierigheid gaat er nog wel in. Maar ergens binnenkomen en onmiddellijk begroet worden met “oei, dienen arroganten Ollander is daar!”, dat is niet prettig. Vooral omdat ik niet denk dat ik arrogant ben.”
“Nee, maar wel luid. Dat is al voldoende voor sommige mensen,” zei Kelly.
“Ik vind het juist fijn dat Paul leven in de brouwerij brengt,” zei Fin.
Paul glimlachte beminnelijk. In het gedimde licht van de tafel leek hij plots op een Nederlandse charmezanger. Jana kneep in Williams hand, zomaar. Hij glimlachte naar haar. Het was een gezellige avond.
“Ik weet trouwens niet of jullie nog een theorie willen horen,” zei Fin toen, “maar deze discussie doet me denken aan een idee waar ik al lang mee rondloop. Wie hier onder jullie heeft er ooit gekeken naar Transformers? Ik bedoel de oude cartoon uit de jaren ’80, niet de films van Michael Bay.”
William, Kelly en Paul staken hun handen omhoog.
“Ik heb er wel eens eentje gezien, denk ik,” zei Budur, “mijn oudste broer keek ernaar.”
“Dat is helemaal aan mij voorbij gegaan,” zei Jana, “Ik vond robots stom. Dat zijn toch die robots die in auto’s en zo veranderen, hé?”
“Inderdaad,” zei Fin.
“Laat je theorie eens horen,” zuchtte William, die zich voorbereidde op een nieuwe reis in het absurde.
“Mijn theorie is dat de Transformers een propaganda-allegorie zijn voor Amerikaans conservatisme.”
“O? Dat is toch zo vergezocht niet?” reageerde William, “De cartoon was gemaakt om speelgoed te verkopen.”
“Ja, maar toch zitten er ideologische elementen in verweven,” zei Fin, “Begin bijvoorbeeld bij de leider van de goeden, Optimus Prime. Optimus voert enkel oorlog als hij moet en enkel voor nobele zaken. Zo ziet Amerika zichzelf ook graag. Bovendien zijn zijn kleuren rood, blauw en wit, met kleine gele accenten: de Amerikaanse vlag. Hij verandert in een grote truck: een symbool voor de Amerikaanse werker die onvermoeibaar lange afstanden aflegt door het grote land. Kijk naar de andere Autobots: die veranderen in sportwagens, ziekenwagens, brandweerauto’s en gewone personenauto’s, een paar uitzonderingen niet te na gesproken. Hun kleuren zijn helder en eenvoudig.”
“Wacht, wacht,” zei Kelly, “Bij de Autobots zaten er toch ook militaire voertuigen?”
“Amerikaanse militaire voertuigen, ja,” zei Fin, “En dan hebben we de Decepticons, de slechteriken. Hun leider, Megatron, is volledig wit met een paar metaalaccenten. Zijn helm lijkt met een beetje fantasie op een kap en hij heeft rode ogen.”
“Mijn God,” lachte William, “ga je nu zeggen dat Megatron een symbool is voor de Ku Klux Klan?”
“Precies,” zei Fin, met zijn vinger op tafel tikkend, “Daar komt nog bij dat Megatron verandert in een pistool. Hij kan zelf niet bewegen in zijn alternatieve vorm. Als dat geen allegorie is voor impotentie, weet ik het ook niet. Daar komt bij dat zijn luitenant, Starscream, een karikatuur is van een homo en meestal met Megatron mag schieten. Schieten.”
“Mijn God Fin, ik wist niet dat jij zo’n nerd was,” zei Jana.
Fin nam een slok.
“Er is nog meer, hoor.”
“Fin, laat het maar zitten,” zei Kelly gemoedelijk. William lachte nog wat na.
“Ik zou nog wat wijn willen,” zei Budur.
“Daar ben ik ook wel aan toe,” zei Paul dankbaar.

Hoofd geflankeerd door vlees (II)

Kelly vond het op een manier vervelend dat Fin niet was meegegaan om te roken. Voorgaande jaren hadden ze nu samen in de rook gestaan om de hoek van het huis, keuvelend over kleine en minder kleine zaken die niet voor de oren bestemd waren van hun wederhelften of van broer William. Het stak des te harder dat het Fin was die zeven jaar geleden Kelly haar eerste sigaret had aangeboden op een feestje bij hem thuis, toen hij nog volop de bon vivant was voor wie geen vloer te stevig was om door te zakken, geen plafond te hoog om door te knallen.
Niet dat Kelly iets had tegen Budur. Ze mocht haar rust en evenwicht. Fin, William en Kelly waren op hun manier alle drie onrustig, een trekje dat ze van hun moeder hadden. Bij Kelly zat die onrust het diepst en kwam hij ook het minst vaak naar boven.
“Hoe is het nog met jou?” vroeg Kelly aan Budur, nadat ze haar sigaret aangestoken had. Budur keek naar de vlam en de gloeiende askegel alsof er een diepere waarheid in besloten lag, maar misschien was dat gewoon omdat ze een hoofd kleiner was dan Kelly en geen zin had om op te kijken.
“Goed,” zei Budur. Nu sloeg ze haar ogen wel op naar Kelly. Ze waren diepbruin, bijna zwart. Kelly herinnerde zich dat Budur een postgraduaat deed in filosofie.
“Is Fin soms niet wat te druk voor jou?”
“Hij is enkel zo in gezelschap. Thuis is hij kalmer,” glimlachte ze. Kelly glimlachte ook.
“Dat is zo. Paul zegt soms dat Fin Nederlander had moeten zijn, voor hoe exuberant hij is.”
“Fin zou het niet graag horen.”
“Heeft hij iets tegen Nederlanders?”
“O nee, dat is het niet. Ik denk gewoon niet dat hij zichzelf ziet als exuberant.”
Ze haalde haar schouders op.
“We zien onszelf vaak niet zoals we werkelijk zijn. Als we al iets zijn.”
Kelly nam een trek van haar sigaret. Van binnen klonk lawaai van Paul die vrolijk tekeer ging in de keuken.
“Als we niets zijn, wat zijn we dan wel? We kunnen niet niets zijn, toch?” vroeg Kelly.
Budur glimlachte. Haar glimlach had iets ongepast guitigs.
“In figuurlijk zin zijn we natuurlijk altijd iets. Maar niet iets dat vaststaat. Dat denk ik toch. We hebben onze gewoontes, onze opvattingen… maar die veranderen.”
“Ze veranderen moeilijk,” zei Kelly.
“Of plots.”
Kelly vroeg zich af wat Budur daarmee bedoelde maar ze stelde die vraag niet luidop. Ze stelde zelden luidop vragen of probeerde niet vaak te peilen naar diepere bedoelingen zolang zijzelf niet in het vizier kwam. Mensen hielden daarvan bij haar. Ze konden het gevoel krijgen gewoon “te zijn” – opnieuw dat zijn – bij haar, en niet dat ze zich moesten uitleggen of verantwoorden.
“Hoe lang duurt je postgraduaat nog, eigenlijk?”
“Nog twee jaar, normaal. Het is langer dan ik verwacht had.”
“Waarover gaat het? Ik weet dat je me dat al eens hebt proberen uitleggen, maar het is al een tijd geleden dat ik je gezien had en ik had toen net gegeten.”
Opnieuw die guitige glimlach.
“Dat is ok. Het was toen ook maar de eerste keer dat je me zag, denk ik.”
Kelly blies een rookpluim uit, weg van Budur.
“Ik probeer een link te leggen dus de opvattingen over moraliteit en persoonlijke plicht van Nietzsche en die van het boeddhisme.”
“Is die er dan?”
Kelly had in haar kunstopleiding kort Nietzsche gezien maar kon zich nu enkel zijn woest besnorde kop herinneren en zijn op de spits gedreven uitspraken over een amoreel leven. Van het boeddhisme wist ze zo goed als niets. Monniken die beaat stonden te glimlachen in saffranen gewaden. De dalai lama met zijn zonnebril die verkleurde in het zonlicht.
“Min of meer. Nietzsche had het één en ander gelezen over het boeddhisme via Schopenhauer. Zijn begrip was zeker niet perfect, maar hij had wel een positieve waardering voor het nuchtere pessimisme van het boeddhisme.”
“Pessimisme? Die boeddhisten staan er altijd zo vrolijk bij.”
“Dat is het net. Door te zien dat alles voorbij gaat en alles maar schijn is, vinden veel boeddhisten humor in het absurde van waar de meeste mensen bezig mee zijn. Nietzsche zag daar trouwens zelf ook de grap van in.”
“Zeer geestig leek hij me niet.”
“Zijn humor was zeker een stuk boosaardiger, dat is waar. Ook dat had hij van Schopenhauer. En een grote vrouwenvriend was hij zeker ook al niet.”
Kelly hield haar hoofd scheef.
“Da’s toch wel zo’n ding hé, niet? Die filosofen waren vaak nogal raar met vrouwen.”
Budur lachte nu voluit.
“De geschiedenis van de wereld zit vergeven van de grote mannen die bij vrouwen huilende kleine jongens of gefrustreerde pubers werden. Niet alleen filosofen. Ook staatsmannen, wetenschappers, militaire leiders…”
“… en kunstenaars,” zei Kelly. Ze dacht aan de kwasten die ze was tegengekomen tijdens haar opleiding of nu nog, op bijeenkomsten van illustratoren. De gevoeligste types bleken vaak nog de lompste boeren als het aankwam op vrouwen.
“Het is dus niet eigen aan filosofen,” zei Budur. Kelly dacht plots aan Budurs afkomst, wat ze zelden deed. De vraag rees in haar op of zij zich had moeten vrijvechten om geen hoofddoek te dragen maar wel een zwarte jeans, maar opnieuw besloot ze dat niet te doen. Waarschijnlijk kreeg ze er al zo vaak vervelende vragen over.
“Enfin, succes met je postgraduaat, alleszins.”
“Dank je.”
Kelly’s sigaret was bijna op.
“Heb jij ooit gerookt?”
“Nee. Ik vind het wel fascinerend dat mensen dat doen. Gelijk welk roesmiddel, eigenlijk.”
“Hebben filosofen daar ook theorieën over?”
“Hoe meer ze er zelf gebruikten, ja.”
Kelly lachte, nam een laatste trek en trapte toen haar peuk plat op het terras.
“Kom, we gaan terug naar binnen.”

