Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling kortverhalen daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van 'Onklare taal'. Ik ben tijdelijk gestopt met kortverhalen, maar in 2016 heb ik een geredigeerde bundel van de beste verhalen uitgebracht: 'Recombinant' is gratis te downloaden in PDF- en in EPUB-formaat.

vrijdag 7 september 2012

De presidenten (IV)

4. Verdriet

“We hebben nog niet alle onderwerpen afgerond,” zei James, “moeten we nu al echt de rekening vragen?”
“Ja, komaan,” viel Volkan James bij, “we geven hier elk half jaar veel geld uit. Ze zullen het wel niet zo erg vinden dat we hier nog even blijven babbelen.”
“Goed dan,” gaf Mr. Duplo toe, “het is gewoon dat het mijn beurt is om te betalen, en ik betaal liever nu al. Sorry, partijvoorzitter.”
Dat laatste was bedoeld voor Volkan, de zelfverklaarde communist. Volkan grijnsde wolfachtig.
“Wat ben jij eigenlijk, politiek gezien?” vroeg hij aan Mr. Duplo.
“Ik stem voor een partij waar iedereen mee lacht.”
“Vlaams Belang?” vroegen James en Maarten tegelijk.
“Nee, niet die,” zei Mr. Duplo, “zeg.”
“De tsjeven,” zei Volkan, “juist?”
Mr. Duplo hief zijn handen op en wenkte daarna de ober om de rekening te brengen.
“Was alles naar wens?” vroeg de kraaknette man, die er jong uit zag maar al stevig kalend was aan de inhammen rond zijn voorhoofd.
“Zeker,” zei James, waarbij hij zijn tandpastaglimlach bovenhaalde.
“Jammer dat de dienster van de vorige keer er niet was,” voegde hij er aan toe toen de ober buiten gehoorsafstand was.
“Je kan niet alles hebben,” zei Mr. Duplo plompverloren.
“Je kan het wel willen,” zei James daarop.
“Goed, we hebben nog verdriet op het programma staan,” zei Maarten, “altijd het vrolijkste onderwerp.”
“Ik had daar de vorige keer niks over te zeggen,” zei Mr. Duplo.
“Het was geen beschuldiging,” zei Maarten mild.
“En nu?” vroeg Volkan.
Mr. Duplo dacht na.
“Toch. Mijn hond is twee maand geleden gestorven.”
“Wat voor hond was het?” vroeg James.
“Een labrador. Henri. We zagen het al lang aankomen, hoor. Maar ja, zo’n dier, je gaat je eraan hechten. Ik was er bij toen ze hem z’n spuitje gaven. Zoiets wil ik nooit meer meemaken.”
“Hoe oud is hij geworden?” vroeg Volkan.
“Elf jaar. Hij had kanker, dus het was beter voor hem op die manier. Maar die blik... dat vergeet ik nooit. Een hond is trouw aan zijn baasje, en tot op het eind bleef hij kijken met die trouwe, zekere blik. Het was bijna angstaanjagend, zelfs.”
Mr. Duplo keek naar het tafelblad terwijl hij sprak.
“Ik weet het, het was maar een hond, maar het deed me er bij stilstaan dat dat soort gevoelens nog duizend keer sterker moeten zijn bij ouders die een kind verliezen. Ik denk niet dat ik me dat echt kan voorstellen.”
“Ik vind niet dat je je moet excuseren,” vond Volkan, “mensen die niet verstaan dat je je aan een dier kan hechten, zijn raar.”
“Of sociopaten,” zei Maarten.
“Precies,” vond Volkan.
“Ik weet het niet, ik heb het nooit zo voor dieren gehad,” bekende James, “maar dat is misschien omdat we thuis nooit dieren hadden.”
De ober bracht zo discreet mogelijk de rekening. Mr. Duplo was blij met de afleiding.
