Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling kortverhalen daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van 'Onklare taal'. Ik ben tijdelijk gestopt met kortverhalen, maar in 2016 heb ik een geredigeerde bundel van de beste verhalen uitgebracht: 'Recombinant' is gratis te downloaden in PDF- en in EPUB-formaat.

maandag 26 september 2011

De gehangenen (VIII)

8. Moeras

Ik was opnieuw vijf jaar oud en was thuis in de woonkamer. Alle lichten waren aan en schenen zo helder dat ik mijn hoofd niet kon oprichten om naar de gezichten te kijken van de volwassenen. Ik herkende de stem van mijn moeder, die eerst klonk alsof ze vanuit een plek onder water kwam, of door een badkuip, en dan geleidelijk aan duidelijker begon te klinken. Ze praatte met een man die een grijze broek droeg en bruine schoenen.
"... te doen. Op die manier gaat het niet meer."
Een sterk gevoel van angst kwam over mij. Ik voelde dat mijn kleine handen zweetten en wilde opstaan, mij groter maken om te roepen dat ik er ook nog was, maar ik kon niks zeggen.
"Misschien is dat het beste," zei de stem van de man.
Als hij sprak, rook ik sigarettenrook.
"Wat gaat er dan met hem gebeuren?"
De uitspraak klonk afgemeten.
"Striktere observatie. Geen wandeltochten meer."
"Maar hij kan toch niet de hele tijd hier zitten?"
"Het is het een of het ander, mevrouw."
Mijn hoofd voelde zwaar en ik voelde onder het veel te heldere licht mijn oogleden dichtvallen. Ik proefde Marlboro's in mijn mond.

Ik werd wakker in de zetel. Het was nacht. Het kon ook een erg donkere avond geweest zijn, of zelfs een namiddag of ochtend, maar aan alle geluiden en zelfs aan de geuren in de woonkamer, wist ik dat het nacht was. Hoe lang had ik hier al gelegen?
Ik keek naar mezelf. Ik had een hemd en een pull aan. De kraag van mijn hemd prikte. Mijn benen hadden niet meer de vertrouwde zwaarte die ze anders hadden onder het gewicht van het gips, en ik merkte dat ik terug een van mijn oude broeken droeg - een zwarte jeans die ik al niet meer had gedragen sinds er een vlek op gekomen was van tonic die er niet meer uitgegaan was.
"Godverdomme," mompelde ik, waarop ik hoestte en mij aan mijn armen oprichtte tegen de leuning van de zetel. Terwijl ik naar mijn fles water greep, voelde ik dat ik braces aanhad in plaats van mijn gips, en terwijl ik de fles opende en dronk, probeerde ik de voorbije dagen terug samen te puzzelen. Hoe veel dagen was ik kwijt uit mijn geheugen? Wat was er gebeurd sinds ik gehallucineerd gehad dat Louis Devilder uit de regen opgedaagd was om mij te komen halen?
Enkele keren ademde ik diep in en uit, en hoestte ik opnieuw. Uit de keuken kwam het lage zoemen van de koelkast. Op tafel stond een fruitschaal en lag er een stapel boeken. Waarom was ik met mijn kleren aan gaan slapen?
"Sta op."
Ik probeerde om de stem te negeren die dat gezegd had, omdat ik wist dat ze niet echt was. Het was de stem van Brecht, maar Brecht was dood. Hoe wist ik dat ook alweer? Ik nam nog een slok water en begon me steeds beklemder te voelen. Mijn hand maakte kreuken in het plastiek.
"Sta op."
"Godverdomme," vloekte ik. Ik zette de fles neer met een onbevredigende klap, en zocht naar mijn krukken. Geen krukken te zien. Ik vroeg me af of ik al kon rechtstaan. Twee minuten later zat ik aan tafel. Brechts dode stem kwam niet meer terug, gelukkig.

Middenin een droom werd ik wakker; een droom binnen een droom. Het kwam nog voor. Ik had al vaak zulke verhalen gehoord van mijn klanten, en had het toen niet geloofd. Dat was iets voor in films of in boeken.
Van buitenaf zag ik mijzelf schrijven, met mijn gezicht dicht tegen het papier, aan een soort dagboek. Op de achtergrond speelde de tv. Het venster stond open en de gordijnen waaiden meer naar binnen met de wind. Achter mij zat er een man aan tafel met een blauw gezicht.
"Aufmachen."
Op de een of andere manier schrok ik minder hard dan dat had gemoeten. Door het Duits kon ik mijzelf makkelijker overtuigen dat wat ik zag en hoorde, niet echt was. Ik besefte eveneens dat het geen zin had mijn moeder te roepen, want wie weet hoe veel dagen ik daarna zou verliezen in mijn geheugen, en waar ik dan wakker zou worden? Ik stond traag op.
"Aufmachen, bitte."
Het was tenminste al Brechts stem niet meer.
Toen ik de deur opende na nog drie minuten, keek ik naar een soldaat die rook naar
grootvaderdeodorant en een grote kin had.
"Peter Schutze?" vroeg ik.
"Papiere?" vroeg de soldaat, zonder te antwoorden. Ik toonde hem het dagboek. Hij nam het aan met een harde uitdrukking, bladerde erdoor, keek van mij naar de pagina's en dan weer terug, en knikte tenslotte. Hij gebaarde toen naar een auto die aan de overkant van de straat wachtte, en begeleidde mij er naar toe, nadat hij de voordeur gesloten had. Het zwart van de auto viel niet op in het donkergrijs van de nacht. Hoewel ik wist dat dit allemaal een hallucinatie was, voelde ik mij rustiger dan ooit.
Ik moest voorzichtig instappen. Peter Schutze ging aan het stuur zitten. Naast hem zat Louis Devilder, in zijn zwart pak en met zijn bolhoed, en op de achterbank zaten Jana en mijn moeder. Iedereen zag er ernstig uit. Ik zei zelf ook niks meer, en keek maar een keer achterom toen Schutze de auto startte en de straat uit begon te rijden, naar de donkere voorgevel van mijn huis.

Ik stopte met schrijven, of beter, ik zag mijzelf stoppen met schrijven. Ik kon mij niet herinneren dat ik ooit in mijn leven al zo veel geschreven had. Mijn ogen waren bloeddoorlopen en ik zweette. De deur van mijn appartement ging open maar ik keek niet op en bleef kijken naar de laatste woorden die ik op papier gezet had. Ik volgde alles door de ogen van de man die binnengekomen was.
"Kris? Kris, wat is hier gebeurd?"
Kris, tegelijkertijd ik en niet-ik, keek traag om en zei iets onverstaanbaars. In mijn hoofd hoorde ik dat ik wilde zeggen dat de bezoeker weg moest gaan.
"Wat is er gebeurd met Brecht?" herhaalde de bezoeker.
Ik stond op en wreef mijn bezwete handen af aan mijn t-shirt.

Soldaat Schutze reed de auto door het kleine netwerk aan straten van Buitenbeke tot aan een grindweg die langs aan de ene kant een moeras, aan de andere kant een gekapt bos had. Tegelijk stapte iedereen uit. Schutze liep om en opende de deur aan mijn kant.
"Aussteigen," zei hij slechts. Zijn ogen stonden ver.
Met minder moeilijkheden dan ik was ingestapt, stapte ik uit. De lucht voelde koud en dik aan, en ik besefte nu pas dat ik geen schoenen aan had. Het was dik bewolkt, en alleen in de verste verte waren er enkele straatlichten zichtbaar over de heuvels voorbij het gerooide bos. Mijn moeder, Jana en mijn overgrootvader stonden aan de andere kant, bij het moeras. Schutze pakte mij bij de arm en leidde mij tot bij hen, waarop we ons in beweging zetten over de grindweg. Gelukkig deden mijn voeten geen pijn. Nog steeds zweeg iedereen. Niemand zei een woord toen Schutze de groep een smal pad naar binnen deed inslaan, waar zijn laarzen een zompig geluid maakten door de modder, en niemand zei er iets van toen de eerste dikke regendruppels begonnen te vallen. Het was ook harder beginnen waaien. Ik was vastbesloten de rit van deze hallucinatie uit te zitten. Er zat niks anders op.
Toen het al volop aan het regenen was, na wat leek op een wandeling van een kilometer, waren we voorbij het moeras uitgekomen bij een kleine, bemoste landtong die over een dode rivierarm lag. Het geluid van de regen die neerstortte in de ondiepe poel water overstemde bijna alles.

"Niet doen, Kris."
Ik stond op de rand van de vensterbank.
"Val dood," zag ik mijzelf zeggen, bleek en zwetend.