Binnen was het behaaglijk warm. Ze kwamen net aan het einde van Fin die William en Jana weer op een anekdote zat te vergasten. Jana lachte en William schudde grijnzend zijn hoofd.
“Goed dat je terug bent, Kell, Fin begint hier aan onze controle te ontsnappen,” zei William.
Fin knipoogde naar Budur maar zei niets meer. Kelly ging door naar de keuken.
“Alles onder controle, lief?” vroeg ze aan Paul, die fluitend in de weer was met drie potten tegelijk alsof het niets was.
“Maak je geen zorgen!” zei hij tussen het roeren en het schudden met een pan door, “Alles komt hier prima in orde!”
Ze gaf hem vlug een kus op zijn stoppelige wang en ging terug de woonkamer in.
“… maar kan je iemand graag zien als je die persoon ook bedriegt?” vroeg Jana net.
“Hola. Zware onderwerpen,” zei Kelly, die terug ging zitten, “mag jullie kleine zusje ook meedoen.”
“Hay guyz, what’s going on in this thread?” zei Fin met een stomme gelaatsuitdrukking.
“Fin, serieus,” zei William, waarop hij zich tot Kelly richtte: “We kwamen van het één en het ander op de aard van liefde en graag zien. Fin houdt vol dat als je iemand echt graag ziet en je de afspraak hebt elkaar niet te bedriegen, dat als je dat wel doet, dat je liegt dat je je partner graag ziet. Juist?”
Fin knikte en leunde achterover. Hij maakte een breed handgebaar.
“Ongeveer. Eén van de twee is fake. Of het bedrog is fake, of de liefde.”
“Hoe kan bedrog nu fake zijn?” vroeg Jana, “Je doet het of je doet het niet.”
“Je motivatie kan fake zijn. Je kan het doen onder dwang.”
“Dan is het geen bedrog,” vond Budur, “dat is aanranding.”
“Maar fysiek kan de daad precies hetzelfde lijken. Niemand weet wat er in je hoofd omgaat.”
“Intentie speelt een rol hé Fin,” zei William gestoord, “als je die redenering doortrekt dan zijn er heel wat dingen die raar zijn. Dan zijn moord en doodslag ook precies hetzelfde.”
“Sommige mensen denken dat.”
“Denk jij dat?”
“Wel, nee. Je hebt een punt,” gaf hij toe.
“Ik geloof wel dat sommige mensen een oprechte misstap kunnen begaan en toch hun partner graag zien,” zei Jana. Kelly dronk van haar glas.
“Hoeveel misstappen moet iemand begaan tegen dat het er te veel zijn en de liefde niet meer oprecht is?” vroeg Kelly, “Voor mij is het simpel: één keer is één keer te veel.”
“Wat is bedrog dan voor jou?” vroeg Fin.
“Alles wat je met je partner doet maar normaal niet zou doen met vrienden.”
“Hm,” zei William. Ook Jana keek bedachtzaam.
“Sommige mensen vinden iemand anders knuffelen al bedrog,” zei Budur, “Ik had ooit een vriend die daar erg kwaad om werd. Maar ik knuffelde al mijn vrienden. Hij deed dat zelf nooit.”
“Wat jammer. Knuffelen kan zo fijn zijn,” zei Fin.
“Da’s gewoon onredelijke jaloezie,” zei Kelly.
“Is jaloezie niet altijd onredelijk?” vroeg Budur.
“Niet als je redelijke aannames hebt dat je echt bedrogen wordt,” vond Jana.
“Zou jij kijken naar m’n gsm of m’n e-mails?” vroeg William zijdelings aan zijn vrouw. Jana aarzelde en draaide met haar glas in haar hand.
“Uitzonderlijk, ja. Ook al weet ik dat dat niet netjes is.”
“Ik zou dat nooit doen,” zei William ernstig.
Kelly kon zich niet voorstellen dat Paul of zij dat ooit bij elkaar zouden doen. Paul was sociaal en opgewekt en hij was fysiek met mensen, maar hij had zich nog nooit laten gaan op wilde feestjes zoals die soms voorkwamen in het theatermilieu. “Ik heb m’n part gehad,” had hij ooit tegen Kelly gezegd, en haar daarna tegen zijn borst aangedrukt. Ze herinnerde zich dat hij toen een zacht prikkende, wollen trui had gedragen. Geen van hen was een jaloers type.
“Ja? Ik wel,” zei Budur rustig. Fin trok een wenkbrauw op.
“Ja? Heb ik je daar ooit reden toe gegeven?”
“Nee,” antwoordde ze nog altijd even rustig, “maar ik stop m’n irrationele kanten niet weg. Waarom zou ik?”
“Uit respect voor m’n privacy?” suggereerde Fin.
“Wat voor privacy, Fin?” vroeg William met lood in z’n stem, “Denk je dat Budur je ondergoed met vieze strepen in nog nooit gezien heeft? Dan heb je geen recht meer op privacy.”
Kelly lachte. Budur reageerde er niet op en keek Fin gewoon aan met die enorme zwarte ogen van haar. Fin schudde langzaam z’n hoofd.
“Jij bent… een bijzondere vrouw,” zei hij stil.
“We zijn aan het afdwalen,” zei Jana, zoals altijd bij de les, “Ik vind: bedrog komt in gradaties. Je kan er niet absoluut over zijn. Je bepaalt dat zelf als koppel. Als je daar al niet uitkomt, zit het fout.”
“Daar kan ik me in vinden,” zei Kelly.
“Hebben wij daar ooit over gesproken?” vroeg William aan zijn vrouw. Zijn zware brilmontuur en frons leken één. Jana glimlachte als een wolvin.
“Is dat ooit nodig geweest?”
Op dat moment stak Paul z’n rood aangelopen, met elektrische krullen omlijste hoofd door de deur.
“Heren en dames, het eten is bijna klaar! Jullie mogen aan tafel!”

Hoofd geflankeerd door vlees (I)

Kelly vulde zes glazen cava en het gezelschap was een moment stil, wat het bruisen van de bubbels een sacrale kracht leek te geven. Fin glimlachte toen hij zag hoe ernstig en gefocust Kelly keek. Ze was zijn jongste en enige zus, een slanke vrouw met blond haar en lieve blauwe ogen, een opgeschoten type girl next door. Fin had ook haar ogen maar was grover gebouwd, wat zwaarder rond de buik en had een onregelmatige rosse baard.
“Ah, de glazen zijn vol, zie ik!” verstoorde Paul de stilte. Paul, Kelly’s man, kwam met een dienblad warme hapjes uit de keuken. Hij was een energieke en altijd goed geluimde Nederlander, waarbij zijn springerige bos krullen een pars pro toto leek voor de man zelf.
“Dat ruikt lekker!” zei Budur, Fins vrouw.
Fin moest toegeven dat het waar was. Een hint van bladerdeeg en zalm. Paul zette het dienblad op de salontafel en Kelly gaf iedereen zijn of haar eigen fluit.
“Zullen we dan maar toasten?” vroeg Paul. Hij gebaarde dat iedereen moest rechtstaan. Fin, Budur en Kelly stonden overeind, en toen ook William en Jana. William rolde met zijn ogen. Hij was de jongere broer van Fin, maar ouder dan Kelly. Hij had een ernstig, onveranderlijk gezicht en droeg een zware bril.
“Waarop toasten we dan?” vroeg Fin praktisch.
“Op ons, toch?” zei Paul. Fin glimlachte.
“Op ons, dan!” zei hij. De rest herhaalde de zin en er werd links en rechts en dwars geklinkt met de glazen. Er werd genipt, goedkeurend gemompeld. De prik van de cava was een beetje te hard naar Fins smaak.
Het was niet evident voor de twee broers en hun zuster om allemaal samen te kunnen komen, en dan nog met hun partners. Fin woonde aan de kust, Kelly in een Gentse randgemeente en William zat voortdurend in het buitenland op allerlei congressen. Paul reisde ook veel.
“Zie ons hier zitten als petits bourgeois,” grimaste William toen ze weer zaten. Hij nam een hapje.
“Dat moet kunnen. Je kan niet altijd de hemel bestormen,” vond Fin. William was docent in de sociologie en stond bekend als een strenge adept van linkse standpunten.
“Ik vind ook niet dat het bijzonder bourgeois is om hapjes te eten en cava te drinken. Het is niet alsof ik Vivaldi heb opgezet en seizoensgebonden servetten op tafel heb gelegd,” zei Kelly.
“Ik zou niets tegen Vivaldi hebben,” zei William met z’n mond vol.
“Ach komaan,” zei Jana, “Vivaldi is één van de meest clichématige componisten ooit. Er zijn zeker duizenden mémé-en-pépé-tavernes in Vlaanderen die Vivaldi heten.”
William lachte, nog steeds met zijn mond vol. Jana was enkele jaren ouder dan William en had permanent één lok wild donker haar voor haar ogen en een mond die aan één kant een beetje scheef stond, alsof ze alles bekeek met preventief sarcasme.
“Vivaldi, ja,” zei Fin, “of Richelieu.”
“Misschien zijn het ketens?” opperde Paul.
“Ik vrees dat het gewoon een gebrek aan originaliteit is bij de Vlaamse middenstand,” zei Fin.
“Moet alles ook echt origineel zijn?” vroeg Budur zacht. Fins vrouw was niet groot maar imponeerde altijd door haar geruisloze, elegante aanwezigheid. Het was alsof ze enkele centimeters van haar huid een onzichtbaar krachtveld had dat te harde, lelijke of irrelevante zaken deed afketsen.
“Daar heb je een punt,” zei Paul om onverklaarbare redenen enthousiast, “Ik bedoel, niemand klaagt toch ook dat al die Chinese restaurants Ocean Palace, Jade Garden of New Dragon heten of zo?”
“Onoriginaliteit is geen unieke Vlaamse eigenschap,” zei Jana zuinig.
Kelly zette haar glas op tafel.
“Uiteindelijk is niets volledig origineel. Alles is altijd gebaseerd op iets anders,” zei ze. Kelly was illustrator van kinderboeken. De muren van de woonkamer hingen dan ook vol prints van haar eigen werk en reproducties van artiesten die ze zelf bewonderde.
“Ok, maar er is toch een groot verschil tussen, ik zeg maar iets, een stationsromannetje dat volgens een bepaald sjabloon geschreven is, dan een roman die conventies uitdaagt en verweeft?” vond Jana.
“Is er echt een verschil, ja? Is dat niet gewoon allemaal snobisme?” hield Kelly vol.
“Snobisme is ook maar een stok om een hond mee te slaan,” zei Fin. Kelly hield haar hoofd scheef.
“Niet weer die discussie, graag,” zei William.
“Jij moet spreken, jij bent hier de übersnob,” zei Fin vurig. William lachte betrapt.
“Ik vind jou soms erger, hoor,” zei Kelly, “William komt er tenminste voor uit dat hij neerkijkt op populaire cultuur.”
“Dat is niet helemaal waar,” protesteerde hij zwak.
“Je kan toch wel moeilijk ontkennen, Kell, dat sommige dingen echt wel voor idioten zijn,” zei Paul.
Kelly zette zich schrap.
“Foute opmerking, Paul,” lachte Fin.
“Maar idioot volgens wie? Volgens hun IQ-testen of zo? Wat zegt dat echt over menselijke intelligentie?”
“Meer dan je denkt, eigenlijk,” zei William, die nog een hapje at. Fin en Budur namen er tegelijk ook eentje.
“Het zit zo,” zei William, “als een IQ-test voldoet aan de juiste wetenschappelijke normen en test op de drie klassieke domeinen – logica, wiskunde en ruimtelijk inzicht – dan krijg je al een vrij goede indicatie of iemand intelligent is of niet. Ze hebben in de jaren ’90 geprobeerd om meer intelligenties te introduceren, zoals interpersoonlijke of muzikale, maar het bleek dat mensen die zwak scoren op een traditionele IQ-test, even zwak scoren op een test die meer domeinen test.”
Hij haalde zijn schouders op.
“Sommige mensen zijn helaas minder intelligent.”
“Ja, maar dat is volgens de logica van zo’n test,” zei Kelly, “Er zijn een pak mensen die uit zo’n test kunnen komen als slim, maar bijvoorbeeld dronken worden en zich te pletter rijden tegen een boom.”
“De domste dingen worden meestal ook gedaan door de slimste mensen,” zei Jana cryptisch.
Paul, Budur en Fin lachten.
“Hoe bedoel je?” vroeg Paul, die een hapje doorspoelde met een fikse teug cava.
“Jullie kennen misschien de Darwin Awards wel,” zei Jana.
Fin en Paul knikten. Budur trok een wenkbrauw op.
“Dat waren een soort postume internetonderscheidingen voor mensen die zichzelf uit de genenpoel hadden verwijderd op een spectaculair domme manier,” legde Jana uit, “en wat me daarbij opviel was dat veel van die mensen in feite precies omwille van hun intelligentie in de problemen waren gekomen. Er was bijvoorbeeld het verhaal van een Serviër die zijn schoorsteen wilde schoonmaken door er een granaat in te droppen. Maar omdat hij besefte dat de explosie moest gebeuren in de schoorsteen zelf, wilde hij de granaat laten zakken aan een ketting. Zijn fatale fout was dat hij die ketting aan de granaat probeerde te lassen.”
Algemeen gelach.
“Goed, maar denk hier eens over na,” zei Jana, “een aap zal nooit op dat idee komen, weet niet wat een granaat is, kan niet lassen, heeft geen concept van wat een schoorsteen is, en zo verder.”
“Dat is me toch wat te algemeen,” zei Fin, “op die manier is elke persoon ter wereld een wonder.”
“We zijn allemaal winnaars,” zei William sarcastisch.
“Ik heb een veel betere lakmoesproef voor intelligentie,” bood Fin aan.
Kelly en William keken sceptisch. Ze herkenden de uitdrukking van hun broer al als hij van plan was iets volstrekt onnozels te zeggen. Jana en Paul keken verwachtingsvol. Budur hield haar gedachten in beraad.
“Of iemand fan is van FC De Kampioenen of niet,” zei hij.
“Wat?” reageerde Jana.
“Wat zegt dat dan, volgens jou?” vroeg Kelly.
Fin keek eerst naar Paul.
“Paul, ik hoop dat jij niet kijkt naar FC De Kampioenen omdat je hoopt dat je dichter kan komen tot de Vlaamse cultuur op die manier.”
“Nou, ik heb wel al eens een fragment meegepikt, maar ik vond het niets bijzonders.”
“Goed. FC De Kampioenen speelt zich af in een provinciaal universum waar niets ooit echt verandert. Elk personage heeft bepaalde, zeer beperkte dromen: de vrouwelijke personages willen in het algemeen een soort status bereiken en de mannelijke personages willen zich gewoon amuseren. Niemand staat ooit stil bij de ellendige existentiële horror waar ze zich in bevinden. Alles wat ze ondernemen, is tot mislukken gedoemd en hun posities zijn het resultaat van een vastgeklonken sociale hiërarchie waar niets enige echte consequentie blijkt te hebben. Boma blijft een rijke vetzak, Pascalleke blijft in haar café staan, Xavier blijft pintjes lekken en Doortje blijft een seut. Dat is eigenlijk alles behalve grappig. De komedie, zo moeten we geloven, vloeit voort uit simpele misverstanden die een kind uit de lagere school kan oplossen op vijf minuten. Primitieve maar oppervlakkige emoties houden de personages in een eeuwige deining maar niemand beseft in wat voor miserie ze eigenlijk verkeren. Kijk naar het huwelijk van Xavier en Carmen. Carmen is duidelijk seksueel extreem gefrustreerd en allebei zijn ze sluimerende alcoholici. Ze zouden beter uit elkaar gaan maar hebben het gevoel dat ze eigenlijk niet beter kunnen krijgen. Of kijk naar Bieke, die tot diep in de 30 wordt neergezet als één of andere hippe vrouw.”
“Of dat ze een tiener moest spelen met dat onnozele kapsel,” grijnst William.
“Precies. Uiteindelijk komt ze terecht bij een loser als Marcske die we allemaal zogezegd sympathiek moeten vinden, maar wat heeft die te bieden? Hij is een brave jongen en hij drinkt niet, maar hij heeft nul ruggengraat, is ontzettend dom en nauwelijks sociaal aangepast. Dan is er Boma. Geef zo’n Boma drie minuten in een modern industrieel, internationaal bedrijf, en hij wordt vierkant uitgelachen. Ik snap wel dat hij een soort oude franskiljon moet vertegenwoordigen, maar zijn vleesfabriek produceert duidelijk minderwaardige kwaliteit en zijn seksuele wandaden zijn allesbehalve grappig. Hij teert enkel op kapitaal en vergane glorie.”
“Jij hebt daar veel te hard over nagedacht,” oordeelde Jana.
Fin leunde achterover.
“Is dat zo? Zuslief Kelly brak daarnet een lans om populaire cultuur serieus te nemen. Dat heb ik zonet gedaan. En de existentiële horror blootgelegd van wat zichzelf voordoet als komedie. De kijker wordt uitgenodigd om te lachen met een destillaat van zijn eigen wanhopige positie.”
Paul lachte luid en gretig.
“Man. Dat heb ik nog nooit van m’n leven gehoord. Heb je ooit overwogen om theaterkritiek te schrijven?”
Paul werkte als producer voor een theaterhuis.
“Wat verdient dat?” vroeg Fin.
“Niet veel,” gaf Paul toe, “maar ik zou het toch overwegen.”
“Wat wil je nu eigenlijk zeggen?” vroeg Budur, “Dat als we niet inzien dat FC De Kampioenen niet grappig is, dat we dan dom zijn?”
“Misschien niet dom. Wel oppervlakkig.”
Kelly at een hapje en keek Fin hoofdschuddend aan.
“Vel jij dan nooit een waardeoordeel, Kell?” vroeg Fin.
“Binnen een bepaalde context. Ik vind de schilderijen van Francis Bacon geweldig, maar voor een kinderboek helemaal ongeschikt,” antwoordde ze.
“Ik zie het al voor me. ‘Hoofd geflankeerd door vlees’ voor de allerkleinsten,” grinnikte William.
“Over vlees gesproken,” pikte Paul daar vlotjes op in, “Zal ik beginnen aan de maaltijd?”
Op één hapje na was het volledige dienblad leeg.
“Prima idee, Paul,” glimlachte Kelly, “Ik kom je zo helpen maar ik ga eerst even een rookpauze houden. Wie gaat er mee?”
“Ik probeer te stoppen,” zei Fin.
“Ik hou je wel gezelschap,” zei Budur.
Beide vrouwen vertrokken naar het terras achter het huis.

