Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling kortverhalen daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van 'Onklare taal'. Ik ben tijdelijk gestopt met kortverhalen, maar in 2016 heb ik een geredigeerde bundel van de beste verhalen uitgebracht: 'Recombinant' is gratis te downloaden in PDF- en in EPUB-formaat.

dinsdag 22 januari 2013

Fantoomnostalgie

1

Een paar handen bewerkt mijn hoofdhuid. Mijn hoofd wordt omringd door dampen van zeep en chemie, en rondom klinkt het zachte, precieze metaal-op-haar snijgeluid van scharen, nu en dan eens omlijst door een tondeuse of iemand die gaat zitten in een kappersstoel. Ik sluit mijn ogen. Een gemasseerd hoofd is er twee waard. Kappersbezoeken zijn zo één van die dingen die ik telkens te lang uitstel, tot drie à vier weken toe omdat het al snel aanvoelt als tijdverlies. Nu heb ik besloten dat allemaal weldadig op te nemen, en het helpt dat de vrouw die m'n haar bewerkt, er schattig en lief uit ziet. In mijn kindertijd moest ik me behelpen met een bijzonder dikke dame en een zilveren vos met een dunne snor die zelfmoord pleegde na problemen met een sekte.
Even later verlies ik per seconde enkele strengen haar terwijl ik koffie drink en door 'The Sun' blader. Waarom ze die hier hebben, is me een raadsel. Sensationele berichtgeving met gele Britse tanden. Een uitgezakte vrouw laat in grofkorrelig zwart-wit een borst zien. De jeugd is verdoemd. Politici bakken er niets van. Er zou geknoeid zijn met een voetbalwedstrijd, en lezersbrieven zijn eens te meer het open riool van de Verlichting. Mijn blik kruist die van m'n kapster als ik er bij stil sta dat ze toch wel al een tijdje door mijn haar aan het woelen is.
"Je hebt erg veel haar."
"Ja," zeg ik, "het groeit dik. Beter dat dan kaal zijn op 30."
Ze lacht een professioneel vriendelijke lach waar ik vooral niet in probeer te zien dat ze me leuker vindt dan ze me hoort te vinden.
"Zeker! Zeker!"
Onder het verderlezen van verse koppen in schreefloze letters denk ik aan Engeland. Dat ik ooit van plan was geweest er te gaan wonen. Ik ken de Engelse volksgeest, ruw maar absoluut niet stom, agressief maar speels voor wie er mee om kan. De kapster behandelt mijn haar alsof het een uniek beeldhouwwerk is en lacht opnieuw naar me via de spiegel. Ik lach terug maar voel dat m'n kaken rozerood worden en verwijt mezelf daarbij dat ik van diep uit mijn huid weer de vijftienjarige, verlegen jongen voel opwellen die ik ooit geweest ben en die in artefacten van m'n gedrag nog altijd aanwezig is.
"De oortjes vrij of niet?"
"Oortjes? Zeg maar gerust 'oren' hoor. Gelukkig zijn het geen flaporen."
Ze blijft lachen maar wacht op een antwoord.
"Het maakt me eigenlijk niet veel uit," zeg ik, en dan: "Ja of doe toch maar vrij," want ik heb door dat een open antwoord die een verdoken vraag is onzekerheid genereert.
Ik kijk naar mezelf en naar de handen van de kapster die rond m'n hoofd zweven, en in gedachten zie ik in oververzadigd zonlicht foto's voor met van thisisnthappiness.com, waar ik soms minutenlang naar zit te staren. Verstilde vrouwen met alleen hemden aan, rokend in tegenlicht. Bestofte vensters en onopgemaakte bedden. Ze activeren telkens opnieuw herinnerde fragmenten van tv-films uit de jaren '70, lange road trips door Amerikaanse steppes en afgebleekte jeansbroeken. Toen leken dingen eenvoudiger, alles kwam gewoon nog op me af zoals het was.
Ik buig me weer over 'The Sun' en de koffie. Had ik definitief kunnen aarden in een Engelse metropool als het hier al zo moeilijk blijkt? A man who's tired of London, is tired of life, zegt men. Was ik verhuisd, was ik mogelijk compleet berooid teruggekeerd, met weinig verwezenlijkingen, maar de vraag is of het hier allemaal zo veel beter is in de gezellige kattenbak van de stad. Op kwade momenten verdenk ik er mezelf van dat alles wat ik doe, bezigheidstherapie is om niet toe te geven dat er zich jaar na jaar deuren sluiten. Vandaag is niet zo'n dag. Het is nog niet eens voorbij de middag, dus conclusies dringen zich niet op. De winterzon buiten speelt een handig spel met de geheugenfoto's die me een vals gevoel van nostalgie geven.
"Is het goed zo?"
Ze woelt weer één ogenblik te lang door m'n haar en opnieuw moet ik er van blozen als een boerenjongen.