Ik werd gewaar dat ik in een ziekenhuisbed lag. Aan weerszijden van mijn bed stonden mijn moeder en een dokter. Hij leek alleszins op een dokter.
"Kan je spreken?" vroeg de dokter.
"Ja," zei ik. Mijn lippen kleefden bijna aan elkaar van de droogte. Ik voelde mij alsof ik maar een meter groot was, en zag aan het voeteinde van mijn bed twee dikke, witte buizen die opgehouden werden door een soort verband.
"Herinner je je dat je gevallen bent?" vroeg de dokter. Ik keek van zijn gezicht naar de buizen en besefte dat het mijn benen waren, die in een dikke laag gips zaten. Daarna keek in maar mijn moeder, die rond haar hoofd precies een stralenkrans leek te hebben door het melkwitte licht dat naar binnen kwam door het venster.
"Ik weet het niet," zei ik. Ik voelde hoofdpijn.

Een gestalte wachtte ons op bij een dikke, verwrongen boom. Aan een van de takken van die boom hingen twee koorden die bengelden in de regenvlagen.
"Kom dichter," zei de stem die bij de gestalte hoorde, door de regen heen. Toen ik een stap dichter zette, zakte ik door mijn benen. Mijn hoofd voelde zwaar aan. Drie paar armen tilden mij overeind terwijl regen langs mijn gezicht sloeg. Ik voelde de vaste hand van mijn moeder, de fijne armen van Jana en de vingers van mijn overgrootvader Louis, hard als rots.
Aan een van de koorden was iemand opgehangen.
"Dichter!" gebood de stem die aan de grote, bijna onzichtbare gestalte behoorde. Ik werd
overgedragen aan zijn greep, maar kon niet opkijken omdat ik over zijn schouder geslingerd was. Mijn drie begeleiders waren teruggekeerd naar hun afstand, en keken wezenloos toe, op een rij naast elkaar. Louis' bolhoed droop van de regen.
De opgehangen gestalte dreef mee op de sterke wind. Door zijn borst stak een lans, en aan zijn uniform herkende ik dat het Peter Schutze was. Ik wilde iets zeggen, roepen, wakker worden, maar ik had er absoluut de kracht niet voor. Door een ijzersterke arm werd ik opgehesen en werd mijn zware, pijnlijk hoofd door de lus gestoken van de andere koord.
Het gehuil van de wind overstemde mijn gekerm, toen ik mijn stem terugkreeg. De onzichtbare beul die me had opgehangen stond achter me.
"Help mij! Help mij!" riep ik vergeefs. Mijn kreten werden gesmoord in het snijdende, harde touw dat rond mijn hals zat en waar ik niet uit kon. In de dode rivierarm zag ik stenen en gezichten, voorbij waar Louis, Jana en mijn moeder stonden. Dokters, doden, oude vrienden, drugsverslaafden, beroemdheden. Ze vermenigvuldigden zich.
De beul achter me trok de koord op en strakker. Mijn lichaam was drijfnat. Door de angst zag ik het, voor ik het voelde, dat er een speerpunt uit mijn borst stak. Met een overdonderende knettering vorkte er een bliksemschicht door de hemel.
Tegen de tijd dat de donderslag kwam, was ik al dood.

zondag 25 september 2011

De gehangenen (VII)

7. Bolhoed

De volgende dagen probeerde ik alles zo rustig en beheerst mogelijk te doen. Ik sliep niet meer zonder slaappillen, omdat ik wist dat ik dan niets zou dromen. Ik bekeek actiefilms, maar die hielpen niet bepaald om mij te kalmeren (ze deden me voor het eerst mijn oude leven missen). Ik kwam het huis niet uit, tenzij om te proberen rondstappen in de tuin, en noch ik, noch mijn moeder kwamen nog terug op mijn kortstondige zinsverbijstering. Het waren verdomd saaie dagen. Dagen vol frustratie ook. Tot overmaat van ramp was het bijna onophoudelijk aan het regenen.
Ik zat aan tafel en at een boterham met choco. Mijn moeder was gaan werken. We verwachtten eigenlijk elk moment een brief of een telefoon van het gerecht, dat ik mij weer kon gaan melden op het politiekantoor of in de gevangenis (die grijnzen, die domme, idiote lach van de agenten, of die oudere cipiers met hun snorren en hun valse vadermanieren), maar ik kon niet zeggen dat ik er op zat te wachten.
Ik nam een slok cola en keek voor de zoveelste keer het venster uit. Met mijn andere hand zat ik te prutsen aan het plastieken tafellaken. Regen vormde dikke stralen en strepen, en ik kon de wind horen tot binnen. Aan de overkant stond een beige Mercedes uit de jaren ’80 geparkeerd. De bejaarde overburen waren thuis. Voorts was Opperbeke door God verlaten, zoals ik het altijd al had geweten. Terwijl ik nog een stuk uit mijn boterham beet, dacht ik aan de dokter met zijn vriendelijke nietszeggendheid, en kon ik mij niet inbeelden dat hij ooit iets anders deed dan in zijn kabinet zitten en mensen ontvangen. Ik moest ook denken aan de apotheker en zijn hese stem, en hoe die man zelf uit medicijnen leek te bestaan. Zou die ooit nog seks hebben? Ik dacht, terwijl ik een grote hap nam uit de korst van de boterham en zowel boter als choco proefde, aan de professionele dronkaards in het cafe. Die mensen hadden niks beters te doen. Ze hadden
nochtans alle vrijheden.
“Kalm, Kris,” zei ik tegen mijzelf, toen ik me voelde kwaad worden omdat ik binnenkort terug de bak in moest als mijn benen beter waren. Ik probeerde mij terug te herinneren waarom ik ervoor gekozen had mijn straf uit te zitten en niemand te verraden. Mijn blik dreef weer af naar buiten.
Mijn hart sloeg een slag over toen ik een seconde dacht dat er een man met een bolhoed en een lange zwarte jas met dikke knopen voor het venster stond en recht naar binnen keek. Het was maar inbeelding – een plotse schaduw van een regenwolk misschien, of de telefoonpaal in de buurt die ik verkeerd gezien had voor een figuur. Ik zag gewoon te weinig mensen, ook. Met twee slokken leegde ik het glas cola en zette ik het luid terug op tafel. Lawaai deed deugd. Ik had het gevoel dat ik weer toe was aan frisse lucht.
Een kwartier later zat ik op de drempel van de voordeur, uit de regen, met mijn krukken naast mij, en mijn jas aan. Toen ik als bekroning van dat karwei zocht naar een sigaret in mijn jas, voelde ik de kaft van Louis’ dagboek. Ik bleef steken in mijn handeling.
“Niet flauw doen,” zei ik tegen mezelf, waarop ik het dagboek uit mijn binnenzak nam, mijn sigaretten er mee uit haalde, en het boekje opensloeg terwijl ik mijn aansteker er bij nam.
Rook vloog snel weg over de vergeelde bladzijden, de plenzende regen in.

11 november 1943

Natuurlijk mochten we Wapenstilstand niet vieren van de Duitsers, maar in ’t geniep hebben Angèle en ik toch een kaars kunnen branden op zolder, bij ons beeldje van de IJzertoren. Alles Voor Vlaanderen, Vlaanderen voor Kristus. Al vragen wij ons soms af wat de Lieve Heer bezielt om ons dit aan te doen. Ze zeiden trouwens vandaag dat we een moeilijke winter gaan hebben. De boeren zijn niet content geweest van de zomer ook.


Ik moest glimlachen en bladerde zelfverzekerd door het dagboek. Niks mee aan de hand.
Misschien was ik te moe geweest, onlangs. Nog een rookpluim haastte zich weg door de regen. Er waren een paar regendruppels op mijn gips terechtgekomen, maar dat was niet erg. Binnenkort mocht het er toch af, en ging het gips vervangen worden door braces. De krukken was ik nog niet vanaf, maar dat was ook niet erg, want geen krukken betekende ook terug definitief de gevangenis in, dat wist ik zeker.
Ik dacht eraan dat ik misschien Jana nog eens wilde zien en pakte mijn gsm, tot ik besefte dat ik haar nummer niet had. Daardoor stond ik een moment stil bij hoe leeg mijn gsm-geheugen momenteel was. Ik probeerde mij de namen te herinneren van mijn maten van toen. Xavier, die gladde macho met zijn tien lieven die een keer te veel speed genomen had en een student bijna doodgeslagen had. Tanya, zijn halfzuster waar ik nog mee geneukt had en die al even geschift was als hijzelf. Cedric, hun vader, waarvan zijn eigen zoon en dochter niet eens wisten dat hij klant was bij mij. Chance dat hij geen magistraat meer was, anders had ik hem serieus kunnen kloten – of ook weer niet, dan was ik nu misschien vrij en had ik geen twee gebroken benen. Ik gooide de sigaret weg. Ze siste weg in een plas bij de goot. Goed gemikt. Ik was daar altijd wel goed in, in mikken. Met proppen papier in de prullenmand, met balletjes gooien naar leerkrachten, en met darts op cafe. Of met geweren.
Ik schudde met mijn hoofd en voelde mij daarbij oud. Het dagboek viel weer open, tegen het einde van het ding, waar de bladzijden niet zo dicht meer op elkaar zaten.

