Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling kortverhalen daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van 'Onklare taal'. Ik ben tijdelijk gestopt met kortverhalen, maar in 2016 heb ik een geredigeerde bundel van de beste verhalen uitgebracht: 'Recombinant' is gratis te downloaden in PDF- en in EPUB-formaat.

zaterdag 14 januari 2012

Ungesicht (VII)

7. De andere man

Het was een kille weekavond. Tomas had enkele uren geleden zijn laatste postkaarten verstuurd en met alcoholstift citaten van wetenschappers en dichters op de toiletdeuren van twee restaurants geschreven. Hij zat in 'De Handgranaat', waar hij eerst afgesproken had met Lina, maar toen die maar niet kwam opdagen, was hij in gesprek geraakt met een oudere man die er zelf alleen zat. In een hoek van het café zaten Wolfskeel en zijn acolieten, en buiten de occasionele boze blik die Tomas van hem opving, was er niks van belang over hem te melden.
Op de achtergrond speelde klassieke jaren '70-rock.
"... naar muziek luisteren en mensen ontmoeten houdt je scherp," kwam de man aan het eind van een zin.
"Mee eens. Je kan zelfs veel over mensen leren door muziek."
"Meer door boeken te lezen, vind ik."
De man zag er midden de dertig uit, maar zijn handen en brede mond verrieden een hogere leeftijd. In tegenstelling tot het kleine cohort eenzame, oudere zuipers dat het Gentse centrum telde, zag hij er beter verzorgd uit, en niet zo egomaan als andere mannen "die het allemaal al gezien hadden" maar niks geleerd hadden.
"Ja," zei Tomas, terwijl hij nadacht en zijn blik langs het plafond van 'De Handgranaat' liet glijden, "ja. Maar je kan uit beiden ook de verkeerde dingen leren. Sommige liefdesnummers zijn bijvoorbeeld helemaal niet romantisch. Er zijn ook boeken die over relaties gaan, waar lezers compleet verkeerde conclusies aan verbinden."
"Zoals?" vroeg de man. Iets in zijn intense, grijze ogen lichtte op. Tomas besefte dat hij hetzelfde type ogen had, alleen jonger en wat groter.
"Je kent dat nummer wel van The Police, dat-"
De man onderbrak hem met een grijns.
"Natuurlijk. Dat gaat over stalking. Veel mensen weten dat."
"Er zijn er nog meer die het niet weten. Wat boeken betreft, dan... Bijvoorbeeld 'Turks fruit', als je het gelezen hebt?"
De man knikte en nam een slok van zijn bier.
"Iedereen focust zich op de enorme passie die het hoofdpersonage voelt voor zijn vriendin die hem verlaten heeft, en hoe conservatief haar familie is. Maar stel nu dat zij gelijk had?"
"Ga verder."
"Ik bedoel," legde Tomas uit, waarbij hij zijn handen spreidde over de toog, "dat hij duidelijk niet snapte dat hij haar compleet uitputte door zeven dagen op zeven zo intens te zijn. Ze ging eraan ten onder. Het hoofdpersonage was egocentrisch en had ze niet allemaal op een rij. Dan hebben we het ook nog niet gehad over al die andere vrouwen die hij nadien had en nauwelijks iets meer waard achtte dan een object zonder gedachten en gevoelens die er toe deden."
"Denk jij dat vrouwen ook niet zo kunnen denken over mannen?"
Tomas keek gestoord.
"Dat... heb ik niet gezegd, toch? Dat was ook mijn punt niet."
"Nee, dat weet ik. Ik strijd ook je punt niet af, want je hebt gelijk dat er wat scheelde aan dat hoofdpersonage. Alleen denk ik dat zijn probleem net was dat hij alleen dié vrouw niet zag als iets dat van hem verwijderd stond. Bovendien staan de meeste mensen zo tegenover elkaar. Ik bedoel mannen en vrouwen, vooral."
Tomas taxeerde zijn gesprekspartner opnieuw en liet zijn woorden in zijn hoofd ronddraaien. De man interpreteerde die stilte als een kans om een vervolg te breien aan zijn redenering.
"Uiteindelijk ben je nog niet zo oud... 25?"
"27."
"Goed dan. Maar het soort liefde waarin twee mensen in elkaar opgaan, is niet alleen onbestaand, maar ook volkomen waardeloos. Misschien leer je dat nog."
"Daar ben ik ook geen voorstander van, geloof me."
Tomas balanceerde met zijn glas tussen zijn handen. Hij overwoog even om aan deze volslagen vreemdeling te vertellen over al zijn gebroken relaties, en hoe hij steeds een balans had proberen vinden tussen dicht bij iemand kunnen zijn en die persoon los te laten, en hoe elk compromis uiteindelijk uit was gedraaid op puur verlies van tijd en energie. En dat dat ertoe geleid had dat hij de voorbije weken draaide op pure compromisloosheid. Toch vond hij niet dat hij de vrouwen van die periode als objecten behandeld had. Hij had geen enkele keer gelogen over zijn intenties.
"Dus waar komt het dan op neer?” concludeerde de oudere man, “Je gaat van persoon tot persoon, je probeert te vinden wat je op dat moment of in die periode nodig hebt, en dan is het voorbij."
"Toch," hoorde Tomas zichzelf zeggen, "moet het mogelijk zijn, denk ik, om een relatie uit te bouwen die niet verzandt in saaiheid of niet eindigt in miserie door instabiliteit."
"Geloof me," zei de man, "ik heb het geprobeerd. Het lukt niet."
Er begon een nieuw nummer te spelen. Met een klap boorde zich een moment van inzicht, een Japans soort satori, door Tomas' brein.
"Je hebt het volgens mij nooit écht geprobeerd," zei hij, "Net als ik. Ik dacht dat ik steeds in een relatie moest zitten en ik deed de dingen die ik dacht dat ik moest doen, maar dat was nonsens. En de laatste tijd ben ik bezig het tegengestelde te maken tot een nieuw idee-fixe. Zo werkt het niet. Zo kan het niet werken."
Op dat moment, en geen slechter moment was mogelijk geweest, kwam Lina 'De Handgranaat' binnen. Ze zag er geweldig uit. Tomas' gesprekspartner leek iets te gaan zeggen, maar keek als vanzelf ook naar Lina, en Tomas zag zijn blik, herkende die blik van bij zichzelf, en wist dat hij hier weg moest, dan het hem allemaal te veel was en dat de wereld op dit ogenblik mocht ontploffen.
Hij stond op.
"Bedankt," zei hij tot de man, "Maar ik moet weg."
Lina naderde.
"O? Jammer. Wie weet zie ik je nog eens."
"Kleine kans toe."
"Wat is je naam?"
"Tomas."
"Gert."
Hij had de tegenwoordigheid van geest om niet z'n hand uit te steken. Lina was bij hen komen staan. Tomas keek haar aan, pakte haar vast en kuste zacht haar voorhoofd, waarna hij het café uit beende.

Zeven uur later, na een nachtelijke snack en een lange omzwerving door de stad, waarbij hij er een punt van gemaakt had in geen enkel café binnen te stappen, zijn gsm uit te laten staan, niet te blijven stilstaan aan het water en zelfs niet uit morbide nieuwsgierigheid door de rosse buurt te wandelen, was hij terug in de Overpoort. Het was er verlaten.
"Hé!"
Hij draaide zich om. Achter hem was er iemand een nachtwinkel buiten gestapt. Hij herkende haar - donkerbruin haar in een hoge staart, scherpe kin, beetje wijd uit elkaar staande, ronde donkere ogen.
"Irina," mompelde hij, "jij hier nog zo laat?"
"Gedaan met werken. Ik ben sigaretten gaan halen."
Nu pas leek Tomas het schijnsel te merken van de nachtwinkel.
"O. Ik kom terug van een wandeling."
"Niet uitgeweest?"
"Nee. Welke kant moet je op?"
Ze gebaarde de richting die Tomas ook uit moest, en ze begonnen naast elkaar te wandelen.
"Hoe is het met je ninjawerk voor de Vlaamse regering?" vroeg ze.
"Je herinnert je dat nog? Ik heb ontslag genomen," antwoordde hij loom.
"Hmm."
In de stilte die volgde, voelde Tomas verschillende deuren openen. Hij kon Irina proberen vastnemen en kussen, hij kon haar voorstellen om met hem mee te gaan, hij kon ervandoor gaan of hij kon iets anders zeggen. Hij koos het laatste.
"Ik heb een maand geleden ontslag genomen op mijn werk. Ik was compleet op. Mijn relatie was voorbij, ik had geen energie meer, en ik had het gevoel dat mijn leven aaneen was beginnen hangen van de beleefdheden en wat ik 'voorzichtige ambities' noem, haalbare dingen die volkomen schadeloos en nutteloos zijn. Een eigen auto, een huis van mezelf, dat soort dingen."
Irina keek hem sceptisch aan vanuit haar ooghoeken.
"Dus besloot ik langzamerhand dat het mij allemaal niet meer kon schelen. Ik wilde alleen nog doen waar ik zelf zin in had. Daarom heb ik hier een maand rondgezworven, dronken geweest, drugs genomen, enfin, je snapt het plaatje."
"Mmm."
"Ik zou het kunnen blijven doen voor de rest van mijn leven. Maar op die manier... op die manier slaag je er alleen maar in je nog meer terug te trekken uit dingen die er écht toe doen. Je komt in een soort... fort terecht waarin je onkwetsbaar wordt, maar waar niks uiteindelijk nog echt van waarde is."
"Meen je dat?"
"Ben je me aan het uitlachen?" vroeg hij bitter.
"Nee. Ik heb dat soort praat alleen al vaker gehoord van anderen. Als dit een versiertruc is, ben je erg slecht bezig."
"Als ik je wilde versieren, had ik wel iets anders gezegd."
Ze stonden aan de verkeerslichten.
"Ik raakte in gesprek met een man, vanavond," ging Tomas verder, toen het licht op groen sprong, "die dat soort leven leeft. Je kon het aan hem zien. Hij gaat van affaire naar affaire, probeert zichzelf jong en in het nu te houden, en hij heeft zijn charme geperfectioneerd tot een kunst. Maar het kwam me plots zo... ontzield over. Een emotionele zelfontkenning, als je wil."
"En jij wil niet zo worden?"
"Nee," zei Tomas, blij dat hij het gevoel had dat Irina begreep waar hij naartoe wilde, "daar ben ik nu achter. Het is niet dat er een zwart-witkeuze is tussen mezelf in een keurslijf dwingen en altijd beleefd knikken, ofwel een eeuwige rebel without a cause zijn."
"Wel, een compromis kan goed zijn, zolang je er iets mee bereikt van waarde."
Tomas glimlachte.
"Inderdaad. Maar daarvoor moet je ophouden met de wereld in te delen in verliezers en winnaars. Daar draait het ook niet om. Toch?"
Irina bleef stilstaan.
"Nee. Het draait om heel andere dingen."
Ze keek even alsof ze ook haar hart zou uitstorten. Tomas wachtte enkele ogenblikken.
"Ik moet er hier af," zei ze toen.
Het viel Tomas op hoe dicht ze bij elkaar stonden.
"Ik heb te veel lopen praten," zei hij toen, "en het is al laat."
"Het geeft niet."
Tomas werd opnieuw, veel sterker, overweldigd door de zin om haar te kussen.
"Wat als we dit gesprek een andere keer verder zetten?" vroeg hij toen, zijn adem uitblazend.
Irina glimlachte. Het leek een glimlach die niet veel gebruikt werd.
"Dat is goed," zei ze na even aarzelen, "dan ga ik je ook weten te zeggen hoe ik erover denk."
"Mag ik je nummer?"
"Kom morgen langs in 'l'Ascenseur' en ik geef het je."
Ze pakte hem vast, klopte hem op de schouder en stapte toen weg.

vrijdag 13 januari 2012

Ungesicht (VI)

6. Balkonscène

Irina ademde diep in en sloot haar ogen. Een nijdige wind speelde door haar haar. Ze keek van op haar smalle, kleine balkon uit over de straat beneden, waar buiten af en toe een late fietser, geen enkele beweging en geen enkel geluid te bespeuren was. Al vijf minuten stond ze een sigaret tussen haar vingers te draaien alsof het een miniatuurversie was van een majorettenstok. De officiële naam van de discipline was twirling, een weetje dat automatisch kwam bovendrijven in haar hoofd. Ze keek naar haar gsm en las opnieuw de enige twee berichten in haar inbox. Eén bericht was van Hanna, om te zeggen dat 'l'Ascenseur' vanavond niet openging omdat de baas er geen zin in had en dat ze allemaal uitgingen naar de 'Scurvy', een ander bericht was van Gert, en een fors pak langer. Gert was een ex-lief dat aan het begin van hun relatie alle positieve kanten waar Irina op kon vallen op paradoxale wijze in zich verenigd had, en op het einde alle mogelijke negatieve kanten waar ze op af kon knappen verzameld had op dezelfde paradoxale manier. Ze vroeg zich af waarom een bericht van hem krijgen haar nog steeds zo van de kaart bracht, en verweet zichzelf haar emotionele reactie. Hij hoorde niks meer te betekenen, hij moest al lang een jammerlijke maar nauwelijks zichtbare vetvlek op een toog geworden zijn en ze vond zichzelf veel te oud geworden om zich nog aan te trekken wat hij over haar dacht, laat staan waar hij mee bezig was.
Irina besloot uiteindelijk toch de sigaret aan te steken. Door de stilte op straat klonk de ontsteking van de aansteker bevredigend luid, en kon ze zelfs horen hoe de eerste kleine strengen tabak aan het uiteinde van de sigaret begonnen te branden. Zo hoorde het.

Er was een gevecht uitgebroken. Irina was niet bang. Een ratachtige student die niet echt in 'l'Ascenseur' paste, had blijkbaar ruzie gezocht met de domst uitziende kerel in de hele bar, die een hoekige schouderpartij had waar links het woord 'bouwwerf' en rechts het woord 'fitness' in leken gebeiteld. De student was dronken of stoned, en had helemaal niet verbaasd gekeken toen hij de eerste klap geïncasseerd had.
"Is het weer zover?" vroeg Hanna, terwijl beide vrouwen vanachter hun toog toekeken hoe Malik en John tussenbeide kwamen. De student brulde een onverstaanbare belediging. Mensen kozen partij. Irina koos nooit partij. Wie vocht, had al op voorhand verloren. Wie een gevecht zocht, kon er altijd wel een krijgen, en dat begreep Irina niet. Zelfs in haar donkerste, meest teruggetrokken momenten had ze er nooit aan gedacht om zich volop in de drank, drugs, mannen of het geweld te storten. Ontbrak er bij sommige mensen een vorm van lijfsbehoud? Of overstemde de leegte de pijn die ze dachten te voelen bij hun eigen vernietiging?

Door de maanden die ze er al gewerkt had en rondgezworven had door de Overpoort, was de connectie met Gert vervaagd, maar nu lichtte ze weer op als een kruimelspoor van deur tot deur, bar tot bar. Gert was plots verschenen, niet op de manier dat iemand op de scène kan arriveren en al van elders in brand lijkt te staan van energie en verlangen, maar op een evidente manier, alsof een man als hij er in feite al de hele tijd geweest was, maar er toen pas voor had gekozen om zich aan Irina kenbaar te maken. Hij was de perfecte mengeling geweest van knap genoeg en toch persoonlijk getekend, pezig zonder uitgemergeld te zijn, intens zonder manisch te zijn, en hij had van meet af aan alleen maar oog gehad voor haar. Hij maakte muziek, kende mensen. Hij veroverde zonder te hard te willen.

De student werd buitengegooid en de breedgeschouderde bouwvakker werd door zijn maats gekalmeerd. De rust keerde langzaam terug.
“Drie pinten,” zei één van zijn vrienden kordaat. Irina gebaarde naar Hanna dat zij de bestelling wel zou nemen. Ze ging verder op haar eerder gedachtespoor. Het waren meestal mannen die ervoor kozen met geweld kenbaar te maken dat ze het leven hier beu waren en dat ze aan een flirt waren begonnen met de dood zelf. Was het een gevoel van nutteloosheid, dat hen ertoe dreef? De beelden in reclame en actiefilms die mannen enerzijds oppompte tot bundels dadendrang, anderzijds tot intellectuele onbenullen?
“Bedankt,” zei Irina toen ze gepast geld ontving. De jongen keek haar één seconde langer aan dan nodig was. In haar hoofd trok iemand een streep in de poot van een enorm bed.

Irina blies nijdig rook uit door haar neusgaten en voelde haar zenuwen opspannen. De maanden die erop gevolgd waren leken nu op een steeds uitputtender trektocht omhoog langs bergpaden, waar het landschap langzaam kaler en kaler werd, tot de top niks meer had gebleken dan een afgrond. Ze vervloekte zichzelf voor die clichébeeldspraak en trad uit haar eigen kwaadheid naar een kwaadheid tegenover Gert die altijd gelachen had met haar gewoonte om uitdrukking en woorden te verzamelen en op losse stukken papier te schrijven. Eerst goedmoedig gelach, als een vader, dan neerbuigend als een leraar, tenslotte met het hoofdschudden van een Echte Artiest die Irina maar een burgertrut vond. Dat had hij letterlijk gezegd.
Voor elk van zijn afwijkingen (deviaties!) had hij een uitleg (explicatie?) klaar gehad. Waarom hij nog niet was doorgebroken? Omdat dat niet nodig was. Waarom hij op zijn leeftijd nog zo vaak uitging? Omdat hij hield van het leven en de mensen. Waarom hij zo zelden vaste relaties had gehad? Omdat hij respect had voor de vrijheid van andere mensen. Irina had er haar studies voor opgegeven, want een universitaire studie was niks meer dan een gouden ketting die haar aan de saaie, gladgestreken middenklasse zou binden. Een leven met Gert had honderden keren interessanter geleken.
Irina vond terug een vorm van kalmte, sloot haar ogen en concentreerde zich alleen op de rook die ze naar binnen trok. Ze zag Gert nu helder voor haar staan, met zijn los hangend donker haar en zijn grote, grijze ogen. Hij had niks te zeggen. Voor al zijn pose was hij een figuur die gedoemd was steeds dezelfde rol te gaan spelen tot zijn masker afzakte.
"Ja," zei ze in gedachten, "je hebt me één ding bijgeleerd: dat ik niet kan liegen tegen mezelf."
Irina wiste de sms zonder hem te herlezen.

Verder naar deel zeven.

donderdag 12 januari 2012

Ungesicht (V)

5. Wastafel

Tomas zat op de trappen die van het Sint-Pietersplein leidden naar de Kunstlaan. De trappen waren van een bevlekt grijs, van mensen die er 's zomers en op andere warme dagen gezeten hadden met nachtwinkeldrank of met fast food. Nu zat er buiten hem niemand, en bovendien regende het. De regen was zacht genoeg om te verdragen en bovendien was er nauwelijks wind. Tomas wist dat hij op zijn gsm vier onbeantwoorde berichten had - één van Lina, deze ochtend, met een voorzichtige aanzet om opnieuw af te spreken, één van Bert die vroeg om te gaan eten, één van zijn moeder die vroeg om hem op te bellen, en een grap zonder pointe van Kim. Het was een dag dat hij geen enkele zin om op ook maar één bericht te antwoorden, waar hij er zich vroeger zorgen zou over gemaakt hebben wat mensen van hem dachten.
De maand was bijna ten einde, en daarmee ook deze staat van genade.
Tomas kon uitkijken over het volledige plein, met pal voor hem de grote, ongepast Byzantijns uitziende kerk, die op haar beurt geflankeerd werd door het abdijmuseum en één van de nagelnieuwe universiteitsgebouwen. Het paste allemaal niet zo goed samen maar als eenheid vormde het toch iets met een eigen smoel. C'est du belge, zeker, dacht hij.
Het was goed dat er niet veel mensen op straat waren. Hij dacht aan de weken die nu achter hem lagen. Van zijn eerste stappen om zich te bevrijden van al zijn zelfopgelegde regels van welvoegelijkheid, de afwijzingen en de bijna-gevechten tot de one-night-stands en het immens onnozele gevecht waarin hij drie dagen geleden was verzeild geraakt.
Niet voor de eerste keer vroeg hij zich af of hij depressief, waanzinnig was of allebei. Waanzin is uiteindelijk ook maar context, besefte hij. Het was al waanzinnig genoeg dat zo veel mensen nooit zeiden wat ze echt dachten of voelden, nooit in opstand kwamen tegen de idioten die hen omringden, of zouden uitkomen voor de verlangens die ze werkelijk voelden. Dit was het soort leven waar hij al jaren naar had uitgekeken. En hoe voelde het nu? Een uitgerokken, vervormd besef van gevaarlijke nutteloosheid, zo voelde het. Tomas was altijd maar van één soort mensen bang geweest, en dat waren mensen die niks te verliezen hadden. Nu was hij zelf zo'n persoon geworden, en hij probeerde de angst die hij voor zichzelf voelde, te ontkennen, omdat dat de allerlaatste grens was die hij mogelijk nog kon oversteken.
Hij dacht aan zijn gesprek met Wolfskeel Grindgezang, waar het mee begonnen was. De zaden waren voordien al geplant. Op die meeting waar hij had gewalgd van zichzelf omdat hij als reden voor zijn ontslag een berg corporate speak had gedebiteerd, terwijl de werkelijke reden was dat hij in een panische angst verkeerde net zo uitgezakt, inspiratieloos en gestroomlijnd te worden als zijn oudere collega's. Of dat hij niet in staat was zich te concentreren op het beantwoorden van idiote e-mails van Support omdat hij al dagen niks anders had gedaan dan elk detail van zijn mislukte relaties op te schrijven op opgevouwen kartonnen dozen, en die dan vol te stouwen met artefacten van die relaties.
Wolfskeel was maar een lucifer geweest. De ironie hiervan ontging Tomas niet, maar hij moest er niet mee lachen. Mensen die moesten lachen met hun eigen moppen, wilden ook niet echt anderen aan het lachen brengen, en tenslotte was het toch daar dat een mop om draaide.

"Heb je ooit al naar de bovenverdiepingen van al die huizen hier gekeken? Ik bedoel de gevels?" vroeg Kim. Tomas volgde haar blik naar boven en was onmiddellijk gefascineerd. Boven de kleurige, oplichtende voorgevels van de bars, clubs en snackbars zag de Overpoort eruit als een steeg van een derdewereldland. Onderaan: fris laagje verf, kleurige deurposten, schone vensters, neon. Bovenaan: afgebladderd grijs op grijs, gebroken vensters, een regenpijp die verkeerd hing of een dakgoot vol duivenstront.
"Interessant," zei hij. Kim en Tomas namen allebei een trek van hun sigaret.
"Hoe komt het dat je hier de laatste tijd zo veel bent?" vroeg ze.
Tomas kende Kim nog van enkele jaren geleden, toen ze allebei studeerden. Zij was nooit afgestudeerd geraakt en had diverse korte jobs afgewisseld. De vraag die ze stelde wierp ook de tegenvraag op - waarom zij hier zo vaak was, en of ze zelf niet moest werken. In plaats van op haar vraag te antwoorden, stelde hij dan ook die tegenvraag. Haar gelaatsuitdrukking in haar anders egale, mooie maar onpersoonlijke gezicht werd afstandelijker, alsof iemand er een nauwelijks zichtbare film had overgelegd.
"Ik ben werkloos," zei ze.
"Zoek je werk?"
"Ik ben werkzoekend," verbeterde ze zichzelf.
"Dat is hetzelfde als werkloos."
"Niet helemaal? De implicatie is anders."
Tomas haalde zijn schouders op. Kim leek haar eerdere vraag vergeten te zijn. Mensen vergaten zo snel dingen. Hij had zin in bier, maar niet in dronkenschap. Het was er de avond niet voor.

Zeven uur later hing Tomas boven zijn wastafel. Op de achtergrond, in de spiegel, zag hij Kim staan tegen een deurpost.
"Hier is toch iets aan de hand," zei ze.
"Je meent het," raspte hij.
Ze waren vier uur terug samen vertrokken naar zijn appartement. Daar was hij te moe en te humeurig geweest om seks te hebben, deels omdat hij helemaal niet verwacht had niet alleen te slapen en dan kwaad was op zichzelf omdat hij zich een luxeprobleem aantrok, deels ook omdat hij in alles voelde dat zijn lichtend pad van compleet en blind egoïsme aan het verdonkeren was tot iets anders.
"Wat is er dan?" wilde ze weten.
Tomas veegde zijn mond af, spoelde zijn mond uit onder de kraan, en pakte zijn tandenborstel.
"Dat is niet jouw probleem, eigenlijk," zei hij, terwijl hij kort oogcontact maakte via de spiegel. Hij merkte dat het wit van zijn ogen doorschoten was met rood, en merkte ook hoe ruw zijn gezichtshuid eruit zag.
"Ga je nu nog je tanden poetsen?"
"Hmm," knikte hij met de bepastade tandenborstel in zijn mond. Kim bleef staan, leek te overwegen om zich kwaad te maken en besloot toen blijkbaar dat het het niet waard was. Aanvankelijk was dat best voor Tomas, maar toen ze verdween uit het deurgaat, voelde hij opnieuw woede opkomen, een woede die geboren was uit de machteloosheid die hem tot dit experiment gedreven had.
"Ik heb mezelf gemaakt tot iemand die niets meer waard is," zei hij, toen hij drie minuten later de kamer binnenstapte. Kim sliep al, en de overweldigende, plotse golf van stilte zorgde ervoor dat alle energie uit hem wegebde.

Verder naar deel zes.

woensdag 11 januari 2012

Ungesicht (IV)

4. Diehards

Het was iets na drie uur. De gematigde fuifgangers en de meest onvoorzichtige drinkers waren al naar huis en het zag er niet naar uit dat er nog grote stromen volk zouden binnenkomen in 'l’Ascenseur'.
“Ik hoop eigenlijk dat het kalm blijft,” zei Irina tegen Hanne. Hanne knikte en waste een glas af.
De DJ was routinematig een set aan het afhaspelen die hij vorige week al eens uitgeprobeerd had, maar buiten Irina leek niemand van het personeel ooit de veranderingen in zijn sets op te merken.
“Je weet nooit op avonden als deze,” zei Hanne met een blik op de deur, waar buiten twee meisjes en een jongen aan het roken waren. Binnen telde Irina nog ongeveer vijfentwintig mensen, het merendeel mannen. Hun korte gesprek werd onderbroken door nieuwe klanten. Terwijl Irina een pint tapte en een glas wijn uitgoot (check, routine, check, efficiënte bewegingen van armen en handen, geld krijgen, berekening, glimlach, inschatten van graad van dronkenschap, viel behoorlijk mee) dacht ze aan de implicatie van “avonden als deze”. Verraderlijk rustig. De weinigen die na drie uur nog uitgingen, waren de diehards, en diehards waren er in alle soorten: eenzamen, getroubleerden en wanhopigen.
Er verscheen een nieuwe klant. Hij zag er niet heel scherp meer uit en bestelde een pintje. Bijna alle stemmen klonken dezelfde over de luide muziek. Ze dacht eraan dat ze weer maar eens vergeten was om oordopjes mee te nemen. De klant bedankte en betaalde.
“Wat is je naam?” vroeg hij. Irina keek hem opnieuw aan.
“Irina,” zei ze. Hij knikte en nam een korte slok.
“Gaat het een beetje, vanavond?” vroeg hij.
“Dat valt goed mee, het is niet te druk,” zei ze naar waarheid.
“Ok,” zei hij slechts. Hij keek om zich heen. Hoewel hij geen dom voorkomen had, had alles aan hem iets licht uitgerafeld, alsof de dingen achter zijn ogen net niet in orde waren, net niet helemaal daar.
"Hoe komt het dat je hier alleen bent?"
"Ik ben op een drie weken durende missie om al mijn angsten en vooroordelen te verbranden."
"Serieus?"
"Nee. Ik ben een ninja in dienst van de Vlaamse regering en ik ben belast met het oprollen van een Russisch spionagenetwerk. Mijn naam is Tomas, trouwens."
"Jij denkt dat je geestig bent?"
"Meestal," zei hij plompverloren, waarop hij z'n schouders ophaalde.
"Probeer je dat vaak, op die manier barmeiden versieren?"
Hij lachte als een wolf.
"Niet zo vaak. Ik moet ook zeggen dat ik meer succes heb bij andere types."
Irina moest zelf ook glimlachen.
"Je lijkt me nochtans zelf niet het prototype versierder."
"Dat klopt," gaf Tomas toe, "ik ben er zelfs erg slecht in. Hoe het me toch zo vaak lukt, dat weet ik niet echt, maar ik heb er een theorie over."
"Die ga je me ongetwijfeld vertellen."
"Hij is niet zo ophefmakend. Het komt hierop neer: kijk eens rond naar de mannen die hier aanwezig zijn. Vrouwen elimineren al minstens één derde omdat ze te lelijk zijn. Van de mannen die overblijven, elimineer je vervolgens de wanhopigen, de dommeriken, de bruten en de kerels die niks te vertellen hebben. Dan blijven er al niet zo veel meer over."
"Hm. Ik neem aan dat jij tot geen van die categorieën behoort?"
"Daar ga ik graag van uit. Maar goed, ik wijt het dus niet aan mijn eigen verdiensten."
Tomas' glas was leeg.
"Is het toilet daar?" vroeg hij, doelend op de deur voorbij de dansvloer, die slechts nog door twee groepjes mensen ingenomen werd.
"Nee, die deur leidt naar een magisch labyrint. Achter elke deur zit een giraf die tarotkaarten legt," zei Irina. Tomas' blik klaarde voor het eerst op.
"Interessant."
Irina ging weer aan het werk. 'l'Ascenseur' begon langzaam leeg te lopen. Op die momenten voelde het als een enorme zandloper waarvan zijzelf, Hanne, de baas, de DJ en de buitenwipper de allerlaatste korrels waren. Op een dag, hield ze zichzelf voor, zou ze voor de allerlaatste keer bij die korrels horen en terug tijd hebben voor andere dingen dan luisteren naar dronkaards, bizarre complimenten krijgen over haar uiterlijk of kortstondig opflakkerende relaties aan te gaan die snel implodeerden door drama. Was dit soort cynisme een deel van ouder worden? Ze vroeg zich ook af of ze niet wat te laatdunkend was geweest tegenover die Tomas, terwijl ze nog een klant bediende die een laatste rij shots bestelde. Aan de andere kant was het niet alsof ze hem iets verschuldigd was.
Toen ze twee minuten later weer enkele glazen had weggezet en kort met een schoteldoek langs de achterkant van de toog gegaan was, stond Tomas er terug.
"Het wordt tijd dat ik naar huis ga. Mijn vrienden vragen zich ook af waar ik zit," zei hij.
"Goeienacht nog, dan."
"Jij ook. Bedankt voor de babbel."
Hij stapte naar buiten. Irina volgde hem met haar ogen. Op straat keek hij om zich heen, met een blik en lichaamstaal van iemand die niets in het bijzonder hoopte te vinden, maar op alles kon ingaan dat zijn nieuwsgierigheid wekte. Het had een aanstekelijke kinderlijkheid die niet paste bij zijn zieke gezicht en zijn droge mond.
"Bijna vier uur. Ik denk dat we binnen een half uur gaan sluiten," zei Hanne.
"Het zal best zijn. Ik heb slaap nodig."
"Je gaat niet meer mee uit?"
"Geen zin, sorry."
Hanne trok een lelijk gezicht.
"Het is zo lang geleden dat je nog eens bent mee geweest."
"Ik weet het," antwoordde Irina,"maar het zegt me allemaal steeds minder. Ik heb het een beetje gezien."
In haar hoofd speelde een diaprojector snel een stel snapshots af van de bekendste afterparty-cafés in Gent en hun habitués. Ze waren ingedeeld volgens kleur, muziek, genre en het volk. Een grote zaal met zwart en groen die een slangenkuil was vol late twintigers. Een sympathiek donkeroranje plekje waar je zelden lastiggevallen werd, een dansding dat nooit een dansding was, een peperdure club waar soms BV's kwamen en veel verdwaalde hipsters en dan nog een duister hol met een misvormd balkon en een erg slechte DJ.
"Je voelt je toch wel nog goed?"
"Ik voel me ok, hoor," zei Irina. Doordat ze het zei, twijfelde ze echter aan de waarheid van die uitspraak. Hanne leek zich met dat antwoord tevreden te stellen.
"Ok dan. Als er iets is..."
Ze brak haar zin af om nog een klant te bestellen. Irina keek uit het venster en had zin in een sigaret, in een warm bed en drie dagen volstrekt alleen zijn.

Verder naar deel vijf.

dinsdag 10 januari 2012

Ungesicht (III)

3. Terugdraaiende velgen

"Je kijkt naar films en je denkt dat je leven ook zo zou kunnen zijn. Het decadente nachtleven, zo. Al die kronkelende lijven, oneliners en comebacks. Coole muziek die altijd bij de sfeer past. De werkelijkheid is hier echter overal hetzelfde: de meeste mensen worden niet voortdurend netjes belicht en staan te zweten, ze dragen geen kostuums van Armani of vrouwen hebben ook niet altijd de perfecte make-up aan. De grote meerderheid van de mensen heeft er zich ook bij neergelegd eerder aangenaam te zijn dan geestig. Of ze denken geestig te zijn, terwijl ze onaangenaam zijn."
De helft van Tomas' woorden ging verloren in de drums. Peter trok zijn wenkbrauwen op, nam zijn kauwgom uit zijn mond en plakte die tegen een paal.
"Je moet... toch geloven in iets van jezelf? Zelfvertrouwen is nodig. Mensen beelden zich gewoon ook graag in om een filmster te zijn."
"Misschien is dat goed om iemand een keer mee in je bed te praten, misschien, maar wat als daarna blijkt dat ze je een eikel vindt?"
"Vind jij mij een eikel?"
"Soms wel."
Peter grimaste en nam een slok.
"Coke?"
"Coke."
Wc's in cafés stonken altijd, maar ze verschilden onderling in hun type stank. De ergste toiletten roken zonder meer naar kak en rotte eieren.
Peter onthulde als een soort minitapijtverkoper zijn waar op het deksel van de wc, met de zorg die eigen was aan een druggebruiker die zichzelf een aura van respectabiliteit aanmat. Geen van beide mannen zei iets en Tomas was zijn eigen korte monoloog over het gebrek van glamour al vergeten. Hij dacht aan een werkweek die nooit meer zou komen en vond dat een aangenaam vooruitzicht.
Peter nam zijn tijd om het poeder netjes te versnijden met een bankkaart. Waarom altijd bankkaarten en geen tankkaarten of lidkaarten van de ECI Boekenclub? Tomas besloot die vraag niet luidop te stellen.
"Zo," zei Peter met een merkwaardig diepe stem. Van buiten klonk er geschuifel. Urine van elders. Het toilet stonk maar matig naar pis. De overheersende geur was een goedkoop merk van wc-tabletten die Tomas deden denken aan het parfum van één van zijn ex'en. Hij had haar nooit durven zeggen dat ze rook naar een toiletdame en dat hij haar daarom soms niet had willen kussen. De schaamte aan die herinnering worstelde met de schaamte aan het feit dat hij dat niet had durven zeggen.
Peter ging eerst. Het was zijn eigen spul. Tomas volgde. Hij moest denken aan het nummer 'Benzin' van Rammstein.

Terug in de zaal zelf was er niet onmiddellijk veel veranderd, buiten het feit dat het nog warmer aanvoelde dan daarnet. Ok, kleine tinteling, dat wel, maar verder niks meer aan de hand.
"Wat drink je nog?"
"Pintje."
Tomas wrong zich langs twee grote mannen en een tros dikke meisjes waarvan één een erg mooi gezicht had, en werd vrijwel onmiddellijk bediend. In zijn jaren café- en clubervaring had hij een haast mystieke techniek ontwikkeld om erg snel bediend te worden. Het lag aan een soort lichaamshouding, focus en een kleine dosis gedistingeerdheid, zelfs in dronkenschap. Althans, dat vertelde hij zichzelf graag, bedacht hij zich.
Voordat hij zijn wisselgeld op zak stak, gaf hij één van beide pinten door aan Peter, die z'n gsm uitgeklapt had.
"Bert is er blijkbaar. Hij staat buiten," zei Peter.
Tomas had onmiddellijk het mentale beeld van de immer vrolijke Bert in een streepjestrui. Bert met het sappige West-Vlaamse accent en Bert die wel eens voor zijn plezier een boek las. Bert die ook ooit een zeer creepy liefdesbrief geschreven had aan een kennis van Tomas, maar dat was intussen ook alweer drie jaar geleden.
"Dat hij binnen komt."
"Of dat hij buiten wacht," zei Peter plompverloren. Tomas snoof, voelde zijn neus tintelen en nam een forse slok bier.
"Mij gelijk."

Tomas nam alles tegelijkertijd zeer traag en met een enorme helderheid waar. Het was alsof hij uitgestegen was boven zijn eigen dronkenschap. In de wolkjes adem die hij blies kon hij op elk afzonderlijk moment bijna de atomen zelf gaan waarnemen die zich haarscherp aflijnden tegen de paarsige nacht van de Overpoort. De straatlichten bezaten een gelijkaardige scherpte, waarbij passanten en feestvierders die onder die lichten door liepen, nu eens levende neonuithangborden en dan weer knetterende lonten leken.
"Ik heb honger. Wil jij nog iets eten?"
Ook het gepraat om hem heen ontsnapte niet aan zijn aandacht. Op elke vraag die gesteld werd, kon hij duizend verschillende antwoorden verzinnen.
"Ik heb anders wel zin in een pita."
"Hm. En jij Tomas?"
Tomas dacht aan het meisje dat hij daarnet binnen gezien had met de grote groene ogen, vroeg zich af hoe het moest voelen om haar schouder aan te raken of in wat voor huis ze woonde. Hij stelde zich rommel op de vloer voor, dacht aan de rommel op zijn eigen vloer en moest doen denken aan hoe hol het was dat hij haar zou najagen voor zijn eigen plezier, alsof dat het enige was waar in zijn geconstipeerde, dronken toestand nog ruimte voor was. Hij moest denken aan haar haar en de verwijten die ze hem misschien kon maken als hij haar zou proberen kussen, of dat ze er integendeel op zat te wachten om deze avond versierd te worden. Men kon het nooit weten en elke interpretatie van een mogelijkheid was evenzeer geldig.
"Ik heb geen zin in pita," zei Tomas. Hij voelde zijn blik zweven en het leek alsof er een uur voorbijgegaan was. In werkelijkheid was er een minuut voorbij.
"Hmm," hoorde hij Peter zeggen, die zich in slow motion leek om te draaien en zijn sigaret weggooide, "Weet je wat? Ik ga er toch één gaan eten."
"Ik ga wel mee," zei Bert.
Tomas zag zichzelf knikken vanop de overkant van de straat, waar twee jonge Turken een erg luide discussie voerden met iemand die in een auto zat met geblindeerde vensters. Tomas dacht aan auto-achtervolgingen, snel draaiende wielschijven die in zonlicht merkwaardig genoeg altijd in de verkeerde richting leken te draaien, het glijden van lampen in tunnels over de zwarte motorkap, de grille en de vensters en hoe het leder (ongetwijfeld leder) zou ruiken, gemengd met een soort pooierdéorodant. Wie weet zou de onzichtbare chauffeer een pistool trekken en één van de twee Turkse jongens neerschieten maar dat gebeurde niet. Raam dicht, Turken hoofdschuddend, auto reed weg. Drugs? Drugs, vermoedelijk.
"Ik ga een wandeling maken," bracht Tomas uit.
"Gaat het wel?" wilde Bert weten, die het minst stoned of high of wat dan ook was.
"Ja," antwoordde Tomas met een vaag handgebaar, "Ik zie jullie straks nog wel."
Of niet, dacht hij. Of nooit. Misschien verdwijn ik wel voorgoed.
"Kom, we gaan eten," zei Peter, die duidelijk enorm hongerig was.

Verder naar deel vier.

maandag 9 januari 2012

Ungesicht (II)

2. Nachtzoo

Irina’s platte schoenen maakten bijna geen geluid op de tegels van het trottoir. Het enige waaraan een blinde zou kunnen horen dat ze over straat liep, was het doffe gerinkel van de gespen van haar schoudertas. Het was kouder aan het worden, en in de late herfst leek het steeds of de anders dicht bijeengebouwde huizen, appartementen, winkels en cafés van Gents hoekiger, hoger en wijder werden, alsof ze zich misschien vanzelf terugweken van wie in die kou nog op straat wilde komen. Maar Irina genoot op een erg eenvoudige manier van die ijzige stilte. Eind november betekende dat de meest studentendopen voorbij waren, dat de laatste grote feestjes eraan kwamen en dat de eerstejaarsstudenten intussen al een vorm van routine gevonden hadden. Het betekende ook minder verrassingen, maar dat was op zich niet zo erg.
Irina had zin in een sigaret maar ze hield zich in. Ze zou er nog wel één roken voor ze 'l’Ascenseur' binnen moest. Ze stak de Heuvelpoort over, dat onmogelijke kruispunt waar in principe veel meer ongevallen zouden moeten gebeuren dan dat er gebeurden, maar omdat iedereen er zo voorzichtig was, gebeurde er zelden iets. Drie jaar geleden was er nog een auto uitgebrand na een botsing, en vorig jaar was er een student aangereden.
Irina bekeek zichzelf zijdelings in de weerspiegeling van een hoog gebouw dat ooit een studentenresto geweest was, en nu langs alle kanten stond te verloederen. Het samenspel van hoeken, glas en jaren ’70 oogde hol en naargeestig. Onder haar hoge trappen verzamelden soms junks of marginalen die andere mensen aangaapten. Vandaag was er niemand.
Er hing regen in de lucht. Irina snoof en keek naar boven. Geen ster te zien in de donkerpaarse hemel. Ze had ergens gelezen dat Gent de slechtste luchtkwaliteit had van heel Vlaanderen. Fallout van het havengebied in het noorden, mogelijk. Of opspattend schuim van al die Gentenaars die nog verknocht waren aan hun sigaretten, sigaren en pijpen.

De Overpoort. De vergaarbak van jeugdige overmoed. Niet meer wat het geweest is. Gehaaid en snel. Toch wel overroepen. De afvoerput van studenten en marginalen. De ene drugsclub naast de andere. Vier pitabars maar echte kenners zworen slechts bij de fijne kebab van 'Collosseum' (verkeerd gespeld, al jaren). Frituur 'De Bronzen Boulet' had veel van zijn pluimen verloren omdat de eigenaar dement aan het worden was. De club op de hoek met het Stalhof was vervloekt. Alleen in 'De Cascade' kon men nog proeven van het echte studentenleven met lint, kiel en cantuscodex. 'The Apocalypse' had vaak een witte kat voor het venster zitten.
Al die uitspraken, al die zinnen. Irina voelde ze soms door haar hoofd klutsen als ze werkte. Iedereen in Gent had een mening over de Overpoortstraat, één van de zenuwcentra van jong en minder jong Gents geweld en al meer dan dertig jaar een zware uitgangsbuurt.
Irina stond buiten en rookte. Binnen had Hanne even de shift overgenomen. Als ze links keek, zag ze de straat met een flauwe kromming verder naar boven lopen. Aan de 'Overpoort Pool' stonden enkele Turkse dertigers luid te discussiëren. Eén van de vaste medewerkers van de 'Pool' stond erbij. Irina herinnerde zich dat hij Olivier heette en een erg opdringerig, onvolwassen mannetje was. Op dat soort momenten was het een voordeel dat ze met hakken aan net boven de meter tachtig kwam – dan kon ze dat slag opdringerige kobolden al neersabelen door er gewoon geringschattend naar te kijken.
Verder rechts, aan de overkant, had Mike besloten om de 'Luxor' dan toch te openen. De cafébaas van het dompige, alternatieve café waar herfstbladeren en noten op de veel te smalle dansvloer lagen, was een notoir dronkaard en had er al zeven relaties aan versleten met steeds jonger wordende vrouwen.
Nog verderop was er een gewemel rond 'Scurvy', een blinkende nieuwe club waar alleen al even blinkende mensen werden binnengelaten. De definitie van het woord klatergoud – dure maar slechte pils, goed geklede maar domme mensen en een interieur dat haar bezoekers agressief herinnerde aan de late jaren ’90, toen de zwanenzang van de megadiscotheken was ingezet. Klatergoud. Irina sprak het net niet uit en nam zich voor om het woord te onthouden, ergens te gaan gebruiken.
Aan de overkant van 'l’Ascenseur' lag het Stalhof, een dode zij-arm van de Overpoort, met aan de linkerkant van de bekasseide steeg de blokkendozen van de studentenhomes, en aan de rechterkant de debiele broertjes van de gewone Overpoortcafés. Er was een mislukte Irish pub bij die niet door Ieren werd uitgebaat en waar bijna alleen Spaanse en Italiaanse Erasmus-studenten kwamen. Er was nog een onooglijk vuil café waar de lelijkste rockers van heel Gent op een kluitje zaten, een fuifzaal die leek op een stripclub, een karaoke met verdachte Maleisiërs en tenslotte 'De Handgranaat', een zeer links nest waar vooral hangouderen en jonge communisten zaten.
Sigaretten zijn ‘the great equaliser’ had één van Irina’s docenten gezegd. Bier was dat ook. Men beweerde wel dat iedereen net wat anders reageerde op bier en dronkenschap, maar Irina vond de meeste mensen veelal dezelfde: een uitvergroting van zichzelf, met alle positieve en negatieve kanten. Jammer genoeg bleef er van sommige mensen weinig positiefs over, dan. In een jeugdboek dat ze ooit gelezen had, voerde het vaderfiguur aanstaande huwelijkskandidaten voor zijn dochter dronken om erachter te komen hoe hij werkelijk in elkaar zat. Irina had het voordeel dat ze al haar huwelijkskandidaten meestal al had leren kennen als ze dronken waren. Ondanks verschillen in persoonlijkheid, waren het vooral soorten alcohol die gedrag licht veranderden: bier maakte mensen luid, emotioneel en dom. Wijn maakte mensen moe, melig en zeurderig. Gin produceerde niet zo veel resultaat. Tequila was de kernbom onder de sterke dranken en sloeg kraters in geheugen als een soort eenmansgrenadier. Vodka werkte verraderlijk en deed mensen denken dat ze niet zo dronken waren als ze echt waren. Zware bieren maakten mensen tot lapzwanzen.
Aan haar linkerkant ging '’t Plezier' open, een café dat nooit veel klanten trok buiten die die er bijna altijd kwamen. Het was er rustig zitten als het er niet stonk naar pis.
Irina’s sigaret was op. Ze rechtte zich onwillekeurig wat meer, en ging terug de bonkende walm van 'l’Ascenseur' binnen.

Irina was bijna bij 'l’Ascenseur' aangekomen. Eén na negen, één minuut te laat, maar niemand die er iets van zei. Er was nog steeds bijna niemand op straat. Zo waren vrijdagen – leeg tot laat op de avond, daarna een explosie van volk, en dan weer een snelle leegloop rond drie uur. Wie daarna overbleef, was een diehard, een alcoholicus of iemand die problemen zocht door ervan weg te lopen in de breedst mogelijke zin.
Ze bedacht zich dat ze hier al ontelbare keren gestaan had, een sigaret had gerookt, in één beweging, in één routine. En kort overviel haar een gevoel van veraf gelegen melancholie bij die vaststelling. Hier leek het alsof altijd alles anders was, maar eigenlijk veranderde er niets. Irina staarde naar haar aansteker, en borg hem weer op.