Verder naar deel twee.

donderdag 16 juli 2015

Een verhaal van twee gestoorden (VI)

Exitstrategie

Bertrand, intussen, die liet betijen. Hij was nauwelijks nog in Brussel, had geen flauw benul van wat ons bezig hield of waar we aan werkten, en schoof toenemend gemor over de incompetentie in Parijs aan de kant met het aloude “geef elkaar allemaal een handje en doe jullie best”. Benoît werkte halftijds, Henri werkte sinds kort vier vijfden. Lara nam ontslag. Giuliano was actief aan het zoeken naar een andere job. Overal in Hypher was er stront aan de knikker. Cynische corporate-overlevingskunstenaars noemen dat natuurlijke afvloei die vanzelf ontstaat na een reeks ingrijpende veranderingen in een bedrijf. Het financieel team werd opgedoekt. Een mederoker met wie ik vaak gemoedelijke babbels in het Nederfrans voerde, begon zijn eigen bedrijf. Het contingent Nederlandse sales (denk flamboyante pakken met strepen, sigaren, directe humor en veel zelfvertrouwen) was aan het verkruimelen. De Duitsers schermden af waar ze mee bezig waren.
In niets herkende ik in Hypher nog het oude Horvath & Coninck. Het middelgrote, beleefde en bezorgde bedrijf van weleer, dat hard werk, competentie en een zekere horizontaliteit waardeerde, was weggeveegd door het medogenloze, verticale en byzantijnse monster in Parijs. Incompetentie tierde welig, en elke andere manager was een zetbaas van vader of zoon Duval.

Het is moeilijk om enkel in tekst weer te geven hoe veelvormig en dreigend de schaduw was die Maccha Chag had geworpen over mij als belaagde werknemer. Het was de dood van de duizend kleine messteken. Zijn constant uitstellen van feedback. Zijn vage bijvragen. Zijn grandioze, nietszeggende presentaties als hij in Brussel was. Zijn niet-nagekomen beloftes. Zijn giftige e-mails als ik ziek was of van thuis uit werkte. Nooit vijandig genoeg om uit te printen en te tonen als definitief bewijs dat het hier ging om een controlerende, manipulerende baas, maar ook nooit solide genoeg om iets uit te vissen over wat hij verlangde van zijn ondergeschikten.
Na Chags maneuver op m’n verjaardag besloot ik het er op te wagen en ging ik spreken met een vertrouwenspersoon in HR, iemand die net als ik nog het oude Horvath & Coninck had gekend, en me zelfs mee had helpen aanwerven. Diane Mestdagh was haar naam, een Bruxelloise van begin de veertig die wat men “goed geconserveerd” noemt, was. Ze sprak vrij goed Nederlands. Ik had nooit het hart om haar uit te leggen wat haar naam betekende. Misschien wist ze het zelf. Ik legde haar omzichtig uit dat ik een totale vertrouwenscrisis had in m’n manager en vroeg of Hypher me misschien niet kon ontslaan.
“Heb je overwogen om hierover te praten met de baas van je baas? Bertrand Beaulieu, toch?”
Ik grijnsde als een zieke wolf.
“Bertrand vertrouw ik ook niet.”
“Ok. En heb je zicht op een andere functie, misschien?”
“De ambitie heb ik altijd al gehad, maar ik ben de gevangene van m’n meest in het oog springende talent: Engels. Daardoor voel ik me meer een soort leraar Engels dan wat anders.”
“Hoe lang werk je al voor ons?”
“Bijna vier jaar.”
Diane vouwde haar handen samen.
“Aha. Wel, bij HR hebben we de beleidsmaatregel ingevoerd dat we willen dat mensen niet langer dan drie jaar dezelfde functie uitoefenen. Het probleem is dat als we moeten beslissen over bonussen en salarisverhogingen en andere promoties binnen marketing, we enkel één keer op een jaar Bertrand zien.”
“… die geen flauw idee heeft van waar zijn team mee bezig is.”
“Maar dat weten wij niet.”
“Nu wel.”
“Goed. Dit blijft allemaal vertrouwelijk. Heb je bewijs van het… slecht functioneren van Maccha Chag als jouw manager?”
“Indirect. Maar als ik wegga, ben ik zijn derde ondergeschikte in even veel jaren die vertrekt. Dat wil toch iets zeggen?”
Diane trok een ernstig gezicht. Ik had me op voorhand geïnformeerd bij Carla, die me te kennen had gegeven dat Chag één van de redenen was dat ze ontslag genomen had. Ze had er aan toegevoegd dat hij haar voorganger Kevin nog veel erger had behandeld.
“We gaan dit opvolgen. Het zou jammer zijn als Hypher Financial Solutions iemand als jou zou verliezen. In de regel doen we dat niet, mensen ontslaan als ze er om vragen. Maar we zullen zien of er andere oplossingen te bedenken zijn.”
HR, dat ik nog zo bespot had om zijn knulligheid, kwam inderdaad in actie. Bovendien kreeg ik te horen via Henri dat Bertrand al een tijdje in de clinch lag met Maccha omdat resultaten van zijn kant uit bleven. Christine Henault, onze interne communicatiespecialist, vertrouwde me eveneens toe dat er frustratie was omtrent Maccha. HR stuurde een e-mail naar het content marketingteam. Blijkbaar had Maccha in 2014 nooit de documenten van de werknemersevaluatie doorgestuurd. Stoïcijnse Alexandre vertoonde bijna openlijke minachting voor onze baas. Tijdens een bespreking rond een ambitieus webproject dat ik zelf had ontwikkeld, vroeg ik Bertrand of, als hij het project zou goedkeuren, hij me er alleen de leiding over zou geven – dus dat ik op gelijke hoogte zou komen als Maccha, Benoît, Henri en Christine.

Twee weken later stond ik onder de zonovergoten portiek van Hypher te roken en praatte ik met de Nederlandse sales, Friso, waar ik op m’n allereerste werkdag samen met m’n eerste baas, Michel, mee was gaan eten. Friso kwam uit Eindhoven, hield van vettige grappen en carnval.
“Hoi Anton. Al even geleden dat ik je zag!”
“Inderdaad Friso. Hoe gaat het?”
“Nou, best goed. Wist je al dat ik wegga bij Hypher?”
“Nee. Heb je ander werk gevonden?”
“Ja, ik ga volgende maand aan de slag bij een Iers IT-bedrijf.”
Ik knikte.
“Ik begrijp het. Veel mensen vertrekken of willen vertrekken.”
“Ja, hoe kan het ook anders man? Dit bedrijf is z’n eigen doodvonnis aan het tekenen.”
“Door de Franse bedrijfscultuur, die clasht met internationale ambities?”
“Precies. Hoe kan je een globale strategie verwachten van een bedrijf waar de raad van bestuur volledig bestaat uit blanke Franse mannen van tussen de 40 en de 60?”
Opnieuw knikte ik.
“En waar alles rond zonnekoning Duval draait.”
“Ja, dan heb je ’t wel gezien. In Nederland kan je absoluut niet toetreden tot een raad van bestuur als je geen werkervaring hebt in het buitenland. M’n toekomstige werkgever is dan wel Iers maar in hun bestuur zitten er Noren, Duitsers, Slovenen en Nederlanders.”
“Allemaal mannen?”
“Nee, drie vrouwen. Ook een homoseksueel.”
“Hoe weet je dat?”
“Wel, ik vroeg ‘t ‘m niet natuurlijk,” lachte Friso, “maar het was zeer obvious.”