9 december 1943

Ze brengen mij weg naar Duitsland. Ze brengen u weg naar ’t gevang. Het is allemaal hetzelfde. Wat hebben mensen als wij misdaan? Ik ben alleen maar gaan vissen met Peter en voor de rest weet ik niets meer. En gij zijt alleen maar om boodschappen geweest voor uw maten en blijkbaar had ge de verkeerde dingen mee. Een mens kan zich vergissen, zeg ik altijd. Maar niet iedereen kan daar mee lachen. Wat doen we daaraan, Kris?


Alle bloed trok weg uit mijn gezicht, en ik kreeg kippenvel op mijn armen. Mijn ogen waren vastgelijmd aan de bladzijde. De tekst scheen zichzelf verder te vormen in Louis’ propere handschrift terwijl ik nog aan het lezen was.

10 december 1943

Het regent zo hard. Ik wou dat het sneeuwde, dat is tenminste een stuk zachter en ge voelt er u niet zo ziek door ook. De mensen zeggen zo veel over mij, en mijn Duits is niet goed genoeg om alles te verstaan wat ze zeggen. Misschien gaan ze mij naar één van die kampen sturen. En wat gaan ze met u doen? Ik heb ook het gedacht dat ge niet verstaat waarom ge daar nu infeite zit en waarom ge gezwegen hebt. Maar ik versta dat.


Ik klapte het dagboek dicht en toen weer open. De paragrafen waren weg. De hele bladzijde was weg, en het eindigde nog steeds op 8 december 1943. Ik probeerde mijn ademhaling te controleren en overliep in mijn hoofd welke medicijnen ik had genomen. Het moesten bijwerkingen zijn. Ik moest naar de dokter. Mijn nek en spieren deden plots pijn, maar mijn handen beefden te veel om naar mijn krukken te grijpen en zomaar op te staan. Voelde dat dan zo, zot worden? Ik had het genoeg gezien bij anderen, maar had nooit kunnen weten dat mij dat zoveel angst ging bezorgen.
“Fuck,” mompelde ik, “fuck,” nog een keer, langgerekter. Nog een sigaret dan maar. Traag roken, dat hielp misschien. En hopen dat het niet zo lang meer ging duren eer mijn moeder thuiskwam, maar het was nog altijd licht achter de regenwolken, dus het was nog even op de tanden bijten. Ik kon de ambulance bellen, maar dat zou alleen maar tonen aan Opperbeke hoe slecht het met mij ging. Wat moest ik doen?
Mijn sigaret werd aangestoken met een steekvlam.
“Fuck,” zei ik opnieuw, deze keer als spontane reactie.
Uit de beige Mercedes aan de overkant van de straat kwam een man gestapt. Het was een oudere man, met een zwart kostuum, dikke knopen en een bolhoed. In de auto zaten een paar mensen die allemaal naar mij keken en geen ogen hadden.
De man met de bolhoed kwam door de regen naar mij toe. Zijn schoenen maakten een kletterend geluid in de zware regen, en ik kon geen kant op. Ik voelde mij alleen zo koud als steen.
“Kris De Geest?” vroeg de man. Zijn gezicht zag er asgrauw uit, met een sepiarand.
“Ja,” hoorde ik mijzelf zeggen, ergens heel, heel ver weg, “Wat is er?”
“Ik ben Louis Devilder. Ik kom u halen.”
Mijn moeder vond mij op de drempel van het huis in mijn eigen kots, natgeregend en ziek.

Verder naar deel acht.

zaterdag 24 september 2011

De gehangenen (VI)

6. Stap voor stap

Het lopen ging beter. “Stap voor stap!” had de dokter gezegd, en hij had dat enorm grappig gevonden. Ik wandelde terug moeizaam de heuvel op naar huis, langs het voetpad. Af en toe reed er een auto voorbij. Het zag eruit alsof het opnieuw zou gaan regenen, maar erg koud was het niet. In het begin had ik elke auto die te traag was voorbijgereden, bespied met samengetrokken ogen. Je wist nooit dat oude vrienden het idiote plan opgevat hadden om mij te komen bezoeken, of erger, mij te komen bezichtigen alsof ik een aap in een kot was.
Tik, stap, tik, tik, stap, tik. Het ging. Binnenkort kon ik terug naar het ziekenhuis om te beginnen met de verdere revalidatie. ik vroeg me af wanneer er een brief in de bus ging zitten van het gerecht. Ze hadden mij toegestaan thuis te revalideren en zo’n enkelband te dragen, maar dat ging maar duren tot ik weer kon lopen.
Stap, tik, tik, stap, tik.
Het was belachelijk eigenlijk – ik ging dan wel weer kunnen lopen, maar zou er niks aan hebben, want het was dan weer alle dagen celregime. Ik had het er met niemand over gehad, maar verdomme, in zo’n cel zitten was geen grap. Toen ik nog dealde, had ik erover gesproken met Nico. We vonden allebei dat zware criminelen er te makkelijk van af kwamen en dat tien jaar cel voor doodslag niets was. Ik vond twee maanden al ondraaglijk.
Tik, stap, stap, tik, tik.
Ik keek op. Was het mogelijk dat ik Voorbeke al ging missen nog voor ik er goed en wel weg was? Deze saaie, burgerlijke gemeente waar elk dak oranjerood was en mannen zelf hadden mee helpen metselen? Ik had zin in bier, maar weerstond de verleiding nog door te stappen tot het cafe. Ik ging er ook te moe voor zijn, en bovendien had ik beloofd aan mijn moeder dat ik rechtstreeks naar huis ging komen van bij de dokter.
Stap, stap, tik, tik, tik, stap.
Een auto passeerde traag. Ik weerstond de neiging opzij te kijken. Niks verdacht doen, Kris. Dat gebruiken ze toch alleen maar tegen jou. Ik moest denken aan mijn celgenoot, een oude, onverstaanbare vent. Een kleine crimineel, een inbreker die al te vaak gepakt was door zijn eigen domheid. Ze hadden ook van mij gezegd dat ik niet slim was.
Tik, tik, stap.
Ik was intussen boven op de heuvel. Nog een auto kwam langs. Per toeval keek ik opzij, omdat het hetzelfde model was als de auto die ik ooit gehad had. Er zaten vijf mensen in. Ze hadden alle vijf schotwonden, en keken me aan met ogen zonder pupillen of irissen. Ik schreeuwde. Het volgende moment reed de auto door en bleek er maar een chauffeur in te zitten – een verwarde nouveau riche, een advocaat die een paar straten verder woonde.
Tik.
Ik bleef staan en kwam op adem. Ik overliep de medicatie die ik moest nemen en of er bijwerkingen bij waren. Toch eens vragen aan mijn moeder.

Toen ik thuis kwam, was mijn moeder er nog niet. Ik was haar voor geweest, blijkbaar. Mijn benen deden pijn. Het deed deugd toen ik mij terug in de zetel bij het venster kon laten vallen. Ik probeerde mijn gedachten te verzetten van wat ik daarjuist gezien had, of beter, niet gezien had. Ik schonk mij een glas water in van de fles die op de vensterbank stond. Naast de fles lag ‘De Geschiedenis van Voorbeke’ omgekeerd, met de pagina’s die ik had zitten lezen voor ik naar de dokter had gemoeten, open. Ik nam het boek terug op om het vooral van daarnet te vergeten. Ik zat opnieuw in het hoofdstuk over Wereldoorlog II omdat ik het nauwkeuriger wilde lezen. Op de rechterpagina stond het krantenbericht van vlak na de oorlog, met een oplijsting van de Voorbeekse slachtoffers, waar ze ook de mysterieuze Peter Schutze in vermeld hadden. Er was een paragraaf over het Belgische leger dat zich had teruggetrokken en enkele hoger gelegen torens had in brand gestoken, om de Duitsers vanaf de heuvels het uitzicht te ontzeggen over de vallei. Slim bekeken. Ook een stukje over de rantsoenering, en dat boeren hier niet zo’n woekerwinsten hadden gemaakt als elders in Vlaanderen. De Devilders waren geen boeren geweest, al hadden ze er op foto wel zo uitgezien. Angele en Louis hadden samen een winkel gehad, maar Louis had geschreven dat ze die dichtgedaan hadden in 1941. Niet alleen was er niet veel vraag meer naar ‘koloniale waren’, maar de voorraden kwamen ook niet meer binnen omdat Belgie bezet was en Congo niet. Mijn ogen gingen opnieuw over de zinnen waarin Peter Schutze vermeld was. Hoe meer ik het las, hoe zekerder ik werd dat dat diezelfde Peter was waar Louis over geschreven had. Ik sloeg de bladzijde om en zag iets dat ik nog niet eerder gezien had. Er was een kolom in fijne drukinkt, geschreven in dezelfde runen die ik had laten ontcijferen door Jana.
“Raar,” zei ik luidop. Ik bladerde naar voor en naar achter, en nergens kwamen de tekens terug. De kolom tekst leek gewoon deel uit te maken van het boek. Daarna ging het over de bevrijding, de Amerikanen, enzovoort. Een foto van grijnzende jonge Amerikanen, en nieuwsgierige mensen op straat die rond vrachtwagens verzameld stonden. Erg veel brillantine.
Ik hield mijn vinger tussen de pagina en zocht in het stapeltje papieren en boeken dat op de vensterbank lag, naar een dun boekje dat Jana in de bus had gestoken een paar dagen terug, zodat ik zelf de runen kon ontcijferen.
“Weer aan het lezen?”
Het klonk als een beschuldiging.
“Ook een goeiedag, ma.”
“Jij bent nu al terug?”
“Goed doorgestapt he.”
Mijn moeder knikte slechts en hing haar jas aan de kapstok. Intussen richtte ik mij op, pakte ik mijn krukken en ging ik met beide boeken aan tafel zitten.
“Is er papier?”
Ze haalde een cursusblok die nauwelijks beschreven was van bij de telefoon. Ik wilde bijna vragen waarom wij eigenlijk nog een vaste telefoon hadden, maar zei niks. Mijn moeder had duidelijk geen zin in een discussie. Mijn aanwezigheid leek haar op de zenuwen te werken, al verstond ik niet goed waarom. En ik ging het ook niet vragen.
Een uur later had ik de kolom tekst overgeschreven en daarna proberen lezen met de runen erbij. Ik deed het daarna nog een keer, toen mijn moeder al bezig was met het eten en ze de radio aangezet had. Ik beefde, en had zin om overeind te springen, de deur achter mij dicht te slaan en oneindig ver weg te lopen. Maar ik kon niet.

De Germaanse god Woden nam het leven van soldaat Peter Schutze. Bij het vissen samen met dorpeling Louis Devilder was het zwaar beginnen onweren. De god was aan hen verschenen in het moeras. Hij had de Duitser overmeesterd, opgehangen en daarna met een speer doorboord. Bij zijn thuiskomst werd Devilder gearresteerd en weggevoerd.

Ik sloot mijn ogen en rook het sissende vlees. Bloemkool.
“Ma?” vroeg ik. Ze kwam uit de keuken.
“Wat is er. Kris, jij ziet plots bleek.”
Ik toonde haar de runenpassage in ‘De geschiedenis van Voorbeke’.
“Kan jij dit zien?”
Ze knikte.
“Dat is... het boek over Voorbeke. Wat is er mee?”
“Nee, dat weet ik ook,” zei ik, “Maar dit?”
Ik legde mijn vinger op de runetekens.
“Er staat iets over een Duitse soldaat die stierf. Is het dat?”
“Nee! Zie je ’t niet? Die tekens?”
Mijn moeder legde haar hand op mijn schouder en keek mij lang aan.
“Jongen, ik zie niks. Ben je zeker dat je je wel goed voelt?”
Ik klapte het boek dicht en voelde mij leeglopen als een ballon.
“Laat maar zitten.”
Ik wilde niet dat ze dacht dat ik gek was. Ik had al mensen gek zien worden door drugs, maar had mijn eigen spul nooit veel genomen. De knalrode auto van de advocaat kwam ook terug in mijn geheugen.
“Wat eten we?” vroeg ik toen. Ik klonk te agressief.
“Worst en bloemkool.”
Ik knikte. Het allersimpelste van simpele Vlaamse kost. Het maakte mij rustiger.
“Ok. Dat is goed. Lekker.”
Mijn moeder ging traag terug de keuken in.
“Misschien moet je morgens eens terug naar dokter De Padt,” zei ze nog.
Ik schudde nee, maar dat kon ze niet meer zien.

Verder naar deel zeven.

donderdag 22 september 2011

De gehangenen (V)

5. Granaatscherf in het hart

De volgende dag had ik het volledige dagboek uitgelezen. Louis Devilder had verder gesproken over zijn dochter die opgroeide en een mooi meisje werd, wat zijn dominante vrouw dacht over de oorlog, en over de soldaten die ongerust werden dat ze misschien naar het Oostfront moesten. De naam van Peter was regelmatig opgedoken – blijkbaar hadden de twee mannen een voorliefde gedeeld voor vissen. Het dagboek was plots opgehouden op 7 december 1943. De laatste paar tekstjes waren ook al kort geweest, en daarna volgden alleen maar witte pagina’s.
“Waarom heeft hij niet verdergeschreven?” vroeg ik aan mijn moeder, toen we ’s avonds samen lasagne aten. De radio stond godzijdank uit. Ik begon al terug gevoel te krijgen in mijn rechterbeen.
“Wat? Wie?”
“Je grootvader,” antwoordde ik, “Zijn dagboek stopt op het eind van 1943.”
“Misschien was het vol?”
“Er waren nog massa’s blanco pagina’s nadien.”
Mijn moeder legde haar vork in de lasagne, keek naar buiten en dacht na. Het viel me plots op dat ze er veel jonger uit zag dan gisteren, maar dat kwam waarschijnlijk door het zachte licht dat op de keukentafel viel.
“Ik denk dat hij toen ongeveer naar Duitsland is gevoerd.”
“Waarom?”
“Dwangarbeid. Ja, het was daar dat hij zot geworden is.”
“Dat is raar,” zei ik, na een hap lasagne, “want uit zijn dagboek schijnt hij nochtans goed te zijn overeengekomen met de Duitsers die in hun huis zaten.”
“Mja. Je wist dat nooit, in die tijd, zeker? Befehl ist Befehl en zo,” maakte mijn moeder er zich van af. Het was buiten beginnen regenen. De rest van de maaltijd brachten we in stilte door.

Een uur nadat we klaar waren met eten, zat ik weer te lezen. Ik had al enkele keren met mezelf gelachen door mijn nieuwe gewoontes. Mijn oude vrienden zouden gevraagd hebben wat er mis met mij geweest was, dat ik in de zetel lag te lezen, en dan nog met een enorm dik boek. Het was ‘De geschiedenis van Onderbeke’, geschreven door een zekere Xavier T. Costeur. Alleen al zijn naam klonk boekachtig, en op de achterkant stond zijn foto – een ronde, kleine vent met een bril waarvan de glazen verkleurden in het zonlicht. Ik was even blijven hangen bij het stuk over de Middeleeuwen en een paar zinnen over vrouwen die geschaakt waren, en dan een paar foto’s van de oude kerk, maar wat ik eigenlijk zocht was een stuk over de Tweede Wereldoorlog. Dat zat bijna tegen het eind van het boek. De bladzijden voelden erg scherp aan, waaruit ik opmaakte dat niemand erg vaak in het boek had gekeken. Er waren een paar foto’s van jonge soldaten die hadden meegevochten in de Achttiendaagse Veldtocht en waarvan er een niet was teruggekeerd. Er was ook een lijst van ‘opgeeischten’. Daar stond de naam van Louis Devilder niet tussen. Het bijschrift bij de lijst vermeldde wel dat het ging over een document uit 1942, dus de naam van mijn overgrootvader kon er ook niet tussen staan.
Het boek begon zwaar te wegen, en ik liet het even zakken. Buiten, op straat, regende het pijpenstelen. De huizen aan de overkant waren bijna onzichtbaar achter hun regengordijn. Ik had zin om nog eens het cafe op te zoeken, maar wist dat het onbegonnen werk was om met mijn krukken naar buiten te gaan. Bovendien had ik daar ook niets te zoeken. De regen viel zo hard neer dat ze dikke, vette strepen maakte op de venster, volledig verticaal.
“De oorlogsslachtoffers van Onderbeke,” luidde de titel van de volgende paragraaf. Er waren er niet veel geweest, zo te zien. Een zekere Georgette Buyle die een granaatscherf in haar hart had gekregen (hoe was die daar gekomen?), een postbode die verkeerdelijk was aangezien voor een verzetslid en was doodgeschoten, en ook een Duitse soldaat. Mijn ogen bleven er op rusten.
Peter Schutze. Zou dat de Peter zijn van de dagboeken? Ik las verder. Het boek vertelde dat soldaat Schutze op de uitkijk had gestaan op een grindheuvel, en er ’s nachts in weggezakt en gestikt was. Dat klonk te fantastisch om waar te zijn – wie zakte er nu zomaar weg, en dan nog in een heuvel grind? Datum van overlijden: 8 december 1943. Mijn hart sloeg een slag over.

