Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling kortverhalen daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van 'Onklare taal'. Ik ben tijdelijk gestopt met kortverhalen, maar in 2016 heb ik een geredigeerde bundel van de beste verhalen uitgebracht: 'Recombinant' is gratis te downloaden in PDF- en in EPUB-formaat.

donderdag 15 augustus 2013

De goudvissen (IV)

4. Toen het gegrinnik was weggestorven, kwam er weer een stilte

Toen het gegrinnik was weggestorven, kwam er weer een stilte. Die werd al snel opgevuld door Senne die Christophe herinnerde aan een anekdote uit de studententijd, en een gezamenlijke kennis die ze al lang niet meer gezien hadden. Sophia was niet echt aan het luisteren; haar gedachten waren weer afgegleden naar wat ze zonet beseft had. Uiterlijk leek ze nog altijd de conversatie te volgen. Het was een gezichtsuitdrukking waar ze goed in geworden was op het werk, tijdens ellenlange vergaderingen met haar beide bazen, die soms meer leken op een getrouwd koppel dat uit gewoonte zit te bekvechten over futiliteiten, dan dat er werkelijk zinnige dingen verteld werden. Die vergaderingen verliepen ook altijd in het Frans, en als er al één verschil was tussen Vlamingen en Franstaligen, was het wel dat de Franstaligen hielden van uitgebreid vergaderen.
“... heeft die kapotte wc nooit terugbetaald!”
Sophia dacht nu na over haar eigen zelfkritiek van daarnet, en dat was geen aangenaam gevoel, omdat het opnieuw een ring leek te leggen rond haar gedachten. Ze mocht dan misschien wel verzand zijn in een bepaalde routine, was het belangrijkste niet dat ze zich amuseerde? Wie kon het dan wat schelen dat ze vaak dezelfde mensen zag in dezelfde omgevingen? Was het bovendien zo dat Evie, Christophe en Senne zo gelukkig waren en dat ook hun leven geen aaneenschakeling was van routines?
“Ongelooflijk dat die in het onderwijs nog ...”
Evie had zich ook terug in het gesprek gemengd, wat Sophia de kans gaf om nog dieper terug te zakken in haar eigen gepieker. Ze zag de anderen praten, maar luisterde niet echt. Ze merkte dat die tevreden trek om Christophes mond ook iets bitter kon voorstellen, een weerbarstige melancholie. Senne praatte dan wel weer over de studententijd en leek in niets ingeboet te hebben aan zijn bevlogen ideeën over politiek, maar was ook dat geen routine?
“... uit de struiken.”
Onwillekeurig blies ze een zucht uit langs haar neus en keek ze over Evie’s hoofd de rest van de treincoupé in. Hier zat een heel legioen mensen dat aangedreven werd door routine. Zouden hun weekends zo veel spannender zijn? Wie weet was die ene oudere zakenman daar een bezoeker van een parenclub en verveelde hij zich daar stierlijk. Of misschien waren die drie vriendinnen met hun sporttassen meisjes die het hele weekend lang voor de tv hingen tot hun hoofden vol ruis en digitaal zaagsel zaten. Ze hield niet van dat soort negatieve gedachten, en keek terug naar de drie anderen.
“Daar wordt zo veel over bericht, maar alleen het sensationele haalt de media,” zei Senne net.
“Kranten moeten verkopen. Het zijn geen liefdadigheidsinstellingen,” zei Christophe.
“Ja, maar ze hebben wel de deontologische plicht om te informeren,” zei Evie.
Christophe gaf dat punt toe met een handgebaar.
“Nu ja, kranten zijn toch ten dode opgeschreven,” besloot Senne.
“Denk je dat echt?” vroeg Sophia, “De Metro wordt nog altijd veel gelezen.”
“Die kost ook niets,” zei Senne, “Mensen lezen hem omdat hij er ligt.”
“En voor de strips!” zei Christophe.
“Binnen twintig jaar leest iedereen die dingen op z’n tablet-pc,” zei Senne.
“Zeiden ze ook niet dat internet printers overbodig gingen maken, indertijd?” vroeg Evie met opnieuw een bijzonder charmante glimlach.
“God ja,” pikte Christophe daar op in, “Ik hoor het mijn vader nog zo zeggen.”
“Zoon,” imiteerde hij een stem met een Frans accent, “dit is de revolutie! Geen bomen meer moeten kappen voor al dat papier! Alles numérique! En natuurlijk zit hij nog steeds al zijn e-mails af te printen omdat hij dat mooier vindt.”
“Akkoord,” lachte Senne, “maar dat is een oudere generatie.”
“Wij zijn zelf de volgende oudere generatie,” zei Sophia.
Senne keek Sophia aan met een blik alsof hij haar opnieuw moest inschatten. Ze vond dat wel leuk.
“Ja, raar hé,” zei Evie, “Wij stellen onszelf nooit voor als we oud zijn.”
“Ik sta daar soms wel bij stil,” zei Christophe, “Dat heb je als je met je familie samenwerkt.”
“Mmh,” zei Senne, tijdens de stilte die volgde, “wat een kutgeneratie zijn we ook.”
Opnieuw wat gelach.
“Meen je dat?” vroeg Evie.
Senne haalde de schouders op.