“Ik ben onlangs afgewezen,” bekende Maarten toen de ober weer weg was, “dat was ook niet zo leuk. Enfin, ik had het ergens wel verwacht, hoor. We konden het erg goed vinden en hadden een paar keer gekust, maar ik was duidelijk meer geïnteresseerd in haar dan omgekeerd. Ze vond me wel knap, maar er ontbrak iets, zei ze.”
“Jammer,” zei James, “zei ze ook wat er scheelde?”
Maartens mond maakte een vreemd kartelgebaar.
“Pff. Om eerlijk te zijn heb ik het niet gevraagd. Misschien was het een gebrek aan wederzijdse interesses of zo. Ze was nogal bezig met theater en ballet.”
“O nee, een kunstzinnig type,” kreunde Volkan.
Maarten trok zijn wenkbrauwen op.
“Ik heb er erg veel gekend die zo waren,” verklaarde hij zich, “echt waar, je weet niet wat je er aan hebt. Ze denken dat ze in boeken leven. Niemand leeft zo. En dan blijken ze te gaan voor de saaiste losers die er zijn.”
“Ha,” lachte Mr. Duplo bitter, “had je ze naar mij moeten sturen. Ik ben een saaie loser.”
“Dat is niet waar,” zei James feitelijk, “en ik denk niet dat het dat is wat Volkan bedoelt. Ik snap het wel, maar ik kan het niet uitleggen.”
“Wel ja,” hervatte Maarten zijn verhaal, waarbij hij nog eens over zijn haviksneus wreef en een ademtocht uitblies, “het is voorbij nu. Tijd voor iets anders.”
“Niks verdrietigs meegemaakt hier,” zei James, die doorhad dat de andere drie hem aankeken, “hout vasthouden.”
De ober kwam het geld halen en bedankte.
“Nu jij nog,” zei Mr. Duplo tot Volkan.
“Hm. Een paar weken terug is één van mijn beste vrienden verhuisd naar Turkije. Ik mis hem.”
“Waarom is hij verhuisd?” wilde Mr. Duplo weten.
“Hij zei dat de huizen daar goedkoper waren. Hij is hier geboren, maar heeft het nooit echt kunnen vinden in België. Dat kan ik hem niet kwalijk nemen, maar het is wel jammer dat hij weg is.”
“Kan je hem niet gaan bezoeken?” vroeg James.
“Nauwelijks. Mijn werk verdient niet bepaald veel.”
“Zou je zelf naar Turkije kunnen verhuizen?” vroeg Maarten.
Volkan lachte vreugdeloos.
“Vergeet het. Ik ben half Koerdisch, weet je wel. Bovendien is het ook dat ze Koerden of Turken die daar niet geboren zijn, niet echt zien als Turks of Koerdisch. We praten anders, we gedragen ons anders. Zeker als we naar het platteland gaan. Als je naar je grootouders gaat, dan kan ik me voorstellen dat jullie soms kunnen denken hoe conservatief of bijgelovig die mensen zijn – stel je dat voor, maar dan tien keer erger. Mochten mensen daar weten dat ik zo links ben als de pest, en niet per se denk dat oude mannen altijd gelijk hebben, zouden ze denken dat ik een omhooggevallen rockster ben uit Istanboel.”
“Dat klinkt wel cool eigenlijk, een rockster zijn in Istanboel,” zei Maarten.
“Kan zijn,” zei Volkan gelaten, “maar ik zit hier, ik ben van hier, mijn toekomst is hier.”
James knikte wijs.
“Je hebt gelijk. Heren, ik denk dat we dan maar beter opkrassen.”
Mr. Duplo knikte. Maarten herschikte zijn das.
“Iemand zin in nog een pintje elders?” vroeg die. Er was even twijfel.
“Zeker wel,” zei Mr. Duplo als eerste. Ook James en Volkan stemden in.