Ik stond onder het afdak van de achtertuin te roken. Moeder was weg met een vriendin. De getallen en namen zwommen rond in mijn hoofd, vooral ook omdat het mij afleidde van sterke herinneringen aan de gevangenis en wat er vooraf aan was gegaan.
Louis had op 7 december geschreven dat hij weer zou gaan vissen met Peter. Hadden de Duitsers hem de schuld gegeven van de dood van Peter? Misschien was er een ander ongeluk gebeurd, en hadden ze Louis dan maar naar Duitsland gestuurd om het stil te houden. Of misschien had Peter homofiele avances gemaakt op Louis, was er een gevecht ontstaan en was Peter per ongeluk doodgeslagen geweest. Toch leek Louis uit zijn dagboeken enorm zachtaardig. Er was natuurlijk dat bizarre fragment in runen.
Ik steunde op een kruk, en toen op een andere. Ik had het zelfs niet gemerkt dat mijn moeder voor mijn neus was verschenen, onder een paraplu.
“Wat sta jij hier te doen?”
Haar stem klonk niet onvriendelijk, maar op een bepaalde manier mannelijk.
“Waarom praat jij zo raar?”
Ze tilde haar paraplu op. Het was nog steeds mijn moeder.
“Aan het nadenken,” zei ik achteloos.
“Over?”
“Wat ik gelezen heb,” zei ik met een schouderophalen.
“Toch niet weer over mijn grootvader?”
“Natuurlijk. Het is niet dat hier anders veel te doen is.”
“Misschien moet je eens wat anders lezen? Louis was echt zo interessant niet.”
“Maar je weet niets over hem.”
Mijn moeder ging ook onder het afdak staan en klapte haar paraplu dicht.
“Ik zou gewoon niet willen dat je denkt dat... Ik weet het niet,” zei ze, “Mijn moeder vertelde mij altijd dat haar vader zot was teruggekeerd uit Duitsland, en ik vind het raar dat je je zijn lot zo aantrekt. Als er een iemand is in de familie waar je niet op moet gaan lijken, dan is het hem wel.”
Ik moest lachen en nam nog een trek van mijn sigaret.
“Serieus, moeder. Ik ga niet op iemand lijken door zijn dagboek te lezen. Ik heb die mens zelfs nooit gekend.”
“Ik vind het gewoon raar dat je nooit eerder geinteresseerd bent geweest in je familie, en nu plots wel. Waarom bezoek je eens tante Maria niet?”
“Maria? Het is al geleden van toen ik dertien was dat ik die gezien heb.”
“Ze heeft je wel altijd veel geld gegeven voor je verjaardag.”
Ik haalde mijn schouders op.
“Ik heb daar nooit om gevraagd.”
Ik besefte dat dit soort gesprekken een van de vele redenen was waarom ik nooit had kunnen blijven wonen in Onderbeke. Onvrijwillig had ik terug een beeld in mijn hoofd van een van mijn vrienden die aan het overgeven was over de reling van een brug nadat zijn liefje uit een dorp in de streek hem gedumpt had voor een andere gast. Zelfs dat was boeiender dan de parochiale gedachten van mijn moeder.
“Jij bent soms zo...”
Ze maakte haar zin niet af, en ik had zelf geen zin om ruzie te maken. Ze ging naar binnen, en ik rookte mijn sigaret op.

Ik droomde dat ik terug in mijn cel was. Alleen waren de muren witter, en was het venster groter. Ik zat aan tafel. Voor mij zat een man met volledig zwart haar. Ik vond dat hij op een of andere manier leek op Jana. Hij leek eerst wartaal te spreken tegen mij, maar gaandeweg werd zijn taal verstaanbaarder.
“Steven, Paul, Evert, Eline, Dirk... die namen zeggen je niets?”
“Nee,” zei ik, naar mijn aanvoelen extreem traag, “Waarom?”
“Laat maar,” zuchtte de man.
Een andere man kwam binnen. Ik voelde mij zwaar, zo zwaar dat ik niet kon opkijken naar het gezicht van de andere man.
“Wie is dat?” bracht ik uit.
“Dat is niemand,” zei de man die tegen mij sprak.
“Ik was alleen maar aan het lezen,” zei ik.
“Ja. Dat weten we.”
“Ik wil terug normaal kunnen lopen,” mompelde ik.
“Binnenkort kan dat weer. Ga nu maar slapen.”
En ik werd wakker.

Verder naar deel zes.

woensdag 21 september 2011

De gehangenen (IV)

4. Runen

4 maart 1943

Het vroor niet meer, en het ijs was weg. Het was een goede dag om te gaan vissen. Angèle heeft dat eigenlijk niet graag, dat ik dikwijls alleen het bos in ga, omdat ze misschien zouden denken dat ik een partizaan ben. Ik keer nochtans altijd terug met minstens één vis, dus ik zie niet in dat ze dat raar zouden vinden. Vanmorgen vroeg Peter mij wel beschaamd of hij “mit mag”. Ik vind het een sympathieke mens, maar ik moet oppassen wat de mensen zeggen.


Ik keek op de klok. Nog drie minuten tot mijn afspraak. Op mijn krukken betekende dat dat ik te laat ging komen. Ik twijfelde even, stak het dagboek van Louis Devilder in mijn jas, en ging toen op weg. Nog een geluk dat het maar tweehonderd meter gaan was, op de hoofdstraat. Het regende lichtjes, en ik was blij dat ik kon binnenstappen in het warme café. Ik was er als kind een paar keer geweest met mijn ouders en had er toen een chocomelk of een cola gedronken. Sindsdien had ik het gekend als een oudeventjescafé, het soort waarvan elk dorp in Vlaanderen er minstens één had. Nooit te marginaal, nooit te chic, met bijna alle dagen dezelfde klanten. Mijn moeder hield er niet van, maar dat was omdat ze dacht dat iedereen die meer dan een keer per maand op café ging, een dronkaard was die niet deugde. Ik bedacht me soms dat als ze de plaatsen gezien had waar ik gezeten had – champagnebar vooraan, coke achteraan, in het midden een massa decadente feesters – dat ze steil achterover zou gevallen zijn, en haar zoon nauwelijks zou herkend hebben. Ze had ook wel de vonnissen en de artikels gelezen, maar ze vroeg er nooit naar. Ze had me eigenlijk zelfs nooit de cruciale vraag gesteld of ik echt schuldig was, en daar was ik trouwens ook blij om.
Toen ik het café binnenhopte op mijn krukken, keken de stamgasten eerst naar mijn gips en mijn metalen krukken, en dan naar mij. Ik herkende, erg vaag, van vroeger nog de oude directeur van de lagere school, meester Roland. Hij zag er erg oud en ontevreden uit. De barvrouw was nog altijd zo rondborstig en zwaar als ik mij herinnerde, maar met meer rimpels rond de ogen.
Sommige mensen herkenden mij allicht wel. Ik knikte iedereen toe, en knipoogde naar Jana, die al aan een tafel bij het venster zat.
“Die pint is voor jou,” zei ze, gebarend naar het tweede, volle glas bier dat naast een halfleeg stond. De aandacht van meester Roland, de barvrouw en de drie andere stamgasten stierf weer weg in het houten gemurmel van het café en zijn verdonkerde vensters. Er was ook een soort muziek, maar God wist welk genre.
“Merci,” zei ik, nadat ik me had laten zakken op mijn stoel. Ik dronk gulzig. Het was mijn eerste pint in dagen.
“Dat doet deugd,” zei ik. Ik keek Jana aan.
“Wat scheelt er?” vroeg ik, toen ik merkte dat ze nogal ontwijkend keek.
“Ben je zeker dat je overgrootvader wel goed bij zijn hoofd was?” vroeg ze aarzelend.
“Ik heb hem nooit gekend. Maar uit zijn dagboek lijkt hij mij een doodnormale mens. Waarom?”
 “Wel,” antwoordde Jana, terwijl ze mij over tafel een opgevouwen vel papier toeschoof, “Ik heb er mijn oude boeken eens bijgehaald, en nadien nog eens gecontroleerd. Het alfabet dat hij gebruikte heeft trouwens maar vierentwintig letters, dus soms moest ik een beetje zoeken om te zien wat hij bedoelde.”
“Maar het is Nederlands?”
“Ja, natuurlijk. Niemand spreekt Oergermaans of de taal van de Vikings of zo,” zei Jana logisch. Ik nam nog een slok bier, slikte een verwensing in voor haar pretentie die ik na al die tijd wat vergeten was, en vouwde het blad papier open.

Ik spreek en ik zie de naam van de ene God met het ene oog Woden die meer ziet dan ons en nog de wouden niet heeft verlaten in onze donkerste dagen.

Ik keek op.
“Wat?”
“Hij gebruikte geen punten of komma’s, dus dat heb ik zo gelaten.”
Ik las verder met toenemende verwarring.

Ik spreek de naam uit van zij die nog moeten komen en onze valse (Waalse?) broeders die ons bezetten ik vervloek hen niet voor het voeren van strijd of het meten van kracht maar voor hun vergieten van bloed van onschuldigen en zinloos vergaren van goud en wapens alles gaat dood en gaat weg en uiteindelijk blijven mannen alleen achter één voor één in hun hoge kastelen infeite zijn zij altijd al alleen geweest maar het is de dood gezonden door Woden de halfblinde die hen de ogen zal openen
Ik vouwde het papier terug dicht en wreef over mijn mond.
“Ok, dit is raar.”
“Ja, ik dacht eerst dat het een soort codetaal was. Je weet nooit dat je overgrootvader in het verzet zat.”
“In zijn eigen dagboek zegt hij van niet.”
“Maar misschien liegt hij,” zeiden Jana en ik tegelijk. Ik moest ongemakkelijk lachen.
“Tja. Het doet er niet toe, neem ik aan. Wie weet was hij inderdaad wel niet helemaal in orde in zijn bovenkamer. Mijn moeder heeft altijd gezegd dat er iets aan hem mankeerde na de oorlog. Mensen aten en dronken toen rare dingen en gebruikten nog DDT en zo.”
Ik nam nog een stevige slok bier.
“Of misschien nam hij zware medicijnen? De geneeskunde was in de jaren ’40 ook nog niet wat ze vandaag is.”
“Hij klaagt nooit over ziekte,” zei ik weifelend, “Maar je weet nooit.”
Ik opende terug het blad papier, en liet mijn ogen over de sierlijke krullen van Jana glijden, die op zich al bijna een soort geheimtaal leken te vormen.
“Alleszins bedankt,” zei ik toen, “Nu weet ik ook dat je niet jarenlang zotte dingen moet gezien hebben om zotte dingen te kunnen schrijven.”
“De Tweede Wereldoorlog was redelijk zot,” zei Jana zuinig.
“’t Is niet alsof hij in de Holocaust zat,” zei ik met een schouderophalen, “En daarmee wil ik nu ook niet zeggen dat wat ik de laatste jaren gezien heb, daarmee te vergelijken valt. Hij is ontsnapt aan de dienstplicht, indertijd, en heeft geen mensen zien doodgaan. Ik... tja. Ik spreek er liever niet over.”
“Het is ok,” zei Jana. Ze leek nieuwsgierig om het verhaal te horen, en ik overwoog even om te vertellen dat ik gezien had hoe iemand die zijn drugs niet meer kon betalen in elkaar werd gemept tot er van zijn gezicht alleen een rode, opgezwollen massa overgebleven was. En hoe ik toen had gewenst dat die gast bewusteloos was gegaan van de pijn, of zelfs dood was, om niet zo vreselijk te moeten lijden, maar hij bleef leven, ademen en spreken. Maar ik heb gezwegen. Ik zweeg tegen de rechter, tegen mijn advocaten, tegen mijn celgenoten. Zwijgen was na een tijdje zo makkelijk.
“Nee,” herhaalde ik, “Het heeft geen zin dat ik er over spreek. Dat deel van mijn leven is voorbij, en ik zit hier nu op mijn gemak.”
Het kwam er ongemakkelijk uit.
“Geen probleem,” zei Jana.
“Nog eens bedankt,” zei ik, terwijl ik het blad in mijn zak stopte, bij het dagboek. Waarom had ik dat ook meegenomen?
“Je hebt me een zondagnamiddag bezigheidstherapie gegeven,” zei Jana, “Dus geen probleem. Bovendien is het niet slecht om nog eens onder de mensen te komen.”
Ik keek voorzichtig op naar de professionele drinkers aan de toog. Meester Roland staarde intens naar een bierviltje. De drie anderen praatten met de barvrouw, en een ervan was voortdurend aan het grinniken. Ik zag hun monden bewegen maar kon niks verstaan van wat ze zeiden.
“Ja. Al is het zo vreemd om te beseffen hoe comateus iedereen hier leeft.”
“Middenbeke is meer dan dit café en een paar geborneerde middenstanders,” verdedigde Jana het dorp, “Maar je moet zoeken naar interessante plaatsen, dat is waar.”
We praatten nog even verder over gemeenschappelijke kennissen, en ik vertelde wat losse anekdotes over het dorp. Over het versgemetste muurtje naast de kerk dat omver was gevallen toen Bleke Frederik er tegen was gaan leunen, of over een vermeende wolf die uiteindelijk een dolle hond bleek te zijn die kippen had doodgebeten, of over die keer dat ik mijn valse snor niet had willen afdoen na een toneeltje op de lagere school. Het was een bitterzoete avond, en ik besloot dat ik voorlopig genoeg had van de omwentelingen rond een al bij al weinig interessant verleden.

15 april 1943

Peter is meegeweest om te vissen. Hij hield zich kalm en zei niet veel. Alleen dat hij thuis ook vaak ging “fischen”. We hebben wel niets gevangen, maar het was niet slecht om eens niet alleen te zijn ook. En ik denk dat hij er zelf ook deugd van had. De Duitsers zijn dan wel mijn vrienden niet, maar die jongens die hier zitten kunnen er ook niet aan doen. Ze hebben erover gesproken dat er misschien SS’ers naar het dorp gingen komen. Nochtans zitten hier geen Joden. Ze zijn zelf bang van de SS. Wat moeten wij dan denken? Ik heb goesting in vis. Spijtig genoeg hebben we niets gevangen.

Verder naar deel vijf.

maandag 19 september 2011

De gehangenen (III)

3. Terugweg

Ik stond erop om alleen terug te wandelen van bij de dokter, op mijn krukken. Het was al goed en wel dat mijn moeder voor mij wilde zorgen, maar voordat ik in het gevang moest, had ik ook voor mijzelf gezorgd en had ik mijn eigen was en strijk gedaan. Het was een onverschillige dag buiten, te koud om lang buiten te zijn, te warm voor een warme vest. Ik deed er zeker een uur over om de heuvel op te raken van bij de dokter tot het centrum. Het gaf niet – ik voelde mijn spieren terug werken, en het verzette mijn gedachten van dat constante thuis zitten met water, fruitsap en saaie programma’s op tv. Elke metalen klikstap van de krukken bracht mij verder, beetje bij beetje. Ik dacht aan mijn moeder, die het niet gezegd had maar wel weer gezegd had op haar eigen manier, dat ze vreesde dat mensen in Noorderbeke mij gingen herkennen. Dat ze. Alsof ze mij gingen aanspreken op mijn verleden. Ja, het is waar dat ik in de gazet gestaan heb en dat ik bleef zwijgen op het proces. Het is ook waar dat ik geen contact meer had met mijn maten van vroeger, en verdomme, ik miste die maten ook niet eens. Het was genoeg geweest, om eerlijk te zijn. Maar wat zou ik daarover te vertellen hebben tegen de beenhouwer en de schoenmaker, en de leraar van de lagere school die mij toch altijd maar een stuk crapuul gevonden had omdat ik veel vocht en raar haar had?
De hemel zat potdicht. Hier in dit dorp leek alles onwerkelijk, hoe onwerkelijk mijn leven voor hen ook moet geleken hebben. Alleen een snelle, gladde auto die door de straat raasde herinnerde nog aan de voorbije jaren. Ik had er ook zo een gehad. Ik had er in gesnoven en ik had me laten pijpen door een zangeres. Toen was ik thuisgekomen, had ik overgegeven in mijn wc.
Ik stond even stil en probeerde mij, zo goed en zo kwaad als ik kon, uit te rekken. In het boek dat de geschiedenis beschreef van Noorderbeke, en waar ik nu en dan in zat te bladeren, had er een foto gezeten van de hoofdstraat zoals die geweest was in 1935. Ze was nauwelijks herkenbaar in haar vorm van vandaag. Alleen twee huizen op de hoek en het pad naar het kerkhof waren nog hetzelfde. Al de rest was nieuwbouw of renovatie. En natuurlijk ook overal auto’s.
“Het verleden weegt zwaar in mijn kop,” had een vriend van mij ooit gezegd. Al begon het dankzij het wandelen en de fysieke inspanning lichter te wegen, toch moest ik hem eindelijk gelijk geven. En ik besefte dat de gast die dat gezegd was, intussen al dood was ook. Motorongeluk twee jaar geleden in Brugge, op slag dood tegen een boom. Ik had zin om te roken. Net toen ik een sigaret aan had kunnen steken, leunend tegen een verkeersbord aan een zijstraat, hoorde ik een stem naast mij.
“Kris! Dat is lang geleden!”
Ik keek verstoord opzij. Het duurde enkele seconden voor ik me kon herinneren wie er op de fiets zat die naast mij gestopt was. Het was een lang, mager meisje met zwart haar en grote grijze ogen. Ze had een piercing aan beide kanten van haar mond, waardoor het leek alsof ze altijd moest lachen.
“Jana? Ik wist niet dat jij hier woonde.”
Ze keek ongegeneerd naar mijn krukken en stukken grijswit plaaster.
“Al twee jaar, met Michel.”
“Wie is Michel? Wacht, ja, ik weet het weer. Die gast die in dat groepje speelde. Een maat van Dries.”
“Maten zijn ze niet meer,” zei Jana. Dries was de voorganger van Michel geweest, dus ik hoefde daar geen vragen bij te stellen.
“Wat is er met je gebeurd?”
“Lees je af en toe eens geen krant?”
“Ik hoor dingen,” zei ze met een schouderophalen, “Ze zeiden dat je in de gevangenis zat.”
“Een beetje. Ik heb mijn benen gebroken toen ik eruit probeerde te raken.”
Ik besefte dat dat stoerder klonk dan ik het bedoelde, en dat dat op mensen als Jana altijd indruk maakte. Ze was helemaal anders dan de andere, burgerlijke jeugd van Noorderbeke. Het voelde wat desoriënterend van haar hier te zien.
“Ik moest trouwens denken aan Dries, onlangs,” zei ik, om geen ruimte te laten voor vragen die ik niet wilde beantwoorden, “Ik heb hier toch niks te doen, dus ben ik beginnen lezen in een oud dagboek van mijn overgrootvader.”
“Was je overgrootvader een nazi dan?” vroeg ze werktuiglijk. Ik moest lachen om die vraag. Louis Devilder had er op foto allesbehalve een nazi uitgezien, en ook uit zijn teksten sprak een simpel boerenverstand dat zich niet inliet met rare politieke opvattingen.
“Nee. Maar blijkbaar zaten er Duitsers bij hem thuis in de Tweede Wereldoorlog.”
“Ach zo. Mja, ik ben daar al lang niet meer mee bezig,” zei Jana, “Dries was een klare zot. Het laatste wat ik van hem hoorde was dat hij weer ergens een Turk in elkaar geslagen heeft. Zomaar.”
Ik had overtuigde racisten nooit goed begrepen. Meestal waren het ook enorme losers.
“Tja. Goed dat je van ‘m af bent, zeker?
Ondertussen had ik onwillekeurig in m’n binnenzak gezocht naar het dagboek, dat ik bij mij hield voor dode momenten (en dat waren er vrij veel).
“Kijk, dat is het dagboek,” zei ik overbodig, terwijl ik het voor haar uit hield. Ze keek even naar de kaft, en toen naar mij.
“Wel, ik hoop in elk geval dat het beter met je gaat,” zei Jana, “Misschien doet lezen deugd. Het is saai leven hier, maar ’t is beter dan bij die zotten zitten in Gent. Ik ben hier zelf erg content met Michel.”
Ik liet het boek zakken.
“Wel,” zei ik met een zucht, maar mijn zin werd afgebroken toen er iets uit het dagboek viel. Een opgevouwen stuk papier dat ik nog niet eerder gezien had. Omdat ik er niet bij kon, stapte Jana af en raapte ze het op voor mij. Het vloog vanzelf open in de milde wind.
“He wacht,” zei Jana, die het blad bekeek met belangstelling, “Dat zijn runen.”
Ze gaf me het papier terug. Voor mij leek het een soort geheimschrift of iets dat je bij de scouts leert.
“Runen?”
“Ben je zeker dat je overgrootvader geen nazi was? Die mannen waren daar dol op.”
“Ik ben het vrij zeker, ja,” antwoordde ik, “Misschien heeft hij het niet geschreven?”
“Mag ik?” vroeg Jana. Ik gaf haar het blad terug.
“Ik wist niet dat jij runen kon lezen.”
Ze haalde haar schouders op terwijl ze probeerde te lezen.
“Het is lang geleden,” zei ze toen, “Dus het gaat traag. Het ding is ondertekend met ‘L.D.’
Initialen?”
“Eh, ja,” antwoordde ik schaapachtig, “Dat zijn zijn initialen.”
“Enfin, het is van jou, natuurlijk,” zei Jana, “Maar als je wil, kan ik het meenemen naar huis en kan ik je morgen vertellen wat er in staat.”
“Ok,” zei ik, “Laat ons ergens afspreken. Niet bij mijn ma thuis.”
Ze lachte vreugdeloos.
“Goed. In het café dan?”
Ik had onmiddellijk een beeld voor ogen van het oude café, vol oude mensen, met halfgeblindeerde vensters en licht vijandige dorpsdikzakken. Het was nu mijn beurt om vreugdeloos te glimlachen.
“Wel, goed dan.”
Jana had het papier in haar zak gestoken en was terug op haar fiets gekropen.
“Wel,” zei ze, “Het is dat, of afspreken op het kerkhof. En ’t is niet dat ik dat niet zou doen, maar dat lijkt me niets voor jou.”
“Daar ben ik inderdaad niet gothic genoeg voor.”
“Zo is dat.”
Met die woorden nam ze afscheid, en reed ze weg. En ondanks het feit dat ik er tegen op zag om terug te komen in dat bittere dorpscafé, was ik ook blij dat ik morgenavond niet opnieuw thuis voor tv ging moeten zitten.

