Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de verhalenafdeling daarvan. In 2016 bundelde en redigeerde ik (streng!) alle tot dan toe geschreven kortverhalen in de antologie 'Recombinant' en in 2023 bracht ik de novelle 'De keizer van Populië' uit - je kan beiden gratis downloaden als je Patron wordt. In 2020 verscheen mijn debuutroman 'Fragmentariërs'. In 2023 bracht ik de opvolger 'Constellatie' uit. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

woensdag 27 maart 2013

Einde (III)

3. Laatste woorden

“Ik, Tja,” zeg ik, en laat dat laatste woord even tussen ons in hangen. Ons tempo is al wat vertraagd in de zon.
“Iedereen die belangrijk voor me is, laten weten dat ik heb graag zie, en daarna naar m’n familie rijden in Eeklo.”
“Het einde van de wereld in Eeklo,” zegt Frank plechtig, “het zou de titel kunnen zijn van een boek.”
“Het is misschien niet spectaculair,” geef ik toe met een schouderophalen, “maar als je erover nadenkt, gaan alle stranden, bergen en plekken met een mooi uitzicht toch al bezet zijn.”
Jelena trekt haar neus op.
“Inderdaad. Dan liever thuis zitten.”
“Maar misschien denkt iedereen dat, en blijft iedereen thuis,” oppert Frank.
We komen bij een open, ronde plek met in het midden een verweerd prieel. Er spelen twee kinderen. Alle bankjes errond zijn bezet.
“Dat zal ook wel niet,” zeg ik beslist. We blijven even staan om een groep andere mensen van onze leeftijd door te laten.
“Heb je die gast gezien met zijn zwart haar?” vraagt Jelena aan me als ze net buiten gehoorsafstand zijn. Frank draait zich om en fronst.
“Ja,” zeg ik, “knap, maar ziet er arrogant uit.”
“Die met die zonnebril in z’n haar?” vraagt Frank, met één opgetrokken wenkbrauw.
“Wat maakt dat nu uit?” vraagt Jelena, “je kijkt toch naar z’n gezicht en niet naar wat hij in zijn haar heeft.”
“Bovendien is het een warme dag en je kan je zonnebril niet altijd op hebben,” val ik haar bij. We komen weer in beweging.
“Ja, ok. Maar mannen met een zonnebril in hun haar komen altijd fout over. Ze doen met denken aan van die macho kmo-bazen van midden de veertig, je weet wel, met zo’n patserige Mercedes, een dure smartphone en een enorme eigendunk.”
“Iemand is jaloers hier,” zingt Jelena. Frank lacht.
“Niet echt.”
“Mijn vader is ook een kmo-baas van in de veertig,” zeg ik tegen Frank, een beetje beledigd door het karikatuur dat hij van dat soort mensen schetst.
“Draagt hij z’n zonnebril in zijn haar?” vragen Frank en Jelena.
“Hij is kaal,” zeg ik.
Nog drie jongens komen ons voorbij. De knapste van de drie heeft ook een zonnebril in zijn haar, en ik moet toegeven dat die er inderdaad arrogant uit ziet.
“Zie je wel?” zegt Frank. Hij heft z’n hoofd hoog en doet alsof hij van zijn sociologische triomf geniet.
“Ja, en toch maakt dat niet zo veel uit hoor,” vindt Jelena.
“Wat vind je daar dan van bij vrouwen?”
“Doen die dat ook, dan?” vraagt Frank zich luidop af, waarop hij zich al snel herstelt: “Ik ken er inderdaad een paar die dat doen. En ja, het gaat ook voor hen op. Meisjes met veel geld, meestal.”
“Je kan je ook duur kleden en toch arm zijn, als kleren je prioriteit zijn,” zeg ik.
“Dat zal je zeker wel al gezien hebben op je werk?” vraagt Frank aan mij.
“Bij sommige thuisbezoeken, ja. Slecht onderhouden huizen, diepvriesmaaltijden, apparaten die niet goed meer werken en de kinderen die bepaalde schoolboeken niet hebben, maar hun tweedehands-BMW is tot in de puntjes verzorgd.”
“Ik had ook ooit zo’n lief,” zegt Jelena, “en hij zei dat zijn huis hem niets uitmaakte omdat daar bijna nooit iemand kwam. Met zijn auto moest hij overal komen, en dat maakte veel meer indruk.”
“En toch zal ook dat niets meer uitmaken als de wereld ten onder gaat,” zeg ik, terwijl ik in de verte de heuvel in het park zie opdoemen, met keurig verspreide groepjes zonnebaders op handdoeken.
“Hij kan de ondergang tegemoet rijden in zijn BMW,” zegt Frank.
“Iedereen die een BMW heeft, mag er voor mijn part mee ten onder gaan,” zeg ik schamper, “of nee, laat maar zitten. Het zijn Audi-chauffeurs die tegenwoordig eikels zijn.”
“Zeker als ze een zonnebril in hun haar dragen,” voegt Frank er aan toe. Jelena lacht, maar houdt dan abrupt op.
“Kijk,” zegt ze, “weer een ijskraam.”
“Niet naar kijken,” zeg ik, terwijl snel achter haar kom en haar tegen hou aan haar frêle schouders, “dat is wat ze willen dat je doet!”
Frank overweegt om nog een sigaret op te stekken, maar wist het zweet van zijn voorhoofd en bedenkt zich.
“Maar... ik kan... er niet... weerstaan,” zegt Jelena, zwak worstelend in mijn greep. Frank kijkt ons zijdelings geamuseerd aan.
“En wat als ik trakteer?” stelt hij voor, “Ik denk dat we wel een pauze verdiend hebben, nu.”
“Ja!” zeggen Jelena en ik in koor. Ik pak Frank even vast.
“Beste vriend ooit!”
Hij glimlacht bescheiden, op een manier die hem moeilijk afgaat.
“Maximum twee bollen elk, wel,” voegt hij er aan toe.