Rond twee uur die dag kreeg ik telefoon. Maccha Chag was in Brussel, hoewel ik hem het merendeel van de dag niet gezien had. Wat ik wel gezien had, was dat er werknemers van HR rond hem zweefden als vleesvliegen. Een goed teken. De telefoon kwam uit de vergaderzaal Abraham Lincoln, een verdiep lager. Het was Maccha.
“Hi Anton. Could you come down and join us in meeting room Abraham Lincoln?”
“Sure, I’ll be there in a minute.”
Toen ik uit de lift stapte (want fuck trappen) en ik binnen keek in de vergaderzaal, zag ik dat buiten Maccha ook Bertrand en een HR-acoliet aanwezig waren. Ik wist instinctief dat ze me ofwel gingen ontslaan, ofwel dat ik één of andere vernederende reprimande zou krijgen. Het was het eerste.
“While we believe you have some considerable talents, such as your language skills, we were hoping that you’d be more of a storyteller. Despite requests on our part to evolve more in this direction, we feel this evolution hasn’t happened. As such, we are letting you go.”
De hele tijd bleef ik Maccha’s ondoordringbare blik vasthouden. Bertrand zat er bij met een gezicht alsof hij zonet een drol in zijn kopje koffie ontdekt had. De HR-man vervulde vlotjes zijn taak als beul en schoof me enkele documenten voor. Ze hadden m’n adres fout. Hij verliet de zaal om dat te corrigeren, wat me in een ongemakkelijke stilte achterliet met Maccha en Bertrand. Ik keek naar het mica tafelblad om oogcontact te vermijden. Wat moest ik zeggen? “You’re a fucking sociopath, Maccha!” Nee. Ontslagen worden was zo erg nog niet. Maar het was wel een bluts in m’n ego. Vooral omdat de reden zo compleet buitenaards klonk. Ik, een slechte verhalenverteller? Ik, die al meer dan 30 kortverhalen, 7 manuscripten en talloze satirische artikels geschreven had? En wat voor “requests”? Het had geen zin. Ik was vrij. Was het de bunzenbrander van HR onder Maccha’s anus die er voor gezorgd had dat hij me liet ontslaan? En wat wist Bertrand werkelijk van dit alles? Maakte het iets uit?

Een uur later zat ik op de trappen buiten aan Hypher Financial Solutions. Ik rookte een laatste sigaret met Giuliano.
“You’re free, man,” zei hij, “when I heard the news, I was happy for you.”
“Thanks. But it still stings a bit.”
“I understand. But you know, the same happened to me three years ago before I came to work here. I was hired here and had two months of double pay. It was the best thing that could have happened to me.”
Ik glimlachte en tikte een askegel af.
“So what did they say to you about me getting fired?”
“Oh, that you weren’t functioning as they hoped you would and that it had absolutely nothing to do with the upcoming budget cuts. So I asked if you were going to get replaced. Bertrand said they didn’t know yet. So, yeah, bullshit reason.”
“Seems like it. Well, at least you’re now free of all my poop jokes.”
“Wouldn’t that have been great? That they’d have fired you because of your poop jokes?”
“Imagine explaining that to a future employer.”
Onze sigaretten waren op.
“Come to Ghent some time, Giuliano. Tell the others I’ll miss them.”
“We’ll miss you too.”
We gaven elkaar een broederlijke knuffel.

Ik ademde diep uit, stapte naar de tramhalte en sloot m’n ogen. Vier jaar Brussel. Vier jaar financiële software proberen marketen. Aangenomen door een gestoorde, ontslagen door een gestoorde, allebei in de zomer. Het leven is cyclisch.

Een verhaal van twee gestoorden (V)

Een totale psychopaat

Ik had het bij het foute eind. Een maand later, voor we de kerstperiode in gingen en we intussen wisten dat Benoît definitief terug zou komen in een andere functie in januari, was er een marketingmeeting in Parijs die van begin tot einde één en al ellende was. De Parisiennes hadden een bus geboekt voor een toeristische rondrit door avondlijk Parijs, maar niet alleen had ik al eens op zo’n bus gezeten in de zomer van 2011, door de aangeslagen vensters en de duisternis was er haast niets te zien. De rondrit duurde bijna drie uur en de magen van alle opzittenden raakten ernstig ontregeld. We hadden de bus niet eens enkel voor onszelf. Er was geen enkel venster vrij, dus ik zat benedendeks, waar Alexandre en Guiliano zo vriendelijk waren om me gezelschap te houden. Giuliano was net vader geworden.
Een eenzame Duitse marketeer die leek op Agent Smith uit de Matrix was er ook bij, en Chag was afgezakt uit Londen met zijn assistente Carla. Kevin Waters had vorig jaar ontslag genomen. Carla was een charmante half-Italiaanse met enorme ogen. Zij kondigde na een half jaar dienst eveneens haar ontslag aan in Parijs.
Het enige soelaas was dat we in het restaurant nadien geen tafel hoefden te delen met de Parijse collega’s, die de hele tijd hoog kirden als dames van de Rotary-club die zonet een Upperdare-avond geregeld hebben. Het eten was matig. Het hotel nadien was een luguber labyrint met zware draperieën, protserige bedlijsten en een kamertapijt waar je voeten drie centimeter in wegzonken. Ik wilde niet nadenken over wat zich allemaal in dat tapijt kon schuilhouden.
De genadeslag kwam in twee fases de dag erop, toen de eigenlijke vergadering plaatsvond. Niet alleen faalde de presentatie die ik zelf mocht geven omtrent correct taalgebruik spectaculair omdat er een conversiefout gebeurd was die al m’n afbeeldingen uitgewist had, Bertrand gaf me niet de verhoopte steun opdat de Françaises eindelijk zouden luisteren naar m’n adviezen en beste praktijken omtrent vlot Engels taalgebruik. Twee onder hen zaten zelfs ostentatief onder elkaar te roddelen en te giechelen. Demoraliserend.
Het klapstuk kwam van Maccha Chag zelf, die doodgemoedereerd zijn plannen voor content marketing voor het hele jaar uitrolde. Ik zat erbij als versteend. Toen wist ik: ik moet hier weg.

2015 betekende ook een wissel aan de top van de macht. Jean-Charles Duval, zoon van Horus, had besloten dat Hypher Financial Solutions voortaan zou geleid worden door François Duval, zijn eigen eerstgeborene. Niemand stelde zich daar openlijk vragen bij. Duval junior was een vroege veertiger die de kwieke uitstraling van zijn vader geërfd had, net als zijn karakteristieke maniërismen bij het spreken, maar inhoudelijk had hij niets te vertellen. Op een grote bijeenkomst in – alweer – Parijs in het voorjaar speechte hij meer dan een uur volledig in het Frans een brij aan gemeenplaatsen, halve waarheden en grandioze statements bij elkaar. Lara en Laurine moesten me een paar keer aantikken opdat ik niet in slaap zou vallen.
Ik was de hel in getreden en had alle hoop laten varen. Ik was hier en daar aan het solliciteren, maar de combinatie van een aanhoudend gezondheidsprobleem, een verhuis en een situatie tussen twee relaties in had elk beetje werkpret uit mij geplet.
Als ik om me heen keek in dat muffe auditorium, leken alle andere werknemers die daar zaten onder een bizarre betovering te verkeren. Niet alleen werd er onkritisch geluisterd naar Duval, sommige collega’s, waaronder de net teruggekeerde Mathilde, zeiden nadien dat ze het “boeiend” hadden gevonden, als brave leerlingen die zonet een ex cathedra-preek van een wereldvreemde leraar gedwee hadden overgeschreven.
“Mijn hoofd kan hier niet bij, Jan,” zei ik tegen mijn Antwerpse confidante terwijl we over een reling van het conferentiegebouw leunden en allebei rookten.
“Wat valt er te snappen? Le papa heeft gezorgd dat zijn fiston ook zijn bedrijfje krijgt. Wat hij daarnet zei, maakt niets uit. Hij is nu de baas, en wij gaan volgen. Dat is de Franse bedrijfscultuur.”
“Ik haat dat.”
Jan trok filosofisch aan zijn sigaret en tuurde uit over de Parijse daken.
“Ik zou genieten van de wijn en de toastjes als ik jou was.”
“Die waren inderdaad niet mis,” zei ik, milder.
“Zeg eens, ik heb gehoord dat de sales ook een nieuwe chef hebben,” zei ik toen.
“Ja, we hebben hem vandaag ontmoet,” antwoordde Jan, “het is blijkbaar een Israëlische Fransman.”
“O? Hoe is hij?”
“Typische salesdirecteur,” zei Jan terwijl hij aan zijn baard krabde, “Een totale psychopaat.”
Ik dacht aan m’n eigen nieuwe baas, Maccha Chag. Ook hij had iets sociopatisch, nu ik er bij stilstond. De oppervlakkige charme, de gebroken beloftes, de leugens – gebrek aan empathie? Ik wist het niet. De reling waar we tegen aan leunden, leek plots een stuk breekbaarder.

Chag haalde enkele weken later vol bonhomie het hele content marketingteam naar Londen voor een tweedaagse vergadering. Ik was sceptisch. Alexandre, Mathilde en Laurine keken er naar uit. Alexandre begon al wel wat nattigheid te voelen in verband met Chag en zijn eindeloze gebeloof, maar Mathilde en Laurine waren zoals eerder gezegd nogal ruim bedeeld in de goedgelovigheid en de gezagsgetrouwheid. In Londen werden we door een breed grijnzende Chag verwelkomd, met aan zijn zijde onze Franse collega uit het contentteam, Amarie, één van de betere Françaises, in de zin dat er met haar te werken viel en ze ook niet onder de invloed stond van de coterie Parisiennes.
Zoals op eerder vergaderingen bleef Chag er op hameren dat we hem moesten kunnen vertrouwen en dat we altijd vrijelijk onze mening mochten geven. Er werd een spel gespeeld met brieven en papieren over wat we goed vonden aan Hypher, wat minder en wat we zouden willen veranderen. We moesten een video tonen die iets persoonlijks voor ons betekende. En er werd een hele actielijst opgesteld van wie wat ging doen om de kwaliteit van ons gezamenlijke werk te verbeteren.
Toegegeven, zelfs ik verliet Londen met een relatief goed gevoel. Chag had ons meegenomen op de London Eye, we waren naar een 3D-theater met bewegende zitjes geweest en we hadden zijn favoriete Indische restaurant bezocht. Er was ook een seminariespreker langsgekomen die een hardcore marketeer was. Hij was al bezig aan zijn derde bedrijf en had de vorige twee verkocht. Ik vroeg me af hoe veel echtscheidingen hij al gehad had.
Het duurde niet lang eer mijn scepsis volop terugkwam.
“Hey Anton. Did Maccha ever come back to you about your actions?” vroeg Laurine me op een dag.
“No. I did most of mine, though. Never got a response.”
Vanachter zijn eigen bureau om de hoek horde ik Alexandre gniffelen. Zijn lach klonk steeds als een onderdrukte hoest. Ik stond op zodat ik Laurine en Alexandre allebei kon zien. Mathilde was er niet.
“That’s our manager for you, I’m afraid.”
“But it’s so weird,” zei Laurine, “we had this great meeting and spent two days making this list. And now… nothing.”
“I’ve come to accept this about Maccha, unfortunately,” zei Alexandre in zijn droog-Franse monotoon.
“How do you work around it? I’ve been waiting again for weeks on feedback.”
Het was waar. Mijn takenlijst was aan het opdrogen. Bijna alles zat vast bij Chag. Als hij al reageerde, was het met vage, alomvattende commentaren die subtiel mijn hele bestaan in vraag leken te stellen. Ik haatte dat soort geladen vragen. “Is dit wat we echt willen schrijven?”, “Wat willen we hiermee vertellen aan de markt?”. Een manager moet managen en kritiek hoort bij zijn taak, maar hij moest me ook niet het gevoel geven dat ik al bijna 8 jaar in het rond aan het blunderen was.
“I just… don’t inform him,” zei Alexandre.
Hij kon zich dat permitteren. Zijn werk als market intelligence officer gaf hem een lijn naar de walnootgod, Bertrand Beaulieu zelf. Laurine werkte voor Alexandre.

Het ging van kwaad naar erger. Dagen dat ik spontaan besloot van thuis uit te werken, wist Maccha dat altijd onmiddellijk, nog voor dat ik hem geïnformeerd had. Hij leek iemand te hebben die hem op de hoogte hield van mijn afwezigheden. Ik was vaker ziek. Psychisch was het zwaarste leed geleden nu ik medicatie had, maar de voortdurende stress van de nutteloosheid van m’n werk maakte zich kenbaar op andere manieren. Ik werd balorig, als apen die na een tijdje met stront beginnen gooien als ze te vaak hetzelfde moeten doen. Waarom moest ik de hele tijd slecht geschreven documenten in franglais verbeteren en onnozele paragrafen over softwaremodules schrijven voor de site? Waarom schreef ik niet aan complexe white papers, was ik niet bezig campagnes aan het scripten of clevere advertenties aan het bedenken?
Nadat ik drie weken lang had moeten blijven aandringen op feedback, haalde Maccha me naar Engeland, enkel om feedback te geven, waardoor ik anderhalve dag verloor. Op mijn verjaardag, die samenviel met een monsterstaking en een bijbehorende monsterfile, dwong hij me naar het werk te komen met de auto, omwille van “zichtbaarheid” terwijl de helft van Hypher in Brussel thuis was gebleven.
Een hoopgevende sollicitatie ketste af in de allerlaatste ronde. Het was begin juni, intussen, en ik was de wanhoop nabij. Ik had op een zondagavond m’n allereerste totale paniekaanval. Ik hoorde in gedachten de profetische woorden van Benoît, na zijn terugkeer in januari. Hij had me apart genomen en gezegd: “Anton, ik weet dat je de dingen goed wil doen. Soms te goed. Je kan niet altijd blijven vechten tegen een systeem. Anders ga je eindigen zoals ik, met een burn-out.”
Wijze woorden van de rustieke Waals-Brabantse hobbytuinier. Maar ik had er niets meer aan, nu. Het was te laat.