Verder naar deel vier.

zondag 18 september 2011

De gehangenen (II)

2. Duitsers in huis

21 februari 1943

Het is koud. Ik ben gisteren proberen gaan vissen, maar ’t was al vroeg donker en het ijs was te dik. Er was niemand anders. Dat viel wel mee, die rust. Het deed even vergeten dat er twee jaar geleden nog tanks aan het meer hadden gestaan, en dat we ons huis niet uit mochten van de Duitsers omdat ze dachten dat er zich zotten hadden weggestoken in het bos om aan de arbeid te ontsnappen.


Met een schok trof het mij dat ik zat te lezen in de dagboeken van een voorvader die de Tweede Wereldoorlog had meegemaakt. Daar was nooit veel over gezegd geweest in de familie. Mijn grootouders waren te jong geweest om zich veel te kunnen herinneren, en Oosterbeke was nooit van belang geweest in de geschiedenis. Ik nam een slok van het water dat mijn moeder me was komen brengen, en bladerde een paar bladzijden terug.

25 mei 1941

Dat de mensen maar klappen. Ja, we hebben Duitsers in huis. Het is niet dat wij daarom gevraagd hebben, maar ik voel dat ze ons met een scheef oog bekijken. Of nog erger, dat ze te veel compassie met ons hebben. Zolang ze zich gedragen en niet te veel last geven en mijn vrouw met rust laten, is het al goed voor mij en meer kan ik niet vragen. Bovendien denk ik niet dat mijn vrouw hun type is. Niet blond genoeg, en ze kan geen Duits.


“Ma? Is dat waar? Hebben mijn overgrootouders nog Duitsers in huis gehad?”
Geen antwoord. Mijn moeder was ongemerkt weer verdwenen. Ik zuchtte en opende het dagboek opnieuw. Ik probeerde mij voor te stellen hoe Louis Devilder geklonken moet hebben. Op een bepaalde manier verwonderde het mij dat hij zo proper en regelmatig kon schrijven, hoewel niemand in onze familie ooit gestudeerd had.

3 juli 1939

Ze hebben weer gezegd dat er oorlog komt. Wel, ik hoop dat ’t niet waar is. Wij verdienen dat niet. Dat al die generaals onder elkaar eens een oorlog gaan uitvechten zonder dat de gewone mensen er miserie mee hebben.

 
Bladzijden verder terug naar het begin werden afgewisseld met kleine en grote berichten. Soms waren het korte stukjes over dat het goed weer was of dat er onlangs een plechtige communie geweest was. Er zat een zin bij uit 1934 waarin Louis zei dat de pastoor “veel te lang en ingewikkeld” had staan preken op de paasmis. Ook twee keer iets over de “Franskiljons” en de “socialisten” die hem het leven zuur maakten, maar dat was nogal vaag.

30 april 1937

Mijn eerste kind is vandaag geboren. Dat ga ik nooit meer vergeten. Angèle stelt het wel, en ons meiske ook. Cecile, ge zijt welkom bij ons, en ik hoop dat ge een groot en schoon kind wordt. Een man is maar een man als hij vader wordt.


Die passage raakte op een eenvoudige manier, en ik legde het dagboek weer neer. Ik had altijd wel gedacht dat ik zou eindigen als vader, maar de laatste jaren was dat niets meer geweest dan een idee over hoe de zaken moesten zijn – geen enkele vrouw had ik gezien als iemand waarmee ik kinderen zou hebben. Ik dacht eraan dat Louis het simpel had gehad. Hij had geen verleiding gekend van drugs of van dure auto’s en gsm’s die letterlijk alles konden. Zijn wereld was beperkt geweest. En ik had altijd een hekel gehad aan die beperkte mentaliteit van Oosterbeke, waar, toen ik klein was, de scheiding van de slager de mensen wekenlang had bezig gehouden. Maar op een bepaalde manier had ik het gevoel dat mijn overgrootvader sprak als een echte mens, niet tegengehouden door wat in de smaak viel of niet. Was ik ook zo geworden, was ik toen geboren? Mijn hoofd begon pijn te doen, maar ik besloot het dagboek nog een keer te openen op een willekeurige plaats.

13 januari 1942

“We moeten het soms zeggen gelijk het is,” zeg ik soms tegen Angèle, en dan moet ze mij gelijk geven. Ze heeft mij gezegd dat ze schrik heeft dat ze mijn dagboek gaan vinden en gaan lezen, en dan gaan verstaan dat ik soms lelijke dingen over hen gezegd heb – over de mensen, over de Duitsers. Maar ik de mensen hier zijn niet geïnteresseerd in wat ik hier zit op te schrijven, en die Duitsers verstaan niet genoeg Vlaams. ’t Is anders wel goed, wat ik voor één keer moet zeggen. En dat is dat ze niet allemaal hetzelfde zijn. Het is waar dat H. een varken is, en ik ben blij dat mijn dochters nog kindjes zijn. En D. maakt altijd zo veel lawaai. Maar Peter is niet de kwaadste. “Krieg is nicht goet” zei hij. En die mens had gelijk. En we moeten het ook durven zeggen als den Duits gelijk heeft.