Vijf minuten later zitten we in de schaduw van een laag muurtje gretig aan het roomijs te likken. We zijn nu zelf deel van het decor geworden waar we daarnet doormeanderden. Ik denk er even niet aan dat het zondag is, en morgen weer een werkdag. Ook andere zorgen zijn veraf, gaand van een afwas van drie dagen die nog moet gedaan worden tot en met een ex-lief dat ik onlangs weer tegenkwam en die me bij die hatelijke naam Alfredina noemde. Ik kijk naar Jelena en Frank, die dezelfde gemoedstoestand uitstralen – Frank die als een hagedis met zichtbaar genoegen ijs van z’n hoorntje wegsteelt, en Jelena die alleen maar verticaal likt.
“Er hangt een dot ijs aan je neus,” zeg ik tegen Jelena. Ze lacht en veegt ‘m snel af.
“Overkomt mij ook vaak,” zegt Frank, wiens lange neus inderdaad vervaarlijk dicht bij de bovenste bol van zijn ijsje komt.
“It was as if the world was one big Sunday afternoon. Nothing to do, nowhere to go,” citeer ik iemand waarvan ik de naam al vergeten ben.
“Verdomme toch,” zegt Jelena nu, tussen twee happen door, “het is echt wel een schitterende dag.”
“Misschien dat de wereld best op zo’n dag eindigt. Plots.”
De avondschemer zet zich langzaam verder.

dinsdag 26 maart 2013

Einde (II)

