Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling kortverhalen daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van 'Onklare taal'. Ik ben tijdelijk gestopt met kortverhalen, maar in 2016 heb ik een geredigeerde bundel van de beste verhalen uitgebracht: 'Recombinant' is gratis te downloaden in PDF- en in EPUB-formaat.

vrijdag 31 januari 2014

Het Arcturus-project (X)

Uit: “McMurdo Courier, jg. 63, 26/02/32
[…] Wereldwijd leggen regeringen beslag op de vermogens en bezittingen van Omn¡tek. Haar voormalige oprichter en CEO, Osvald Nørkjell, wordt momenteel ondervraagd. […] onthullingen die lang zullen nazinderen […] met hier en daar opstootjes tot gevolg. Vooraanstaande politici reageren geschokt en beschuldigen diverse groepen ervan, van de onrust gebruik te maken om […]. Lees meer opinies op […] meer […] meer […] meer […].


10. Hoofdkwartier Antarcticaanse politie, Dralnau, Getz

Walther voelde zich alsof hij in één week tijd tien jaar ouder was geworden en grijs haar gekregen had, en wilde niets liever dan weg uit de muffe politiekantoren van de AntPol, of gewoon weg van Antarctica, als dat moest, want het land was in een staat van hysterie die niet meer was voorgekomen sinds de Walvisrellen. De enige twee zaken waar hij zich aan kon optrekken was dat Henry en Selene nog leefden, en dat hijzelf eveneens nog in leven was. Misschien waren hun levens zelfs nooit werkelijk in gevaar geweest.
Jemma Paxton-Rügen zat er verslagen bij. Haar eigen baas, Logan Herschel, probeerde met steeds nieuwe invalshoeken om greep te krijgen op de situatie. Ze zaten alle drie in zijn kantoor. Buiten was het donker, en de afwezigheid van internet, dat Walther vaak ervoer als bevrijdend, was hier beklemmend, tussen die klinische muren van ecru en nepnatuursteen.
“Ik voel me verantwoordelijk,” zei Walther, “Ik ben met open ogen in de val gelopen.”
Het was zijn analyse die de AntPol tot actie had doen overgaan, en uiteindelijk voor niets. Nørkjell had het allemaal op voorhand laten ontwerpen als een schaduwmiddel, met schaduwdata en met niets meer dan suggesties die gegenereerd waren door zijn databoerderijen. En voor wat? In de steden waren protesten op gang gekomen, internet stond in brand. Mediapersoonlijkheden vochten het uit in loze opiniestukken.
“Wij hadden jou eerst gecontacteerd,” zei Jemma, “Dus maak je geen zorgen.”
Ze had kringen onder haar ogen. Locusta had zich wekenlang uitgegeven voor Jemma’s collega Charis, die zo haar moordonderzoek tegelijk kon leiden en aanvullen, als een waanzinnige wereldslang.
“Ik wou gewoon dat ik iets kon doen,” zei Walther.
“Je hebt genoeg gedaan,” zei Logan, “Je hebt gedaan wat je dacht dat juist was, en meer dan dat. Ook onze experts beseften niet dat het ging om schaduwdata tot we telefoon kregen van je broer en het internet zich begon te roeren.”
Een deel van Walther voelde zich ook gepasseerd door zijn halfbroer, de artiest, die door dom toeval de waarheid was te weten gekomen. Het zou Walther en de politiemensen waarmee hij had samengewerkt, allicht nog een week gekost hebben om uit te vissen hoe het zat. Tegen dan hadden Omn¡tek-bots echter al de waarheid verspreid, met alle stukken gelekt dossier van de AntPol, die nu ook in een slecht daglicht stond. Antarctica verslikte zich erin.
“Maar wat is er uiteindelijk mee bereikt?” ging Logan verder. Hij leunde achterover en legde zijn voeten op tafel. Jemma, die aan de andere kant naast Walther zat, zei niets.
“Er is chaos, de AntPol-PR draait overuren om zich uit te leggen, er zijn debatten, mensen komen samen op pleinen en in tunnels, maar het brengt ons geen stap dichter bij het doel dat Nørkjell voor ogen had. Als hij werkelijk een egalitaire samenleving had gewild zonder geweld, vervuiling en machtsmisbruik, had hij zijn fondsen beter geïnvesteerd in een kolonie ergens op de Maan of op Mars. Met zijn geld had hij zelfs Joviaans kunnen gaan.”
Walther keek naar zijn schoenen.
“Ergens versta ik hem wel, denk ik,” zei hij. Jemma keek hem zijdelings aan.
“Misschien loog hij tegen Henry,” zei Logan, die niet gehoord had wat Walther gezegd had, “en was zijn werkelijke doel een meer algemene destabilisering van Antarctica? Opnieuw roept dat de vraag op waarom. Iemand die tot de elite behoort, heeft meestal geen belang bij chaos in de samenleving waar hij deel van uitmaakt, tenzij hem dat een voordeel oplevert. Ik zie enkel nadelen. Misschien was hij werkelijk gestoord.”
“Kunnen we hier even over ophouden?” vroeg Jemma.
Logan wierp zijn handen op.
“Goed dan. We hebben allicht gezegd wat er voorlopig te zeggen valt, voor we Nørkjell goed en wel kunnen ondervragen.”
“En voor we Locusta gevangen hebben,” zei Jemma.
Logan trok een gezicht. Walther voelde een rilling over zijn rug lopen. Ze had hem kunnen doden als ze dat gewild had, maar ze had er blijkbaar niet de opdracht toe gekregen. Ook zijn wereldbeeld lag aan scherven. Zijn verwoede pogingen tot privacy waren allemaal een maat voor niets gebleken, en zelfs het kortstondige belang dat hij gedacht had te hebben, was enkel dat geweest van een doorgeefluik. Hij dacht ook aan de Mannenvrienden, waar hij nog over gesproken had met Lucia, en hoe die nu keet aan het schoppen waren. Ze bevestigden, zoals Nørkjell moest gehoopt hebben, alle vooroordelen die van de datazwermen van Omn¡tek gelekt waren.
“Je zei dat je denkt dat je Nørkjell verstaat,” zei Jemma toen tegen Walther, “Waarom?”
Walther keek op en haalde adem.
“Ik wil voorzichtig zijn met mijn mening,” zei hij, “gezien de omstandigheden.”
“Vertel maar.”
Walther besefte dat Jemma zijn perspectief oprecht wilde weten, en dat deed deugd. Het was mogelijk als tegengif voor de hete wind van Logan, die alle richtingen uit ging maar niets wezenlijks leek te raken. Walther mocht hem niet, en hij kreeg de indruk dat Jemma en hij ook niet op al te beste voet stonden.
“Ik denk dat Osvald Nørkjell de onmogelijkheid wilde bewijzen van werkelijke verandering zolang de mensheid in haar huidige vorm bestaat.”
“Hoe bedoel je?” vroeg Logan, die nu ook terug bij de les was.
“Wel, onze samenleving is overal min of meer dezelfde, niet? Het kapitaal regeert met privileges die het naar goeddunken uitdeelt aan bevoorrechte groepen. Het is een wisselwerking. De rijkdom vormt de bron van macht voor de heersende klasse, meestal mannen, meestal van bepaalde etnische groepen – zoals wij – en zet die macht om in wetten en geweld. Op hun beurt legitimeren die zich door middel van filosofie en wetenschap, die moet verklaren waarom de dingen zijn zoals ze zijn.”
Logan fronste, en Jemma kneep haar ogen samen.
“Kan je dat nog eens herhalen in mensentaal?” vroeg Logan.
“Sorry. Wat ik wil zeggen is dat de structuur van onze maatschappij een telkens geraffineerder vorm is van vier grote invloeden die elkaar in stand houden: kapitaal, geloof, patriarchie en imperialisme. Nørkjell wilde dreigen om er één van helemaal onderuit te halen, maar daarmee onthulde hij ook de andere drie. Hij heeft getoond hoe zwak het imperium – jullie – is voor de lokroep van het kapitaal, hoe het kapitaal zich zelf laat verleiden door nepwetenschap, en tja, patriarchie… Je ziet de rellen bezig. Zolang al die factoren bestaan, kan er geen sociale vooruitgang zijn. Dat is mogelijk zijn these.”
“Ik ben benieuwd wat hij daar zelf van denkt,” zei Logan.
“Dat lijkt me weinig relevant. Interpretaties kunnen losstaan van intenties,” zei Walther zonder animo, waardoor Logan verbouwereerd zweeg.
“Is het geen tijd dat je naar huis gaat?” vroeg Jemma toen, die iets van een glimlach leek teruggevonden te hebben.
“Ik neem aan van wel. Of wacht, nee, ik wil naar Shackleton.”
“Ik breng je wel.”
Walther keek nu zelf sceptisch.
“Echt? Dat is toch heel ver voor jou.”
“We hebben je hier nodig,” voegde Logan daar aan toe.
“Dat denk ik niet. Niet nu. Gun me een dag vrij,” zei Jemma.
Logan keek van Walther naar Jemma alsof hij een kunstwerk probeerde te bestuderen, en gaf toen toe.
“Ga dan. Wees voorzichtig.”
“Altijd,” zei Jemma.
Walther haalde diep adem. Hij wist niet of het opluchting was, of droefenis.

Het Arcturus-project (IX)

REGELS VOOR PODGEBRUIK

- Na u komen nog andere trekkers. Hou de pod schoon en verzegeld.
- Indien u merkt dat iets stuk is en u kan het maken, helpt u daar ook anderen mee.
- Data-infestatie? Haal er een pro bij. Probeer zelf geen onveilige data te ontmijnen.
- IJsvorming voor de ingang kan dodelijk zijn. Opgepast!
- Vergeet vooral niet te genieten, en maak het gezellig.


9. Iskander-pod, Dome Circe, Joegokraïna

Henry Bei zat in een benarde situatie. In de pod waar hij zich schuil hield, op aandringen van zijn halfbroer, zat hij namelijk niet alleen met zijn vriendin Selene. In de hoek van de kamer zat, geboeid met een klimtouw, de CEO en oprichter van Omn¡tek, Osvald Nørkjell. Ze hadden hem enkele honderden meters buiten de pod gevonden, bijna dood en zwaar onderkoeld. Hij was nu al enkele uren terug bij bewustzijn, maar had niet veel gesproken.
Henry wist wat Walther was te weten gekomen - dan nog door een onbedoelde tip over de kunst waar Henry mee was bezig geweest voor Nørkjell. Ze hadden toen een lange, verhitte discussie gevoerd, maar de overredingskracht van Walther had hem er uiteindelijk van overtuigd dat hij gelijk had. Bovendien had over dat gesprek de schaduw gehangen van hun overleden broer, die nu misschien nog zou leven als hij zelf naar de waarschuwingen had geluisterd van zijn vrienden en familie. Daardoor waren Selene en hij hals over kop vertrokken naar een atox-pod die niet op de kaart stond, diep in het territorium van Joegokraïna. Selene had het niet leuk gevonden, maar was sneller dan Henry gekalmeerd toen ze uiteindelijk op weg waren gegaan over de uitgebreide ijsplateaus van het continent.
Antarctica was bezaaid met pods: kleine, gezellige schuilplaatsen voor trekkers en wandelaars, soms ook illegale smokkelbunkers of hoofdkwartiertjes van politieke radicalen, maar die waren meer mythe dan werkelijkheid. Henry kende het podsysteem goed. Als student had hij er vaak gebruik van gemaakt. Ze waren gratis, en elke trekker was verantwoordelijk om ze zelf terug aan te vullen. Daardoor puilden sommige pods uit van onbederfbaar voedsel in blik of voer voor sleehonden. Andere pods hadden dan weer stapels antieke boeken liggen, of rondzwervende datamodules die de inzichten moesten delen van vorige gasten. Niet deze pod, dus, de Iskander-pod. Alleen enkelingen wisten hem liggen.
Selene en Henry hadden zich aanvankelijk geïnstalleerd met thee, dekens en een paar oude series, en hadden geprobeerd niet te denken aan wat zich bovengronds kon afspelen, ver weg van hen, in de kuststeden en hun tunnels. Dat was aardig gelukt, tot dat het alarm was af gegaan.
"Meneer Bei."
Nørkjell glimlachte gepijnigd en keek naar het plafond. Ze hadden hem in een zetel in de hoek van één van de vier kamers van de pod gezet, bij een snelverwarmer, onder een wierrookverspreider. Hij zat in lichtblauw licht.
"Een van mijn favoriete uitspraken is dat toeval niet bestaat. Alles is logica, ook al verstaan we die zelf niet," ging hij verder toen Henry niet reageerde. Hij voelde zich zwaar in zijn stoel. Selene keek hem aan, maar hij ging niet in op haar blik.
"Zonder u was ik nu dood en zonder mij zat u hier niet. Wees gerust, hier eindigt het allemaal voor mij," zei Nørkjell, die nu traag van Selene naar Henry keek, om zich tenslotte tot Selene te richten.
"We hebben elkaar nog niet ontmoet. U bent de partner van meneer Bei, neem ik aan."
Selene knikte.
"Behandelt hij u goed?"
"Wat voor een vraag is dat?"
Nørkjell glimlachte die verweerde glimlach van hem waarmee hij op covers en raamafbeeldingen stond van de financiële pers, en in de context van de pod ongepast leek.
"Vergeef me," zei hij, "Ik neem aan van wel. U bent vast allebei goede personen. De meeste mensen denken dat van zichzelf. Weinigen zijn het. Ik heb altijd geprobeerd om een goed persoon te zijn, wat niet gemakkelijk is als je een bedrijf leidt. Je moet mensen soms ontslaan en beroven van hun inkomen, je moet actie ondernemen tegen concurrenten, of contacten onderhouden met ondernemers, banken en klanten die enkel uit zijn op hun eigen winst."
Henry vouwde zijn armen over elkaar.
"Of je eigen personeel laten ombrengen," zei Selene.
Nørkjell liet iets varen van zijn rust en schampte.
"Je ontkent het niet?" vroeg Selene.
Henry leunde achterover. Selene Jensen was een compacte vrouw met opvallende grijze ogen, en iemand die mensen niet snel vergaten. Ook Konrad was altijd gesteld op haar geweest.
"Nee. Ik voel minder wroeging over hun dood dan over de impact van mijn bedrijf op het milieu. Die onderzoekers en agenten waren allemaal mensen die zelf aan die impact meewerkten, vrijwillig. Bovendien, het waren ook allemaal mannen."
Henry trok zijn wenkbrauwen op maar zei nog steeds niks. Hij zat met zijn gedachten bij Walther en die agente waar hij over gesproken had maar op wiens naam hij niet meer kon komen.
"Wat heeft dat er mee te maken?" vroeg Selene.
Nørkjell rechtte zich. Henry zag hoe de spieren van zijn pezige, sterke schouders zich opspanden.
"Kent u de Mannenvrienden?"
"Ja. Die zotten."
Nørkjell keek naar Henry, die gewoon knikte.
"Bent u het eens met hun standpunten?" vroeg hij aan Henry.
"Nee. Het zijn extremisten."
"Maar vindt u ook niet dat het onrechtvaardig was dat enkel mannen moesten boeten bij de sterilisatie? U bent toch geen geweldpleger of een verkrachter?"
"Dat had er niets mee te maken," mengde Selene zich weer in het gesprek.
"Dat weet ik," zei Nørkjell, "En dat weet u. Maar kijkt u eens naar de geschiedenis. Massamoordenaars, psychopaten, lustmoordenaars, verkrachters, fraudeurs, dieven, geweldplegers, folteraars, terroristen: voor 90% of meer, mannen. Allemaal."
"U bent zelf een man," zei Henry.
"U ook. U kent ze, net als ik. De ijdele praat. De verheerlijking van domheid en brute kracht," grijnsde hij, "We hebben er mee op school gezeten, elke dag mee geluncht, hen op het internet gezien, in de constante stroom van reclame die ons omzwermde op straat en in stations. Wij zijn uitzonderingen, meneer Bei, maar we zijn geen voorhoede. Er wordt niet geluisterd naar ons. Die mannen - de meerderheid - die... patriarchie, die wint altijd. Dat is al meer dan 3.000 jaar de trieste constante in de menselijke geschiedenis."
"En daarom onmiddellijk maar alle mannen uitroeien? Ook mannen als Henry?" vroeg Selene.
"Niemand maalt om omstaanders die sterven als het is in een rechtvaardig conflict dat zich ver van hun bed afspeelt. Of zat u soms in tranen de Cascadiaanse Oorlog te volgen?"
Selene zei niets meer en ging thee halen. Henry wist dat ze stoom ging afblazen.
"Ik begrijp iets niet," zei Henry toen.
Nørkjell keek op. Hij zag er sinister uit, als een lijk dat al dagen onder het ijs had gelegen, maar Henry dwong zichzelf om hem aan te kijken.
"Waarom dan met Omn¡tek al die geneesmiddelen maken, en al die gadgets die mensen geholpen hebben in het leven? Uw klanten waren ook mannen. Als u mannen wilde uitroeien, waarom hen dan eerst helpen? Waarom heeft u uw geld en invloed niet gebruikt om in de politiek te gaan, of om onderwijsinstellingen te bekostigen? Uw concurrenten deden het wel."
"Wie zegt dat mijn uitroeiingsmiddel werkt?"
Henry was van zijn stuk gebracht.
"Maar... als het niet zou werken, waarom uw eigen medewerkers laten uitschakelen? Waarom is het leven van Walther dan in gevaar?"
"Dat heb ik al uitgelegd. Pionnen. Als ik echt massamoord had willen begaan, had ik enkel clichés bevestigd waar ik me zo tegen verzet, al geloof ik nog altijd dat de wereld een betere plaats zou zijn zonder ons. Maar met de onthulling die nu op handen is, en de paniek en de wanorde die het zal genereren, sla ik verschillende vliegen in één slag. Een wekenlang debat, meer agressieve acties van de Mannenvrienden, een onderzoek naar de onaantastbaarheid van de conglomeraten, een terugblik op de geschiedenis."
"En u?"
"Ik had er al niet meer moeten zijn."
Henry schudde zijn hoofd en stond op.
“U bent intelligent genoeg om te weten dat ik een punt heb.”
“Er is toch al vooruitgang geboekt?” probeerde Henry.
“Hoe? Stemrecht, dat sinds 1950 in zeventien staten weer werd teruggedraaid en maar in zes nieuwe ingevoerd werd. Geweldstatistieken golven op en neer maar duiken nooit onder de 17%. Moet ik nog meer cijfers meegeven? En dan heb ik het ook nog niet over geweld van mannen op andere mannen, mannen zoals u, die gevoeliger zijn en niet noodzakelijk beantwoorden aan het ideaalbeeld.”
Henry schudde opnieuw zijn hoofd.
“Van geweld heb ik weinig last gehad,” loog hij.
“Ach. Dat komt goed uit.”
Henry draaide zich om.
“Ik ga even naar de keuken.”
Nørkjell zei niets meer.

Verder naar deel tien.

donderdag 30 januari 2014

Het Arcturus-project (VIII)

Uit: “Databank AntPol, gezochte personen

Locusta (echte naam onbekend, vermoedelijk van Mediterrane afkomst) is van gemiddelde lengte (ca. 1m75), ongeveer 35 jaar oud, atletisch gebouwd d, met zwart haar en donkere ogen. Ze is een meester in de vermomming en bijzonder gevaarlijk. Locusta wordt verdacht van minstens 17 huurmoorden in opdracht van misdaadyndicaten en corrupte overheden. Het arrestatiebevel tegen haar heeft prioriteit A.

Update 26.07.2129: Zou zich volgens de laatste bronnen bevinden op Mars. Verlaagd naar prioriteit B.
Update 04.02.2130: Elk spoor verloren.
Update 16.02.2132: Zou op Antarcitca zijn (link). Prioriteit A.


8. Magische Tunnel en IJsgrotten, Hubert, Transantarctica

Jemma had er niets beter op gevonden dan Walther Ernst mee te nemen naar het hoofdkwartier in Getz, om hem daar mee met de politie-experts te laten werken aan een kritische doorlichting van zijn eigen analyse. Ze twijfelde er niet aan dat Ernst gelijk had. Ze kon alleen niet doorgaan op één mening, vooral omdat de implicaties zo zwaar waren. Een andere reden voor haar voorzichtigheid zat nu naast haar in de dienstwagen, en heette Logan Herschel. Ze hadden een tip gekregen over waar Locusta zich ophield, en raasden nu op volle snelheid door de Magische Tunnel. Kleuren van in de wanden uitgehakte woonwijken en bubbelhuizen, met alle sponsoring en datavervuiling vandien, waaierden over het glas van de wagen. Politie-auto's hadden de bijnaam 'kogels' omwille van hun vorm en snelheid. Er was veel verkeer, maar voor een zwaailicht werd er nog steeds opzij gegaan. Het was Jemma die stuurde.
"Ik heb nog wat meer opgezocht over Walther Ernst," zei Logan, terwijl hij uit het venster keek, onverstoord door de halsbrekende snelheid waarmee Jemma de kogel bestuurde.
"Ja, en?"
"Wel," zei Logan, die even van zijn koffie nipte, "weinig spectaculairs buiten wat we al wisten en wat hij ons zelf verteld heeft, maar blijkbaar hadden hij en Henry nog een oudere broer, die zeven jaar geleden overleden is."
"O."
Jemma fronste en vroeg zich af waarom het niet in het dossier had gestaan.
"Ja, hij heette Konrad en was lid van een transrode beweging. Hij stierf aan zijn verwondingen na een schermutseling in Orcada, tijdens de Walvisrellen. Zijn testament wiste hem uit."
"Hm."
"Daarom staat het niet in het dossier van Ernst," zei Logan.
"Je hoeft m'n gevoelens niet te sparen over die info. Wat maakt het ook uit voor deze zaak?"
"Ik wil maar zeggen dat het kan dat Walther Ernst en Henry Bei een politieke agenda hebben los van waar we Osvald van verdenken."
De wagen blokkeerde de toegang van enkele datazwermen die in oranje en blauw langs de autostrades wemelden als sterrenstof. Industriėle ritmes aan de rechterkant van de enorme tunnel gaven aan dat ze intussen voorbij de woonwijken waren. Het verkeer werd minder druk.
"Wel, en ik vind het een onnozel detail. Als Ernst politieke motivaties had, waarom heeft hij dan al met alle grote firma's van Antarctica samengewerkt?"
"Ik zeg niet dat hij het is. Het kan zijn dat zijn andere broer hem op het idee gebracht heeft."
"Hij en Henry zijn niet eens zulke goede vrienden."
"Goed genoeg dat Ernst Bei en zijn vriendin opdroeg om te vluchten. We kunnen hen nergens vinden."
"Dat kan ik alleen maar beschouwen als positief."
Logan zuchtte en liet zijn koffiebeker disintegreren. Hij zat zich nu zelf ook te ergeren, en dat stemde Jemma gunstiger. Het  typeerde hem dat hij vaak kwam aandraven met vage kritiek, of opmerkingen die daarvoor moesten doorgaan, maar uiteindelijk enkel de zaken vertraagden. Het ergste was dat hij niet altijd ongelijk had, maar Logan was er een meester in van de dingen vaag genoeg te zeggen zodat hij achteraf altijd het tegendeel kon beweren.
De auto spoedde zich verder, voorbij de grote afrit aan McMurdo-Noord, waar in het stuk van de tunnel dat bijna boven de grond kwam, tegen het plafond de Hangende Tuinen zichtbaar werden, een commune van superrijken die genoten van het uitzicht over kilometers diepte in de Magische Tunnel.
"Zwaai even naar de president," zei Logan terwijl ze er onder de commune door zoefden en er even een pauze was in het data-bombardement.
Jemma grimaste.
"Zo'n uitspraak ben ik niet van jou gewoon."
"Ik bedoel er niets mee. We weten allemaal dat president Wedell er haar buitenverblijf heeft. Ik zou er ook wel één willen, daar, en m'n eigen serre hebben met een boomgaard."
Jemma had daar een opmerking over klaar, maar een lichtje op het dashboard van de wagen eiste haar aandacht op. Een kaart werd zichtbaar van een randstad van McMurdo.
"Hubert," zei Jemma.
"Aan het strand?"
"Het lijkt erop."
Hubert had enkele kunstmatige ijsgrotten die uitmondden in een baai die beschermd natuurgebied was, en lag op een steenworp van McMurdo, zowel boven- als ondergronds.
"Dat heeft de AusPol weer mooi uitgevist," zei Logan, alsof het zijn eigen verdienste was.
"Eerst zien en dan geloven."
De voorbije twee dagen waren er nog twee doden gevallen, en begon ook de media langzamerhand de verbanden te leggen, aangezien bijna elke dode een hoogopgeleide man was. Elk overlijden was anders geweest van aard, maar telkens was het gegaan om een plotse dood.
"Ik krijg trouwens juist binnen dat ze de patentaanvragen geblokkeerd hebben. Norkjell wordt in de gaten gehouden en als hij probeert om Antarctica te verlaten, houden ze hem wel even tegen met één of ander excuus," zei Logan.
Jemma knikte en beet op haar lip. Ze wist dat ze die truc maximaal drie uur konden rekken. Ze had het gevoel dat er iets was dat ze over het hoofd zagen. Er was iets in het plan dat niet klopte, maar ze kon er de vinger niet op leggen.

Een kwartier later stond de kogel geparkeerd op het einde van de weg, een honderdtal meter van de klif, waar enkele ladders trekkers toegang gaven tot de ijsgrotten. Logan en Jemma stonden met hun wapens in de aanslag onderaan één van die ladders. De ijskoude zee klotste tegen de ijsschotsen, en de zon stond laag aan de horizon.
Logan ging voorop langs het semi-natuurlijke ijspad. Jemma vond dat ze te veel lawaai maakten, maar als Locusta zich echt in de grotten ophield, was er geen uitweg voor haar, behalve langs deze route. De wind trok hard en ruw aan hun kleren, en blies zelfs door de microscopisch kleine openingen in haar politie-harnas.
"Ik heb een gloedhekel aan de zee," mompelde ze.
"Ik zie ze ook liever achter glas zitten, geloof me," zei Logan.
De klif begon langzaam over te hellen en strekte zijn schaduw over hen uit, wat ook het gebulder van de zee en het gekraak van de ijsschotsen een andere kwaliteit leek te geven. Logan stak zijn zoeklicht aan op zijn rechterarm.
"Ik wist niet dat jij linkshandig was," merkte Jemma op.
"Ik ben tweehandig," zei Logan eigenwijs, en gebaarde toen dat ze moesten overschakelen op de comlijn.
Jemma's oogdisplay gaf niks in het bijzonder weer dat wees op ander complex leven buiten henzelf. Ze dacht nog steeds na over de lacune die ze aanvoelde in de theorie van Walther Ernst. Als het waar was dat Omn¡tek zich voorbereidde op de vernietiging van miljarden mannen, waarom hadden ze dan in de eerste plaats de aandacht getrokken met hun verdachte patentplannen? Wat als Nørkjell wilde gevangen worden? Maar hoe zou dat goed zijn? Indien Ernst gelijk had, was Nørkjell niet immuun voor zijn eigen virus en zou gevangenschap hem niet redden.
"Nog niks te bespeuren," gaf Logan door over de lijn.
Ze kwamen nu aan de gapende opening van Grot Eén, die 's nachts verlicht werd. Ook nu, in de oneigenlijke avond, werden de ijsstructuren spectaculair verlicht in blauw en wit en groen. Alles leek kalm.
De twee officieren wandelden over het pad naar binnen. Logan checkte de rechterkant en keek voor hem uit, Jemma deed het tegengestelde. Hun netwerken waren met elkaar verbonden. Terwijl ze behoedzaam verder hun weg baanden door Grot Eén was het moeilijk om niet onder de indruk te raken van de onaardse schoonheid van het verlichte ijs. De hallen leken op een feestzaal van een mythisch ras van reuzen of halfgoden, met dikke witte tafels die uit de vloer oprezen, en briljante lusters van bevroren stalactieten.
Toen ze halverwege Grot Eén waren en de nauwe doorgang naar Grot Twee, met zijn bekende aquarium, al in zicht kwam, zei Logan plots vocaal "Daar!".
Jemma en Logan richtten tegelijk hun wapen op een figuur die op een steen zat, met opgetrokken knieėn, helemaal in het zwart, en haar dat alle kanten uit stak.
"Blijf waar je zit," zei Logan zelfverzekerd.
Jemma ontspande haar houding.
"Ze is dood, Logan," zei ze.
Er zat al rijp op haar gezicht.
"Laten we even kijken, toch," zei hij overbodig. Het ijs kraakte weerbarstig onder hun laarzen toen ze het pad verlieten, en naarmate ze naderden, werd het akelige gevoel dat Jemma al de hele tijd gehad had, enkel sterker.
"Dit is niet Locusta," zei ze.
Logan deed zijn helm uit.
"Godverdomme."
Ze beseften dat ze keken naar het bevroren gezicht van Charis.
Tezelfdertijd rolde een bericht binnen over hun oogdisplays: 'Nørkjell onvindbaar'.

Verder naar deel negen.

woensdag 29 januari 2014

Het Arcturus-project (VII)

Uit: “De nieuwe ijstijd!”, Soraya Gold (2126, Extron Publishing, Federale Staten) 

[…] naar de reden voor het overaanbod aan complottheorieën over Antarctica is het koffiedik kijken. De afgelegen locatie van het continent speelt een rol in de populaire verbeelding, net als de extreme weersomstandigheden en haar relatieve jeugd in het historisch bewustzijn – het is dan ook nog maar nauwelijks drie eeuwen geleden dat men niet eens zeker was of het bevroren continent wel bestond! Maar […] de eindeloze stroom aan hedendaagse mythes over levensvatbare dinosauruseieren of verlaten horrorlabo’s van het Derde Rijk zijn ook een manier om greep te krijgen op deze […] jonge wereldmacht. Door Antarctica te verplaatsen naar een schemerzone, en haar macht te linken aan het tegennatuurlijke, kunnen inwoners van de Oudere Wereld zichzelf beter voelen over hun relatieve verlies aan status.

7. Sushi Boss, McMurdo, Transantarctica 

Uiterlijk gaf hij geen krimp, maar hij voelde zich vanbinnen een horzelnest aan emoties die allemaal vochten voor zijn aandacht. Walther zat tegenover AntPol-officier Jemma Paxton-Rügen, die er in het echt en in burger op een bepaalde manier nog intimiderender uit zag dan ze was overgekomen over de telefoon, nu al anderhalve week geleden.
“Ik hoop dat u goede informatie voor me heeft,” zei ze. Ze zag er zelf opgejaagd uit.
“Ik ben vrij zeker van wel.”
“Vrij zeker? Of zeker?”
Walther herinnerde zich eraan dat hij niet zo wetenschappelijk moest praten. Hij was het zeker, hoewel niet in absolute termen.
“Wel… Zeker.”
“Vertel.”
Walther had gedacht dat het gesprek zou plaatsvinden met meer geheimdoenerij, en ergerde zich aan de openheid waarmee Jemma sprak, vooral omdat het druk was in de ‘Sushi Boss’, maar hij besloot die ergernis te laten varen – ze zou immers wel weten wat ze aan het doen was. Bovendien moest hij zich ook concentreren op tal van andere dingen die hij nu al drie dagen aan een stuk voelde. Hij keek even in zijn onaangeroerde bakje sushi, haalde adem, en stak van wal.
“Mijn excuses dat ik u helemaal van Getz naar hier gehaald heb. Ik wilde kunnen praten in een omgeving die ik zelf comfortabel vind, en niet in één of ander donker politiekantoor.”
Jemma grimaste maar zei niets.
“Ik heb ook voorzorgen genomen. M’n veiligheidsinstellingen van alle apparaten en implantaten die ik heb, heb ik een paar dagen geleden zelf aangepast, en zouden de komende week nog moeten kunnen meegaan. Het enige wat me kan weggeven, is als er onzorgvuldig wordt omgesprongen met m’n informatie.”
Hij zag Jemma’s uitdrukking verder betrekken.
“Dat is geen beschuldiging, overigens.”
“Ik weet het,” zei ze. Ze nam een slok koffie, en de gedachte kwam op bij Walther dat ze misschien slecht gehumeurd was om een andere reden dan dat ze zonet een paar uur op de TT had doorgebracht naar McMurdo. Het was namiddag, maar de zon was al druk bezig aan het zakken. Op straat wierpen de lichtblauwe lampen al overal schaduwen over de mensen die net van hun werk kwamen.
“De voorbije week heb ik gelogeerd bij Henry Bei, mijn stiefbroer. Die is kunstenaar. Toevallig was hij ook aan het werk voor Omn¡tek, of beter, Osvald Nørkjell persoonlijk. Nørkjell had een reeks grote tekeningen besteld rond de thema’s gevaar, kwetsbaarheid en mannelijkheid. Het was toen dat ik op het idee kwam de data die ik aan het controleren was, anders te gaan bekijken.”
Walther dacht aan hoe vreemd het was dat hij hier de laatste keer geweest was met Lucia en gesproken had over de Mannenvrienden. Wat zijn onderzoek onthuld had, zouden die zelfs in hun ergste nachtmerries niet vermoed hebben.
“De volgende dagen moest ik besteden aan onderzoek, om zeker te zijn. Daardoor zijn we nu al een pak dichter bij de deadline van mijn opdracht voor Omn¡tek en dringt de tijd, waarvoor ik me ook verontschuldig, maar u weet, ik ben een wetenschapper.”
Het klonk klungelig, vond hij van zichzelf, maar Jemma’s ogen waren van samengetrokken veranderd naar geboeid. Ze dronk nog koffie, maar bleef Walther aankijken. Nee, helemaal geen lelijke vrouw, stelde hij opnieuw vast.
“De details kan u zelf nagaan in het bestand dat ik u zal geven, of laten onderzoeken door de mensen die voor u werken, maar de conclusie van mijn analyse is dat Omn¡tek werkt aan een nepgeneesmiddel dat niet alleen niet zal doen wat het beweert te doen, maar dat het ontworpen is om elke menselijke drager van een Y-chromosoom binnen de maand te doden.”
“Dat klinkt zeer… wild,” zei Jemma.
“Daarom dat ik des te grondiger de data bekeken heb,” zei Walther.
Jemma zei niets en leek verzonken in gedachten. Walther gebruikte die stilte om haar over tafel een stick aan te reiken.
“Harde dragers?” vroeg Jemma enigszins geamuseerd, uit haar overpeinzingen gehaald door het kleine, grijze object dat nu naast haar bakje sushi lag.
“Veiligheid voor alles,” zei Walther.
“Natuurlijk.”
Ze stopte de stick weg, en een vingerbeweging verried dat ze de data al aan het binnenhalen was. Ze keek nu Walther opnieuw strak aan.
“Als het waar is, wat u zegt, dan spreken we hier over een geplande genocide. Hoe werkt het geneesmiddel precies?”
“Ik ben geen biomedicus, maar de data wijst in de richting van een virus dat geactiveerd wordt na inname, en alleen zijn ding doet als de drager een Y-chromosoom heeft. Aan de structuur te zien, neem ik aan dat ze het zullen aanprijzen als een vruchtbaarheidsmiddel.”
“Ken je de werknaam?”
“Nee. Ik weet wel dat er een patentaanvraag loopt voor zo’n middel met de naam Arcturus.”
Jemma knikte.
“Dat waren we ook op het spoor. Het zijn er zelfs drie. Maar hoe zou het middel in staat zijn alle mannen uit te roeien? Bovendien komen de meeste mannen niet in aanmerking voor het middel omwille van Resolutie 806.”
“Het reist zowel via lucht, water als fysiek contact, en slaapt drie maand voordat het geactiveerd wordt. Er is maar een toplaag van mannen voor nodig om het in te nemen. Bovendien kunnen vrouwen ook drager zijn, al doet het niks met hen.”
Jemma leunde achterover in haar stoel alsof ze zonet iets onaangenaam geroken had. Het deed hem denken aan de reactie die veel Antarcticanen hadden als de de zoveelste complottheorie te horen kregen over buitenaardse basissen, ruïnes van vermeende pre-paleolithische beschavingen of hoe de grote concerns van het continent leden waren van de Illuminati.
“Maar wat denkt u dan dat Nørkjells motivatie is?”
“Ik heb me daar ook het hoofd over gebroken. Ik weet het niet,” zei Walther in alle eerlijkheid. Alle conflicterende gevoelens die hij voor het begin van het gesprek hadden gehad, waren nu opgelost in een algemene misselijkheid, waardoor hij zich voelde leeglopen als een kapotte ballon. Hij probeerde een hap te eten terwijl Jemma nu praatte, maar dat ging moeizaam.
“Dat is allemaal aan ons om uit te zoeken. We zullen eerst zien wat een analyse van uw analyse zegt, maar zelfs in het geval dat de gevolgen van het Arcturus-project niet zo vreselijk zijn als u denkt, is dit nog altijd een zeer ernstige zaak. Erger dan ik gedacht had. Uw deadline is 25 februari, niet?”
“Ja. Die van Henry overigens ook.”
“Juist. Dat is binnen zes dagen. We weten dat er bij Omn¡tek intern een campagne voorbereid wordt voor de farmatak, en dat ze het middel snel willen lanceren. Toevallig zijn er ook al vijf onderzoekers van die afdeling verdwenen, waarvan er twee soms informatie met ons deelden.”
Walther voelde zich eerst alsof hij ter plekke uit zijn lichaam ging ontsnappen, maar hervond zijn kalmte.
“Toevallig?”
“Bij wijze van spreken,” zei Jemma, “Er is een officieel onderzoek naar gestart, en dat dossier staat onder supervisie van mijn eigen baas, adjudant Herschel. Als u gelijk hebt, lijkt het erop dat Nørkjell bezig is om iedereen die mogelijk de waarheid zou kunnen samen puzzelen, uit de weg te ruimen.”
“Waarom is hij dan nog niet gearresteerd?”
Jemma’s mond maakte een vorm die leek op een glimlach.
“Laat maar zitten,” zei Walther toen, “Resolutie 979.”
“Precies. Maar als uw analyse juist is, kunnen we hem arresteren met man en macht. U had wel gelijk dat u ons weinig tijd heeft om dat te controleren, en binnen die tijd kunnen er nog lijken uit de kast vallen.”
“Het mijne, bijvoorbeeld,” verwoordde hij een gedachte die hem al de hele tijd bezig hield. Hij had Henry en Selene er na een intense ruzie van overtuigd om enkele dagen in een anonieme maanpod door te brengen terwijl hij zelf Jemma zou contacteren.
“Of dat van uw naasten,” voegde Jemma er aan toe, “Ik ga eerlijk met u zijn: de verdwijningen van de wetenschappers zijn het topje van de ijsberg. Er zit een patroon in de moord- en verdwijningszaken van de laatste weken, en al onze zenuwen bij AntPol staan gespannen. Als u nu het definitieve bewijs heeft geleverd waardoor we dit kunnen stoppen, zullen we u zeer dankbaar zijn.”
“En… hoe zit het dan met mijn…”
“Uw beloning? Die –”
“Ik bedoelde mijn bescherming.”
Voor het eerst kon hij niet anders dan tonen dat hij doodsbang was. Jemma lachte hem niet uit, maar keek hem intens aan.
“U moet blijven doorwerken aan uw analyse voor Nørkjell. De tweedelijnscontrole is het laatste wat hij nodig heeft vooraleer hij Arcturus kan lanceren, en uitstel zal u alleen verdacht maken, net als de aanwezigheid van AntPol-mensen in uw buurt.”
“Maar wat als ze besluiten om me te vermoorden of te doen verdwijnen?”
“Dat zal pas gebeuren op 25 februari of daarna.”
Walther was daar nog niet zo van overtuigd.
“Ik heb dus geen enkele garantie?”
Jemma perste haar vingers samen en beet op haar bovenlip.
“Ik zal mijn best doen. In tussentijd verlaat u best uw appartement niet.”
“Ik moet soms reizen voor andere jobs.”
“Verzin iets.”
Walther zuchtte en schoof het bakje nauwelijks aangeraakte sushi terzijde.
“Alsjeblieft. Ik wil hier geen spijt van krijgen.”
Zijn openheid leek eindelijk een barst te slaan in het politiepantser van Jemma, die hem nu terug lang aankeek, tenslotte haar vingers uit elkaar haalde en haar handen plat op tafel legde.
“Wat weet je over Locusta?”

Verder naar deel acht.

dinsdag 28 januari 2014

Het Arcturus-project (VI)

Uit: “Lessen voor een multipolair zonnestelsel”, door Prince Freeman (2127, Liberian Publishing, LUN)

Verschillende historici hebben parallellen getrokken tussen de positie van de Verenigde Staten van Amerika in het begin van de 19de eeuw en die van het Antarcticaanse Gemenebest in het begin van de 22ste, maar die vergelijking loopt mank. Men vergelijkt de beloftes van de liberale democratie van toen met die van het ecologisch-progressief denken van nu, maar in de praktijk blijkt de macht van de traditionele corporatieven over Antarctica groter dan die van het ancien régime-denken over de Verenigde Staten. Als men dan toch een beroep doet op idealisme, kan men wel zeggen dat het Antarcticaanse Gemenebest nog geen enkel… […]

6. Planetenpagode, Shackleton, Amundsenfederatie

Henry had er een aangename voormiddag op zitten. Zijn tekeningen waren elk zichtbaar wat gevorderd, en daardoor was hij weer op schema gekomen, en dat nog voor de aankomst van Walther. Ondanks Walthers sombere stemming was dat aangename gevoel nog altijd niet verdwenen. De hemel boven de Planetenpagode was kristalblauw en zo smetteloos als een leeg doek, en vele dik ingeduffelde wandelaars die langs de banen van de planeten in het park gingen, dampten van de meegebrachte thermossen koffie, chocolademelk of likeur.
De Planetenpagode was één van de hoogste punten van Shackleton, gebouwd op een heuvel die ijsvrij gehouden werd en waar de wind in convexe banen moest omgeleid worden om geen schade aan het broze, hoge bouwwerk te veroorzaken. De rest van Shackleton was zoals de meeste Antarcticaanse steden laag gebouwd, met dicht opeengepakte huizen, brede straten met obstakels en verwarmingseenheden, en vele kleuren die alleen in de zomer zichtbaar waren. Als Henry achterom zou kijken, zou hij het waaierpatroon van de straten netjes kunnen volgen, en de indruk krijgen dat hij en zijn halfbroer zich bevonden in het centrum van een ingeslapen gemeente aan de rand van een oude gletsjer, met de zee en haar koud schuim steeds binnen handbereik, en waar nooit iets meer gebeurde dan iemand die er pittoreske foto’s wou komen schieten of alleen op expeditie wilde gaan langs de lage, brokkelige kusten eens die ijsvrij waren.
Niets was minder waar. Shackleton was ondergronds vier keer zo groot en reikte tot bijna een halve kilometer in het permafrost, met bubbelflats, schachten, tunnels, musea, kantoorgebouwen en fabrieken die uitmondden in onderzeese afleverhavens.
“… vond ik ook wel dat ze een betere acteur hadden kunnen kiezen. Is Taglieri intussen niet te oud voor dit soort rollen?” kwam Walther aan het einde van een betoog over een film die ze onlangs allebei gezien hadden.
“Goh, dat stoorde me niet zo,” zei Henry.
Ze hadden allebei een donkerblauwe jas aan, en hun neuzen waren rood van de kou. Ze waren net de baan overgestoken van Neptunus, maar de planeet bevond zich aan de andere kant van de Pagode. Kinderen renden voor hen uit en eentje struikelde bijna.
“Je kan maar zo lang een geloofwaardige arbeider spelen, vind ik, en Taglieri is met ouder worden te deftig geworden voor dat soort drama’s,” zei Walther.
“Wie was dan beter geweest?”
“Boerhaave misschien, die heeft er wel de juiste kop voor,” zei Walther.
“Zijn laatste werk vond ik er nogal over.”
“Dat is gewoon zijn stijl.”
“Niet m’n ding.”
Henry had op een blauwe maandag zelf nog in een paar kleinschalige theatervoorstellingen geacteerd voordat hij zich definitief op de tekenkunst gestort had, en had zich altijd gestoord aan acteurs als Jan Boerhaave, die gewoon van hun uiterlijk hun carrière gemaakt hadden, met slechts een minimum aan talent.
“Het kan niet altijd super-artistiek zijn,” zei Walther.
Henry haalde z’n schouders op, en er viel een stilte terwij beide mannen verder wandelden over de aangegeven paden. Ze naderden de baan van Uranus. De planeet kwam van links naar hen toe en zette de omgeving in een groene gloed. Ze bleven staan en keken naar boven.
“Fantastische kleur, niet?” vroeg Henry.
Walther knikte afwezig. De holo’s van de planeten en hun koninkrijken aan manen waren gebaseerd op live-opnames van sattelieten. Henry en Walther keken in stilte toe hoe Uranus, met zijn karakteristieke, loodrecht staande ringen, voorbij kwam. De grootste manen waren eveneens duidelijk zichtbaar. Geen van hen raadpleegde de databanken.
“Je hoeft het niet te zeggen,” zei Henry toen voorzichtig, nadat Uranus weg was, “maar waarom ben je me eigenlijk komen opzoeken?”
Walther kreeg een verveelde trek om z’n anders onexpressieve mond. Hij draaide zijn hoofd en tuurde naar een punt in de verte, waar het lawaai van de spelende kinderen nog net hun oren bereikte.
“Werkstress,” zei hij, “ik… werk mogelijk indirect mee aan een misdaad.”
“Voor Omn¡tek?”
Walther knikte.
“Waarom denk je dat?”
Hij trok z’n wenkbrauwen op en keek Henry aan.
“Ze hebben me gebeld van de AntPol of ik wilde meewerken. Het moet belangrijk zijn, want in ruil beloofden ze me om m’n steriliteit ongedaan te maken.”
“Hm. Ga je het doen?”
“Omn¡tek is een belangrijke klant voor data. Toen ik Nanxiang verklikte voor hun onethische praktijken, heb ik lang moeten zoeken naar een nieuwe klant die zo veel wilde betalen. Ok, ze zeggen wel dat ik een goeie analist ben, maar bedrijven willen liever geen analist die deeltijds als spion werkt voor de AntPol. En eerlijk is eerlijk, Henry: als het mij niet direct aangaat, waarom zou ik de brave burger uithangen?”
Nu was het Henry’s beurt om z’n wenkbrauwen terug op te trekken.
“Kom, we wandelen verder,” zei Walther, en ze zetten hun wandeling voort naar de baan van Saturnus. Ver boven hun hoofden krulde de excentrische baan van Sedna als een rood puntje.
“Als de AntPol dat aanbod gedaan hebben,” zei Henry, “moet het een zeer gewichtige zaak zijn.”
“Allicht,” zei Walther laconiek.
“Ik bedoel: dit kan wel eens ernstig zijn, ook voor jou.”
“Ja, maar ik weet niet eens wat voor data het is. Geneesmiddelen, dat wist ik ongeveer.”
Henry dacht aan zijn ontmoeting met Osvald Nørkjell.
“Ik heb Nørkjell vorige week ontmoet.”
“Echt?” vroeg Walther onenthousiast.
“Ik moet op persoonlijke commissie een paar kunstwerken voor hem maken.”
“Dat zal ook niet slecht betalen.”
“Nee. Mijn deadline is dezelfde als de jouwe: 25 februari. Ik vond dat… opmerkelijk.”
Walther ging weer stilstaan en keek Henry met intense concentratie aan. Henry kende die blik goed genoeg, en wist dat die betekende dat zijn halfbroer in een soort versnelde tijd aan het nadenken was.
“Wat moet je precies maken?”
“Tekeningen rond kwetsbaarheid en gevaar. Er mochten alleen mannen in voorkomen.”
Walther maakte een gebaar met zijn vinger en haalde datavoorstellingen boven die alleen hij kon zien. Henry bleef geduldig staan terwijl Walther de data deed cascaderen en ook met zijn andere hand dingen begon samen te stellen.
“Heb je thuis een atox-verbinding?” vroeg hij toen aan Henry.
“Nee, maar ik stel me voor dat jij er een kan instellen.”
“Ja.”
“Zal Selene straks thuis zijn?”
“Misschien. Is het zo’n groot geheim, misschien?” vroeg Henry, “Je kan Selene vertrouwen, hoor.”
Walther wuifde zijn data weg, en daarmee ook Henry’s opmerking.
“Neem het niet persoonlijk. Hoe minder mensen hiervan weten, hoe beter. Het is een vermoeden, niets meer, maar ik moet het controleren.”
Henry voelde zijn hart wat zinken omdat hij had gehoopt nog tot het centrum van de pagode de wandelen. Saturnus zweefde op enkele meters afstand voorbij.
“Je wil naar huis dan, zeker?” vroeg hij.
“Ik betaal je eten wel,” zei Walther, toen hij Henry’s teleurstelling gemerkt had, “En Selene is ook welkom, trouwens.”
Henry sloeg hem op de schouder, en ze begonnen richting Shackleton terug te wandelen.
“Laat maar zitten. We zetten onze wandeling een andere keer verder.”
“Bedankt.”

Verder naar deel zeven.

zondag 26 januari 2014

Het Arcturus-project (V)

Uit: "Meest gedeelde artikels van 2131!"

 •Toch bewijs van leven op Europa?
 •25 dingen die u moet weten over werken voor de concerns.
 •De fusieramp van Lyon: wat iedereen fout deed.
 •Virtuele kloon van Quasa gebruikt voor 'seksuele doeleinden'
 •Ultropiaten legaal op de Maan

5. Hoofdkwartier Antarcticaanse politie, Dralnau, Getz

“Ben je hier nog altijd?”
Jemma schoof het scherm in haar oogdisplay weg met een knippering en zag in het tegenlicht Charis Morrigan staan.
“Jij ook, blijkbaar.”
“Uitzonderlijk,” zei Charis, die er in het zwarte kantooruniform van de AntPol altijd uitzag als een strenge onderwijzeres uit een ander tijdperk. Alleen haar ronde gezicht gaf een hint prijs dat ze niet zo hard was als ze zichzelf presenteerde, maar haar specialisatie vereiste dan ook een zekere hardheid.
“Weer veel doden?”
Charis trok een gezicht.
“Valt mee. Je hebt er misschien over gehoord. Een jong koppel.”
“Ah. Het koppeltje dat ze dood terugvonden in de Magische Tunnel?”
Charis knikte. Jemma nam een moment om achterover te leunen in haar stoel, en strekte haar armen uit.
“Tragisch.”
De Magische Tunnel was een afgedankte ondergrondse militaire baan die Getz en McMurdo met elkaar verbonden had, maar nu allerlei obscure subculturen huisvestte. Criminaliteit had er vroeger welig getierd. Nu was het er al een decennium rustiger, sinds de komst van veel studenten die niet moesten weten van de donkere appartementen in McMurdo of zich de atox-studio’s niet konden permitteren. Jemma gaf hen geen ongelijk.
“Tja. Veel verdachten om te ondervragen.”
Charis en Jemma waren tegelijk bij de AntPol aan hun opleiding begonnen, nu 16 jaar geleden, en waren altijd contact blijven houden, hoewel ze zich in andere takken gespecialiseerd had.
“En jij? Nog altijd aan het werken aan dat dossier over Omn¡tek?”
Nu was het Jemma’s beurt om te knikken, en daarbij zuchtte ze onwillekeurig.
“Zin om erover te praten?”
“Ik kan je niet te veel vertellen.”
“Dat weet ik.”
“Ga zitten, dan. Koffie?”
Jemma was eigenlijk dankbaar dat Charis even was komen praten, en was er zich nu pas bewust van geworden hoe akelig stil en donker het op het bureau was. De dagen van licht slonken zienderogen. Ze nam een mentale nota om volgende week haar vitaminenkuur te starten.
“Doe maar.”
Jemma liet het apparaat op haar bureau twee tassen koffie inschenken.
“Wel,” zei ze toen, terwijl Charis was gaan zitten en haar beringde handen over haar gekruiste benen gelegd had, en zoals altijd Jemma aandachtig in zich opnam, “We weten van twee informanten dat Omn¡tek bezig is met een project waar we alleen van weten dat het ‘Arcturus’ heet, en dat het onder een geheime dochterfirma uitgevoerd word die banden heeft met de biotech-afdeling van Omn¡tek. Er zijn ook drie patentaanvragen voor uiteenlopende farmaproducten, ogenschijnlijk vruchtbaarheidsmiddelen.”
“En scheelt er iets aan die patenten?”
“Ze doen niet wat ze horen te doen. Het is te zeggen, ze doen niets. Dat is niet alleen Omn¡teks gewoonte niet, om placebo’s op de markt te brengen, maar ze hebben ook nergens commerciële plannen neergelegd bij de Commissie om iets met de patenten te gaan doen.”
“Dat is zo ongewoon niet,” zei Charis met een frons.
“Nee, maar onze beide informanten zijn drie weken geleden verdwenen. Het laatste dat we weten, is dat één van hen onderweg was naar Johannesburg. De andere is laatst thuis gesignaleerd. Geen spoor van inbraak.”
“Bedrijfsspionage?”
“Farma-ingenieurs vermoorden is niet de stijl van de grote concerns. Die gaan subtieler te werk.”
“Solkova zou het durven.”
“Solkova doet metaal en elektronica, geen farma.”
“Wat denk je dan dat er aan de hand is?”
“Ik weet het niet. We hebben mogelijk een andere informant, een data-analist die een reeks data gekregen heeft die te maken heeft met het Arcturus-project, maar hij wil voorlopig niet meewerken.”
“Vervelend,” gaf Charis toe, “en met onze beperkte middelen…”
“De dingen zijn wat ze zijn. Herschel ziet er streng op toe,” zei Jemma met een zure glimlach, “dat we netjes binnen de lijntjes kleuren. Lijntjes die mee bedacht zijn door concerns als Omn¡tek, trouwens.”
Charis haalde de schouders op.
“Goed. Wat is het ergste dat het Arcturus-project zou kunnen zijn? Als je mijn eerlijke mening wil: Osvald Nørkjell is een excentriek figuur, maar tot hier toe heeft Omn¡tek nauwelijks een criminele geschiedenis.”
“Dat is het juist,” pikte Jemma daar op in, “Dat is verdacht.”
“Vind je dat nu niet wat paranoïde?”
“Bewijs maar eens m’n ongelijk. Kijk,” en hierbij toverde op haar bureaublad een aantal andere dossiers tevoorschijn, “dit zijn vier casussen van organisaties en bedrijven die altijd binnen de wet opereerden, weinig fout deden, een goed imago hadden, maar plots uit het niets volledig van de rails gingen. In elk geval was het terug te leiden op hun oprichter zelf, niet op één of ander figuur dat uit het niets de macht greep.”
Charis trok de dossiers naar zich toe.
“Casuïstiek is één ding, maar harde bewijzen zijn een ander.”
Jemma dronk van haar koffie.
“Dat weet ik. Er is nog één nieuw element opgedoken, gisteren. Ze heeft het goed proberen verbergen, maar op de ruimtehaven van Krasnopol’ is iemand aangekomen waarvan we vermoeden dat het Locusta is.”
“Locusta?”
Locusta was de bijnaam van één van de beruchtste huurmoordenaars in het zonnestelsel. Bij haar eerste moorden had de politie gedacht dat ze te maken hadden gehad met een psychopaat, maar telkens had men de moorden kunnen terugbrengen naar criminele syndicaten of rijke individuen. Soms waren de opdrachtgevers geklist geweest, maar Locusta hadden ze nooit kunnen pakken.
“Maar… heb je aanwijzingen dat Omn¡tek haar heeft laten komen?”
“De encryptiecode van haar persoonsdata is een code die maar door twee bedrijven gebruikt wordt: Omn¡tek en Embraer.”
Charis zweeg even.
“Dat begint op iets te lijken.”
“Maar niet genoeg. Ik hoop dat die data-analist nog toehapt.”
“Ik hoop het ook voor jou.”
Ze dronken allebei van hun koffie.
“Hoe zit het met jouw onderzoek?” vroeg Jemma toen.
“We hebben twee mogelijke verdachten. Het lijkt me op het eerste zich een liefdesrivaliteit geweest te zijn.”
“Kennen je verdachten elkaar?”
“In de Magische Tunnel kent iedereen elkaar, maar ze hadden geen sterke band,” zei Charis, “We zijn ook nog maar twee dagen ver. De dubbelautopsie moet nog gebeuren.”
Jemma fronste en schakelde, terwijl ze in haar koffie roerde, één voor één haar implantaten en verbindingen uit. Dat gaf haar altijd een gevoel van weldadige rust.
“Gruwelijke dingen,” zei ze, in haar koffie kijkend, “het verbaast me dat jij goed slaapt.”
“Dankzij pillen,” zei Charis, “maar liever ik die dat soort gruwel zie, dan anderen.”
Jemma dacht aan foto’s die ze gezien had van half-weggerukte gezichten, verminkte genitaliën, mensen die onder een trein gesprongen waren, of de bestanden die gelekt waren van de Kannibaal van Nymosk, drie jaar terug. Ze had die een plaats gegeven, net zoals elke inspecteur en elke agent dat probeerde, maar op momenten van grote vermoeidheid leken die beelden als lawines terug naar beneden te komen, en zag ze soms voor haar geestesoog de laatste momenten van de slachtoffers.
“Laten we onszelf echter niet te veel op de schouder kloppen,” ging Charis toen verder, “we hebben dit werk gekozen, we wisten waar we aan begonnen.”
“Niet iedereen is zo. Ik denk niet dat onze goeie vriend Herschel altijd beseft wat voor werk hij doet.”
“Pas op wat je zegt,” zei Charis, “ik heb gehoord dat hij afluisternano’s heeft rondzweven door het gebouw.”
“Daar is hij nog niet sluw genoeg voor,” grijnsde Jemma.
Charis glimlachte haar zuinige leraressenglimlach, en dronk haar koffie leeg. Ze stond op, en trok haar jasje terug recht.
“Het is voorbij negen uur. Ik ga een glas drinken in 'Carpenter’s' op de hoek. Wat denk je?”
Jemma knikte langzaam, terwijl Charis al enkele passen achteruit gezet had.
“Ich komme sofort.”

Verder naar deel zes.

zaterdag 25 januari 2014

Het Arcturus-project (IV)

Uit: “FEMTOµanifest”

Resolutie 806 is een schande voor de hele mensheid en is in niks beter dan Lebensborn van de nazi’s, het Eénkindbeleid van communistisch China of het Reveil van fascistisch Rusland. Niet alleen onttrekt de rijkste klasse zich overal ter wereld makkelijk aan de Resolutie, ze zadelt veel mannen op met een gevoel van doelloosheid en nutteloosheid. Resolutie 806 heeft daarbij ook het perverse effect dat de ‘gezonde’ mannen – overwegend rijke medioren uit Europa, Oost-Azië en Antarctica – nog maar eens een extra wapen in handen krijgen die hen macht verschaft over vrouwen met een kinderwens. 

4. Sushi Boss, McMurdo, Transantarctica
“Dus,” zei Lucia, “Als ik het goed versta, is Omn¡tek volgens de AntPol bezig met verdachte dingen, en heeft jouw opdracht voor hen daarmee te maken, en zijn ze zo wanhopig dat ze aangeboden hebben om je steriliteit op te heffen.”
“Daar komt het op neer,” zei Walther. Hij en Lucia zaten tegenover elkaar in de ‘Sushi Boss’, één van Walthers favoriete sushibistro’s in McMurdo die geen eigendom was van één van de grote drie ketens en waar hij zich altijd op zijn gemak voelde. Het hielp vandaag maar weinig.
“Maar ik dacht dat je helemaal geen kinderen wilde?”
“Dat is juist,” zei Walther, die al klaar was met eten en zijn stokjes bedachtzaam parallel naast zijn bakje parkeerde, “maar je weet ook dat het meer is dan alleen kinderen op de wereld zetten.”
Lucia glimlachte een bijna verontschuldigende glimlach, en Walther ergerde zich aan zichzelf dat hij zich laafde aan haar medelijden, maar het was zo.
“Je moet ook realistisch zijn,” zei Lucia, “Het is niet omdat je plots niet meer steriel bent, dat de vrouwen uit de hemel zullen komen vallen.”
“Dat weet ik ook wel, maar het vergroot alleszins mijn kansen.”
Lucia knikte. Ze waren al jaren bevriend en zij was vorig jaar getrouwd met Carl. Zijn ogen dwaalden naar een onbestemd punt op de muur achter Lucia, die intussen verder at.
“Dat hele systeem is toch onrechtvaardig, hé, als je er bij stilstaat. Waarom moesten het mannen zijn die die behandeling moesten ondergaan?” zei hij, “Versta me niet verkeerd: ik begrijp dat het een manier was om de overbevolking aan te pakken, maar waarom niet bij beide geslachten?”
“Heb je weer artikels zitten lezen van de Mannenvrienden?” vroeg Lucia.
“Nee, ja, je moet toch toegeven dat ze een punt hebben op dat vlak.”
“Je weet zelf ook dat het te maken had met twee dingen: het is medisch simpeler om bij mannen te doen, minder destructief en bovendien was er nog het aspect van de zaadkwaliteit.”
Walther schamperde maar zei niks. Hij wist wel dat ze gelijk had en dat de Mannenvrienden een misogyne groepering waren, maar er waren momenten dat hij sympathiseerde met hun pijn. In feite was niemand gelukkig geworden van Resolutie 806, zoals ze bekend stond.
“Kom nu Walther,” zei Lucia, die nu ook klaar was met eten, “We weten allebei dat Resolutie 806 een ramp was, maar niet om die redenen. Minder kinderen op de wereld was wel degelijk een goed idee en zorgde voor een afname van honger, watersnood en ziekte in Azië en Afrika. Maar je weet ook dat feministische groepen op voorhand gewaarschuwd hadden dat geweld tegen vrouwen er niet mee ging afnemen, laat staan dat we plots een ruk voorwaarts gingen maken in macht. Op dat vlak zitten we al 75 jaar in hetzelfde limbo, wat de Mannenvrienden ook zeggen.”
“Ik weet het, ik weet het,” gaf Walther zich gewonnen. Hij las ook het nieuws. Sommige groepen steriele mannen hadden zich op diverse plaatsen op de wereld teruggetrokken en hadden een reputatie van agressie en seksueel geweld. Op Antarctica waren ze niet met veel, maar ze waren aanwezig genoeg om af en toe de media te halen. Het waren gebroken mannen, maar soms kon Walther het niet helpen dat hij begreep waarom ze zo kwaad waren.
Geruisloos nam een kelner de sushibakjes en de stokjes weg.
“Wil je nog koffie?” vroeg Walther toen.
“Waarom niet?”
“Ik betaal wel,” zei hij in een opwelling.
“Dat is lief. Maar wat ga je nu doen met de politie en met Omn¡tek?”
Walther voerde de bestelling voor koffie in en vouwde nadien zijn handen voor zijn mond.
“Wel, ik ga het alleszins niet vertellen aan Omn¡tek. Als je m’n eerlijke mening wilt, vind ik het een griezelig bedrijf. Er is ook niets dat me er contractueel toe verbindt te zeggen dat de AntPol mij gebeld heeft. Ik geef mezelf een week, en contacteer dan de AntPol opnieuw.”
Hij dacht terug aan het gezicht van Jemma Paxton-Rügen, slim en scherp, met de bedaarde ervaring van iemand die vast al 20 jaar in het vak zat. Door haar suggestie was de gedachte ook onontkombaar aan hoe het zou zijn om seks met haar te hebben, hoe onbetamelijk die gedachte ook was, maar het was ook een feit dat de AntPol-officier volkomen zijn type was. Walther had altijd al een zwak gehad voor oudere vrouwen. Vermoedelijk, zo had zijn intussen overleden oudere broer ooit beweerd, omdat Walther Ernst zelf oud geboren was geweest en zijn achternaam allesbehalve gestolen had. Ja, Konrad, die zou wel geweten hebben hoe hij uit deze knoop zou moeten raken.
“Ga je intussen doorwerken?” haalde Lucia hem uit zijn gedachten.
“Nee. Ik kan het niet. Het is niet echt een probleem, want ik zat toch voor op schema. Het is geen gecompliceerde dataset. Het probleem is dat ik niet kan ophouden met nadenken waarvoor de data bestemd is. Biologische wapens? Financiële constructies? Ik word er ook zo paranoïde van.”
“Nog meer dan anders?”
“Lach maar. Je weet toch ook dat de corporatieven en de FedPol schrikbarend veel over je weten, hoewel je niets misdaan hebt?”
Hij verwees naar een kleine verkeersboete die Lucia drie jaar geleden had geconfronteerd met de alwetendheid van gouvernementele instanties. Ze keek weg van hem door het venster, naar een willekeurige voorbijhanger. Walther wist dat er aan de overkant van de straat nog een aantal eetgelegenheden waren die hun boodschappen probeerden uit te zenden naar al wie wilde luisteren, of niet kon weigeren om te luisteren.
“Al goed dan,” zei Lucia toen, “Misschien moet je er gewoon even uit?”
“Hmm,” zei Walther, nog steeds met zijn handen samengedrukt als in een antiek gebed, “Waarheen, dan? Mijn appartement hier is comfortabel, en ik heb niet zoveel zin om zonder reden te gaan rondhangen bij mensen aan wie ik dit niet kwijt wil en geen atox-verbinding hebben.”
Lucia dacht mee na met hem.
De kelner kwam met de koffie. Walther knikte gedachteloos als bedanking, en betaalde met zijn duim.
“Kan je je broer niet opzoeken? Die woont een eind weg van McMurdo, dat helpt misschien.”
Walther trok zijn wenkbrauwen op.
“Daar had ik nog niet aan gedacht.”
Zijn gezicht verduisterde echter al weer snel.
“Laat maar. Die is ook bezig aan een opdracht voor Omn¡tek, voor zo ver ik weet.”
“Tja. Jij moet het weten.”
“Aan de andere kant,” zei Walther aarzelend, alsof hij Lucia’s opmerking niet gehoord had, “Henry is buiten jou de enige persoon die ik nu vertrouw, ondanks de afstand. Hij heeft ook niet de gewoonte om vervelende vragen te stellen.”
“De AntPol zal het misschien wel interessant vinden dat je bij hem zit. Wees maar zeker dat ze weten dat je broer ook voor Omn¡tek werkt, momenteel.”
“Zijn project heeft niks te maken met het mijne, dus ik zou geen idee hebben wat ze met die informatie zouden zijn,” wuifde Walther dat weg. Hij voelde zich op slag beter.
Ze namen allebei een slok van hun koffie.
Hij dacht aan Henry’s appartement in Shackleton, een voor zijn inkomensklasse ruim geval met hoge witte muren, en het contrast met zijn eigen smalle bezemkast die vol stond met technologie. Shackleton was te hip en te kaal naar Henry’s smaak, en bovendien kon je er ook niet veel doen bovengronds, in tegenstelling tot McMurdo, maar een verandering van landschap zou goed doen. Nu maar hopen dat Henry ook tijd had.
“Ik bel hem vanavond,” zei Walther toen, “Bedankt om naar mij te willen luisteren.”
Lucia glimlachte haar allercharmantste glimlach.
“Soms ben je ook wel een lieverd. Beloof me alleen geen artikels meer te lezen van de Mannenvrienden.”
“Wel, het zijn alleszins mijn vrienden niet.”
“Best.”
Ze toostten met hun kopje koffie en dronken het haast ritueel leeg.

Verder naar deel vijf.

vrijdag 24 januari 2014

Het Arcturus-project (III)

Uit: “Wie is Osvald?”, Shiang Magazine, jaargang 82, nummer 7 (2133)
 

De zesde rijkste man ter wereld houdt er net als zijn bedrijf een excentriek imago op na. Osvald Nørkjell laat zich er op voorstaan dat hij een maand alleen kan overleven in de ijswoestijnen van Antarctica. Hij weigert present te tekenen op onderonsjes van de industriële elite en hij geeft nooit interviews. Het is niet dat zijn bedrijf, Omn¡tek, niet verstaat hoe het moet communiceren: integendeel, de haast religieuze zwijgzaamheid van Omn¡tek maakt het één van de bekendste bedrijven van het zonnestelsel, en in de luttele twintig jaar dat het nu bestaan heeft, lijken Nørkjell en zijn uitvindingen dezelfde weg op te gaan van andere legendarische bedrijven zoals Tesla, Ygg, Apple, Juneau en EnCoin: die van een onderneming en een ondernemer die de wereld diepgaand veranderden.

3. Omn¡tek-hallen, Elisabeth, Enderbyland

Henry Bei zat in de ruime, melkwitte wachtkamer van het Omn¡tek-hoofdkwartier, en keek rustig rond. Hij was de enige persoon in de kamer. Een deurloos deurgat, in de vorm van een honingraat, gaf uitzicht op de balie in de inkomhal, waar door glas-in-lood gefilterd zonlicht naar binnen zwom over de twee receptionisten, die allebei met hun eigen werk bezig waren. Henry vermoedde dat er tijdens de winter kunstlichten op zaten om het contrast in de sobere hal nog te vergroten.
De wachtkamer was net als het deurgat zeshoekig en bevatte vier gemakkelijke stoelen van design dat hij herkende van de academie waar hij zijn opleiding gevolgd had. In pseudoserie geproduceerd, allicht, misschien een origineel ontwerp van Ulrike Cheng. De bekleding van de stoelen had dezelfde kleur als de muren. De kamer had geen internettoegang.
Voor de gelegenheid had Henry zijn enige kostuum aangetrokken, een donkerblauw pak met vierkante knopen en een lichte krijtstreep, die zijn lange gestalte benadrukten en het contrast tussen zijn olijfkleurige, Chinese gezicht en zijn helderblauwe, Westerse ogen benadrukten.
Op aanraden van de receptionisten had Henry zijn telefoon uitgeschakeld. Daar had hij weinig problemen mee.
“Meneer Bei?”
In het deurgat was ongemerkt een androgyne vrouw verschenen met een valse pelskraag. Henry stond op en stak zijn hand uit, die de vrouw aarzelend aannam, alsof het in het Omn¡tek-gebouw niet de gewoonte was om de hand te schudden.
“Meneer Nørkjell verwacht u.”
Hij knikte en volgde haar terug de inkomhal in, waar traag de lichteffecten van het glas-in-lood raamvenster over de grond leken te vegen en de receptionisten onverstoord hun werk verderzetten. De vrouw loodste hem een andere honingraat in, ontsloot twee duwvelden en ging met hem nog twee gangen in. Ze passeerden verschillende deuren zonder opschrift. Op elke deur was het logo van Omn¡tek ingebrand, net boven het codeslot, nauwelijks merkbaar.
Henry voelde zich opgelaten, maar had geen idee wat Osvald Nørkjell met hem wenste te bespreken, dus had hij er al de hele tijd niet aan proberen denken. Hij vroeg het ook niet aan de vrouw die voor hem uit ging.
Na een korte trap langs nog een gebrandschilderde venstergalerij met een binnenplaats en een scheve gang, kwamen ze aan Nørkjells kantoor, dat evenzeer schuilging achter een anonieme deur. Dubbele verzegeling, merkte hij op.
De androgyne vrouw knikte hem toe alsof hij een zware opdracht tegemoet zou gaan, en verdween toen terug, op hetzelfde moment dat de deur open gleed.
Osvald Nørkjell keek op naar Henry Bei. Hij zat aan een schrijftafel in dezelfde kleur van de inkombalie, met aan weerszijden een computerscherm, en achter hem een zeshoekig projectiescherm dat een gerasterde weergave toonde van de taiga van Enderbyland.
“Meneer Bei,” zei Nørkjell, “welkom. Gaat u zitten.”
Zelf stond hij niet op. Henry had het gevoel dat de leider van Omn¡tek al even vreemd zou reageren op een uitgestoken had als de vrouw van daarnet, dus ging hij zonder meer zitten. Nørkjell droeg een zwart pak met een streep van cyaan die van zijn hals tot onder zijn hemd liep. Net als op de foto’s had hij een sterke, wilskrachtige kin, en jonge ogen die omgeven werden door veel lijntjes en kraaienpootjes. Windlijnen, noemden Antarcticanen dat.
“Bedankt dat u tijd kon maken voor ons,” zei Nørkjell in het Chinees, “of heeft u liever dat ik Engels praat met u?”
“Het is voor mij hetzelfde,” antwoordde Henry zelf in het Chinees, “Ik voel me even goed thuis in beide talen.”
“Dat is waar,” zei de bedrijfsleider opgeruimd, terwijl hij zijn beide, harige handen op elkaar legde, “U bent het product van vele culturen hier op Antarctica. Een uithangbord, als het ware.”
“Dat zou ik niet durven beweren,” zei Henry voorzichtig.
“Natuurlijk niet,” glimlachte Nørkjell, “U bent artiest, en artiesten zijn per definitie geen uithangborden. Artiesten zijn meestal misbegrepen, of men wil er iets van maken dat ze niet zijn.”
Henry glimlachte terug.
“Goed, ik hoef u niet te vertellen wat een artiest is. U bent er zelf één, en ik niet,” zei Nørkjell nog, “Dus ter zake nu. U bent bezig aan een kunstproject voor ons, juist?”
Henry vroeg zich af waarom zo veel machtige mensen vragen stelden waar ze eigenlijk het antwoord al op wisten, dus zei hij niets.
“Onze medewerker die u gecontacteerd had, mevrouw Bagajeva, toonde me uw concepten, en ik was onder de indruk van uw vermogen tot synthese. Ik heb ook even uw portfolio doorgenomen.”
Op een mentaal commando werd het projectiescherm ingenomen door een mozaïek van Henry’s werk. Het voelde vreemd aan het hier in deze context te zien.
“Ik vind het interessant dat u een heel eigen interpretatie geeft aan Antarcticaanse thema’s als leegte, uitgestrektheid en maakbaarheid,” – en hierbij zoomde hij in op één van Henry’s recentere werken, “door u te focussen op het particuliere als schaduw van het collectieve.”
Henry neeg het hoofd. Het uitvergrote werk was van een knielende bedelaar die een onnatuurlijke schaduw wierp over de trappen van het waterstation van Nesami. Hij hield zijn hoofd naar beneden, en zijn handen waren vuil, maar de schaduw had duidelijk scherpere randen, als messen.
“Hier bijvoorbeeld,” zei Nørkjell, terwijl hij nu zelf naar de tekening keek, “zag ik onmiddellijk het kwetsbare van de bedelaar – de verstoteling – en tegelijk ook het eeuwige gevaar dat hij voorstelt.”
Bei kon nu niet anders dan glimlachen, want zo had hij zijn eigen werk precies opgevat. Nørkjell schoof terug naar de mozaïek en keek Henry nu strak aan.
“Wat zou u ervan zeggen om nog enkele opdrachten te doen, maar dan voor mij persoonlijk?”
Henry trok zijn wenkbrauwen op.
“Ik...”
“Voor u antwoordt,” hield Nørkjell hem met een handgebaar tegen, “Mijn korte uitweiding over artiesten meende ik. Ik wil u niet als uithangbord van mijn eigen geld of roem. Noch ik, noch Omn¡tek zijn op die principes gestoeld, en ik wil ook niet dat u er reclame mee zou maken dat uw opdrachten van mij komen. De vergoeding zal weliswaar royaal zijn, maar het is geen egokwestie. Het is een zaak van kunstliefhebber tot een kunstenaar.”
“Wel, ik ben verrast,” zei Henry naar waarheid, waarbij hij weer moest glimlachen, “dus... ik ben zeker geïnteresseerd. Waar had u precies aan gedacht?”
“De invulling laat ik natuurlijk aan u over, maar ik zou graag op drie bij drie meter een tekening willen voor elk continent dat de problematiek behandelt als in die tekening van u die we daarnet bekeken hebben. Gevaar en kwetsbaarheid, met andere woorden.”
Voor het eerst vond Henry het jammer dat zijn telefoon uitgeschakeld was, want nu kon hij geen notities maken. Alsof Nørkjell dat geraden had, schoof hij Henry een notebloc en een duidpen toe.
“Dank u,” zei Henry, die onmiddellijk aantekeningen begon te maken.
“U mag de kleuren en materialen gebruiken die u zelf wil.”
Henry knikte en noteerde dat.
“Het is zo,” ging Nørkjell toen verder na een korte aarzeling, wat Henry weer deed opkijken in diens heldere ogen, “dat we hier al enkele jaren een project aan het voltooien zijn dat voor onze firma zeer belangrijk is, en past in het thema waar ik u rond wil laten werken. Maar wetenschap heeft kunst nodig, snapt u? Ik heb het hier bewust niet over producten en marketing, want dat is het niet.”
Henry knikte opnieuw. De bedrijfsfilosofie van Omn¡tek was bekend genoeg. Hun anti-marketing was hun marketing, hun onorthodoxie was hun orthodoxie.
“Ik heb nog twee vragen,” zei Henry toen.
“Vraag maar.”
“Wilt u er ook dieren in betrekken? En tegen wanneer verwacht u dat ik mijn opdracht afrond?”
“Dieren?” lachte Nørkjell, “Nee, alleen mensen. Excuseert u me: alleen mannen. Dat is belangrijk. De einddatum wil ik graag leggen op 25 februari. Is dat mogelijk?”
Het klonk meer als een bevel dan een vraag. Henry wist dat dat dag en nacht werken zou betekenen.
“Dat moet lukken,” zei Henry.
“U mag uw telefoon even inschakelen, nu. Dan kunnen we het contract opmaken.”
Henry maakt de imprint en voerde de code in. Allerlei programma’s kwamen tot leven over zijn linkeroogdisplay. Nørkjell kaatste het contract naar Henry, die het binnenhaalde en doorlas. Het watermerk van Omn¡tek was duidelijk zichtbaar. De aangegeven data bevatten uitzaaiingen naar zijn agenda. Bij de leveringsdatum had zijn telefoon een nota gemaakt dat die samenviel met het moment dat Walthers huidige opdracht afliep. Hij wilde even vragen aan Nørkjell of dat iets te maken had met zijn eigen opdracht – Walther was immers ook bezig aan een opdracht voor Omn¡tek – maar bedacht zich toen en tekende. Als Nørkjell toch zo grondig de portfolio van Henry doorzocht had, zou hij mogelijk wel weten dat hij en Walther elkaar kenden.
“Zo,” zei Nørkjell toen opgeruimd, “Dat is dan geregeld.”
Hij stond nu eindelijk op, en Henry deed hetzelfde. Osvald Nørkjell was inderdaad net zo imposant als op foto. Hij maakte met zijn vingers de groet die met zijn firma geassocieerd werd, alsof hij de kunstenaar zegende, en achter Henry gleed de deur weer open.

Verder naar deel vier.

donderdag 23 januari 2014

Het Arcturus-project (II)

Uit: “Antarctica: het nieuwste continent”, door Marianne Webber (2129, IIF, Europese Unie)

Hoewel de migratie naar Antarctica, toen het continent opengesteld werd in 2054, initieel klein en verspreid was, ontstond er op basis van het werk en de mentaliteit van haar eedere bewoners, die tot dan toe slechts stations bewoond hadden, snel een mentaliteit die leidde tot een natiegevoel. Antarcticanen deelden een volstrekt unieke omgeving, en dat beseften ze. Ze namen ook deel aan een ongezien project in de geschiedenis: het levensvatbaar maken van de grootste woestijn ter wereld. Er was echter een belangrijk verschil met de eerste kolonisten die arriveerden op de Maan, of de Mars-basissen: Antarcticanen wisten van meet af aan dat ze deel uitmaakten van de hele wereld, haar geschiedenis en haar politiek. De Maan was een mythisch en dood landschap. Antarctica leefde al, en had al een eigen identiteit sinds de late 19de eeuw: ongastvrij maar avontuurlijk. Donker, maar met een messcherp daglicht. En vol van leven, maar ecologisch kwetsbaar.

2. Hoofdkwartier van de Antarcticaanse Politie, Dralnau, Getz

Jemma Paxton-Rügen hield niet van koude koffie. Nog minder hield ze van mensen die haar kwamen vertellen hoe ze haar werk precies moest doen, en momenteel werd ze met beide geconfronteerd.
“Het contact dat we voor je hebben, is betrouwbaar,” verzekerde Logan Herschel haar.
“Als dat contact zou betrouwbaar is, waarom mag ik dan niet weten hoe jullie er aan zijn gekomen?”
Jemma en Logan zaten in Logans veel te grote bureau, waar het enige voordeel het grote venster was, dat uitkeek op de hoekige ijskliffen van Getz.
“Ik kan toch niet alles meedelen?” zei Logan.
Jemma maakte van haar mond een platte streep en blies door haar neus.
“Goed dan.”
Ze ging nog eens door de data die Logan haar gegeven had. Haar eigen code was er nu door aan het gaan op zoek naar inconsistenties, maar zoals gewoonlijk was de info van de FedPol correct samengesteld. Daar waren ze goed in.
Logan wachtte geduldig af, met zijn bleke handen samengevouwen op zijn pastelkleurige schrijfblad.
“Goed,” zei Jemma opnieuw, “Gesteld dat ik die Walther Ernst zo ver krijg om samen te werken en zijn gegevens te delen, hoe ver denk je dat we zullen komen? Hij zal zelf wel weten dat Omn¡tek zijn dataverkeer in de gaten houdt, ook al weet hij niet precies waar hij toe aan het bijdragen is. Hoe meer we willen dat hij doet voor ons, hoe meer hij zal willen weten. Er is bovendien niets in dit dossier waarmee we hem zouden kunnen chanteren.”
“Ik vind ‘chanteren’ een vies woord, Jemma,” zei Logan familiar.
Jemma liet haar koude tas koffie ronddraaien in haar handen in een vergeefse poging om het warmer te krijgen.
“Ik ben niet zo delicaat. Feit is dat we Ernst een reden moeten geven om mee te werken.”
“Je kan altijd schermen met obstructie van onderzoek als hij niet meewerkt.”
“Hij had een GAI-score van 241 voor hij naar de universiteit ging. Dit is een type dat zijn rechten kent.”
Logan trok zijn mond samen als een vlieg.
“Ik heb... een idee.”
Jemma wist nog voor hij sprak, wat het idee van haar baas was, en ze wist dat ze er op in zou gaan. Omn¡tek was gewoon te grote vis om zomaar te laten liggen, en de tijd drong.