Verder naar deel drie.

zondag 8 januari 2012

Ungesicht (I)

1. Postkaarten

"Ok, dus ik schrijf regelmatig iets op postkaartjes en stuur die naar willekeurige adressen die ik vind in een oud telefoonboek of opzoek via Google."
"Jaag je daar mensen niet de stuipen mee op het lijf?" vroeg Lina.
Tomas nam een slok gin.
"Dat kan, maar ik zie het resultaat toch nooit en het kan me ook niet schelen. Het is een bescheiden daad van rebellie."
"Wat zet je op die postkaarten?"
"Ik kras de foto uit," antwoordde Tomas nog voor de vraag volledig gesteld was, "plak er soms iets anders over uit een tijdschrift of een krant, en op de achterkant schrijf ik een kort tekstje over een boom of over een schilder, of hoe slecht de nationale voetbalploeg geworden is na 2002."
Lina’s huid voelde koel en zacht aan. Naakt gin drinken, waarom niet.
“Het is wel grappig,” moest Lina toegeven, “maar wat heb je eraan?”
Tomas besefte dat ze hem aankeek en probeerde in te schatten of hij volledig bij zijn verstand was, of gewoon excentriek. Hij liet de implicatie in het midden. Het gelige licht van de woonkamer vloeide over het bijzettafeltje, waar al drie lege glazen stonden en een halfvolle fles. Het was warm.
“De daad van het opsturen. Zoals ik al zei – het is iets onverwachts, iets dat de routine voor anderen breekt. En als ze er schrik van krijgen, is dat jammer, maar is dat niet mijn probleem.”
Hij liet zijn vinger over haar dij glijden.

De dag dat Tomas besefte dat het hem geen moer meer kon schelen wat iemand over hem dacht was een donkere dag geweest, met regen die onophoudelijk alles had doordrongen van ziekelijkheid. Hij zat in één van zijn stamcafés in de buurt van Sint-Pietersplein tegenover een zanger van een lokale metalband die erg luid praatte met een erg nadrukkelijk Antwerps accent.
“... kunnen er niets van. Ik ben het brein en ik bepaal alles, de creatieve richting, de teksten, zelfs de gitaarpartijen. Maar je kan niet alles zelf doen natuurlijk.”
De metalzanger heette Philippe maar liet zich door iedereen de zelfgekozen bijnaam Wolfskeel Grindgezang welgevallen. Tomas keek in zijn bier.
“Ja Wolfskeel,” zei één van de acolieten van de zanger, een boomlange blonde jongen met een vervaarlijk holle stem, “we hebben elkaar nodig.”
“Correctie,” verbeterde Wolfskeel hem, “jullie hebben mij nodig.”
“Vind je dat zelf niet arrogant?” vroeg Tomas toen terwijl hij het glas bier in zijn hand ronddraaide.
“Natuurlijk,” gaf Wolfskeel toe, “ik ben enorm arrogant. Maar zonder arrogantie raak je nergens.”
“Hoe komt het dan dat je geen platencontract hebt?”
Wolfskeels entourage leek even terug te wijken voor die vraag. Wolfskeel zelf leunde voorover. Hij had een knap gezicht dat er nog knapper had uitgezien als hij geen lang haar en een vreemde baard gehad had.
“De industrie oordeelt niet echt over talent,” zei hij, Tomas aankijkend, “ze kijkt of iets commercieel interessant is. De metalscène in Vlaanderen is te klein om mensen als mij te kunnen ondersteunen.”
“Er bestaan ook buitenlandse labels.”
Tomas nam een slok.
“Ja,” zei Wolfskeel met een zucht, “maar dat is zo’n fucking gedoe man. Je moet dat dan op een filesharer zetten, je verliest kwaliteit en voor hetzelfde geld stelen ze je ideeën.”
Tomas had Wolfskeel enkele weken voordien leren kennen op een kleinschalig optreden waar hij naartoe was geweest met een kennis. Ze waren daar aan de praat geraakt over Nietzsche. Een op het eerste zicht interessante conversatie was verworden tot deze cafépraat, waarin Wolfskeel voortdurend bezig was zijn ego aan het strelen en zijn bandleden af te breken.
“Dat kan goed zijn,” gaf Tomas toe, “maar het lijkt erop dat je arrogantie een schild is om te verbergen dat je onzeker bent over waar je mee bezig bent, en dat is nergens voor nodig.”
Hij zei het zacht en het leek alsof hij zichzelf van buiten zijn eigen lichaam waarnam.
“Ik ben niet onzeker. Ik ben echt zo arrogant,” zei Wolfskeel, nadrukkelijker Antwerps dan ooit.
“Dan ben je een lul,” zei Tomas na een ademtocht, “en ik ben weg.”
Hij stond op. Wolfskeel keek alsof hij Tomas zou aanvliegen, maar besloot, toen Tomas snel zijn jas aanschoot, om één van de leden van zijn entourage een klap te verkopen. Tomas maakte een inwendige aantekening dat het bier in De Handgranaat te lauw was, en had zin om in lachen uit te barsten.

“Ik begin kou te krijgen,” zei Lina met een blik op het bijna lege glas gin.
“Dan mag je teruggaan naar het bed,” zei Tomas, “ik kom zo wel.”
“Ik wacht wel even,” zei ze, alsof ze daarop een mysterieus antwoord verwachtte. Tomas zei niets. Hij dacht aan enkele uren terug, aan de stroboscopische lichten van de 'Nacho Libre', de hoge, plakkerige tafeltjes en de concentratie aan geparfumeerde, dansende lijven daar. Hoe hij daar alleen was aangekomen om drie uur ’s nachts, dronken van Duvel, en met willekeurige mensen was beginnen praten. Nu dit. Lina was de zesde in drieëntwintig dagen die hij mee naar huis had genomen, en de negende die hij gekust had. Ze was zonder twijfel ook de knapste.
“Wat doe jij soms om te ontsnappen aan... de gewone dingen, de sleur?” vroeg Tomas. Lina haalde de schouders op en keek naar de vloer.
“Uitgaan. Drugs. O, en ik maak collages.”
“Collages?” Tomas leegde zijn glas.
Opnieuw schokschouderde Lina. Haar huid was volmaakt, zonder littekens, zonder wratten, moedervlekken of mee-eters. Er was mogelijk aan gewerkt. Het gaf haar iets onmenselijks definitieloos.
“Foto’s van verschillende beroemdheden die ik op elkaar plak, zodat ze een ander gezicht krijgen,” glimlachte ze, “of allemaal hondensoorten bij elkaar die hetzelfde kleur vacht hebben.”
Tomas zette het glas neer.
“Wat doe je met die collages?”
“Ik bewaar ze in een grote map.”
“Ik toon ze trouwens nooit aan iemand,” voegde ze er snel aan toe met een schichtige blik, alsof hij haar ouder ging opbellen om te zeggen dat Lina, hun dochter die al vier jaar werkte bij een pakjesdienst, zich bezighield met onverantwoord nutteloze dingen.
“Het is nochtans het interessantste dat ik van je weet,” schatte Tomas. Hij besefte dat dat kwetsend kon geïnterpreteerd worden, maar Lina liet zich niet van haar stuk brengen of vatte die mogelijke interpretatie niet echt.
“Het is wat het is,” zei ze, “het is een leuke ontspanning.”
“Ja,” zei Tomas, zelf ontspannen, halfdronken, “dat moet het inderdaad zijn.”
“En wat doe jij, buiten postkaarten sturen naar onbekenden?”

Verder naar deel twee.