2. Doodgaan is doodgaan

"Om eerlijk te zijn vind ik je plan voor het einde van de wereld nogal flauw, Frank," zeg ik, "Ik bedoel, reduceert het je hele leven niet tot wat drinken en seks?"
"Natuurlijk is mijn leven meer dan dat," verdedigt hij zich terwijl hij zijn ogen samenknijpt tegen het zonlicht, "maar denk je echt dat het een jota uitmaakt of je je laatste momenten zit te mediteren of je tuinhek repareert? Niemand zal er een barst om geven."
"Je kan toch samenkomen met vrienden ook?"
"Sorry, als het gedaan is, ben ik liever alleen. Ik hoef geen miserabele mensen om me heen als ik zelf al miserabel ben."
"Dat vind ik echt griezelig," zegt Jelena, "ik zou niet alleen kùnnen zijn op zo'n moment."
"Goed, maar het zou geen verschil maken."
"Voor mij wel."
Frank maakt een handgebaar en kijkt naar mij.
"Ik denk trouwens dat je nog moest zeggen wat jij ging doen."
"Was het niet Jelena’s beurt?"
In het gras zitten twee mensen met twee verschillende honden, die mak naast elkaar liggen in de warmte. Een fietser rijdt langs in volle amateurwielrennersoutfit. Rood stof van het wandelpad dwarrelt omhoog.
“Shit ja,” zegt Jelena, “wel... Ik zou er zelf een einde aan maken voor het zo ver komt. Misschien eerst nog wat muziek opzetten, vrienden zien, sigaret roken. Maar daarna is het gedaan.”
“Hm,” zeggen Frank en ik tegelijk, waarop we lachen. Jelena kijkt op naar ons beiden.
“Het is toch zo raar niet? Als we er toch allemaal aan gaan, doe je ’t beter zelf. Dan heb je nog een keuze hoe je doodgaat.”
“Dat is waar,” geeft Frank toe.
“Hoe zou je het dan doen?”
Jelena haalt haar schouders op. In de verte vliegt een frisbee omhoog boven de struiken. Iemand roept.
“Aders oversnijden en dan in bad gaan zeker.”
Frank lacht.
“Klinkt zeer gewoontjes allemaal.”
“Doodgaan is doodgaan. Dat is niet zo speciaal, toch?” zegt Jelena.
“Maar stel nu dat de wereld uiteindelijk niet eindigt,” zeg ik, “dan lig je daar dood.”
“Ja-a,” zegt Jelena, “maar dat zou ik toch niet weten.”
“Tenzij je gelooft in leven na de dood,” zegt Frank.
“Geloof jij daar dan in?” vraag ik aan hem. Het lijkt me on-Franks om in zoiets te geloven.
“Natuurlijk niet,” stelt hij me direct gerust, “maar je kan het nooit uitsluiten.”
“In de hypothese die Frank stelde, was het einde van de wereld trouwens wel een gegeven,” zegt Jelena nog. Ik wil iets zeggen, maar haar aandacht wordt getrokken door een enorme hond die blij voor zijn baasje uit rent.
“Machtig,” zegt ze. Ook Frank grijnst.
“Dat is tenminste een echte hond,” zeg ik, “zo geen kuitenbijtertje.”
“De max toch,” zegt Jelena, die de hond nakijkt alsof het een knappe man is.
“Ja, ik heb gelezen dat als de mensheid plots zou verdwijnen, dat die kleine hondjes binnen een paar jaar zouden uitsterven. Alleen grote honden zouden kunnen overleven.”
“Wel, ze verdienen het,” zeg ik. Frank lacht boosaardig.