Een verhaal van twee gestoorden (IV)

“Pas dans mes yeux!”

Het jaar Onzes Heeren 2014 was één lange trombone-toon annex remspoor in de broek van een langzame depressie. Daar had ik gedeeltelijk een neurologisch manco onder het schedeldak aan te danken, maar Hypher Financial Solutions droeg er ook zijn steentje toe bij. Het budget voor de keuken en de persooneelsfeestjes slonken. Het was gedaan met de occasionele lekkernij: we kregen diepvriespizza’s van Dr. Oetker, smakeloze en kleurloze vis, en natte koude bonen. Feestjes gingen niet meer door op kastelen en in chique loungebars, maar in de refter. Minh en Giuliano amuseerden zich er mee om de talrijke heliumbalonnen leeg te laten lopen in hun mond zodat ze konden spreken als Donald Duck.

Ik werd gefrustreerd langs alle kanten. Bij m’n vorige werkgever had ik het werk gedaan van mezelf, Benoît en Alexandre samen. Dat was te veel geweest, toegegeven, maar nu had ik te weinig om handen. Benoît gaf me te kennen dat ik zelf moest komen aandraven met initiatieven maar schoot elk nieuw initiatief toonloos af. Een glossy corporate brochure – “mag niet van Hypher in Parijs”, een handige lijst of video’s die kort en helder onze technologieën en jargon uitleggen – “te betuttelend voor klanten”, gerichte lessen Engels geven aan wie het nodig had – “dat is je taak niet”, RFA’s helpen herschrijven – “dat moeten ze zelf doen”.
Na het gekapseisde en uiteindelijk te elfder ure rechtgetrokken webproject van Henri had ik geen grote taken meer. Daar kwam bij dat er steeds vaker copy werd geproduceerd in Frankrijk, meestal van een bedenkelijk niveau. Tegen dat de zomer er aan kwam, voelde ik me gedemotiveerder dan Eeyore. Treinen leken trager dan ooit, als ik met de auto kwam was er altijd wel ergens een ongeval, een opstopping of een staking, en het gewone bureauvolk had nooit een idee wat er allemaal bedisseld werd in de mastaba’s van CEO Duval en zijn faraonische Nazgûl. Bertrand was vaak afwezig. De maandelijkse teamvergadering met de hele marketingploeg was niets meer dan een verijdeld aframmelen van taken die iedereen had gekregen, waar Bertrand duidelijk voor de eerste keer hoorde waar iedereen mee bezig was.
Het enige wat me redde waren mijn frequente rookpauzes met Jan, babbels met Alexandre of Giuliano, en het occasionele stoom afblazen met Lara. Tot mijn schaamte moest ik bekennen dat ik me ook steeds sneller ergerde aan de kleine gewoontes van m’n collega’s, zoals Giuliano die elke dag een enorm hoog opgetast bord groenten kwam opeten voor zijn computerscherm, de stagiaire Laurine die de hele tijd op fluistertoon in zichzelf zat te praten, of hoe Henri de gewoonte had impromptu vergaderingen met zijn mensen te organiseren op twee meter van m’n bureau.

Roken zorgde gelukkig voor meer sociaal contact. Het hield ook m’n Frans op peil, dat, het moet gezegd, al flink verbeterd was sinds de dagen dat ik dacht dat je gewoon ’s ochtends “bon matin” kon zeggen. Ik volgde een “table de conversation” om mijn Frans verder te verbeteren. Na enkele maanden moest ik daar de brui aan geven. De lesgeefster was een competente, zij het licht neurotische jonge vrouw, maar mijn medestudenten waren drie Spaanstalige vrouwen die vanzelfsprekend heel andere fouten maakten dan ik. Hun Frans was bovendien ook een stuk slechter dan het mijne.
“Savez-vous que chaque mot qui se termine sur –iège est masculin?” vroeg de lerares.
“Haha, comme Liège,” grapte ik.
“Ah, mais liège sans majuscule est aussi un mot,” kaatste ze terug, “tu sais que ça veut dire?”
“Ben, non.”
Ze gaf een beschrijving – er mocht geen andere taal gesproken worden dan Frans in de les, hoewel ze zelf een mond Nederlands, Engels en Spaans sprak – waaruit ik snel concludeerde dat ze “kurk” bedoelde. Ik knikte. De Spaanse vrouwen begrepen het niet. De lerares ging over tot uitbeelden.
“Allez, comme avec une bouteille de champagne,” zei ze. Ze maakte een handbeweging die het schudden met een fles moest voorstellen maar mij deed denken aan iets anders. De señora’s fronsten.
“Comme si, quand le bouchon…”
Opnieuw die beweging. Ik moest op de binnenkant van m’n wangen bijten om niet te lachen.
“Et quand le bouchon saute hors de la bouteille…”
Ze verbeeldde een soort fontein, en voegde er aan toe, “pas dans mes yeux!”
Mijn God mijn God mijn God. Ik hield m’n notablok voor m’n mond en bestierf het inwendig van het lachen. Eindelijk begrepen mijn medestudenten het. Niemand anders leek de ongelooflijke dubbelzinnigheid opgemerkt te hebben.

Na de vakantie kwam er een verrassing: Benoît was afwezig. Bernard had iets gemompeld over een “afspraak bij een specialist”. Benoît kwam de volgende dag niet terug, bleef uiteindelijk de hele week weg en bij het begin van volgende week was zijn afwezigheid al uitgerekt tot een maand. De reden, die wist niemand. Zelfs Bertrand beweerde de reden niet te weten. Dat bracht uiteraard speculatie op gang. Sommigen dachten aan kanker. Anderen dachten een opflakkeren van een mysterieuze langetermijnziekte – Benoît was immers vaker ziek dan andere collega’s. Een burn-out werd ook gesuggereerd, zeker omdat Benoît er al enkele maanden het werk bij nam van Mathilde, die op zwangerschaps- en moederschapsverlof was. Ik dacht aan depressie, niet enkel omdat ik zelf depressief was, maar ook omdat die rustieke, goede oude Benoît me op het eerste zicht geen stresskip leek, noch overwerkt. Bovendien, ondanks onze conflicten omtrent zijn rigiditeit en koppigheid, deelde hij een flegmatieke, om niet te zeggen melancholische trek met me die de terminaal melancholieken snel herkennen bij elkaar.
Geen anekdote illustreert dat beter dan de gruwelijke World Happiness Day in 2014, waar HR iedereen samengedrumd had in de refter, een bedrijfsgoeroe een toespraak had laten geven over hoe we gelukkig moesten zijn en daarbij onophoudelijk ‘Happy’ van Pharell door de boxen had laten schallen. De cellofanen gelukscoach was nog maar tien minuten aan het werk of ik hield het voor bekeken. Het beste van alles: in de lift hing een A4 met daarop “If you want to be happy, just be – Leo Tolstoy”. Niet alleen ergerde de taalfout me (er ontbrak een “so”, anders is de voorwaarde voor geluk in die zin enkel het louter bestaan), maar Tolstoj was nu ook niet bepaald wat ik een fuifnummer zou noemen bij wie geluk en plezier op de eerste plaats kwamen.
Toen ik door de gangen sloop van ons nagenoeg lege verdieping (er wachtten op de collega’s nog verplichte lach- en handjeklapsessies), trof ik Benoît aan achter zijn bureau.
“Moet jij niet beneden zijn?” vroeg hij streng.
“Moet jij daar ook niet zijn?” kaatste ik terug.
Benoît zuchtte.
“Da’s niets voor mij, dat soort initiatieven.”
“Dan begrijp je waarom ik weggevlucht ben.”
Hij stond zichzelf een korte glimlach toe en knikte.

Toen bleek dat Benoîts afwezigheid maand na maand verlengd werd en hij niet zou terugkeren voor begin 2015, zei ik openhartig tegen Bertrand, die tijdelijk Benoîts managerschap van mij had moeten overnemen, dat ik niet wilde lijkenpikken, maar dat als Benoît niet of in een andere capaciteit zou terugkomen, ik de uitdaging wilde aan gaan. Bovendien, dacht ik bij mezelf, ik zit al bijna zeven jaar in een uitvoerende, ondergeschikte functie. Bertrand dacht dan misschien wel dat ik soms een schertsfiguur was, ik wist dat ik het voorrecht had dat collega’s me vertrouwden, dat ik bepaalde leidinggevende kwaliteiten bezat en dat ik als enige net als Benoît in voldoende mate Engels, Frans en Nederlands sprak. Ik dacht dat Alexandre mogelijk een concurrent kon worden.
Bertrand zei dat hij overtuigd wilde worden en dat ik “meer initiatieven” moest nemen. Dus dat deed ik. Ik begon Benoîts taken uit te voeren die al maanden waren blijven liggen, knoopte contacten aan met mensen uit allerlei divisies in België, Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, en stelde een ambitieuze agenda op.
Twee weken later echter werd Maccha Chag ingevlogen vanuit Londen en werd ons gezegd dat hij tijdelijk Benoîts positie zou overnemen. Ik was een beetje teleurgesteld maar niet helemaal ontmoedigd. Chag had een lange meeting met me, waarin ik hem vertelde over m’n eigen ambities. Chag verzekerde me dat hij slechts een naam was die tijdelijk een plek op het organigram invulde. Ik hoopte vurig dat dat zo was, want in de loop van anderhalf jaar had Chag bewezen dat hij twee dingen kon: loze beloftes maken en op absurd korte termijn gunsten eisen van het marketingteam in Brussel. Bovendien, zo dacht ik, hem permanent Benoîts opvolger maken zou weinig zinvol zijn, tenzij hij een verhuis overwoog naar België. Daar kwam bij dat Chag buiten Engels enkel Gujarati sprak, een taal die niet bepaald behoorde tot het lijstje met belangrijke talen binnen Hypher Financial Solutions.

Verder naar deel vijf.

Een verhaal van twee gestoorden (III)

De farao

In het voorjaar werd het hele marketingteam voor een protserig evenement naar Parijs gehaald. Hypher had een dikke portefeuille en liet de financiële spierballen rollen om te tonen aan de “petits belges” met wat voor klassevolle broodheren we te maken hadden. We verbleven in een viersterrenhotel en woonden dikdoenerige presentaties bij in een rococo-zaal die versierd was met Venetiaanse maskers. De presentaties waren als vanzelfsprekend saai en bij tijden gênant. De dieptepunten waren een Londense sales die door zijn zenuwen plots enorm hoog en provinciaal begon te spreken, en een dikke Duitse consultant die ruim een halfuur overtijd ging met zijn ingewikkelde speech. We leerden ook onze Franse marketing-collega’s kennen, een reeks parmantige dames die intrige en kantoorpolitiek uitademden.
De Hypher-groep werd geleid door haar oprichter, de 77-jarige Jean-Charles Duval. Duval kon gerust doorgaan voor 57. Hij was een scherpzinnige, in klassieke maatpakken geklede man met een flair voor retoriek, een man die je automatisch vousvoyeerde. In het kantoor waar hij zijn gasten ontving, dat in een ander gebouw was dan waar het dagelijkse werk doorging, stond in de schaduw van de Arc de Triomphe. Alles was er in klassiek Egyptische stijl, met omineuze vazen in nissen, sarcofaag-achtige lijsten rond de liftdeuren en scarabeeën op de deurknoppen. Er was zelfs een geheime gang die naadloos in de muur overging en die leidde naar een toilet. Aan de receptie zaten twee Arabisch uitziende dames die tweelingzussen leken.
Duval kwam de dag na de receptie in de protserige Venetiaanse hallen de marketingvergadering “toevallig” opluisteren. Iedereen moest zich kort voorstellen. Daarna speechte hij grootvaderlijk over de veranderingen aan de horizon van Hypher Financial Solutions, het aanboren van nieuwe markten en de risico’s van zaken doen in landen als Rusland.
“… par exemple, qui parmi nous sait parler russe?” eindigde één van zijn zinnen.
Ik stak m’n hand op.
“Eh, bien, moi je parle un peu de russe.”
Duval had duidelijk niet verwacht dat er iemand zou antwoorden op die retorische vraag. Hij keek me aan alsof ik een spook was.
“Ce n’est pas ça que je voulait dire.”
“Vous savez, monsieur Duval, Anton est très précieux pour nous,” zei Bertrand zalvend, alsof ik de lokale Forrest Gump was die met de “speciale” bus naar het werk gevoerd werd.

“You know, I have a theory about Duval,” zei ik tegen Alexandre toen we nadien koffie dronken en in losse groepjes in een rokerig zijlokaal stonden.
“Tell me.”
“I think Duval is immortal. He’s a lich lord.”
“Why?” lachte Alexandre.
“Consider this: the entire building is decked out in the style of Ancient Egypt, he himself is supposed to be nearly 80 but he talks, moves and thinks like someone in his fifties. As far as we know, he founded the company, but nobody from that time is probably still alive, or they’ve all retired.”
“Or he claimed their souls,” bood Minh aan, die stond mee te luisteren.
“Maybe,” gaf ik toe, “so for all we know, he might have already looked like this in the ‘60s.”
“Well, if he’s a lich lord, what’s his phylactery?” vroeg Alexandre.
Ik maakte een handgebaar.
“Isn’t it obvious? The cloud. What better way to remain immortal? The cloud can’t be destroyed, it can’t be stolen and it’s all-encompassing. What better way for an immortal Egyptian pharaoh to keep his immortality? Also, the company’s name is Hypher. Why the ‘ph’ in there? What about Hypharaoh, hmm?”
“Jij hebt te veel fantasie, Anton,” zei Benoît. Zijn mond lachte niet, maar zijn ogen wel.
“Ik weet het.”

In de komende maanden werd de bedrijfscultuur stap voor stap Franser. Duval zette zijn mannetjes op belangrijke posities. De barons de Horvath en de Coninck kwamen steeds minder vaak langs en naderhand bleven hun riante burelen leeg. Frank Legrand, de voormalige CEO, werd eerst gedegradeerd en verliet toen zelf het bedrijf. Alleen walnootman Bertrand bleef dapper stand houden. Die verdienste moest iedereen hem nageven: in tegenstelling tot alle andere diensten bleef marketing geleid worden vanuit Brussel in plaats van Parijs.
De samenwerking met de Franse teams verliep stug. Giuliano kloeg dat de dames Françaises zelfs de simpelste wetten van het grafisch design niet begrepen. Lara had het gevoel dat ze haar opzadelden met allerlei lastige karweien die ze zelf niet wilden doen, en de meeste anderen kloegen over hun gebrek aan respons. Van mijn kant werd ik belaagd met verzoeken tot vertalingen van slecht geschreven Franse teksten. Benoît ging er uiteindelijk mee akkoord dat ik die teksten in hun Engelse versie zou herschrijven. Ik schreef taalrichtlijnen die dode letter bleven omdat Benoît geen jurisdictie had over de Parijse teams en het Bernard niet interesseerde om hen daar in toom te houden.
Het klapstuk van de Franse slag die nu steeds sterker heerste over Hypher, was de lancering van de nieuwe website onder auspiciën van Henri. In een zweterige computerruimte werkten Giuliano, Lara, Géraldine, Minh en ik zelf ons uit de naad om die op twee dagen tijd online te krijgen, terwijl de enige Franse collega die er bij aanwezig was, haast niets deed. Het één en ander lag ook wel aan Henri, die duidelijk holder de bolder en zonder plan was begonnen aan de lancering.
Na de frustrerende eerste dag was er spontaan crisisoverleg. De Française was al lang vertrokken omdat die een trein moest halen.
“Why is there only one French person involved for the French version?” vroeg een boze Lara.
“Henri, honestly, I’m not sure why Belgium has to do nearly all the work for both versions,” zei ik.
“Guys, really,” zei Henri, “if the French version has to be uploaded entirely by the French team, it will take at least two weeks, and we have deadlines to meet.”

“Ja, en daar worden wij mooi het slachtoffer van!” stoomde Lara nadien op de metro tegen mij. Lara had een temperament. Dat kwam gratis bij haar ontwapenende eerlijkheid. Net als haar collega Géraldine was Lara een grote vrouw met bruin haar, stevig van bouw maar niet dik, en iemand die van aanpakken wist. Waar Géraldine zich soms echter terugtrok achter een lijzig masker, was Lara een open boek.
Lara was wat men in hippe middens mijn “work wife” noemt, een collega van het tegengestelde geslacht met wie je veel dingen samen doet zonder dat er sprake is van meer dan een Platonische band. In die periode was ik bezig wat in het rond aan het daten zonder succes. Lara’s vriend was een Costaricaanse bioloog die ze had leren kennen op Erasmus in Spanje, een fort van een man met een zachtmoedige blik.
“Maar wat kan Henri anders doen?” wierp ik op, “Hij heeft een punt.”
“Dat is de verkeerde oplossing, toch? We proberen nu een workaround te verzinnen rond de incompetentie van Parijs, terwijl die madammen al lang op de keien hadden moeten liggen.”
“Daar kan Henri niets aan doen. Dat is de verantwoordelijkheid van Bertrand.”
Bertrands naam was haas, echter. Klachten over een gebrek aan vlotte samenwerking of twijfels over de competenties van de Parijse collega’s werden door hem met een mild soort amusement onthaald, alsof er dingen waren die we niet wisten.

In de loop van 2013 kreeg ik van Benoît en Bertrand een nieuwe opdracht. Benoît sprak altijd zwaarwichtig over een “mission” (hij bedoelde eigenlijk gewoon “taak”), alsof ik met gadgets en in dure sportwagens naar een exotische plek zou gestuurd worden. Sinds de oprichting van Hypher Financial Solutions hadden we er namelijk ook in het Verenigd Koninkrijk een marketing-appendix bij gekregen, en Bertrand kreeg moeilijk zicht op wat er daar allemaal gedaan werd. Dus, omdat ik van het Brusselse team veruit het beste Engels sprak, werd ik erop uit gestuurd om in Londen een dag samen te zitten met de lokale marketing manager, Maccha Chag, en zijn ondergeschikte, Kevin Waters. Ik mocht mijn komst “zeker niet” op “spionage” doen lijken, maar natuurlijk was het dat wat Chag en Waters in onze e-mails onmiddellijk leken te vermoeden.
In Londen zijn, nadat ik er voor het laatst in het begin van 2012 geweest was, riep herinneringen op. Maar ik was er niet om nostalgie te voelen naar de lange-afstandsrelatie die ik had gehad met een Engelse. Ik moest er zijn in het hart van de stad, the City of London, die stadstaat binnen een staat, waar bijna iedereen zwarte pakken of mantelpakjes droeg en de gebouwen een corrupte statigheid uitademden van de haute finance.
Chag en Waters ontvingen me hartelijk maar sceptisch. Chag was een gedrongen, kikker-achtige man met een ingedeukt achterhoofd en een bril. Waters zag eruit als een archetypische Brit: slecht gebit, ogen die zijn achternaam volledig recht aandeden, en slap blond haar dat als nat stro over zijn schedel viel. Om de één of andere reden kon ik me Chag erg goed dood voorstellen.
De vergadering bleek al bij al vrij productief. Chag voelde me uitgebreid aan de tand over mijn marketing-ideeën en –ervaringen. Voor het eerst in een jaar had ik het gevoel dat ik echt ernstig werd genomen. We praatten over de uitdagingen die Hypher had op het vlak van marketing: een cohesieve visie uitwerken, de details kunnen benoemen, geïntegreerde campagnes opzetten, en zo verder. Ik luisterde naar hun bezorgdheden en probeerde diplomatisch die van Benoît en Bertrand over te brengen.
De dag nadien briefte ik Bertrand en Benoît uitgebreid per e-mail. Er was een concrete lijst met actiepunten opgesteld voor zowel Londen als Brussel, en ik toog met hernieuwd enthousiasme aan het werk. Het zou een maat voor niets blijken.

Verder naar deel vier.

Een verhaal van twee gestoorden (II)

Boekhouders op sterk water

De weg van en naar het werk was geen pretje. Horvath & Coninck betaalden m’n trein- en metro-abonnement, maar de toenemende vertragingen bij de NMBS zorgden er vaak voor dat ik te laat aankwam, en in warme maanden bleken de metro- en treinstations te verworden tot helse oorden van lawaai, zweet en onhandige drukte. Over #pendelpret is er al heel wat inkt gevloeid, maar tot je met een houten kop moet optornen tegen een vermoeide moeder die via gsm haar kinderen begeleidt door hun hele ontbijt, klaarwakkere West-Vlaamse ambtenaren moet trotseren die zo luid mogelijk zo irrelevant mogelijke onderwerpen bespreken, of tot je last hebt van de occasionele groteske eter en drinker, is het moeilijk om te appreciëren wat instant haat voor de medemens echt betekent. Een bizarre observatie was bovendien dat mensen die op de trein aten of drinken steeds in twee vormen kwamen: ofwel magere fruit- en zure salade-eters met een hemd in de broek of een modebesef dat sinds 1990 niet meer geëvolueerd leek, ofwel de marginaal uitgedoste chips-etende en bierdrinkende uitgezakten die het duidelijk geen reet kon schelen wat andere mensen over hen dachten.
Mijn werk was ook goed voor een stukje Brussel leren kennen. Vlamingen kennen Brussel niet, velen haten de stad en toegegeven, er is veel om aan te haten. Brussel is luid, alle straten zitten verstopt met agressief verkeer en de verloedering in sommige wijken is een treurig testament van hoofdstedelijke apparatsjiks die al jaren volhouden dat dat prima werkt, een hoofdstedelijk gewest opdelen in 19 aparte baronieën. Maar Brussel is ook de stad van duizend prima restaurants, Brussel leeft en ademt de wereld uit, Brussel is altijd verrassend. Ketjes zijn grootstadkinderen. Vergeet Vlamingen en Walen, de echte Belgen, dat zijn Brusselaars.

Gel Michel woonde zoals zo veel rijkere Brusselaars in de Vlaamse rand. Zijn kinderen gingen naar een Nederlandstalige school. Hij vond het goed dat ze op de speelplaats geen Frans mochten spreken, maar stelde zich wel vragen bij het nogal opdringerige “Groot-Bijgaarden, een VLAAMSE gemeente” dat aan de grenzen van het grondgebied gezet was. Henri, een andere collega die later een positie bij marketing zou opnemen als operationele marketeer, woonde ook in die streek maar sprak geen Nederlands (hij sprak wel heel goed Engels). Op een keer moest hij naar de gemeente omdat er een mol in zijn tuin zat, en hij had uren geoefend op het zinnetje “Er zit een mol in mijn tuin.” Hilariteit toen de ambtenaar een vraag terugstelde en Henri niets meer wist te zeggen. Hij had nooit gedacht aan het vervolg van het gesprek.

2012 liep aan een gezapig tempo. Ik maakte testimonials, verbeterde brochures en werkte nu en dan mee aan een campagne in een tijdschrift, want wat had je gedacht, er bestaat ook een vakpers over financiële software. Ik vroeg me af of er mensen bestonden die dat écht interessant vonden. Telkens als ik mensen vertelde over mijn job en iemand uit beleefdheid zei: “Ha, dat klinkt nog interessant,” zei ik steevast: “Lieg maar niet, het is precies zo saai als het klinkt.”
Zoals alle IT-bedrijven was Horvath & Coninck overwegend een mannenbedrijf. Op de lagere regionen, waar de programmeurs zaten, zelfs bijna exclusief. Die programmeurs vormden een vrij clichématig amalgaam aan bleke mannen met foute kapsels die haast in hun broek plasten als er nog maar een vrouw hun richting uitkeek. Sommige vrouwen speelden daar een beetje mee, zoals Iris Martin, een innemende projectmanager die altijd die seconde langer dan nodig glimlachte, sprak met een Franse douceur en elke dag piekfijn gekleed op het appel verscheen. Toen ik eens vertelde aan Jan dat ik Iris toch wel de meest aantrekkelijke vrouw vond die bij ons werkte, lachte hij.
“Ja, ik zie wel wat je bedoelt. En ze weet het, hoor, dat ze seksappeal heeft. En allez, ik ben nu wel niet voor de vrouwen, maar zoals ze bij ons zeggen, ze heeft een kop om op te schieten.”
“Godverdomme Jan, da’s echt gortig.”
Hij lachte enkel luider.
“Maar goed, ge weet toch dat die een verhouding heeft met een collega hé?”
“Ah ja? Met wie dan?”
“Denis van projectmanagement.”
“Denis? Die ziet eruit als een boekhouder die ze op sterk water gezet hebben.”
“Uiterlijk is niet al wat telt.”
Jans kale kop blonk in het zonlicht.
“Mja. Goed voor hem, zeker.”