Verder naar deel drie.

zaterdag 17 september 2011

De gehangenen (I)

1. Dagboek

Enkele weken voor ik 30 werd, was ik terug bij mijn moeder gaan wonen. Het was de enige optie die ik had, want ik had te weinig geld om ook nog maar een maand van te kunnen leven, en mijn benen waren nog altijd traag aan het herstellen. Het eerste deel van de herstelperiode had ik half in ziekenhuizen, half in de gevangenis doorgebracht. Ik had uit de gevangenis proberen ontsnappen door uit een venster te springen.
Ik lag naar het plafond te staren in de living. Uit de keuken klonk gedempte, slechte muziek van een of andere Vlaamse schlagerzanger. Op de vensterbank naast de zetel lag een stapel boeken en stond een glas half-opgedronken sinaasappelsap. Mijn gsm was God wist waar, en ik droeg slechts een trainingsbroek en een goedkoop, proper t-shirt. Mijn blik wendde zich van het plafond naar de venster. Ik was meer dan een jaar uit roulatie geweest, en als ik alles wel beschouwde, waren het vijf jaren geweest. Vijf jaren van feesten, geweld, chantage, grootspraak en seks. Om eerlijk te zijn had ik er ook geen spijt van. In die periode had ik altijd gelachen met mensen die er een gewone weekjob op na hadden gehouden, elke dag thuis waren gekomen in een kneuterig Vlaams huis met een doodbraaf gezin waar niets te beleven was geweest buiten tv kijken. Wel, de sterren die zij op tv hadden gezien, daar had ik nachtenlang mee gefeest. De babes die de programma’s hadden gepresenteerd waar zij naar hadden gekeken, hadden in mijn gsm-geheugen gestaan, en de meest uiteenlopende politici waren klanten van mij geweest.
Nu was ik al een hele tijd niemand. Een schuldige, in de ogen van het gerecht. Een verloren zoon volgens mijn moeder. Een man met potentieel, had de gerechtspsychiater gezegd. En verbrand voor mijn oude vrienden, waarvan sommigen me allerlei beloftes hadden gedaan om me terug aan boord te hijsen eens ik beter was, en anderen deden alsof ik niet bestond. Maar ik had gezwegen, en zelfs in mijn plantaardige, lethargische toestand gaf me dat een zeker eergevoel.
“Meine Ehre heißt Treue,” had een kennis van me ooit gezegd, een gestoorde neonazi die, de dagen dat hij niet tot aan zijn oogbollen vol drugs had gezeten, soms interessante dingen te zeggen had gehad. Ik moest terugdenken aan die uitspraak, die volgens hem het motto geweest was van de SS.
Op straat gebeurde er niks. Dit was nog steeds hetzelfde Oost-Vlaamse boerengat tussen Schelde en Leie zoals ik het gekend had 20 jaar geleden. Het was een plek om kind te zijn of een plek om oud te zijn, maar geen plaats voor mensen die wilden weten wat het betekende om voluit te leven. Ik herinnerde me nog mijn eerste scoutsfuiven hier, de eerste keer dat ik een sigaret rookte om de hoek van het voetbalcafé, en dikke Leslie, mijn eerste liefje. Ik moest onwillekeurig het hoofd schudden en voelde dat ik zin had in een sigaret. Ik onderdrukte de gedachte en richtte mijn aandacht op de stapel boeken. Het waren stoffige, oude boeken. Lezen had me nooit erg geïnteresseerd. Ik had in mijn jaren van waanzin wel schrijvers ontmoet, en ik had graag naar hen geluisterd, maar aan een boek beginnen had me steeds een onbegonnen opdracht geleken, een compleet tijdverlies zelfs. Ik haalde het eerste boek van de stapel.
“Ontdekkingsreizigers uit de 19e eeuw,” las ik de titel hardop voor. Ik bladerde erdoor. Enkele tekeningen, landkaarten en oude foto’s van mannen in kaki, omringd door negers. Niet interessant. Ik legde het weg en nam het volgende boek, “Het verdriet van België”. Ik opende het zelfs niet eens omdat de titel me al zo deprimerend leek. Dat was ook het probleem altijd met die schrijvers – interessante mensen, daar niet van, maar altijd zo godallemachtig depressief en altijd dat piekeren over andere mensen en de wereld. Ja, de wereld was natuurlijk een plaats vol idioten en vol geweld, maar ofwel stortte je je erin, ofwel hield je je afzijdig. Erover schrijven
leek me opnieuw zo’n verspilling van tijd en energie. Het volgende boek klonk al interessanter: “De geschiedenis van Westerbeke”. Westerbeke was de gemeente waar ik was opgegroeid. Het boek voelde ook oud aan. Ik bladerde er even door. Opnieuw die landkaarten. Wapenschilden. Foto’s en doodsbrieven van ex-burgemeesters. Hier en daar las ik een kop of een artikel. In de kaft zaten er ook krantenknipsels. Op een oude foto herkende ik de Langestraat, waar ik zeven jaar gewoond had. Ik legde het gewichtige boek, dat naar leder rook, op het bijzettafeltje naast de zetel, om me er aan te herinneren dat ik het later nog eens moest bekijken. De volgende twee boeken legde ik onmiddellijk terug weg – van het ene stond de kaft me niet aan, en het andere was een boek over tuinieren, wat me mogelijk nog minder kon boeien dan voor mijn plezier lezen.
Het laatste boek leek meer op een schrift, en voelde oud aan. De kaft had een onaangename, halfvochtige aanraking, en deed me denken aan vuile vellen vloeipapier die ooit waren achtergebleven in mijn boekentas toen ik dertien was.  Ik nam een slok sinaasappelsap. Het deed mijn verhemelte nog droger voelen dan het al deed.
“Verdomme,” vloekte ik. Ik zou moeten wachten tot mijn moeder thuis kwam om te vragen om water, want ik was bovendien ook zo stom geweest mijn krukken tegen de tafel te zetten, waar ik er niet bij kon. Ik opende het schrift.
“Louis Devilder,” stond er in keurige letters in geschreven. De naam zei me niks. Het papier kraakte wat toen ik verder probeerde te bladeren, en er vielen twee foto’s uit. Een van beide foto’s herkende ik, omdat er een grotere versie van had gehangen in het huis van mijn grootouders. Het was een streng portret van mijn overgrootouders geweest langs grootmoederzijde. Mijn overgrootmoeder was gestorven toen ik nog in de lagere school zat, maar ik herinnerde me dat die dood me niet erg veel gezegd had. Ze was toen al meer een soort spook geweest dan wat anders, even verstoft als die onmogelijk zware meubels die mijn grootouders gehad hadden.
Door te kijken naar de foto drong het tot me door dat Louis Devilder mijn overgrootvader moest geweest zijn, de vader van mijn grootmoeder, en dus de grootvader van mijn eigen moeder. Ik wist van mijn moeder dat ze haar grootvader nooit gekend had. Op dat ogenblik hoorde ik de sleutel in het sleutelgat van de voordeur draaien. Om de een of andere reden begon ik ook plots terug de muziek te horen die al de hele tijd uit de keuken was gekomen.
Ik zat nog steeds met het schrift in mijn handen toen mijn moeder de woonkamer binnenkwam.
“Ah, Kris, aan het lezen?” vroeg mijn moeder. Ze zette enkele tassen vol boodschappen met veel gedruis op tafel.
“Niet echt,” zei ik loom.
“Zeg,” vroeg ik haar toen, “Dit is een schrift van ons overgrootvader, nee?”
Mijn moeder fronste en keek naar het ding dat ik omhoog hield.
“Ja. God, ja. Dat lag onderaan die stapel boeken die ik van zolder heb gehaald deze morgen. Ik wist niet dat dat ding nog bestond. Het is zijn dagboek.”
Ik opende de eerste bladzijde. Het geschrift was erg keurig, en goed leesbaar.
“In den hoogen zomer is het meestal warm te lande, doch niet vandaag,” las ik voor, waarop ik moest lachen.
“Zo zot,” zei ik, “spraken mensen vroeger echt zo of wat?”
“Ach. Dat was een manier van schrijven,” zei mijn moeder, die intussen de boodschappen op tafel aan het sorteren was naargelang de kast waarin ze zouden verdwijnen. Ik knikte.
“Ja, ik heb mijn grootvader nooit gekend,” zei ze, “Hij is gestorven in ’47.”
“In de oorlog?”
“Die was al gedaan in ’45 hé.”
“Ah ja, juist. Wat is er met hem gebeurd?”
Mijn moeder haalde de schouders op.
“Tijdens de oorlog moest hij gaan werken in Duitsland. Toen hij terugkwam, was hij zot geworden. ’t Staat ook in zijn dagboek, denk ik. ’t Is misschien daarom dat ik het bewaard heb, want mijn eigen moeder vond het maar griezelig om dat te lezen.”
Ik bekeek het schrift met hernieuwde belangstelling.
“Tiens. Waarom wist ik dat niet?”
“Je vroeg er nooit naar.”
Ik ging iets zeggen, maar hield mijn mond.
“Zeg, ma,” riep ik haar tenslotte na, toen ze al in de keuken was, “Kan je mij een glas water brengen?”

Verder naar deel twee.