“Zo ken ik je wel, Dina,” zegt hij. Ik lach terug en kijk dan voor me uit. Even verder liggen bloembakken met knalrode bloemen. Tussen de pilaren in het gras zitten twee groepjes jongeren. Er ligt een fiets neer in het gras.
“Ha,” zegt Jelena, die haar dunne armen spreidt en haar ogen sluit, “eindelijk nog eens een mooie dag. Het werd tijd.”
“Ja, en wat doen wij? Praten over het einde van de wereld.”
“Daarover praten op een dag met regen en mist is zo’n cliché,” zegt Frank.
Het is even stil.
“Ik denk – zou het einde van de wereld niet heel veel geweld opleveren?” zeg ik, “Ik bedoel, neem nu dat radio en tv aankondigen dat het gedaan is binnen een week, onherroepelijk. Er zouden toch erg veel mensen zijn die zouden gaan moorden, plunderen en verkrachten.”
“Hm, ik denk dat dat wel zou meevallen. Misschien ook omdat iedereen daarvoor zou vrezen, en dus iedereen binnen zou blijven,” zegt Frank.
“Ja, maar jij bent een man. Jij hebt minder te vrezen dan wij.”
Frank laat z’n onderlip boven z’n bovenlip krullen.
“Goed punt. Toch denk ik dat mensen elkaar meer gaan opzoeken voor troost en steun, dan dat ze plots de boel in de fik zouden steken en elkaar de kop zouden inslaan.”
“Ik denk ook dat dat hier nog zou meevallen,” zegt Jelena, “misschien dat het in andere landen anders zou zijn.”
Ik frons en kijk naar een man met een zonnebril die op een verhoogje zit. Hij is alleen. Zou hij bij een nakende apocalyps veranderen in een gewetenloze moordenaar of een verkrachter? Of zou hij net als Jelena thuis blijven, een trieste plaat opzetten en dan zelfmoord plegen?
“Veel hangt ook af van wie de leiding neemt over gemeenschappen en groepen,” zegt Frank dan, “één individu kan veel invloed hebben. Ik denk dat je plots weer veel mensen in de kerk zou zien zitten.”
“Misschien zou ik dat ook wel doen,” zegt Jelena.
“Jij gelooft toch niet?” merk ik op.
“Ja, maar je moet toch niet geloven om tot rust te kunnen komen in een kerk?”
“De Kerk is er voor iedereen,” zegt Frank plechtig.
“Ach, ga weg,” zeg ik, “ik zou wel wat beters doen met mijn tijd dan bij een hoop bejaarden te gaan zitten. Trouwens, ik denk niet dat pastoors veel zinnigers te zeggen zouden hebben dan de willekeurige man in de straat, in zo’n geval.”
“Ik zou het ook niet doen,” zegt Frank, “al was het maar omdat ik op dat moment niet wil herinnerd worden aan al m’n katholieke zonden.”
“Zonden zijn cool,” zegt Jelena.
“Dat zijn ze,” knikt Frank. Ik lach.
We komen langs een bestelwagen die ijsjes verkoopt.
“Heeft er iemand zin in een ijsje?” vraagt Jelena.
“Hmm, dat wel, maar ik ben aan het diëten,” zeg ik.
“Wat? Dat is nergens voor nodig,” zegt Jelena.
Ik zeg niks. Het is makkelijk voor Jelena om zoiets te zeggen, mager als ze is. Als je bijna een meter tachtig bent en door de zeventig kilo weegt, liggen de zaken anders. Frank kijkt verlangend richting ijsventer, maar zegt ook niks.
“Hé trouwens, jij hebt eigenlijk nog niet gezegd wat je zou doen,” zegt hij dan tegen me, terwijl hij zoekt naar een nieuwe sigaret.