2

Het is bijna mechanisch hoe ik mijn arm naar boven breng om te drinken. Een gin-tonic die eigenlijk te zoet is. Ik sta te wachten op mijn vriend, die vijf minuten geleden ging aanschuiven in de toiletten. Ze zouden verdomme beter een aparte wc maken voor mensen die coke willen gaan doen. Dat ze de hele zwik legaliseren. Als het even kan, mogen ze ook extra toiletten installeren voor niet-hetero's en transgenders. Ik heb gehoord dat ze dat in Thailand blijkbaar doen.
Ik zie mezelf weerspiegeld achter de rekken met halflege flessen korte drank. De twee barmeiden zijn druk in de weer. Zo mechanisch als ik drink, zo mechanisch handelen zij alle bestellingen af en glimlachen ze net niet te lang naar de klanten. Het is hier vannacht weer een worstenpaleis. Dat zou me normaal moeten aanstaan, maar het heterogehalte ligt hier te hoog naar m'n zin. Je kan ze er zo uit pikken, die slechte dansers met te stijve hemden en veilige kapsels. Ik draai me met m'n rug naar de bar en probeer onder de bassen en beats door naar m'n eigen ademhaling te luisteren terwijl ik zo traag mogelijk over de mensen glijd met mijn blik.
Het nummer dat nu speelt herinner ik me uit de diepe jaren '90, van voor ik uit de kast kwam maar van na dat ik besefte dat ik liever keek naar mannenlijven dan vrouwenlijven. Een tijd die omkransd is door klimop dat tezelfdertijd zoet en giftig smaakt. Op de zanglijn van het nummer had ik voor het eerst gekust met een man en had ik hem m'n leven kunnen geven. Ik ben blij dat ik dat niet gedaan heb, maar het is een overweldigend verlangen dat ik nooit vergeten ben en telkens kleine splinters van ben blijven opzoeken in de relaties nadien. De huidige splinter zit nog in de wc. Een metafoor waar ik om had gelachen als ik me beter gevoeld had.
Langs de muren van de zaal staan de gebruikelijke figuren die je overal tegenkomt, in elke middelgrote club die je maar kan vinden: de eenzame, onhandige mannen, in het donker niet te onderscheiden van hun boosaardige tweeling, de verkrachter. Vanavond zal geen enkel van hen scoren, als hyena's die op een afstand toekijken, hopend dat een prooi zich vanzelf zal komen aanbieden. Wat is het probleem toch, denk ik, terwijl naar één zo'n exemplaar kijk, rond en door en door gamma, met muppetlippen en een bril die verdonkert in zonlicht. Verderop maakt een gezelschap hipsters grote sier met een veel te dure emmer champagne. Ik merk dat m'n mondhoek naar beneden trekt bij dat vertoon en neem een grote slok gin waar steeds meer tonic in begint door te smaken.
Een nieuw nummer explodeert over de dansvloer. Twee meisjes vallen elkaar in de armen. Sommigen onder hen merken het zelfs niet eens meer dat er altijd wel één kerel is die hen aanstaart. Ik kruis een blik met één kerel en zie onmiddellijk dat hij niet homo is. Hij valt op omdat hij boven iedereen in de club uit torent en zich daar ook goed van bewust is. In zijn vleugels staan een vrouw en een man. De man heeft het niet naar z'n zin. Ik zie dat hij vandaag nog naar de kapper geweest is door de ongemakkelijkheid waarmee hij zich beweegt. Hij heeft er de pest in om hier te zijn. Het heeft zeker te maken met een vrouw.
Dieper in de club is er een dik meisje dat met twee mannen tegelijk danst, en het lijkt me één van de weinige mensen die het hier effectief leuk vindt en er zich geen bal van aantrekt wat andere mensen van haar denken. Het doet me inwendig een toost uitbrengen op haar. Mijn ademhaling rolt rustig, half zo traag als de muziek. Waar zit die gast toch? Wind je niet op, zeg ik tegen mezelf, hij is bezig, hij komt eraan. Bovendien is de kans hier bijzonder klein dat hij iemand leuker dan ik zou tegengekomen zijn in de toiletten, aangezien het aantal homo's hier op één hand te tellen is. Zeker ben je natuurlijk nooit. Ze zeggen altijd wel dat we dat feilloos van elkaar aanvoelen, maar ik heb me toch al lelijk vergist, zeker naarmate ik ouder word.
Ik draai me weer naar de bar wat m'n glas is leeg. Een dronken stoethaspel duwt langs me heen. De man met het norse gezicht die ik daarnet zag, komt water bestellen. Zéker een vrouwenkwestie. Ik heb zin om hem er iets over te zeggen, maar doe het niet. Het is hier al druk genoeg, en m'n gedachten moeten niet met nog meer gezwam opgevuld worden.