Het was makkelijker dan Jemma gedacht had om Walther Ernst te pakken te krijgen over de lijn. Zijn gezicht stond neutraal en kil. Een masker.
“Bedankt om even tijd te maken, meneer Ernst.”
Hij knikte een zo miniem mogelijke hoofdknik. De achtergrond waar hij tegen zat, was kunstgrijs. Ze wist dat hij thuis was, in zijn appartement niet ver van McMurdo, in een buurt waar niet veel jonge mensen woonden.
“U werkt momenteel aan een dataproject voor Omn¡tek, juist?”
“Dat is juist,” zei hij. Hij vroeg niet hoe Jemma dat wist, maar ze kon zien aan hem dat hij zich dat zat af te vragen, en in gedachten allicht al nota’s aan het maken was om de beveiliging van zijn persoonlijke data te verhogen.
“U hebt al recent samengewerkt met ons rond het dossier van Nanxiang en hun overtredingen van de ontginningswetten, en we zijn dat niet vergeten. We zijn daar nog altijd dankbaar voor. Daarom zouden we graag opnieuw een beroep doen op u.”
Hij knikte als teken dat Jemma mocht verdergaan.
“We hebben redenen om aan te nemen dat Omn¡tek bezig is aan een project dat heel veel schade kan berokkenen aan de wereld, en dat u daar momenteel zonder uw medeweten aan meewerkt.”
“Ik mag geen details van m’n werk vrijgeven zonder bevel van de AntPol,” zei Walther.
“Of zonder uw toestemming,” vulde Jemma naadloos aan, “dat weten we, meneer Ernst. U weet overigens allicht niet precies waar u aan meewerkt.”
“Nee,” zei hij vlak, “de datasets hebben andere namen gekregen, en fictionele waarden. Omn¡tek beschermt altijd zijn onderzoek op die manier, en ik ben slechts een controleur in tweede lijn.”
Jemma glimlachte.
“Niet zo bescheiden, meneer Ernst. U geldt als één van de beste data-analisten van Antarctica.”
Hij reageerde niet op dat compliment, maar Jemma wist wel dat het hem vleide.
“Wat zou ik dan moeten doen? Vergeet ook niet dat Omn¡tek me direct weer van m’n taak kan halen als ze dat willen.”
De arm van Omn¡tek was lang. Het bedrijf was dan ook alomtegenwoordig. Hoewel het grote publiek Omn¡tek het beste kende voor zijn AG-racers, ontwierp het ook supersnelle vrachtschepen en had het een uit de kluiten gewassen bio- en farma-industrietak die met haar dynamische progen-geneesmiddelen vooruitgang geboekt had in de strijd tegen diverse vormen van kanker.
“Ons inzage geven in uw data, daar komt het op neer.”
“Dat kan ik niet doen, sorry,” zei Walther.
Jemma rechtte haar schouders.
“Ook niet als er iets is dat wij kunnen doen voor u?”
Zijn al kleine ogen werden nog kleiner.
“Wat stelt u dan voor? Geld interesseert me niet.”
Ze merkte dat hij ongeduldig werd. Met een mentaal commando ging Jemma op haar oogdisplay nog eens na of de lijn beveiligd was. Dat was ze nog altijd.
“We kunnen uw sterilisatie opheffen.”
Walther lachte kort en bitter.
“Excuseer me, mevrouw Paxton-Rügen, maar daar ben ik niks mee. Ik wil geen kinderen.”
“En ook geen partner?” probeerde ze.
Jemma wist dat er veel vrouwen waren die sowieso geen partner wilden die steriel was. Steriele mannen hadden een bedenkelijke reputatie van geweld en frustratie die ze achter zich aan sleepten.
“Dat zijn de zaken niet van de politie,” zei Walther.
“Het spijt me,” zei Jemma, “We dachten u te kunnen helpen.”
Ze wilde zelf geen open vraag stellen naar wat hij wel zou willen, maar ze wist dat Ernst niet het type was dat er zelf over zou beginnen. Hij zweeg nu.
“Dan zal ik u met rust laten,” zei Jemma toen, “Bedankt voor uw tijd, meneer Ernst. Denk nog eens na over ons voorstel.”
“Ok,” zei hij. Hij sloot af.

Verder naar deel drie.

woensdag 22 januari 2014

Het Arcturus-project (I)

Antarctica (Gemenebest van Antarctica)
 

Hoofdstad: McMurdo (Transantarctica)
Inwoners: 18 miljoen
BNP: 3,925 miljoen EUD
Jaar van onafhankelijkheid: 2091
Deelstaten:
•    Amundsenfederatie (2091)
•    Rothera (2091)
•    Orcada (2103)
•    Transantarctica (2091)
•    Noord-Ellsworth (2091)
•    Zuid-Ellsworth (2091)
•    Getz (2091)
•    Nova Joegokraïna (2097)
•    Zhongshang (2103)
•    Enderbyland (2091)
•    Nesami Vrijstaat (2125)
Staatshoofd: Commissaris-generaal Cao Christina Wedell
Motto: ‘Ut frigidus domus’
MOD: 1.8 (#9)

1. McMurdo-Centraal, McMurdo, Transantarctica 

Walther had het altijd moeilijk om niet in slaap te vallen op het openbaar vervoer. De stilte en duisternis van het Transanta-Tunnelnetwerk, plus de tijdstippen waarop hij reisde, lang na het spitsuur maar ruim genoeg voor de middaggekte, maakten ook dat het in de wagons van de TT altijd spookachtig rustig was. Hoewel hij het zich eigenlijk zou kunnen veroorloven om te dutten, aangezien de laatste halte van de TT ook Walthers halte was, vond hij half slaperig uit een wagon stappen en in de verkleurde warmte van McMurdo-Centraal zijn weg vinden, zo onaangenaam dat hij liever niet sliep.
Terwijl de dooraderde, lichtblauwe tunnels vervaarlijk dicht langs de vensters van de TT scheerden, nam Walther zijn emails door. Er zat er één bij van zijn stiefbroer Henry, die aan de andere kant van het continent zat in Shackleton, met de veelbelovende titel ‘Samenzweringstheorie!’. De letters rolden voorbij in de schaduw van zijn eigen gezicht op het tabletscherm. Henry en Walther hadden weinig gemeen, maar hadden allebei een voorliefde voor onnozele samenzweringstheorieën, en als er één volk was dat als geen ander hield van een sappige samenzwering, dan waren het wel de Antarcticanen.
Het was deze keer geen theorie over buitenaardse wezens die ingevroren ontdekt waren op de Zuidpool, maar over het bedrijf Omn¡tek, één van de grootste werkgevers van het Gemenebest. Het artikel beweerde dat de antizwaartekracht-technologie waar het bedrijf momenteel aan werkte, de kern van de Aarde zou doen stilvallen via één of andere ingewikkelde interactie met het magnetisch veld. Walther las de paragrafen met een stijgende geamuseerdheid terwijl de tunnels hun gedimde lichten nu en dan naar binnen strooiden door de treincoupé.
“Volgende halte: McMurdo-Noord.”
Dat was de voorlaatste. Walther bleef even hangen bij de afbeelding die aan het artikel was toegevoegd: een dwarsdoorsnede van de Aarde met een kern die lekte als de dooier van een te zachtgekookt ei. Hij sloeg de afbeelding op met een kort vingergebaar en las verder. Toen hij bijna op het einde van het artikel was, kwam er een ping in zijn binnenoor. Het was Henry zelf, die belde.
“Hoi Henry,” zei Walther, “Ik had net je artikel gelezen.”
“Wat vond je ervan?”
“Niet slecht. Niet van dezelfde kwaliteit als dat over dat buitenaards DNA, maar niet slecht. Waar heb je het gevonden?”
“Je moet de rest van de site maar eens bekijken,” kwam Henry’s stem terug, “Ze staat vol met dat soort onzin.”
Walther ging naar de hoofdpagina en werd overspoeld door allerlei schreeuwerige koppen. Er was iets bij over helende kristallen en verboden wapentuig, en ook was er een artikel dat beweerde de ‘echte waarheid’ te hebben uitgevist over wat er gebeurd was op Deimos.
“Hoe vind je die dingen toch?”
“Het voordeel van gekke vrienden, zeker,” zei Henry.
Walther trok een cirkel in tegenwijzerszin met zijn wijsvinger, en de tablet sloot zichzelf af. Hij leunde in zijn stoel achterover en keek door het venster. De tunnel was iets breder geworden, maar de regelmatige afstand van de lichten was dezelfde.
“Zeg eens, waarom bel je?” vroeg Walther toen, “Ik zit op de trein naar m’n werk.”
“O, sorry, stoor ik?”
“Nee, ik zit alleen in de coupé.”
“Gewoon zomaar hoor. Ik zit tussen twee projecten in en verveelde me.”
Henry Bei was een tekenkunstenaar die regelmatig opdrachten deed voor Antarcticaanse bedrijven, die blijkbaar lang geleden besloten hadden dat het chique was om als mecenas op te treden voor kunstenaars. Walther vond veel van die kunst maar dubieus van aard.
“Heb je dan uitzicht op een nieuw project?” vroeg Walther.
“Ja, voor Omn¡tek zelfs,” zei Henry, “Het moet iets collaboratief worden, denk ik.”
“Weet je wie er nog aan meewerkt?”
“Nee. Ik sta onder geheimhouding.”
“Typisch Omn¡tek. Zo raken ze ook nooit verlost van dat imago en het soort theorieën dat over hen de ronde doet.”
“Het is hun eigen keuze,” zei Henry onverschillig.
De trein hield halt. Door het venster was in grote, schreefloze letters het bord met ‘McMurdo-Noord’ zichtbaar, en vier voetgangerstunnels die leidden naar de laadnissen, roltrappen en kleine winkels. Er stapte niemand op.
“Hoe gaat het met jou? Ik dacht dat jij bezig was aan een studie voor Nanxiang?” vroeg Henry toen.
“Dat was vorige maand, en ik ben nog altijd kwaad op die gasten. Ze trokken bewust de totaal verkeerde conclusies uit mijn rapport.”
Walther werkte als ecomath bij een groot onderzoeksinstituut dat verbonden was met de Universiteit van McMurdo. Regelmatig voerden ze studies uit voor grote bedrijven of politieke groepen. Nanxiang was een metaalbedrijf dat mijnen uitbaatte in Oost-Antarctica.
“O. Wat voor conclusies dan?”
“Wel, ze gebruikten mijn voorspellend model niet om aan te tonen dat ze met hun expansie moesten oppassen om het permafrost niet verder te beschadigen, maar juist om te zeggen dat de schade nog zou meevallen en dat ze daarom wel hun aantal mijnen konden uitbreiden.”
“Typisch,” zei Henry laatdunkend. Walther wist dat het zinloos was de wiskunde van zijn model uit te leggen. Het interesseerde Henry wel, of hij zou het alleszins veinzen, maar hij zou er niets van verstaan hebben. Dat nam hij hem ook niet kwalijk, want van sommige van Henry’s best gewaardeerde tekeningen begreep Walther ook niet wat kunstcritici er zo fantastisch aan vonden.
“Maar goed, gebeurd is gebeurd en ik ben betaald,” zei Walther, terwijl de trein weer in beweging kwam. Een teller aan het eind van de coupé schatte dat het nog vier minuten was eer ze McMurdo-Centraal zouden bereiken.
“Nu ben ik toevallig genoeg ook bezig met iets dat met Omn¡tek te maken heeft,” zei hij, “maar niet met antizwaartekracht. Als ik het goed versta gaat het over het effect van een nieuw geneesmiddel. Het is vooral veel data en veel modelleren.”
“O. Zie maar dat ze je email al niet aan het afluisteren zijn.”
“Zeg. Ik heb een atox-verbinding. Voor wie hou je me?”
Henry lachte.
“Juist, ik was vergeten hoe paranoïde je was.”
“Wel, ik geloof tenminste niet dat er nog altijd nazi’s zitten onder Nesami.”
“Met robot-Hitler.”
Walther grinnikte. Die samenzweringstheorie ging al mee van voor de dagen dat Antarctica permanent bewoond geweest was, en was intussen zo bekend dat Hitler bijna evenzeer een deel was geworden van de Antarcticaanse geschiedenis als van de Europese.
“Inderdaad. Maar robot-Hitler, mijn halte komt in zicht. Ik ga je moeten laten,” zei Walther.
“Ok, geen probleem. Tot later!”
Henry sloot af. Walther was dankbaar dat Henry zich nooit uitliet in platitudes als ‘prettig om je nog eens te horen’, ‘is je dag fijn geweest?’, of zeurde dat ze elkaar niet vaak hoorden. Het hielp dat ze grootgebracht waren door een pragmatische vader die er het beste van moest maken, en dat ze elk met hun moeders hun eigen katjes te geselen gehad hadden. Daardoor hadden noch Walther, noch Henry veel waarde gehecht aan sentimentaliteit.
“Volgende halte: McMurdo-Centraal.”
De mededeling werd herhaald in vijf andere talen.
De tunnel was nu geen tunnel meer, maar een ondergronds paleis, flonkerend als in een holo. Treinen gingen af en aan over tientallen sporen, en het lawaai van McMurdo-Centraal begon door te dringen tot in de coupé waar hij zat. Onwillekeurig volgde hij de baan van een trein die hoger klom door de zaal, om allicht zijn weg naar buiten te zoeken, mogelijk in de richting van Pegasus.
Ook de onvermijdelijke reclame dwarrelde door de hallen, maar dankzij zijn atox-verbinding was er geen enkele die hem persoonlijk trachtte aan te spreken. Even bleef hij hangen bij een holobord van Omn¡tek, die erom bekend stonden nooit persoonlijk consumenten aan te spreken. Er stond ook maar één zin op: ‘nu is niet gisteren’. Walther rolde met zijn ogen en zonk weer in zijn stoel, om tenslotte zijn tablet op te bergen en diep adem te halen. Het zou weer een lange dag worden.

Verder naar deel twee.