Verder naar deel drie.

maandag 25 maart 2013

Einde (I)


1. Niets nieuws onder de zon

De eerste aanzet van de schemer maakt zich kenbaar, maar dat is geen aanleiding voor de mensen die lui in het gras liggen, op dekentjes en met radio's, om naar huis te gaan. Het is een warme zomeravond. Met ons drieën wandelen we over de paden van het park. Ik slenter een beetje achter Jelena en Frank aan.
"Gaan we te snel?" vraagt Frank, die zich met een kwartslag omdraait. Zijn indrukwekkende neus snuift licht spottend.
"Jongens toch, het is wàrm. We hebben net gegeten. We moeten nergens heen."
"Dina heeft gelijk," zegt Jelena, die nu Frank aankijkt, "Het is geen wedstrijd snelwandelen."
Frank wacht een tel en wandelt dan tussen ons in aan een trager tempo. Ik ben blij dat Jelena me consequent Dina blijft noemen - mijn werkelijke naam vind ik vreselijk.
"Het zal wel goed zijn om het eten te doen zakken, zeker?" zegt Frank, terwijl hij op z'n buik klopt, die iets dikker is dan toen ik 'm laatst zag. Frank heeft een winterkop, en de zomer lijkt hem niet zo te bevallen.
"Absoluut," zegt Jelena opgewekt.
"En grote fysieke inspanningen leveren na de maaltijd is niet gezond, ook," voeg ik eraan toe. Ik voel me een reuzin tegenover Jelena en kom bijna op gelijke hoogte met Frank.
"Dat is een mythe, denk ik," zegt Frank nu, terwijl we een flauwe bocht nemen in de schaduw van een paar bomen, "al is er naar 't schijnt een oudovergrootvader van mij op die manier verdronken in de Schelde. Hij ging zwemmen na het eten, werd onwel en zo... Tja. Dat is wat ze zeiden."
"Zwemmen in de Schelde. Zouden we dat nu niet kunnen doen?" vraagt Jelena.
"Superkoud, volgens mij," zeg ik.
"Ik zou ook verdrinken," zegt Frank, "Ik ben nooit goed geweest in zwemmen."
"Het is tenminste een originele manier van doodgaan. In de Schelde springen en hup," zegt Jelena.
"Verdrinken schijnt inderdaad nog mee te vallen," zeg ik met een frons, terwijl ik uit een ooghoek zie hoe een groep jongens ons aangaapt, "Als je longen vollopen met water, voel je niets meer."
"Ja, maar er is altijd die eerste doodstrijd," zegt Frank, die een sigaret opsteekt, "die paniekreactie die je automatisch hebt. Dan zou ik toch liever anders aan mijn einde komen."
"Hoe dan?" vraag ik.
"In mijn slaap of zo."
"Dat is zo cliché," zegt Jelena, waarbij ze de laatste lettergreep lang laat hangen, "kom Frank, ik ben je creatiever gewoon. Bijvoorbeeld een gasexplosie, wat denk je daarvan?"
Frank glimlacht maar zegt niets.
"Hoe gaat het nog met Sven?" vraag ik aan Jelena in de stilte die erop volgt.
"O, dat is alweer een maand gedaan hoor," zegt ze luchtig, "uiteindelijk bleek hij toch wat te dom te zijn voor mij."
"Hm."
"Doe je dat nog vaak, je dates hier mee naar het park nemen?" vraagt Frank.
"En met de honden van het asiel gaan wandelen? Natuurlijk. Altijd een winnaar, dat idee," zegt Jelena.
Soms bewonder ik Jelena's vasthoudendheid aan haar losse relaties, die telkens volgens hetzelfde patroon verlopen. Ooit vond ik het een beetje triest dat ze altijd in dezelfde val leek te trappen, maar door haar de laatste twee jaar minder vaak te zien, ben ik er anders over beginnen denken. Het houdt haar levendig en het is een vrolijke vorm van zelfbedrog die ze nodig heeft - deze keer wordt het anders, 't is de ware, het zal voor altijd zijn.
"En bij jou?" vraagt Jelena aan mij.
"Niets nieuws onder de zon."
"Hier ook niet," zegt Frank, "intussen al anderhalf jaar."
"Anderhalf jaar zonder seks?" vraagt Jelena ongelovig.
"Mmh. Dat niet. Maar hoe minder ik daarover vertel, hoe beter."
Ik denk terug aan de avonden, vroeger, hoe we met ons drieën uitgingen en de onnozelste dingen zeiden en deden. Frank en Jelena belandden zelfs ooit in bed met elkaar.
"Trouwens," zegt Frank nu, terwijl we terug in het volle zonlicht komen, "over de dood gesproken, daarjuist. Neem nu dat de wereld gaat eindigen. Laat ons zeggen, binnen drie dagen. Het is onherroepelijk en iedereen zal doodgaan. Wat doen jullie?"
"Het is prachtig weer, en jij denkt aan de apocalyps," zeg ik.
"Ik denk altijd aan de apocalyps," zegt Frank, maar hij ziet me vanuit zijn ooghoek glimlachen.
"Wel, beantwoord dan misschien eerst je eigen vraag," zeg ik. Jelena valt me bij. Frank knort en gooit zijn sigaret weg.
"Jij rookt nooit je sigaretten volledig op," merkt Jelena op. Frank haalt zijn schouders op.
"Als het te warm is, warmt de filter mee op. Zeer onaangenaam."
Jelena schudt haar hoofd en kijkt even achterom naar de nasmeulende peuk. Ik denk eraan dat het jaren duurt eer zo'n filter volledig vergaat.
"Goed dan. Ik zou eerst," begint Frank, "mijn beste vrienden contacteren om te zeggen dat hen graag zie. Dat lijkt me niet meer dan logisch. En mijn familie ook."
Ik grimas onwillekeurig. Ik zou m'n familie nooit bellen.
"Daarna... allicht elke vrouw waar ik van denk dat ik er wel eens seks mee zou kunnen of willen hebben, opbellen."
"Zijn wij daar ook bij?" vraagt Jelena. Het is een totaal ongepaste vraag, maar ik denk er natuurlijk ook aan.
"Uiteraard."
Ik weet nu al dat ik nee zou zeggen. Ik ben niet in staat Frank als een volledig seksueel wezen te zien.
"Afhankelijk van m'n succes daarmee, zou ik me nadien compleet lamzuipen."
"Wil je het einde van de wereld dan niet bewuster meemaken?" vraag ik.
Frank haalt de schouders op.
"Het zal toch overroepen zijn, wat het ook is. Het is ook niet omdat ik stomdronken ga zijn, dat ik het niet zal meemaken, want slapen zal er ook niet in zitten."
Er valt weer een stilte. Vanop een heuveltje klinkt reggae. Verderop voetballen drie jongens en een meisje.
"Nu jullie," zegt Frank, "Wie eerst?"
Jelena en ik kijken elkaar even aan. Ik knik haar toe dat zij maar moet praten.



Verder naar deel twee.

dinsdag 22 januari 2013

Fantoomnostalgie

1

Een paar handen bewerkt mijn hoofdhuid. Mijn hoofd wordt omringd door dampen van zeep en chemie, en rondom klinkt het zachte, precieze metaal-op-haar snijgeluid van scharen, nu en dan eens omlijst door een tondeuse of iemand die gaat zitten in een kappersstoel. Ik sluit mijn ogen. Een gemasseerd hoofd is er twee waard. Kappersbezoeken zijn zo één van die dingen die ik telkens te lang uitstel, tot drie à vier weken toe omdat het al snel aanvoelt als tijdverlies. Nu heb ik besloten dat allemaal weldadig op te nemen, en het helpt dat de vrouw die m'n haar bewerkt, er schattig en lief uit ziet. In mijn kindertijd moest ik me behelpen met een bijzonder dikke dame en een zilveren vos met een dunne snor die zelfmoord pleegde na problemen met een sekte.
Even later verlies ik per seconde enkele strengen haar terwijl ik koffie drink en door 'The Sun' blader. Waarom ze die hier hebben, is me een raadsel. Sensationele berichtgeving met gele Britse tanden. Een uitgezakte vrouw laat in grofkorrelig zwart-wit een borst zien. De jeugd is verdoemd. Politici bakken er niets van. Er zou geknoeid zijn met een voetbalwedstrijd, en lezersbrieven zijn eens te meer het open riool van de Verlichting. Mijn blik kruist die van m'n kapster als ik er bij stil sta dat ze toch wel al een tijdje door mijn haar aan het woelen is.
"Je hebt erg veel haar."
"Ja," zeg ik, "het groeit dik. Beter dat dan kaal zijn op 30."
Ze lacht een professioneel vriendelijke lach waar ik vooral niet in probeer te zien dat ze me leuker vindt dan ze me hoort te vinden.
"Zeker! Zeker!"
Onder het verderlezen van verse koppen in schreefloze letters denk ik aan Engeland. Dat ik ooit van plan was geweest er te gaan wonen. Ik ken de Engelse volksgeest, ruw maar absoluut niet stom, agressief maar speels voor wie er mee om kan. De kapster behandelt mijn haar alsof het een uniek beeldhouwwerk is en lacht opnieuw naar me via de spiegel. Ik lach terug maar voel dat m'n kaken rozerood worden en verwijt mezelf daarbij dat ik van diep uit mijn huid weer de vijftienjarige, verlegen jongen voel opwellen die ik ooit geweest ben en die in artefacten van m'n gedrag nog altijd aanwezig is.
"De oortjes vrij of niet?"
"Oortjes? Zeg maar gerust 'oren' hoor. Gelukkig zijn het geen flaporen."
Ze blijft lachen maar wacht op een antwoord.
"Het maakt me eigenlijk niet veel uit," zeg ik, en dan: "Ja of doe toch maar vrij," want ik heb door dat een open antwoord die een verdoken vraag is onzekerheid genereert.
Ik kijk naar mezelf en naar de handen van de kapster die rond m'n hoofd zweven, en in gedachten zie ik in oververzadigd zonlicht foto's voor met van thisisnthappiness.com, waar ik soms minutenlang naar zit te staren. Verstilde vrouwen met alleen hemden aan, rokend in tegenlicht. Bestofte vensters en onopgemaakte bedden. Ze activeren telkens opnieuw herinnerde fragmenten van tv-films uit de jaren '70, lange road trips door Amerikaanse steppes en afgebleekte jeansbroeken. Toen leken dingen eenvoudiger, alles kwam gewoon nog op me af zoals het was.
Ik buig me weer over 'The Sun' en de koffie. Had ik definitief kunnen aarden in een Engelse metropool als het hier al zo moeilijk blijkt? A man who's tired of London, is tired of life, zegt men. Was ik verhuisd, was ik mogelijk compleet berooid teruggekeerd, met weinig verwezenlijkingen, maar de vraag is of het hier allemaal zo veel beter is in de gezellige kattenbak van de stad. Op kwade momenten verdenk ik er mezelf van dat alles wat ik doe, bezigheidstherapie is om niet toe te geven dat er zich jaar na jaar deuren sluiten. Vandaag is niet zo'n dag. Het is nog niet eens voorbij de middag, dus conclusies dringen zich niet op. De winterzon buiten speelt een handig spel met de geheugenfoto's die me een vals gevoel van nostalgie geven.
"Is het goed zo?"
Ze woelt weer één ogenblik te lang door m'n haar en opnieuw moet ik er van blozen als een boerenjongen.