3

In een frituur, zeker om zes uur 's ochtends, maakt het niet meer uit wie je bent. Er is altijd wel de toevallige dronkaard die het nodig vindt om een gesprek te beginnen - meestal meer een monoloog - maar daarbuiten laat iedereen elkaar met rust. We herkennen dat we allemaal de laatste overlevenden zijn van één nacht, die samen op de laatste warme plaatsen zijn waar nog plezier is. Het geluid van het pruttelende frietvet is geruststellend, maar de zoutige, vette geur van de frietjes is dat nog veel meer. Ook rustgevend is dat ik er zelden aangekeken word op m'n kleur.
Ik kauw traag, met veel plezier. De nacht is zeer lang geweest, de dag voordien leek nog langer omdat ik uren op het werk doorbracht. Het is bovendien de eerste keer in meer dan vierentwintig uur dat ik volstrekt alleen ben, en ik doe hard m'n best om dat zo te houden door met niemand oogcontact te zoeken. De cocktailsaus smaakt hemels en ik voel een eenvoudig verlangen naar mijn bed. Het is niet ver meer vanaf hier.
Ongemerkt kijk ik rond. Twee dronken jongens praten onder elkaar in een onverstaanbaar West-Vlaams dialect en dragen allebei een lelijke pet. Een ouder, zelfvoldaan koppel is aan het bestellen. Achteraan de korte rij staat een man die had kunnen doorgaan voor een collega van me. Ik ben er vrijwel zeker van dat hij homo is. Hij ziet er triest uit. Uit nieuwsgierigheid zou ik 'm wel willen vragen wat er scheelt, maar ik blijf zitten en eet verder. Al te vaak heb ik geleerd dat nieuwsgierigheid bestraft wordt met onvoorziene gevolgen. Iedereen wil wel iets van je, en dan wordt het netelig. Vraag ik een klant naar zijn dag, hij denkt dat het de eerste stap is naar seks. Wil ik vrienden maken met een andere vrouw, er is direct achterdocht omdat ze denken dat ik ergens onoprechte motivaties koester. Wou ik vroeger uitgaan, het was slechts een kwestie van tijd voordat ik een hoer zou worden.
Ik buig opnieuw m'n hoofd en merk dat er nog slechts één derde, met saus bedekt, over blijft van het pakje friet, en laat een lange ademtocht uit. M'n nagels glanzen van zowel het vernis als het vet, en bijna moet ik lachen als ik denk aan frietvet als nail polish, of dat ik het in mensen hun haar zou doen zonder dat ze het beseffen. Met donkere humor spring je een eind om de dingen te relativeren.
De dronken West-Vlamingen zijn gaan zitten met hun buit. Eén ervan zit even te loeren naar me maar merkt dat ik zijn blik niet beantwoordt, en dan gaan ze allebei aan het eten. De droevige homo wacht op zijn bestelling. Voorbij de friturist staart hij door het venster, maar ik denk dat zelfs al was er een carnavalsparade langskomen over straat, dat zijn blik nog altijd dezelfde geweest was. Hij lijkt me rond de veertig te zijn, maar ziet er jonger uit. Met m'n vinger dip ik de laatste zoutkorrels op die in het bakje achtergebleven zijn. Eén van de duizenden kleine, heimelijke dingen waar ik van geniet. Ik kijk nu zelf uit het andere venster. Er is bijna niemand meer op straat, ik voel hoe de slaap zelf overal over ligt, alsof ze uit de gesloten vensters en deuren zelf komt gekropen, en vergelijk dat beeld met foto's die ik gezien heb van Casablanca waar m'n vader opgroeide, een stad die niet alleen nooit leek te slapen maar altijd leek te wachten op iets, vol verlangen naar morgen of gisteren, of in een hinderlaag lag als een piraat. Mijn vader vertelde me dat het een piratenstad was, ooit. Toen ik er zelf was, merkte ik er niks van. Een negatieve cultuurschok, zelfs. De herinnering die m'n vader me had doorgegeven, bleek een leugen.
"Is het ok als ik hier zit?"
Ik kijk naar de trieste man en ik glimlach - ik kan niet anders - bemoedigend.
"Geen probleem. Ik was toch bijna klaar."
Na meer dan twintig jaar voel ik nog altijd dat Nederlands me nooit honderd procent juist in de mond ligt. De man zegt er niets van en knikt slechts. Klein pakje zonder saus en een cola.
"Ook uit geweest?" vraagt hij beleefd. Hij wil z'n gedachten verzetten.
"Ja," antwoord ik, "het was leuk. Met vriendinnen. Maar ik had nog honger."
"Kan gebeuren. Ik ben blij dat je je geamuseerd hebt."
Ik frommel het papier, het bakje en wat overblijft van de saus op in een bal.
"Ik hoop hetzelfde," zeg ik terwijl ik opsta, "en hoop dat je straks goed slaapt."
Even fleurt er iets op aan hem.
"Ja. Dat zal deugd doen," zegt hij. Hij begint te eten.
"Slaap ze," knik ik hem toe, terwijl ik 'm liever een knuffel zou geven en hem zou willen zeggen dat hij het zich niet te hard moet aantrekken en dat er nog veel knappe mannen in deze wereld zijn, maar ik heb geleerd om me in te houden.
"Jij ook," zegt hij, en daarop stap ik naar buiten.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten