Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling kortverhalen daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van 'Onklare taal'. Ik ben tijdelijk gestopt met kortverhalen, maar in 2016 heb ik een geredigeerde bundel van de beste verhalen uitgebracht: 'Recombinant' is gratis te downloaden in PDF- en in EPUB-formaat.

dinsdag 2 februari 2010

De kleine onderwereld (II)

2. Meisjes

De laatste studente die ik zou begeleiden was, een beetje tot mijn teleurstelling, geen naargeestige, uitgebuite Filipijnse met holle ogen, maar een door en door Vlaams kind dat het duidelijk niet vooraan had gestaan toen God bezig was geweest met het bedelen van intelligentie.
“De appel valt niet ver van de boom, Marieke. Wat denk je dat dat betekent?”
“Heu, dat... wel ja, je doet iets... en het is duidelijk, heu... niet ver.”
Ik krulde mijn onderlip over mijn bovenlip. Dit ging nergens naartoe. Beneden over het smalle binnenkoertje dat God weet welke functie had, zag ik door het venster Aristide iets opschrijven. Hij zag er erg geleerd uit.
“Goed dan, het volgende spreekwoord: hoge bomen vangen veel wind.”
“Haja... boomtoppen, daar kan het nogal hard waaien,” zei Marieke.
“Ja, dat is waar,” beaamde ik, “Maar wat betekent het in een situatie waarin je zoiets zou zeggen en er zijn geen bomen?”
“Ik weet het niet,” gaf ze toe.
“Het wil zeggen dat mensen die veel aandacht krijgen, bekend zijn of machtig zijn – dus, hoge bomen, omdat ze een hoge functie hebben – veel kritiek krijgen. De bomen zijn de mensen en de wind is de kritiek.”
Marieke schreef druk op. Ze had overigens een enorm groot geschrift.
“De blinde leidt de blinden. Heb je daar een idee van?”
“Dat... heu... gehandicapten elkaar opzoeken?”
“Bijna. Het gaat erover dat we eigenlijk allemaal even dom zijn, en dat dommeriken zich vaak ook laten leiden door dommeriken.”
“Maar blinden zijn toch niet altijd dom?”
“Nee. Het is figuurlijk. Een blinde ziet niet, en heeft dus letterlijk geen inzicht. Vandaar de betekenis – je moet die spreekwoorden niet zo letterlijk interpreteren.”
Ik denk dat er ergens vier figuurschaatsers achter haar ogen pirouettes aan het draaien waren.
“Weet je het verschil tussen ‘figuurlijk’ en ‘letterlijk’?”
Ze keek radeloos, en ik had een vlaag van intens medelijden met haar.
“Letterlijk is bijvoorbeeld: ik ben een man. Figuurlijk is: ik ben een varken. Ik ben natuurlijk niet echt een varken, maar omdat ik bijvoorbeeld een pak eigenschappen deel met een varken, noem ik mezelf een varken. Begrijp je het beter nu?”
Ze keek vertwijfeld.
“Je moet niet ‘ja’ zeggen om mij een plezier te doen,” zei ik.
“Sorry. Ik versta het niet goed.”
“Goed. Ik probeer het nog eens. Maar ik ga eerst een cola halen.”
Terwijl ik teleurgesteld moest constateren dat de automaat nog altijd zo goed als leeg was – Frans was niet bepaald scheutig daarmee, zoals met niets eigenlijk – dacht ik aan het feit dat ik nog steeds ongeveer 500 euro moest krijgen. Ik had morgen gelukkig een sollicitatiegesprek bij een bonafide bedrijf.

Buiten Aristide was er nog een andere medewerker van Frans, een oudere repetitor die onmiddellijk opviel tussen de jonge mensen die er werkten. Frans liep hoog met de intellectuele vaardigheden van Freddy op, want Freddy “gaf alles”. Freddy maakte op mij eerder een indruk van typisch halfcorrupte belgitude, en een slechte kant van mijn karakter zag er ook het type in dat zich wel eens liet betalen in Aziatische natura. Het was duidelijk dat Freddy wel telkens op tijd zijn geld zag. Zijn snor en buik waren even vettig. Ik stelde me Freddy, Aristide en Frans vaak voor, in afschuwelijke shorts, ergens in een uitgewoonde bar in Thailand, met grijnzen op hun boevengezichten, ladyboys op hun schoot en op de achtergrond die ene hit van Lou Depryck en zijn Hollywood Bananas.
De eerste keer dat ik Freddy zag, was in de kelder van het bureau. Frans had me gevraagd om m’n lesvoorbereidingen te zien, en in een zeldzaam genereuze bui voegde hij er aan toe dat ik die ook mocht inrekenen bij de uren die ik gepresteerd had.
“Kom ik naar je kantoor?”
“Ja, maar ik zit in de kelder. Je zal me wel vinden.”
In die nauwe, clastrofobische kelder trof ik Frans aan, die aan een tafel zat met de man die hij me voorstelde als Freddy, en een paar grof geschetste Zuidoost-Aziaten met pokdalige gezichten. De mannen zaten te vergaderen. Frans nam mijn papieren aan alsof het de normaalste zaak van de wereld was om te vergaderen in zijn kelder, en er tussen de fijnere details van de vrouwenhandel door nog eens andere zaakjes te klaren. Freddy zat er bij als een boulet met een snor, met zijn handen berustend op zijn dikke buik.

Frans was boos.
“Waarom ben je niet komen opdagen op je afspraak met Marieke? Freddy heeft dat moeten overnemen, en die mens is al zo druk bezet!”
“Jij komt ook je afspraken niet na. Ik heb nog steeds dat geld niet gezien.”
“Kom naar het bureau.”
Het was al diep herfst intussen, en de stad baadde in een wat naargeestige sfeer. De dagen dat het om negen uur ’s avonds nog volop licht en warm was, waren geweken voor de donkere drab van rondvliegende bladeren en mensen die als in rouw schuilgingen in dikke sjaals. Ik vroeg me af, terwijl ik naar het bureau onderweg was, of Frans me in razernij zou vermoorden. Of misschien wachtten Freddy of Aristide me op op een straathoek om me te laten aftuigen door ingehuurde kleerkasten.
“De examens van je studenten waren slecht!” riep hij, eens ik was aangekomen op het kantoor.
Hij rookte voor een keer niet. Zijn zoon was er ook bij. Zijn zoon was een verstandelijk gehandicapte jongen die soms ook bijkluste in het kantoor als een soort debiele Argus als Aristide er niet was. Ook Freddy was nergens te bespeuren.
“Hoezo?”
Dat raakte me natuurlijk wel in het weinige eergevoel dat ik aan mijn werk voor die charlatan nog overhield.
“Pieter was gebuisd voor zijn Engels, en zijn Nederlands was al niet veel beter.”
“Ik gaf hem geen Engels,” zei ik traag.
“Ja, goed dan. Maar hij was ook gebuisd voor Duits. Edouard... geen goed resultaat voor Engels. Abdel, voor Duits, net de helft... Goed kan je dat toch niet noemen?”
“Frans, Pieter was onbeschrijflijk lui. Daar kan ik niets aan veranderen. En ik moest Abdel Duits leren van nul. Dat hij er door is, is in feite een mirakel.”
“Maar je moet die gasten meer motiveren!”
“Al goed. Maar dat verandert wel nog niets aan het feit dat ik nog altijd niet opnieuw betaald ben. Je bent al twee maand te laat. Ik heb ook gebeld naar jou, sms’en gestuurd en een briefje achtergelaten. Je moet dan toch niet verwachten dat ik extra mijn best ga doen?”
Frans zakte in elkaar in zijn bureaustoel, leek iets aan z’n zoon te gaan vragen die er bij stond als een versgesteven kaars, maakte een pijnlijk grimas en stak een sigaret op.
“Het is allemaal niet simpel. Allez, zet u.”
Ik ging zitten en vroeg me af wel excuus Frans ging verzinnen om de betaling nogmaals uit te stellen.
“Ik heb de laatste tijd wat gezondheidsproblemen gehad, en met mijn vrouw gaat het ook niet goed.”
“Dat versta ik,” zei ik vlak, want zelfs al was het niet waar, kon ik moeilijk zeggen dat ik niet geloofde dat Frans’ vrouw kanker had, en aangezien de man zelf er uit zag alsof hij drie keer door een pulpmolen gedraaid was, leek het me ook niet zo vergezocht dat hij ook in een slechte gezondheid verkeerde.
“Enfin, het was gewoon een zware verkoudheid hoor, bij mij,” relativeerde Frans zijn eigen lijden, “Maar ja, een mens is daar toch even paraplu van, je verstaat dat wel.”
“Ja. ’t Is ook daarom dat ik zo vaak niet kan komen, Frans. Ik heb zelf ook geen goede gezondheid, en buiten mijn medicamenten moet ook mijn huur betaald worden, en mijn vriendin studeert nog.”
“Wat voor medicamenten neem je dan?” informeerde Frans.
“Medicijnen voor mijn mentale gezondheid,” overdreef ik, “Het probleem is dat als ik die een tijd niet goed doseer en te veel of te weinig neem, dat ik er nog onvoorspelbaar van kan worden.”
“Hoezo onvoorspelbaar?”
Frans liet weer een onwillekeurige blik gaan naar z’n zoon.
“Goh, als... ja, ik weet het niet. Agressief, onhandelbaar. Niet eenvoudig.”
Frans leek me nu met een heel andere blik te taxeren. Ik was de schurk gaan opzoeken met het absurde idee dat hij me misschien zou afdreigen of dat ik zijn ware gelaat ging te zien krijgen als harde crimineel, maar nu leek het eerder alsof hij zich zelf dat af te vragen of ik niet volkomen waanzinnig was. Er viel een ongemakkelijke stilte.
“Pas op, het gaat wel hoor. Maar ja, je kent dat, ’t is niet simpel.”
“Nee, nee,” zuchtte Frans, duidelijk blij met mijn aangereikte conclusie, “Bon, allez, we verleggen die afspraak met Marieke, en als je dan komt, dan betaal ik je ook. Goed?”
De gedachte kwam even bij me op om te vragen wat er zo moeilijk was aan een overschrijving, maar ik had geen zin nog langer in Frans’ rokerige aanwezigheid te verkeren. We wisselden nog wat beleefdheden uit en ik liet hem nogmaals zijn belofte herhalen, waarop hij me er nog succes met mijn gezondheid aan toevoegde. Ik wenste hem hetzelfde toe. Toen ik de deur achter me toe trok, hoorde ik Frans’ zoon verwonderd vragen: “Maar papa, jij bent toch helemaal niet ziek?”
Ergens speelde Johann Sebastian Bach in mijn hoofd een van zijn meest demonische orgelstukken.

Ik zag nog een deeltje van het geld dat Frans me schuldig was, en daarna koos ik het hazenpad. Ik had intussen bonafider werk gevonden. Onvermoeid bleef hij echter voicemails nalaten, tot ik hem een brief onder z’n deur schoof dat ik nog altijd tweehonderd vijftig euro moest krijgen van hem en dat ik ander werk had. Ik betwijfel of hij die brief bewaarde, maar de telefoons hielden alleszins op. Enkele maanden later kwam Frans weer volop in de media met zijn frauduleuze praktijken, en werd zijn bureau opgedoekt.
Als ik dezer dagen door de straat passeer waar hij gevestigd zat, slaat de geur van lijm en Marlboro me nog steeds in de neusgaten. Ik vraag me af waar Aristide z’n tijd nu mee doorbrengt. En of Abdel daadwerkelijk rechten ging studeren. Maar zonder er antwoord op te krijgen vraag ik me nog meer af of Frans nu eigenlijk een gewiekste toneelspeler was, dan wel een tragische prutser die enorm veel geluk had dat hij en zijn knoeiboel niet eerder door de rechtbanken gesleurd werden.

maandag 1 februari 2010

De kleine onderwereld (I)

1. Repeteren, repeteren

Het was de warme nazomer van 2006, en ik had geld nodig. Via een betrouwbare vriend kwam ik in die periode in contact met Frans. Die was zaakvoerder van een repetitorenbureau, wat voor de slechte verstaander neerkomt op een bureau waar studenten in moeilijkheden aan dure prijzen bijles kunnen krijgen in diverse vakken. Dergelijke bureaus hebben geen goede reputatie wegens gebrek aan reglementering, en kunnen een jungle zijn voor zowel klanten als werknemers. Ook een socialistische excellentie was in opspraak gekomen omdat ze haar thesis door zo’n bureau zou laten schrijven hebben. Dat bureau in kwestie was overigens Frans’ bedrijf, en hij bevestigde noch ontkende dat verhaal met een monkellachje dat hem volkomen typeerde. Op dat ogenblik had ik geen idee dat Frans al enkele keren in de pers was verschenen met zijn
frauduleuze praktijken, waaronder een veroordeling voor vrouwenhandel, en wist ik ook niet dat het na enkele jaren gedaan zou zijn met diezelfde praktijken. Het kon de pret van een zomer niet drukken.
Omdat ik wel had gehoord dat repetitorenkantoren er vaak een bedenkelijke reputatie op nahielden, had ik er al van bij de eerste afspraak op gestaan van alleen contractueel te werken.
Er kwam een contract, maar dat stelde eigenlijk weinig voor.
Vol goeie moed, maar gelukkig met een modicum aan achterdocht, ging ik aan de slag. De komende drie a vier maanden probeerde ik vooral studenten naar en door hun examens Duits te slepen, met schema’s, oefeningen, uitspraaklessen en woordenschatlijsten, zoals het een volbloed vrijetijdsdocent betaamde. Er zat ook een verwaaide Franstalige Brusselaar bij die ik Engels moest bijbrengen, en twee mensen wier kennis van de diepere particulariteiten van het Nederlands moest bijgevijld worden.

“En veel les geven. Zorg dat ze snel weerkomen.”
Frans was duidelijk een pedagoog met ervaring. Hij zat overigens niet graag op kantoor, en dat kon niemand hem kwalijk nemen. De muren waren namelijk van een beige dat al uitgestorven was in 1976, en er hing een voortdurende rookwalm. Eigenlijk was dat een puike prestatie, want Frans zat bijna nooit in zijn kantoor, dus als hij er zat, dan moest hij gemiddeld tien sigaretten per uur roken om het behangpapier voldoende te chambreren naar het aroma van zijn favoriete merk sigaretten.
“Hier, bel eens dat nummer.”
Er lagen erg veel handgeschreven notities en slecht gestencilde papieren op het bureau, en nergens een computer. Frans zelf leunde achterover in zijn bureaustoel, en keek toe als een reptiel. Hij droeg doorgaans kostuumvesten in hetzelfde kleur als zijn behang, en had de permanent naar beneden getrokken mondhoeken van een man die de hele dag door last heeft
van maagzuur. Zijn bril had transitielenzen en zijn haarlijn was intussen al zo ver teruggeweken
dat ze zelfs niet meer als een allegorie kon opgevat worden voor het droogleggen van Flevoland.
“Hallo. Ja, ik zal u les Duits geven.”
“Aja, goed.”
Als een echte patron knikte Frans en duwde hij zijn sigaret in de asbak.
“Geef wel nooit uw gegevens door aan die gasten,” waarschuwde Frans nadat ik de telefoon neergelegd had. Waarom was me toen niet erg duidelijk, maar later verklaarde hij dat het was omdat er vaak leraars aan de haal gingen met zijn clienteel. Dat leek plausibel, al waren de andere lesgevers die in het gebouw rondwaarden doorgaans ook mijn leeftijd, en zagen die er alles behalve inhalig of geslepen uit. Soms was het zelfs moeilijk de lesgevers van de studenten te onderscheiden. Alleen Frans troonde boven iedereen uit, met zijn boevenkapsel en zijn pornobril.
“Aristide, hebt ge de gegevens van die gast genoteerd?”
Aristide was een oude man die sprak in een plechtstatig soort Nederlands dat deed denken aan de tijd van de BRT. Soms leek hij een beminnelijke, wat verstrooide grootvader, en dan weer leek ik in zijn staalblauwe ogen iets enorm kouds op te merken, als van een ex-bokser die een paar lijken in de kast had.
“Uiteraard, Frans,” zei Aristide voorkomelijk.
Ik grabbelde een paar gestencilde briefjes mee van bij een kartonnen doos. Daarop werden namen en uren les genoteerd, en het bedrag dat de student ervoor betaald had. Op dat briefje stond steeds ook de volgende les al opgeschreven. Als het aan Frans lag, moesten studenten eeuwig blijven terugkomen, want dat betekende meer geld. Hij adverteerde zijn bureau met gedreven advertenties die hij vast zelf niet geschreven had, en strooide ronkende termen als ‘mindmapping’ en ‘mimetische imprints’ in het rond. Aanvankelijk kon ik me moeilijk iets bij die zaken voorstellen, laat staan dat ik gekwalificeerd was om jonge mensen mimetisch te gaan imprinten, maar uiteraard was het gigantische blufpoker om ouderwets bijlesgeven te verkopen als een revolutionaire techniek die zelfs van de meest geblutste prutser een geleerde zou maken.

Mijn eerste student was wat men alleen maar kon omschrijven als een ‘vlotte boy’. Een getaande blonde halfgod met een nauwelijks bedwingbare, parelwitte glimlach, en haar van zulk een geföhndheid dat zelfs Oostenrijkse schlagerzangers zouden moorden voor zo’n kapsel. Een erg sympathieke gast ook, maar nogal snel tevreden.
“Aja, betekent dat echt niet iets anders?”
“Nope.”
Duidelijk geboren als verkoper. Hij haalde z’n schouders op met een air van “ik kon maar proberen”, alsof ik plots van idee zou veranderen over waar een datief ook alweer voor diende.
“Heb je je oefeningen gemaakt?”
“Geen tijd gehad.”
Goed. Dat zou ik de komende maanden wel later horen.
“Dan doen we het nu.”
Zo waren mijn uren ook alweer gauw gevuld. De kamers in het gebouw waar ik les moest geven leken soms op bureaus die haastig ontruimd waren geweest in de jaren ’80 en sindsdien geen nieuw meubilair meer hadden gezien. Het rook er ook overal naar lijm. Voor de ‘vlotte boy’ werd ik onmiddellijk uitbetaald op de afgesproken termijn, met daarbij wel de dringende vraag of ik niet wat vaker kon komen. Omdat ik intussen al door had dat ik werkte voor een schurk, verzon ik excuses om niet te vaak te komen, zodat ik niet al te veel tijd moest verspillen en intussen kon blijven uitkijken naar ander werk. Ik weet niet of Frans het echt geloofde aangezien hij een leugenaar pur sang was, maar ik gokte erop dat als hij echt geloofde in zijn eigen leugens (“pedagogiek”, “respect”, “elkaar vaak zien!”), hij mogelijk ook vatbaar was voor geloofwaardige onzin van anderen. Aristide leek er allemaal het zijne van te denken.

Andere studenten passeerden de revue. Pieter was een erg sympathieke jonge mens die blijkbaar vooral rekende op zijn charme om het in het leven te halen, en had nooit zijn taken voorbereid. Edouard, de eerder genoemde Brusselaar, was perfect tweetalig maar had een Frans accent in zijn Engels waar met zelfs bij ‘Allo ‘Allo nog van zou opkijken. Er was ook een erg enthousiast, goedmoedig meisje dat Frans me had voorgesteld als iemand die technisch onderwijs volgde, maar eigenlijk beroeps deed en waar ik me van afvroeg of ze daar effectief wel Duits hadden, laat staan moesten kennen. Het grootste deel van de les met haar bracht ik door met te keuvelen over de trouwplannen met haar vriend. Het meeste hoop had ik voor Abdel, en die hoop was vermengd met een weemoedig, links geinspireerd medeleven dat me motiveerde om het beste uit mensen te halen. Abdels vader was een Turkse bakker ergens in een Limburgse gouw, en hij had van z’n middelbaar duidelijk een potje gemaakt. Maar hij was gedreven om vooralsnog te slagen voor de middenjury en daarna rechten te gaan doen. Kerel met het hart op de juiste plaats, en leergierig ook, dat voelde je aan. Zelfs Frans leek tegenover Abdel bewogen door meer dan financieel cynisme, en had hem naar verluidt geholpen toen hij in het ziekenhuis beland was na een zware infectie.
“Fin de siècle, wat is dat?”
“Een typisch gevoel van rond de eeuwwisseling. Men geloofde ergens dat het gedaan was met de wereld, en beschreef de wereld dikwijls als decadent, vervallen en alleen nog maar uit op puur genot.”
“Dat klinkt niet erg vrolijk,” merkte Abdel op terwijl hij opschreef wat ik zei.
“Van de meeste literatuur wordt een mens niet vrolijk,” zei ik, terwijl ik door een bepoteld venster uitkeek op straat, “Maar het is wel interessant.”
“Ja, ja. Dat zie ik.”
Ik moest Abdel iets bijbrengen over literaire stromingen. Het leek hem te boeien.
“Jammer dat ik geen tijd heb om al die dingen te lezen.”
“Dat hoeft ook niet per se. Je komt meestal rond met de korte inhoud om te slagen voor de dingen waar je voor moet slagen, en je moet kunnen uitleggen wat bijvoorbeeld naturalisme anders maakt dan postmodernisme.”
Dat waren de aangenaamste lessen, waar een student blijk gaf van wilskracht en intelligentie. Ze wisten allemaal dat Frans een bandiet eerste klas was. Ze hadden in zijn zogezegd vergrendelde kantoor boven landkaarten gevonden met routes om makkelijk Thailand in- en uit te raken, en ze voelden zich duidelijk een bende vrijbuiters als ze weer een krantenartikel hadden gevonden over Frans en zijn malafide praktijken. Frans hield die artikels overigens zelf ook bij, waarin hij de passages die zijn eigen leugens het meest tegenspraken in fluo aanduidde, alsof die hem persoonlijk gekwetst hadden. Daardoor waren zijn tussenkomsten bij de nietsdoende studenten die boven vegeteerden soms aandoenlijk. Ik deed alsof ik er niet was, op dat soort momenten. Soms slaagden ze er zelfs in om delen van het kantoor nog verder te reduceren tot een staat van permanente ombouw.
“In brand! Kun je dat geloven! Een deur in brand gestoken!” zei Frans, toen ik tegenover hem zat in zijn leger.
“Ja, er is ook erg veel lijm, natuurlijk, en dat brandt goed. Typisch middelbare school,” zei ik gelaten.
“Maar kom! Dat kost geld!”
“De jeugd heeft geen respect meer,” zei een andere lesgever, die naast me zat. Ik keek verbaasd op en vroeg me af waarom die het nodig vond te slijmen bij Frans, die intussen alweer enkele weken overtijd was met zijn betalingen.
“Precies,” zei Frans, die het hoofd schudde en besloot nog een sigaret te roken, “Nu goed, ik heb aan Aristide gevraagd om toezicht te houden. Als jullie er zijn, zorg er ook voor dat die gasten geen stommiteiten uithalen.”
“Ge kunt op mij rekenen Frans,” zei de andere lesgever, die eruitzag alsof hij uit een propagandaposter was gestapt van de jaren ’40. Ik zei niets en ging nog een stapel briefjes halen.
“Trouwens,” zei ik in de gemoedelijke sfeer die nu was neergedaald over het kantoor, “Ik heb tot hier toe bijna alleen maar aan jongens lesgegeven.”
Een duister licht werd aangeknipt achter Frans’ transitielenzen.
“Meisjes?” herhaalde hij mijn implicatie met een monkelend lachen, “Ik kan u meisjes bezorgen.”

Verder naar deel twee.