2

Het is bijna mechanisch hoe ik mijn arm naar boven breng om te drinken. Een gin-tonic die eigenlijk te zoet is. Ik sta te wachten op mijn vriend, die vijf minuten geleden ging aanschuiven in de toiletten. Ze zouden verdomme beter een aparte wc maken voor mensen die coke willen gaan doen. Dat ze de hele zwik legaliseren. Als het even kan, mogen ze ook extra toiletten installeren voor niet-hetero's en transgenders. Ik heb gehoord dat ze dat in Thailand blijkbaar doen.
Ik zie mezelf weerspiegeld achter de rekken met halflege flessen korte drank. De twee barmeiden zijn druk in de weer. Zo mechanisch als ik drink, zo mechanisch handelen zij alle bestellingen af en glimlachen ze net niet te lang naar de klanten. Het is hier vannacht weer een worstenpaleis. Dat zou me normaal moeten aanstaan, maar het heterogehalte ligt hier te hoog naar m'n zin. Je kan ze er zo uit pikken, die slechte dansers met te stijve hemden en veilige kapsels. Ik draai me met m'n rug naar de bar en probeer onder de bassen en beats door naar m'n eigen ademhaling te luisteren terwijl ik zo traag mogelijk over de mensen glijd met mijn blik.
Het nummer dat nu speelt herinner ik me uit de diepe jaren '90, van voor ik uit de kast kwam maar van na dat ik besefte dat ik liever keek naar mannenlijven dan vrouwenlijven. Een tijd die omkransd is door klimop dat tezelfdertijd zoet en giftig smaakt. Op de zanglijn van het nummer had ik voor het eerst gekust met een man en had ik hem m'n leven kunnen geven. Ik ben blij dat ik dat niet gedaan heb, maar het is een overweldigend verlangen dat ik nooit vergeten ben en telkens kleine splinters van ben blijven opzoeken in de relaties nadien. De huidige splinter zit nog in de wc. Een metafoor waar ik om had gelachen als ik me beter gevoeld had.
Langs de muren van de zaal staan de gebruikelijke figuren die je overal tegenkomt, in elke middelgrote club die je maar kan vinden: de eenzame, onhandige mannen, in het donker niet te onderscheiden van hun boosaardige tweeling, de verkrachter. Vanavond zal geen enkel van hen scoren, als hyena's die op een afstand toekijken, hopend dat een prooi zich vanzelf zal komen aanbieden. Wat is het probleem toch, denk ik, terwijl naar één zo'n exemplaar kijk, rond en door en door gamma, met muppetlippen en een bril die verdonkert in zonlicht. Verderop maakt een gezelschap hipsters grote sier met een veel te dure emmer champagne. Ik merk dat m'n mondhoek naar beneden trekt bij dat vertoon en neem een grote slok gin waar steeds meer tonic in begint door te smaken.
Een nieuw nummer explodeert over de dansvloer. Twee meisjes vallen elkaar in de armen. Sommigen onder hen merken het zelfs niet eens meer dat er altijd wel één kerel is die hen aanstaart. Ik kruis een blik met één kerel en zie onmiddellijk dat hij niet homo is. Hij valt op omdat hij boven iedereen in de club uit torent en zich daar ook goed van bewust is. In zijn vleugels staan een vrouw en een man. De man heeft het niet naar z'n zin. Ik zie dat hij vandaag nog naar de kapper geweest is door de ongemakkelijkheid waarmee hij zich beweegt. Hij heeft er de pest in om hier te zijn. Het heeft zeker te maken met een vrouw.
Dieper in de club is er een dik meisje dat met twee mannen tegelijk danst, en het lijkt me één van de weinige mensen die het hier effectief leuk vindt en er zich geen bal van aantrekt wat andere mensen van haar denken. Het doet me inwendig een toost uitbrengen op haar. Mijn ademhaling rolt rustig, half zo traag als de muziek. Waar zit die gast toch? Wind je niet op, zeg ik tegen mezelf, hij is bezig, hij komt eraan. Bovendien is de kans hier bijzonder klein dat hij iemand leuker dan ik zou tegengekomen zijn in de toiletten, aangezien het aantal homo's hier op één hand te tellen is. Zeker ben je natuurlijk nooit. Ze zeggen altijd wel dat we dat feilloos van elkaar aanvoelen, maar ik heb me toch al lelijk vergist, zeker naarmate ik ouder word.
Ik draai me weer naar de bar wat m'n glas is leeg. Een dronken stoethaspel duwt langs me heen. De man met het norse gezicht die ik daarnet zag, komt water bestellen. Zéker een vrouwenkwestie. Ik heb zin om hem er iets over te zeggen, maar doe het niet. Het is hier al druk genoeg, en m'n gedachten moeten niet met nog meer gezwam opgevuld worden.