“Weinig vooruitgang, niet? Of wat denk jij?” vroeg de assistent aan de professor die onophoudelijk kauwde op een afgeknipt stuk sigaar.
“Geen vooruitgang,” bromde de professor fatalistisch.
“Ik vind het wel interessant,” bood de assistent voorzichtig aan, “dat ze blijven terugkomen op dezelfde dingen. Dit is al de derde keer dat één van hen praatte over zijn gestorven hond, en de vijfde keer op rij dat één van hen toegaf dat hij een drankprobleem had.”
De professor schoof zijn stoel achteruit en vouwde zijn handen over zijn buik.
“Ik weet het niet zo,” zei hij, wat zijn manier was om te zeggen dat hij dacht dat zijn assistent onzin uitkraamde, “het is eerder deprimerend dat ze blijven vast hangen in dezelfde emoties.”
De assistent neeg het hoofd. Hij speelde met zijn pen.
“Schrijf dat niet in het verslag, wel,” voegde de professor er aan toe, waarna hij met zijn kin gebaarde naar de vier oude mannen die het neprestaurant verlieten, “anders kan het zijn dat we onze subsidies verliezen.”
“Wat moet ik dan schrijven?”
“Ach ja. Ik veronderstel dat het menselijk is dat we blijven hangen in onze meest markante herinneringen en breekpunten. Zelfs als we dement worden.”
De assistent maakte enkele notities in vlugschrift.
“Toch vind ik dat niet zo negatief.”
“Hoezo?” vroeg de professor zonder zijn assistent aan te kijken.
“Wel,” zei de assistent, “het... definieert hen. Het maakt hen... menselijk, ik weet het niet. Nee, beter, sorry, het getuigt van een verrassend inzicht in henzelf. En in elkaar.”
“Hm. Maar wat ben je met die menselijkheid als het berust op herhaling?”
“Dat is het net,” zei de assistent, die van de leegheid van de opmerking gebruik maakte om zijn mening nadrukkelijker te formuleren, “mens zijn is toch dingen doen bij herhaling? Bovendien wijzen onze biometrische gegevens ook uit dat ze alle vier na zo’n bijeenkomst rustiger zijn, gelukkiger en optimistischer.”
De professor keek hem scheef aan, en keek toen weer naar het scherm.
“Gelukkiger door een illusie, misschien.”
“Geldt dat niet voor alle mensen? Niet alleen voor dementerenden, bedoel ik.”
Intussen verlieten ook de acteurs de scène.
“In zekere mate,” zei de assistent, “maar... als dat alles is wat we hebben, dan kan het toch maar beter zijn dat die illusies ons – hen – gelukkig maken.”
“Denk ervan wat je wil. Ik ben gaan eten.”
“Smakelijk,” zei de assistent zonder animo.
De professor stond luidruchtig op en verliet de kamer. De assistent maakte nog enkele aantekeningen. Op het scherm volgde hij hoe de vier oude mannen volledig verdwaasd werden opgevangen door hulpverleners die verkleed waren als agenten, en niet voor de eerste keer voelde hij medelijden met hen. Ze wisten niet eens meer dat ze ooit dat contract getekend hadden.

donderdag 6 september 2012

De presidenten (III)

3. Angst

Bij het dessert volgde er een korte discussie over het verschil tussen roomijs en softijs en of dat eigenlijk niet hetzelfde was. Mr. Duplo had nostalgische herinneringen aan de rondtrekkende ijsbestelwagens van IJsboerke, terwijl James zich dan weer levendig herinnerde hoe de vlagjes van Ola buiten aan de kruidenier betekenden dat het weer zomer was.
"Enfin," zei James toen, die zijn mond afveegde en zijn lepel in zijn lege ijscoupe legde, "het is tijd voor de angsten."
"Daar ben ik goed in," zei Mr. Duplo. Maarten, die de vorige keer naar eigen zeggen 'bang was van alles', grimaste: "daar kan je wel eens competitie in krijgen."
"Battle of the broekschijters," zei Volkan.
Beiden lachten en James glimlachte minzaam.
"Wie begint dan?" vroeg James.
"Maarten is nog niet klaar met z'n dame blanche, dus laat mij maar beginnen," zei Mr. Duplo, terwijl hij zich een strijdvaardige houding aanmat.
"Ik heb onlangs beseft dat ik bang ben dat er een dag komt dat ik wakker word en besef dat ik geen vrienden meer heb. Ik bedoel niet kennissen, maar echte vrienden. Rondom mij zie ik mensen trouwen, één maat heeft intussen al een zoontje van een jaar, en ik heb ook mijn eigen bezigheden met de kookclub, mijn taalcursus en bijvoorbeeld dit. Maar stukje bij beetje zijn we allemaal uit elkaar aan het drijven. Ik weet niet waar dit gaat eindigen en misschien denk ik er liever ook niet over na."
"Heb je die angst vooral niet omdat je single bent?" vroeg James.
"Daar heb ik ook aan gedacht," gaf Mr. Duplo toe.
"Als je ouder wordt, vergen vriendschappen meer onderhoud," zei Maarten, die nu als laatste klaar was met zijn dessert, "en ik denk dat koppels het daar tegelijk moeilijker in hebben en ook makkelijker. Ze hebben elkaar wel, maar als dat eindigt als ze 35 zijn of zo, staan veel mensen plots helemaal alleen. Ik heb het gezien bij twee collega's."
"Er zijn weinig mensen met échte vrienden," zei Volkan somber, "niet dat dat je angst gaat wegnemen, Mr. Duplo, maar het is al iets dat je je die mogelijkheid inziet. Je gaat jezelf nooit wijsmaken dat mensen vrienden zijn die het niet zijn."
Mr. Duplo leek iets te gaan zeggen, maar zweeg toen. Hij gebaarde naar Maarten.
"Wel," zei Maarten, waarbij hij even over zijn haviksneus en voorhoofd wreef, "ik heb de vorige keer gezegd dat ik bang ben van alles. Dat is nog altijd zo. Ik ben bang om beroofd te worden, om ontslagen te worden of om ontmaskerd te worden als een nepintellectueel. Maar echte angsten in de existentiële zin heb ik eigenlijk niet. Dus voor deze avond: pas, sorry jongens."
"Er is inderdaad een verschil tussen bang zijn en angst hebben," zei Mr. Duplo.
"Steekt het zo nauw?" vroeg Volkan. Hij slurpte van zijn koffie.
"Niet zo, vind ik," zei James, "maar voor één keer is het goed, Maarten. Volkan, heb jij nog iets te zeggen?"
Hij zette zijn koffie neer en haalde adem. Hoe lang de stilte duurde vooraleer één van de vier sprak, was meestal een goeie indicator over hoe diep een bepaald gevoel woog.
"Ik ben soms bang dat seks mij niet interesseert."
Verbaasde blikken.
"Ja, ik zie jullie kijken," zei Volkan zonder de drie anderen aan te kijken, "hoe kan dat nu en zo. Maar dat is het punt juist. Ik ben er nooit erg in geïnteresseerd geweest en ik ben zeker dat ik ook geen homo ben. Het voorbije jaar heb ik al twee keer een meisje afgewezen dat duidelijk seks wilde."
"Misschien waren ze niet knap genoeg?" bood Mr. Duplo aan.
"Dat was het niet echt. Ik had gewoon geen zin in dat... gedoe."
"Maar... je zit dan al een jaar zonder?" vroeg Maarten. Volkan knikte en leunde weer tegen zijn muur.
"Tja," zei hij met een handgebaar, "ik voel er mij niet slecht over. Ik voel er mij alleen slecht over dat mensen vinden dat ik er mij slecht over zou moeten voelen."
"Beter dat dan van frustratie een vrouw verkrachten," zei James achteloos.
"Verkrachters ontstaan niet op die manier," zei Maarten.
"Nee?" James trok zijn wenkbrauwen op.
"Het verklaart alleszins waarom de hoeren je niet interesseerden," zei Mr. Duplo tegen Volkan, die verlegen glimlachte.
"Dat kan goed zijn."
Aan de tafel naast hen vertrok een uitgelaten gezelschap met veel complimenten aan de chef.
"James, ik denk dat het jouw beurt is," zei Maarten toen. James knikte.
"Ik weet het. Ik was nog aan het nadenken," zei hij, terwijl hij met zijn lepel tegen zijn mond tikte, en hem toen neerlegde.
"Wel dan, ik ben bang - of ik heb de angst, nietwaar Maarten," zei hij toen het andere gezelschap buiten gehoorsafstand was, "dat dit min of meer mijn leven zal blijven. Ik weet niet hoe het zit met jullie, maar bijna iedereen heeft ooit gedroomd over roem, over macht of over een geweldige carrière. In de praktijk leiden de meeste mensen een gewoon leven, en het lijkt me dat de meeste mensen dat ook ok vinden. Ik niet. De hoop dat ik zou opgepikt worden via mijn fotowerk of dat ik op één of andere manier een plotse promotie zou maken, is nooit weggegaan. Toch besef ik elk jaar dat de kansen altijd maar kleiner worden. Ik kan daar niet goed mee omgaan en ik ben bang dat ik misschien niet als Mr. Duplo wakker ga worden op een dag en beseffen dat ik geen vrienden heb, maar eerder zal moeten inzien dat dit het is. Dat er geen volgend hoofdstuk komt."
"Het is een vorm van irrelevantie op een andere manier," zei Mr. Duplo, "maar ik kan erin komen wat je zegt."
"Hm, ik weet bijvoorbeeld dat we hier in Gent met klein links ook nooit meer dan 5% zullen halen," zei Volkan met een schouderophalen, "maar het idee dat ik andere mensen heb kunnen overtuigen, of hun leven op een goeie manier heb kunnen beïnvloeden, is genoeg. Daar moet je niet rijk of beroemd voor zijn."
"Dat is zeer charmant," zei James, die zijn best deed niet al te neerbuigend te klinken, "maar het is niet wat ik wil."
Volkan haalde opnieuw de schouders op.
"Nee, ik versta je wel," trad Maarten James bij, "maar ik ben één van die mensen die er al vrede mee genomen heeft."
"Jij werkt voor de univ. Het kan zijn dat je professor wordt."
"Het is alleszins niet meer mijn ambitie. We zien wel. Iets te veel willen kan er juist toe leiden dat je niks krijgt."
James keek verstoord.
"Ik wil er nu mijn voet niet in zetten," zei Mr. Duplo toen, "maar ik heb de ober zien kijken naar ons. Misschien vragen we best de rekening."

Verder naar deel vier.

woensdag 5 september 2012

De presidenten (II)

2. Bekentenis

Van het restaurantbezoek en het gesprek leek het onderdeel van de bekentenissen op het eerste zicht steeds het interessantste, maar omdat de vier mannen elkaar buiten de bijeenkomsten weinig zagen, viel dat in werkelijkheid vaak tegen. De personen die in de verhalen of bekentenissen figureerden, waren vaak vage kennissen, geen gemeenschappelijke vrienden.
"Omdat ik bij het vorige onderdeel niks te zeggen had, zal ik nu beginnen," zei James plichtbewust als een patron, terwijl hij de drie anderen beurtelings aankeek, "Het is eigenlijk iets waar ik maar zelden bij stilgestaan heb: ik steel van mijn werkgever. Niet in de letterlijke zin zoals materiaal stelen of geld versluizen naar mijn rekening, maar gewoon door het werk op bepaalde manieren te saboteren. Ik doe alsof ik erg veel werk heb, maar eigenlijk zou ik al mijn weektaken gerust kunnen doen op één dag. Daardoor vraag ik me soms af of er nog véél zulke mensen zijn. Elke keer als iemand me zegt dat hij het druk heeft, vermoed ik dat hij liegt. Dat iedereen net als ik de ganse dag zit te surfen op het internet, naar muziek luistert of beursberichten volgt.”
“Ooit al een carrière bij de overheid overwogen?” vroeg Mr. Duplo op zijn gebruikelijk flegmatieke manier, “Ik heb daar drie zomers na elkaar een vakantiejob gedaan via mijn moeder. Daar zaten mensen die van doen alsof ze aan het werken waren, een kunst gemaakt hadden.”
“Mijn baan is best goed betaald,” zei James, “en daar schaam ik me in.”
“Ik zie niet in waarom,” pikte Volkan daarop in, “het is de schuld van de werkgever dat zij jou dit zo makkelijk laten doen. Zou je meer willen werken, mocht er meer werk zijn?”
“Ik weet het niet. Er zijn altijd wel manieren om het zo efficiënt aan te pakken dat er weer tijd zal over zijn.”
“Hm,” zei Volkan slechts, waarna hij een grote hap vis nam.
“Je moet oppassen voor een bore-out,” zei Maarten, die met zijn mes in James’ richting wees, “ooit van gehoord? Nee? Een burnout kan je krijgen door constant overwerk, een bore-out door constant, tja, onderwerk. Mensen met een bore-out kunnen voorgoed verbrand raken voor de arbeidsmarkt. Misschien moet je overwegen toch een andere job te zoeken.”
James knikte maar zijn gezichtsuitdrukking verried een zekere vrijblijvendheid.
“Iedereen kijkt,” zei Maarten met een glimlach, “dus het is mijn beurt, zeker?”
Het was stil. Hij schraapte zijn keel, en had al een blos van de wijn.
“Wel, ik ben onlangs naar de hoeren geweest,” zei hij, terwijl hij met zijn vinger langs een restje saus op de rand van zijn bord ging, en toen de rest terug aankeek, “Ik kwam terug van een feestje dat veel te vroeg gedaan was, en besloot een omweg te nemen. Ok, ik was dronken, maar dat is nu ook geen excuus.”
“Hoeveel heb je betaald?” vroeg Mr. Duplo met een frons. De anderen lachten.
“Zestig euro.”
Mr. Duplo floot geluidloos.
“En was het goed, eigenlijk?” vroeg Volkan.
Maarten haalde ongemakkelijk de schouders op.
“Niet echt. Geldverspilling als je ’t mij vraagt. Het is ook allemaal zo fake. Bovendien stelde ik me nadien vragen of ik op die manier niet mee aan het werken was aan uitbuiting van vrouwen. En toch kon ik er niet aan weerstaan. Het gebeurt ook niet alle dagen dat een vrouw met weinig kleren aan naar me wenkt vanachter een venster.”
“Dat is een lastige kwestie,” zei James met een ernstige plooi op zijn knappe gezicht.
“Mja,” zei Volkan lui, “er zitten er altijd tussen met een pooier, zelfs hier. Dat is niet zo fijn natuurlijk. Ik snap wel niet goed hoe je daar een verleiding in ziet, Maarten. Die willen gewoon zo veel mogelijk verdienen. Ik ben al een paar keer door de buurt gewandeld met maten, en ik heb toen ook niet zo goed verstaan wat die er zo geweldig aan vonden.”
Maarten haalde diep adem en nam een slok wijn.
“Een bekentenis is een bekentenis.”
“Het was een mooie,” vond Mr. Duplo, die nog steeds zat te fronsen.
“Ik zal de volgende gelijk voor m’n rekening nemen,” zei Volkan strijdvaardig. Zijn bord was volledig leeg. Hij keek de andere drie mannen elk om beurt aan, en zijn blik bleef toen rusten op James.
“James, mag ik het nummer van je zuster?”
Mr. Duplo en Maarten lachten luid. James’ mond lachte, maar zijn ogen tot zijn eigen verbazing niet.
“Hoe ken je haar?”
Volkan leunde achterover tegen de muur.
“Ik doe vrijwilligerswerk in een kringloopwinkel, en zij werkt daar soms ook met een vriendin. Ik herkende haar van op een feestje ergens, en heb kort met haar gesproken, maar nu werkt ze er niet meer en ik weet niet hoe ik haar moet contacteren.”
“Tja. Ze is een volwassen vrouw. Waarom vraag je haar haar nummer zelf niet?”
“Hoe dan?”
“Facebook,” suggereerde Mr. Duplo.
“Ik zit niet op Facebook,” zei Volkan, “ik ben niet bezig met dat hele sociale mediagedoe.”
“Ik pas om hier commentaar op te leveren,” zei Maarten, waarop hij zich bedacht: “hoewel Volkan, had jij ook geen knappe zus?”
Volkan lachte even gespannen als James zoëven.
“Nee, nee. Maar... ja, raar hé,” grinnikte hij idioot, “Mijn vrienden en ik maakten altijd moppen over elkaars moeders en zusters, maar als er ook maar één van ons een vinger naar zou uitgestoken hebben, amai. Het is primitief, in feite, maar je ontsnapt er zelf niet aan.”
“Ik vind het gewoon een rare vraag, dat is alles,” zei James, die weer zijn charmante zelf was, “maar hier heb je ’t nummer. Wees vriendelijk.”
Hij gaf een nummer door dat hij op een servet geschreven had. Volkan maakte een dankbaar handgebaar en vouwde het servet op als een kostbaar juweel.
“Het zal er niet aan mankeren,” verzekerde hij James met een extra zwaar Gents accent.
“Nog drank, iemand?” vroeg Mr. Duplo.
“Is het niet eerder tijd voor een dessert?” vroeg Volkan opgeruimd.
Nadat de ober hun bestelling was komen opnemen, was het nog Mr. Duplo’s beurt om een bekentenis op tafel te gooien.
“Ik kom de dag niet door zonder alcohol. Soms vraag ik me af of ik een alcoholicus ben. Ik ben zelden dronken, maar ik drink elke avond drie glazen, tot ik me licht voel, en dan ga ik slapen. Als ik dat niet kan doen, ben ik humeurig en gejaagd. Overdag, op het werk, zit ik soms de uren af te tellen tot ik weer wat kan drinken.”
“Misschien is het meer een soort ritueel?” opperde Maarten, “Heb je al geprobeerd met iets dat geen alcohol is?”
“Ja,” zei Mr. Duplo, “maar dan kreeg ik alleen een suikerkick. En met water werkte het helemaal niet.”
Op dat moment zette Volkan net zijn glas water neer op tafel.
“Mja, ik denk dat je inderdaad een probleem hebt,” zei hij scherp tegen Mr. Duplo, “je lijkt in te zien dat je ’t niet onder controle hebt. Misschien moet je eens gaan praten met een dokter.”
“Ik vind niet dat je moet overdrijven, Volkan,” vond Maarten, “er zijn massa’s veel mensen die doen wat Mr. Duplo doet.”
“Dat maakt het daarom nog niet ok,” zei Volkan onverstoord.
“Heren, de regels. Niet door elkaar praten,” vermaande James hen. Ze zwegen, waardoor iedereen nu nog wachtte op James’ commentaar.
“Zolang je gezondheid, je omgeving en je werk er niet onder lijden, denk ik dat het nog meevalt,” zei hij, “maar het is inderdaad een moeilijk grensgeval. Probeer gewoon één dag niet te drinken of zo?”
Mr. Duplo grimaste.
“Ik zal het proberen.”
“Voor wie was de dame blanche?”
De vier mannen keken op naar de ober met de plateau desserts.