Tegen het einde van 2012 begonnen steeds meer geruchten te circuleren dat Horvath & Coninck overgenomen zou worden. Op een druk bijgewoonde conferentie in oktober werden die geruchten officieel bevestigd. De Franse Hypher-groep zou een volledig aandeel verwerven in Horvath & Coninck, en samen met een ander aangekocht bedrijf en zijn eigen banksoftware-activiteiten een nieuwe firma vormen: Hypher Financial Solutions. Over de details van de fusie bleef het lang stil. Michel en ik vermoedden dat er eigenlijk enkel naar het financiële plaatje gekeken was en dat men niet had stilgestaan bij de praktische implicaties. Het personeel zat met heel veel vragen.
Temidden van al die onzekerheid sloeg walnootman Bertrand Beaulieu zijn slag. Op dezelfde dag werd hij het hoofd van marketing en ontsloeg hij Michel, officieel omdat Michel al maanden niet meer constructief meewerkte en de hoge bazen vonden dat marketing in het slop zat. Ik vond het een flauwe politieke afrekening en liet merken aan Bertrand dat het een tijd zou duren eer ik hem zou vertrouwen. Dat verstond hij tenminste. Of hij deed alsof. Bertrand had een verleden bij een Duitse softwaregigant en had ooit op het punt gestaan professioneel golfer te worden. Hij droeg bruine kostuums als een soort mislukte herenboer, en sprak Engels waarin hij af en toe een onbedoelde fout smokkelde, zoals “we need to expose ourselves” of “we have worked hardly”.

Het team breidde voor een laatste keer uit. Bertrand plaatste drie managers onder zichzelf, en daaronder de rest. Daardoor werd rustieke Benoît m’n nieuwe baas. Voor hem was dat na meer dan een decennium Horvath & Coninck een mooie promotie. Henri Lallemand leidde operational marketing met Géraldine de hockeyster en drie nieuwelingen: Lara Vandenberghe, de eerste Vlaamse na mij in het team, Giuliano Reale, een grafisch designer en webontwikkelaar, en tenslotte Minh Dang, een flegmatieke Parijzenaar met Viëtnameese roots, die video en motion design voor z’n rekening zou nemen. De laatste manager, die solo werkte, was Christine Henault, een Naamse die van HR ingevlogen werd als interne communicatiespecialist.
Eén van m’n eerste officiële meetings met Benoît, die nog wat onwennig was in zijn rol als baas, ging over het gevolg dat moest gegeven worden aan m’n laatste evaluatie, die nog onder de auspiciën had plaatsgevonden van Gel Michel en zijn racistische moppen.
“Buiten de gebruikelijke stijging door anciënniteit heb je geen loonsverhoging of bonus gekregen, maar je krijgt wel de bedrijfswagen waar je om gevraagd had.”
“Ik had daar niet om gevraagd.”
Benoît knipperde met zijn ogen.
“Ben je er niet blij mee?”
“Euh. Wel, ik kom met de trein en de metro, en Horvath – ik bedoel Hypher betaalt dat al. Bovendien heb ik al een auto.”
“Die auto is echt wel een financieel voordeel, hoor. Hypher betaalt de belastingen en betaalt het onderhoud, en er hoort ook een verzekering en een tankkaart bij. Het is jouw keuze, maar je zou de allereerste mens zijn die ik ken, die zoiets zou afwijzen.”
Ik moest lachen. Benoît keek me aan alsof ik een volslagen idioot was.
“Nee, ik ga het aannemen, hoor. Ik ben alleen wat verrast.”
Ik had keuze uit drie modellen en opteerde uiteindelijk voor een mooie donkerblauwe Volvo. Ik hoefde er geen opties bij. De fleet manager vond dat raar, want “da ies allemaal graties, hein!” zei hij in z’n Nederfrans. Maar nee, het hoefde niet.

Midden december was er nog the last hurrah van Horvath & Coninck. De beide heren baronnen hadden een chic landgoed afgehuurd ergens in Waals-Brabant, waar alle nieuwbakken Hypheriens van de Brusselse en Luxemburgse vestiging zich een hele avond en nacht lang konden verlustigen in uitgelezen spijzen, dure cocktails en sigaren. We werden allemaal behandeld als vorsten, met een troep zaalpersoneel die constant aan en af liep met plateaus, servetten, glazen en nieuwe borden warm voedsel, een lounge-DJ beneden in de stijlvolle kelderbar, en toastjes om u tegen te zeggen. Het liep er vol kleine d’s en verbaasde Luxemburgers.
In tegenstelling tot wat z’n werkernst deed vermoeden, was Alexandre een enthousiaste feester. Een maand eerder was hij al een naar Gent gekomen met zijn vriendin om een fuif op te luisteren die ik samen met een vriendin georganiseerd had, en de man was geen moment van de dansvloer weg te slaan geweest. Nu was hij licht beschonken, en bezwoer hij me dat ik nog niet mocht vertrekken, want het was “amper” middernacht.
“But Anton, you once told me that it was always the worst thing at office parties to be “that guy”. If you leave now, I will be “that guy”!”
Ik moest lachen.
“Sorry Alexandre, you’ll have to fend for yourself, my friend. I would have loved to stay and upstage you as “that guy”, but I’m sure you’ll find someone else to handle that role.”
“Okay then, but have one more drink with me!”
Ik reed naar huis met de glimlach, in m’n nagelnieuwe bedrijfswagen. Het was één van de laatste keren dat ik met zo’n goed gevoel en zo laat van het werk thuis zou komen.

Verder naar deel drie.

Een verhaal van twee gestoorden (I)

Aangenomen door een banshee

Ik werd aangeworven door een gestoorde en ik werd ontslagen door een andere gestoorde. Dat vat ongeveer mijn vier jaar durende carrière samen bij Hypher Financial Solutions, voorheen Horvath & Coninck. Conventionele wijsheid zegt dat je beter niet publiek je voormalige werkgever afbrandt omdat toekomstige werkgevers dat zorgwekkend vinden. Misschien dat werkgevers er dan beter voor zorgen dat ze goede werkgevers zijn in plaats van hun personeel buiten te pesten. Laat me hier nog aan toevoegen dat de perfecte werknemer en de perfecte baas niet bestaan. Het is overal iets, elk bedrijf heeft een luis in de pels. Maar sommige bedrijven hebben meer luizen in de pels dan andere, om Orwell te parafraseren.

Mijn carrière bij Horvath & Coninck begon in de zomer van 2011 al onmiddellijk in bizarre omstandigheden. Ik wilde dringend weg bij de vorige werkgever, Dunning & Kruger, en was bij Horvath & Coninck op gesprek geweest. Het bleek een rustig IT-bedrijf, gevestigd in het hart van de chiquere wijken van het Brusselse, opgericht door twee aristocraten die banden hadden met het bankwezen. Er werkten ongeveer 300 mensen, allemaal netjes in pak en das. Een verademing na de moloch die Dunning & Kruger geweest was. Ik solliciteerde voor een vacature als copywriter. Het gesprek met de HR-verantwoordelijke verliep vlot en rimpelloos, en toen kwam m’n toekomstige baas binnenwaaien, een constant geagiteerde Ierse met ogen die constant door de kamer leken te zwemmen. Ze zag eruit als een crazy cat lady, stelde gekke vragen en liet me tenslotte ter plekke een tekst schrijven. Ik had de indruk dat ik de job beet had.

Een week voor ik zou beginnen bij Horvath & Coninck, kreeg ik een telefoontje van een man die goed Nederlands sprak met een zwaar Frans accent. Hij zei dat mijn toekomstige baas het bedrijf verlaten had en vroeg of dat iets veranderde aan mijn intentie om te komen werken bij Horvath & Coninck. Ik vond dat een rare vraag en was eerder opgelucht dat ik niet zou moeten omgaan met iemand die me duidelijk een kandidaat leek voor enkele weken collocatie. Nadat ik al enkele maanden aan de slag was bij Horvath & Coninck, vertelde m’n nieuwe baas – de man die me gebeld had – me wat er aan de hand was geweest met zijn voorgangster. Mijn indruk dat Claire Conway mentaal instabiel was, bleek juist geweest. Op haar vier maand bij de firma had ze niet alleen geen enkel resultaat van betekenis neergezet, ze had ook onophoudelijk haar collega’s geterroriseerd met incoherente tirades, overal de verwarming tot subtropische temperaturen opgedreven en had blijkbaar in haar archiefkasten een lasagne van afval achtergelaten.

Mijn nieuwe baas, Michel Germineau, was een compacte Brusselaar met donker haar achteruit in de gel, een vlugge manier van bewegen en spreken, en in alles, volgens zijn collega’s, een stereotype liberale Brusseleir, hoewel hij oorspronkelijk uit Charleroi kwam. Michel sprak vloeiend Nederlands en vrij goed Engels en maakte aan de lopende band grapjes. Het begon al op de eerste dag, toen hij me tegen de lunchpauze introduceerde aan Friso, een Nederlandse sales.
“Ha Anton, het is tijd voor lunch. Zeg eens, wat vind je het ergste: Walen of Nederlanders?”
“Heu. Spanjaarden.”
Buiten Michel was er in het marketingteam ook nog PR-man Benoît Dujardin, een rustieke Waals-Brabander die al 13 jaar dienst had gedaan bij Horvath & Coninck, ondeugende blauwe ogen had en een kalend achterhoofd. Hij had iets van een vermoeide schoolmeester of een cdH-backbencher in een lokaal gemeentebestuur. Evenementen werden geregeld door Géraldine Lahy, een boomlange brunette die in haar vrije tijd hockey speelde. Ze was maar enkele maanden voor mij aangeworven. Horvath & Coninck was een bedrijf dat even oud was als ik, en in volle expansie.

De wittebroodsweken waren er geweldig. Ik had een open kantoorruimte van 30m² helemaal voor mezelf, een rustige werkomgeving, tijd om me in te werken in de producten en diensten die Horvath & Coninck aanboden, en kreeg vlot werk doorgespeeld via Michel. Horvath & Coninck was een klassieke Belgische firma. De patrons waren van de oude stempel, maar zorgden ervoor dat werknemers elke dag gratis ontbijt en lunch kregen en bovendien was er à volonté koffie, water, frisdrank en zelfs wijn.
“Ongelooflijk,” zei Michel ooit, “Horvath & Coninck is het eerste bedrijf ooit dat ik meemaak waar er in elke vergaderzaal in de kast wijnflessen staan.”
Benoît herinnerde zich zelfs een nog Guldener Tijdperk, toen personeelsleden aan tafel bediend werden en meergangenmenu’s niet ongewoon waren. Er werd dan ook vol ernst gesproken over de “Horvath-kilo’s”. Nieuwe werknemers kwamen binnen het jaar steevast vijf kilo aan. Voor mij was het niet anders.

De marketing stond er in relatieve kinderschoenen en was tamelijk oubollig. Ik voelde dat er ruimte was om die moderner aan te pakken, vinniger en creatiever. Michel dacht er ook zo over. Na een maand kregen we nog een collega, Alexandre Foret, een pezige, introverte man van eind de twintig met een schooljongenskapsel. Hij had tot voor enkele jaren fysica gedoctoreerd in Harvard. Hij zou de market intelligence voor zijn rekening nemen. Alexandre en ik lunchten vaak samen. We deelden een interesse in sciencefiction, wetenschap en een aantal existentiële vraagstukken. Hoewel ik meestal Engels sprak met m’n collega’s, probeerde ik mijn best te doen om tijdens de lunch Frans te spreken. Van hun kant probeerden de Franstaligen die het Nederlands ook machtig waren, dat met mij te oefenen.
De laatste collega die in de eerste maanden een belangrijke positie innam, was de eeuwig grijnzende Antwerpenaar Jan Cornet. Ons eerste gesprek zette onmiddellijk de toon. Ik kwam op m’n tweede werkdag buiten een rookpauze houden. Jan werkte net als ik op de zevende verdieping, en herkende me.
“Aha, zo, ook een roker, zie ik?” zei hij joviaal, met een nadrukkelijk Antwerps accent.
“Gij zijt van Antwerpen zeker?”
“En gij zijt van Gent zeker?”
Jan was meer dan 15 jaar ouder dan me, maar geenszins een oude sok. Hij was een cultuurliefhebber, moest niet weten van het Vlaams nationalisme en ging in het weekend met zijn vriend naar decadente gayfeestjes in het Brusselse.

Volgens de lift was de zevende verdieping de hoogste. Daar was ook het kantoor gevestigd van de CEO, Frank Legrand, een innemende vijftiger die eruit zag als een meester-slager. Maar er was ook een achtste etage, enkel bereikbaar via een sierlijke wenteltrap, waar de bureaus waren van de oprichters van het bedrijf. Philippe de Horvath was een buikige grijsaard met pientere ogen, een baron met contacten in de hogere politieke en financiële regionen van het land, terwijl Didier de Coninck een zwijgzame, graatmagere studax was die iets had van een monnik. Horvath was begonnen als het commerciële brein achter de onderneming, Coninck als het technische brein. Hoewel hun firma dus software leverde voor financiële instellingen, leek ze in veel aspecten zelf op een bank.
“Een gedistingeerde privébank, zeg maar,” zei Jan tijdens een rookpauze, “Oubollig, maar solide.”
De CEO was een man die tussen zijn troepen stond. Op een bepaald moment moest er een belangrijke interne communicatie voorbereid worden, en dat deed ik samen met hem en Benoît terwijl ik thuis ziek was. Ik had heel hard gewerkt aan de juiste vertaling van zijn originele tekst, die Frank zowel in het Nederlands als het Frans geschreven had (hij was perfect tweetalig en opgegroeid in Congo). De volgende dag kwam hij persoonlijk langs aan m’n bureau om me te bedanken voor m’n geleverde werk. Dat vond ik getuigen van klasse.

In de loop van 2011 werd het team versterkt door nog een collega. Het ging om de schoondochter van Philippe de Horvath, de eveneens adellijke Mathilde de Teralfene. Ze had mijn leeftijd en was een fijn gebouwde vrouw met een haakneus en intelligente ogen. Ze zou de contacten verzorgen met analisten en partners en werkte deels voor Michel, deels voor de partner manager Bertrand Beaulieu, een grote man met een hoofd dat eruit zag als een enorme walnoot.

Het was niet al rozengeur en maneschijn bij Horvath & Coninck, want dat is het nergens. De maandelijkse grote meeting met alle sales- en marketingmensen was een marteling voor de concentratie, met ellendige presentaties in verhakkeld franglais, de occasionele onbegrijpelijke sales uit Rusland die als een vleesbal dingen voor zich uit stond te mompelen, en nerd na nerd die allerlei diagrammen en lelijke slides in een eindeloze caleidoscoop in onze hoofden hamerde.
Daar kwam bij dat baas Michel, ondanks zijn constante vrolijkheid en ijver, er vrij openlijk racistische ideeën op nahield (“Het is toch geen toeval dat de enige beschaving van betekenis in Afrika in Zuid-Afrika is, toch?”). Enkel veteraan Benoît sprak hem daar laconiek op tegen. Toen Michel tijdens een teleconferentie met het team in Singapore eens een grap maakte die cultureel compleet toondoof was en waar aan de andere kant van de lijn geen reactie op kwam, zei Benoît gortdroog: “Michel, peut-être pas tout le monde aime tes blagues racistes.”

Verder naar deel twee.

donderdag 7 mei 2015

Stront

Er is een café waar ik soms zit en waar ik bewust niet wens aangesproken te worden. Door de jaren heb ik er iedereen die er vaak komt, leren kennen en hebben die mensen geleerd om me met rust te laten. Ik val er niemand lastig, er valt niemand mij lastig en dat is prima.
Ik zit op m'n vaste plek op 3/4 van de toog, zijlichaam naar de deur gewend, één arm op het hout, hand rond een glas gin-tonic, met m'n andere hand onder de toog die een smeulende sigaret vasthoudt. De cafébaas heeft zich nooit een lor aangetrokken van het rookverbod.
Uit de luidsprekers speelt een nummer van de Dire Straits. Money for nothing, dicks for free, maak ik er in m'n hoofd van. Het is geen avond om erg somber te zijn, maar de onbestemdheid hangt hier diep in de tafeltjes, de stoelen, de zakjes chips van de Aldi die obsceen achter de toog uitgestald liggen. De cafébaas zelf is aan het telefoneren. Ik weet dat hij soms gedichten schrijft en ik weet dat ze slecht zijn.
Enkele plaatsen links van me zitten Dina en Nancy, een onafscheidelijk duo avonturiersters dat intussen eind de twintig moet zijn. Nancy is praatgraag en dik, met de brede glimlach van een opgeschoten scoutsmeisje. Dina is rank maar kijkt scheel aan één oog. Ik weet niet of ze dat weet.
Rechts van me zit Ludo. Ludo is een naam voor een lul met een hoofd dat lijkt op een piemel. Deze Ludo ontsnapt niet aan de wetmatigheid der Ludo's. Hij is begin veertig, heeft ooit een lief gehad dat hij heel graag zag maar die hem liet zitten omdat hij Ludo is en niet weet hoe hij ooit iemand anders zou moeten zijn. Sindsdien heeft hij niemand meer gehad.
Ik neem een slok van m'n drank en lees verder in het boek dat ik meegenomen had van thuis. Het is een Brouwers, en zelfs met een slechte Brouwers ben je een boek aan het lezen dat met kop en schouders uitsteekt boven het gemiddelde Nederlandstalige boek. Ik lees omdat ik dan niet hoef te denken aan de huur die moet betaald worden, de rommelslaap die wacht vannacht en het werk dat zich de volgende dag weer zal aandienen. Ook dat hoort bij de onbestemdheid van deze plaats, waar inmiddels de Dire Straits zijn opgerot om plaats te ruimen voor Joan Jett. I love cock and roll, maak ik er automatisch van.
Ik heb niet gezien dat er een nieuwe persoon het café is binnengekomen, en merk het pas als ik in m'n ooghoek Ludo zie bewegen om één van zijn trieste grapjes te proberen. Het moet een vrouw zijn, denk ik, en dat is het ook. Ze heeft, net als ik, de lichaamstaal van iemand die met rust wil gelaten worden. Ze moet ongeveer mijn leeftijd hebben. Ze is lang en heeft een opvallend vooruitstekende neus. Haar haar is rafelig blond, alsof ze zonet in de regen heeft gelopen. Misschien komt ze van een ander café. Mensen die bezopen zijn, zien er vaak nat uit.
Pedro, de cafébaas, tapt haar een pintje. Pedo de cafébaas. Pedro Pedrissimo, met zijn slechte gedichten en zijn vet haar. Ook hij verdient liefde, denk ik, en ik ga verder met lezen. Ludo heeft zijn montere maar gedoemde versierpoging al opgegeven.

Een uur later en twee gin-tonics later ben ik er zo onderhand klaar mee. Het is halftwaalf en meer dan bedtijd. Er is net een man binnengekomen met een hoed en een sjaal. Het nummer dat nu weerklinkt is het enige dat ik uit m'n hoofd ken van Motörhead. The ass of spades.
De man gaat naast me staan en bestelt een glas porto. Zijn gebaren zijn manisch. Ludo neemt hem waar met een frons, net als Dina en Nancy. De onbekende vrouw kijkt hem aan alsof ze op iets wacht. Pedro schenkt hem vakkundig zijn porto uit en ontvangt zijn contanten. Het is geen avond waar Pedopedro rijk van zal worden. Bovendien is zijn reputatie als pedofiel wat overdreven. Een viezerik die meisjes van 18 probeert te versieren is hij zeker, maar bij mijn weten staat hij niet te potloodventen aan lagere scholen of heeft hij ergens een harde schijf vol groezelige kinderporno. Niet dat hij dat zou vertellen aan zijn klanten, natuurlijk.
In één gulp kapt de man zijn porto achterover, klapt zijn glaasje neer op de toog, schraapt zijn keel en zegt: "Stront."
Ik kijk verbaasd op.
"Wat?"
"Stront," knikt de man beslist.
"Stront?" mompelt Ludo.
"Precies, stront," zegt de onbekende vrouw.
"Zeg dat gerust," zegt Pedo, die nog een glas vult, deze keer voor zichzelf.
"Str-stront?" herhaal ik gepijnigd.
"Stront!" gillen de twee meiden aan de andere kant van de toog.
"Het is allemaal kak, allemaal stront," beslist de onbekende man, die nu het hele café rondkijkt, elke ingezetene apart aankijkt, knikt, en er aan toevoegt: "Laten we dat eindelijk eens toegeven."
"Hoezo alles is stront?" vraag ik.
"Een afvalproduct, hetgeen overblijft na consumptie, de stinkboel, hetgeen we ruiken om ons heen maar doen alsof het er niet is omdat het onder onze voeten door loopt in de grond."
Nirvana zet in met een nummer. Smells like teen spirit.
"Het is stront dat men tot goud probeert te bakken middels cynische alchemie als er nog een album uitkomt van 2pac, Kurt Cobain, Lou Reed of weet ik welke andere dode popster," zegt de man, gebarend naar de radio, "Politici zijn stront: als het geen onbekwame lulletjes likmevestjes zijn, zijn het malevolente broekschijters met de intellectuele sofisticatie van middelmatige zesdejaars op een middelbare school. Het openbaar vervoer is stront en wordt gebruikt door te veel stronten die geen respect tonen voor de rust van hun medemens. De kranten staan volgekladderd met stront. Onze tv-schermen druipen van de stront. Reactionaire stront waarin seksisten en racisten à la Brusselmans mogen optreden als "edgy" en "grappig", Vermeersch zweterig mag roepen over zaken waar hij best zijn mond over zou houden, en een eindeloos forum wordt geboden aan beroepsstronten uit wier lichaamsopeningen al even eindeloze drollen gedraaid worden. Magazijnen bulken van de balen stront, de voorraad kan niet op, we leven in de maatschappij van na de schaarste aan stront, stront is overal, iedereen heeft recht op stront, iedereen zal stront eten, alles bestaat uit stront."
Het café kijkt ademloos toe. De man zet zijn hoed af, bestelt nog een glaasje porto en doet ook zijn sjaal uit. Ik geef het toe, ik ben ook gegrepen door dit spektakel.
"Stront alhier en stront aldaar. De bergen koeienstront die het broeikaseffect versnellen omdat mensen graag hun McShit eten met een extra reep spek, de koeien zelf die ziek worden omdat ze hun eigen tot meel vermalen karkassen moeten opvreten, een ouroboros van stront die zich uitstrekt over de hele wereld. De globalisering van stront, met bullshitjobs, executive managementdrollen met drolhanden, droldassen en drolterminologie en drolgeld. De kleur van geld is niet rood, maar bruin. Fecale constructies omringen ons de hele dag door: plicht, vaderland, mantelpakjes voor hondjes, paringsdansen in cirkels van kak."
Pedro zet een andere plaat op. De Raggende Manne. Natuurlijk.
"Stront!" roept Ludo zo luid als hij kan. De ader op zijn lulhoofd begint vervaarlijk te kloppen.
"Inderdaad, stront!" reageert de man enthousiast. Zijn ogen schieten vuur.
"Het ergste is, het ergste is nog," roept hij, happend naar adem, met een tollende blik, "is dat iedereen er verlekkerd op is, op al die stront. Gewillig verorberen we stront per kubieke liter terwijl we geloven dat het aan het einde van die beerputtunnel licht gloort, maar 't is gewoon opnieuw stront dat we gaan zien, een vormloos bruin gat dat ons uiteindelijk zal opslokken en we er aan de andere kant zelf uitkomen als stront."
"Als stront!" roepen Nancy en Dina in koor.
"Godverdomme, als stront," zegt de onbekende vrouw.
Het wordt stil nu, en iedereen kijkt me aan. Mijn gin-tonic is leeg, Brouwers is dichtgeslagen op m'n schoot. Ik sta op en haal m'n jas van m'n barkruk, doe die aan en kijk iedereen zelf aan.
"En?" vraagt de strontredenaar van zoëven. Zijn ogen boren zich diep in mij.
"Het is stront, zeker?" zucht ik.
Hij valt me in de armen, Pedro geeft een rondje en de onbekende vrouw kust me op de wang. Ludo juicht en de twee vriendinnen joelen.
Alweer een café dat ik van m'n lijst mag halen.