“We verwijten graag aan de generatie van onze ouders en grootouders dat ze de wereld om zeep geholpen hebben, maar ’t is niet alsof wij er ook veel tegen doen. Om maar iets te zeggen, bij al die grootbanken werden veel fouten vooral gemaakt door gasten van onze eigen leeftijd.”
“Die waren wel geïnspireerd door de generatie voor hen,” bracht Evie daar tegenin.
“Hopelijk herhalen we gewoon niet alle fouten,” zei Sophia.
Ze dacht nu aan haar eigen ouders, die allebei rondreden met een dikke SUV. Ze vond het storend om hen zo achteloos met dat soort vervuilende auto’s over de wegen te zien ploegen, soms zelfs voor afstanden die ze makkelijk met de fiets of te voet zouden kunnen doen.
“Ach, wie weet zijn we gedoemd,” zei Senne.
“Ja, man, moet ik de Zelfmoordlijn bellen voor je?” vroeg Christophe.
“Laat maar. Ik leef graag.”
“Best,” zei Evie, “Depressie is niet om mee te lachen.”
De ultieme routine, vond Sophia.
“Je moet met alles kunnen lachen,” zei Christophe monter.
De trein vertraagde.
“We zijn er bijna,” zei Evie overbodig.
De conducteur kondigde precies een tel later aan dat de trein Gent-Sint-Pieters naderde.
“Ik vraag me af waarom ze dat altijd zo lang op voorhand aankondigen,” zei Senne, “Je ziet dan al mensen opstaan” – en daarbij gebaarde hij naar een dik koppel dat hun tassen en zakken al aan het pakken was om naar de uitgang te stommelen “en ze staan dan nog vijf minuten voor die deur te wachten.”
“Sommige mensen willen snel thuis zijn, zeker,” zei Christophe.
“Die stress is toch nergens voor nodig?” vond Evie.
Sophia haastte zich ook graag naar huis, maar had het er niet voor over om bij het eerste signaal dat Gent eraan kwam, aan de deuren te gaan staan. Nu ze de mensen bekeek die Senne aangewezen had, had het op een komische manier iets pavloviaans. Belletje gaat en mensen ontwaken uit hun verdwazing.
“Misschien zijn ze gewoon blij dat het weekend is,” opperde Christophe, “Gaan ze ergens eten waar ze op tijd moeten zijn, je weet nooit.”
“Mja, ze zagen me er niet het type uit dat het weekend uitgebreid viert,” zei Senne.
“We kunnen niet allemaal een ‘Lord of the Rings’-marathon plannen hé,” riposteerde Christophe. Senne glimlachte. Anderen begonnen nu ook op te staan, terwijl het aantal sporen naast de trein zich uit het niets vermenigvuldigde. Sophia pakte haar tas.
“Soms stel ik mij voor dat ik op een boot zit als de trein aan het stoppen is,” zei Evie.
“Hoezo?” vroeg Christophe met een frons.
Evie stond op en de rest volgde.
“Wel ja. Dat bewegen en plots stoppen en zo. Dan denk ik altijd dat je daar zeemansbenen voor nodig hebt.”
Sophia moest glimlachen, ondanks het feit dat het een uitspraak was die alleen maar de mond kon verlaten van meisjes als Evie, die nu voor haar stond en haar best deed om niet tegen een lange student met een rugzak te botsen. Overal was er het geluid van jassen die aan gingen. Het regende nog altijd.
“Chance dat het geen boot is,” zei Senne, die als laatste was opgestaan, “anders zou ik alle dagen zakjes moeten meenemen?”
“Om in te kotsen?” vroeg Christophe.
De trein kwam tot stilstand.
“Nee, om over mijn hoofd te trekken en twee gaten in te doen voor mijn ogen. Natuurlijk om in te kotsen.”
“Het zou nochtans niet mis zijn als je dat eerste eens zou proberen.”
Een bescheiden golf van gelach ging door het viertal. De deuren gingen open en als in een processie ging iedereen richting uitgang.
Toen ze buiten waren, bleek algauw dat Christophe en Evie een andere kant op moesten. Dat liet Sophia en Senne terug alleen na de uitwisselingen van de obligate beleefdheden over het weekend, net als toen ze elkaar tegen het lijf gelopen waren in Brussel-Centraal.
“Moet jij straks ook door het park?” vroeg Senne terwijl ze de trap afdaalden. De treden waren vuil en nat.
“Nee, ik heb een fiets staan. Ik woon aan de Nederkouter.”
“Ach zo.”
Een gejaagde kale man schoot langs hen heen. Voor hen blokkeerde een zware dame met een bloemetjesbloes en vele tassen de vlotheid van het verkeer.
“Waarom is dat zo dat oude dikke mensen altijd zo veel gerief bij hebben,” vroeg Senne stil aan Sophia.
“Kom nu, lachen met dikke mensen is niet ok.”
“Sorry,” zei hij.
“Het is wel waar. Ik heb me dat nog nooit afgevraagd, maar nu je het zegt...”
“Hmm,” bromde hij instemmend.
Ze kwamen in de grote hal.
“Goed, ik ga nu mijn kant uit,” zei Sophia, “Amuseer je met je films.”
Hij leek wat verrast door de plotsheid van de mededeling.
“Ah. Ok. Wel, jij ook met – ik ben het vergeten, sorry.”
“Het is niet erg. Ik blijf vanavond gewoon thuis.”
Het voelde goed om dat te zeggen, als een tros die gelost werd.
“Amuseer je ook dan,” zei hij, “En tot later.”
“Tot later!”
Sophia wandelde weg en voelde alsof dit het begin was van een andere baan in het aquarium. Wat als ze nu ook nog een andere fietsroute nam dan gewoonlijk?

Geen opmerkingen:

Een reactie posten