Verder naar deel drie.

maandag 3 september 2012

De presidenten (I)

1. Onzekerheid

Elk half jaar kwamen ze met vier samen in restaurant 'De gouden krab'. Die traditie was begonnen toen ze tegelijk waren afgestudeerd en als niet meer dan goeie kennissen aan de praat waren geraakt. Ze hadden weliswaar elk nog hun eigen netwerk aan vrienden en kennissen, maar deze traditie was al bijna zes jaar ongewijzigd gebleven. James, de bezieler van het idee, had ook de regels bepaald: iedereen moest een pak en das dragen, er zou alleen een hoofdgerecht gegeten worden (waar men dan niet op de prijs zou kijken), iedereen moest volledig eerlijk zijn, en er waren vier onderwerpen. Het idee was geboren als een hypothese toen, na die proclamatie, op een zonneslagnamiddag, Maarten geklaagd had dat zijn kersverse ex hem had verweten nooit open te zijn over zijn gevoelens.
Bij de wijn, toen ze zaten te wachten op het eten, kwam het eerste vaste gespreksonderwerp. Dat was onzekerheid.
"Ik denk dat het tijd is dat we er eens aan beginnen," had James gezegd, nadat de vier een kwartier hadden gekeuveld over werk, het weer en de nieuwe tweedehandsauto van Volkan, die vroeger altijd een fervent fietser geweest was.
Onwillekeurig veranderde ieders houding. Met een hoofdknik, nadat hij de tafel rondgekeken had, begon Peter te praten. Niemand noemde hem bij zijn echte naam - zijn bijnaam was al meer dan tien jaar Mr. Duplo, nadat iemand ooit had opgemerkt dat hij leek op een vleesgeworden Duplo-figuur. Hij had een stevige, vierkante kop en zijn lichaam leek uit één stuk gebouwd, rechthoekig, vol, en recht aflopend naar beneden, waar bij elk onderdeel van zijn lichaam even breed was. Zijn wenkbrauwen waren donker en gewelfd, en zijn peper-en-zouthaar leek altijd te glanzen.
"Goed, goed," zei Mr. Duplo, die met zijn vingers rond de hals van zijn wijnglas speelde, "Onzekerheid. Wel. Ik voel me onzeker in het bijzijn van knappe mensen."
De andere drie zwegen, dus Mr. Duplo zag zich genoodzaakt verder te praten.
"Bijvoorbeeld op straat, of in winkels, of op café, zie ik vaak knappe vrouwen. Ik word daar onmiddellijk een beetje verliefd op."
"Bedoel je niet dat je erop geilt?" vroeg Maarten.
"Nee," zei Mr. Duplo, "dat is niet hetzelfde. Ik bewonder hun schoonheid. Dat kan een knap gezicht zijn, een mooi figuur, een verzorgd gebit... enfin, ik merk dat allemaal onmiddellijk. Maar ik denk er altijd bij dat die wel niks voor mij zouden zijn omdat ik te lelijk ben voor zo'n vrouwen. Daar komt ook nog bij dat die vrouwen altijd omringd zijn door mannen die ook mooi zijn. Grote mannen met een atletisch lijf, of met cool haar, of die gewoon vlot kunnen praten. Dat maakt me triest. Hoe veel ik ook zal proberen om af te vallen, mezelf te verzorgen of kleren te kopen die passen bij mijn figuur, die vrouwen zullen me nooit een blik waardig gunnen. En waarom zouden ze dat ook doen? Ik beoordeel hen op dat moment ook puur op hun uiterlijk, dus is er geen enkele reden waarom zij niet hetzelfde zouden doen."
Een handgebaar gaf aan dat hij klaar was. Hij dronk van zijn glas. Volgens de door James opgestelde regels mocht iedereen één antwoord geven of één bijkomende vraag stellen. Volkan was de eerste die sprak.
"Maakt dat dan zo veel uit?" vroeg Volkan, "Ik bedoel, Mr. Duplo, er zullen altijd knappere mensen bestaan dan jou. Er zullen er ook altijd bij zijn die intelligenter zijn, rijker en gelukkiger. Maar dat houdt jou niet tegen van te focussen op waar je zelf goed in bent."
Mr. Duplo grimaste maar zei niks.
"Ik volg Mr. Duplo een beetje," bekende Maarten, "maar ik krijg dan meer een hekel aan mezelf voor mijn eigen oppervlakkigheid."
Mr. Duplo glimlachte op die opmerking.
"Ik heb daar weinig tegen in te brengen," zei James, "Ik heb altijd geluk gehad dat vrouwen mij knap vonden, dus dat zijn vragen die nooit bij me op zijn gekomen, maar ik dénk dat het hier ook wel ligt aan zelfvertrouwen. Er zijn genoeg voorbeelden van mannen die niet erg aantrekkelijk zijn, maar toch scoren bij mooie vrouwen. Bovendien heb je nog eens geluk als man. Een lelijke man die erg interessant is, maakt nog een kans. Een lelijke vrouw, die kan het vergeten."
Volkan roerde zich maar mocht niks zeggen volgens de regels. Het was nu Maartens beurt om te praten. Voor hij kon spreken, werd het eten opgediend. Mr. Duplo viel als uitgehongerd aan op z'n osso bucco, terwijl James en Maarten elk kreeft hadden besteld. Volkan at een visschotel op een steengrill.
"Mmm, kreeft, lang geleden," mompelde Maarten, alvorens zijn bestek neer te leggen en te spreken. Hij schikte zijn dasknoop even. Maarten was een pezige, blonde man met een haviksneus en dicht bij elkaar staande, blauwe ogen. Normaal droeg hij een stoppelbaard, maar hij had zich vandaag geschoren.
"Ik werk erg veel en hard," zei Maarten. Hij was doctorandus in de chemie.
"Maar ik heb het gevoel dat het nooit genoeg is om te bewijzen dat ik iets kan. Al vier jaar lang denk ik dat er een dag komt dat mijn promotor op een afspraak zal zeggen dat hij erachter is gekomen dat ik eigenlijk helemaal niet zo'n briljante student ben en dat ik eerder gemiddeld ben. De conclusie van mijn masterthesis vond ik zelf flauw en zwak beargumenteerd. Ik weet nog altijd niet waarom ik er zo'n goeie score op haalde, en het probleem is dat als ik hierover wil praten met andere vrienden, ze denken dat ik een visje aan het uitgooien ben om complimenten te krijgen. De waarheid is dat die complimenten niks voor mij betekenen. Die komen van mensen die sowieso al weinig weten van chemie."
Mr. Duplo gromde goedkeurend door het eten.
"Men heeft daar een naam voor," zei James, "men noemt dat het 'impostor syndrome', namelijk dat veel getalenteerde mensen in intellectueel veeleisende beroepen het gevoel hebben dat ze daar niet op hun plaats zitten."
James had Engels-Frans gestudeerd maar speelde graag de amateurpsycholoog.
"Het is ook verwant met het Dunning-Kruger-complex. Onderzoek toonde aan dat incompetente mensen hun eigen competenties overschatten en omgekeerd."
"Het is toch ook niet omdat mensen niks weten van chemie, dat ze daarom niet kunnen inschatten dat je een knappe kop hebt. Wij zijn geen astrofysici en wij zien ook wel dat Stephen Hawking een enorm geleerde man is," zei Mr. Duplo, die net z'n mond had leeggegeten.
"Ik pas," zei Volkan weifelend, "ik denk dat Maarten en Mr. Duplo het al goed gezegd hebben."
"Hoe is je vis?" vroeg Mr. Duplo aan Volkan.
"Erg goed. Beter dan de laatste keer dat ik het had in Gök 2."
Volkan woonde bij de Sleepstraat. Zijn vader was zelf een half-Turk, half-Koerd en zijn moeder een Vlaamse. Hij had een verzorgde baard en expressieve, donkerbruine ogen, en was al jaren actief als één van de voormannen van klein-links in de stad.
"Mijn beurt, dan, zeker?" zei hij, toen hij zag dat iedereen hem aankeek.
"Goed dan."
Volkan had een zwaar Gents accent en had de neiging elke zin te laten eindigen op een nauwelijks hoorbaar "ja?".
"Ik weet nooit of mensen vriendelijk tegen mij zijn, of juist vijandig, omwille van mij, of omwille van hoe ik eruit zie. Bijvoorbeeld onlangs in de Match, was er een kassierster die me afsnauwde. Had die een slechte dag gehad, of was ze racistisch? Zelfde met toen ik naar het gemeentehuis moest voor een kleinigheid. Die man was zo vriendelijk dat ik het verdacht begon te vinden."
"Mja, er bestaan natuurlijk mensen die uit goeie bedoelingen overdreven vriendelijk zijn tegen minderheden, wat ook weer een soort racisme is," filosofeerde James.
"Met dat verschil natuurlijk, dat dat voor mij een dagelijks vraagstuk is," zei Volkan, een beetje geprikkeld omdat James hem onderbroken had en zijn eigen regel had overtreden, "dat maakt een normale dag voor jullie altijd een meer onzekere dag voor mij. Dan is het simpel om terug te vallen op Turkse of Koerdische vrienden. Die mensen stellen die vraag niet. Maar dat wil ik ook niet volledig doen, want dat vernauwt mijn blikveld te veel."
"Pas," zei Mr. Duplo, "ik kan hier niks zinnigs op zeggen."
"Ik heb al gesproken, sorry," zei James. Volkan gebaarde dat het ok was.
"Ik wil geen afbreuk doen aan wat je zei," vond Maarten, die z'n glas wijn bijvulde, "maar het omgekeerde bestaat ook. Toen ik jobstudent was in een bouwwinkel en ik moest iets weigeren, of uitleggen aan iemand van een minderheid - Turk, Bulgaar, Marokkaan, Spanjaard, maakt niet uit - was ik altijd bang dat ze gingen zeggen dat ik hen dingen weigerde uit racisme. Het is ook een keer gebeurd dat een familie boos werd en me daarvan beschuldigde, en nadien voelde ik me erg rot. Ik weet het, het is ook niet omdat je zégt dat je geen racist bent, dat je er daarom geen kan zijn, maar het is ook een ervaring die onzekerheid met zich meebrengt."
Na een korte stilte was het duidelijk dat James moest spreken. Hij had al twee derde van z'n bord schoongeveegd.
"Ik heb lang nagedacht," zei hij, "maar ik kon op weinig komen. De vorige keren heb ik een aantal onzekerheden gedeeld, maar... dat is het zowat, nu. Er is niks waar ik me momenteel onzeker over voel."
James had korte tijd na zijn studies modellenwerk gedaan. Hij hield zijn haar gemillimetreerd, en had een open, ongedwongen gezicht met een brede mond die altijd een beetje leek te lachen. Nu gaf hij les.
"Dan hoop ik dat je bekentenis straks de moeite is," zei Maarten.
"Daar mag je vanuit gaan," zei James rustig.
"Het lijkt haast niet te geloven dat je over niks onzeker kan zijn," zei Mr. Duplo met een verre blik.
"Misschien besef je het zelf gewoon nog niet," wierp Volkan op.
"Dat kan," gaf James toe, "maar dat zal dan voor de volgende zitting zijn."
"Wil iemand nog iets om te drinken?" vroeg de ober die langskwam. Ze wisselden snel blikken uit.
"Spuitwater," zei Volkan. Maarten volgde hem. James en Mr. Duplo besloten nog een halve liter wijn te delen.

Verder naar deel twee.