3

In een frituur, zeker om zes uur 's ochtends, maakt het niet meer uit wie je bent. Er is altijd wel de toevallige dronkaard die het nodig vindt om een gesprek te beginnen - meestal meer een monoloog - maar daarbuiten laat iedereen elkaar met rust. We herkennen dat we allemaal de laatste overlevenden zijn van één nacht, die samen op de laatste warme plaatsen zijn waar nog plezier is. Het geluid van het pruttelende frietvet is geruststellend, maar de zoutige, vette geur van de frietjes is dat nog veel meer. Ook rustgevend is dat ik er zelden aangekeken word op m'n kleur.
Ik kauw traag, met veel plezier. De nacht is zeer lang geweest, de dag voordien leek nog langer omdat ik uren op het werk doorbracht. Het is bovendien de eerste keer in meer dan vierentwintig uur dat ik volstrekt alleen ben, en ik doe hard m'n best om dat zo te houden door met niemand oogcontact te zoeken. De cocktailsaus smaakt hemels en ik voel een eenvoudig verlangen naar mijn bed. Het is niet ver meer vanaf hier.
Ongemerkt kijk ik rond. Twee dronken jongens praten onder elkaar in een onverstaanbaar West-Vlaams dialect en dragen allebei een lelijke pet. Een ouder, zelfvoldaan koppel is aan het bestellen. Achteraan de korte rij staat een man die had kunnen doorgaan voor een collega van me. Ik ben er vrijwel zeker van dat hij homo is. Hij ziet er triest uit. Uit nieuwsgierigheid zou ik 'm wel willen vragen wat er scheelt, maar ik blijf zitten en eet verder. Al te vaak heb ik geleerd dat nieuwsgierigheid bestraft wordt met onvoorziene gevolgen. Iedereen wil wel iets van je, en dan wordt het netelig. Vraag ik een klant naar zijn dag, hij denkt dat het de eerste stap is naar seks. Wil ik vrienden maken met een andere vrouw, er is direct achterdocht omdat ze denken dat ik ergens onoprechte motivaties koester. Wou ik vroeger uitgaan, het was slechts een kwestie van tijd voordat ik een hoer zou worden.
Ik buig opnieuw m'n hoofd en merk dat er nog slechts één derde, met saus bedekt, over blijft van het pakje friet, en laat een lange ademtocht uit. M'n nagels glanzen van zowel het vernis als het vet, en bijna moet ik lachen als ik denk aan frietvet als nail polish, of dat ik het in mensen hun haar zou doen zonder dat ze het beseffen. Met donkere humor spring je een eind om de dingen te relativeren.
De dronken West-Vlamingen zijn gaan zitten met hun buit. Eén ervan zit even te loeren naar me maar merkt dat ik zijn blik niet beantwoordt, en dan gaan ze allebei aan het eten. De droevige homo wacht op zijn bestelling. Voorbij de friturist staart hij door het venster, maar ik denk dat zelfs al was er een carnavalsparade langskomen over straat, dat zijn blik nog altijd dezelfde geweest was. Hij lijkt me rond de veertig te zijn, maar ziet er jonger uit. Met m'n vinger dip ik de laatste zoutkorrels op die in het bakje achtergebleven zijn. Eén van de duizenden kleine, heimelijke dingen waar ik van geniet. Ik kijk nu zelf uit het andere venster. Er is bijna niemand meer op straat, ik voel hoe de slaap zelf overal over ligt, alsof ze uit de gesloten vensters en deuren zelf komt gekropen, en vergelijk dat beeld met foto's die ik gezien heb van Casablanca waar m'n vader opgroeide, een stad die niet alleen nooit leek te slapen maar altijd leek te wachten op iets, vol verlangen naar morgen of gisteren, of in een hinderlaag lag als een piraat. Mijn vader vertelde me dat het een piratenstad was, ooit. Toen ik er zelf was, merkte ik er niks van. Een negatieve cultuurschok, zelfs. De herinnering die m'n vader me had doorgegeven, bleek een leugen.
"Is het ok als ik hier zit?"
Ik kijk naar de trieste man en ik glimlach - ik kan niet anders - bemoedigend.
"Geen probleem. Ik was toch bijna klaar."
Na meer dan twintig jaar voel ik nog altijd dat Nederlands me nooit honderd procent juist in de mond ligt. De man zegt er niets van en knikt slechts. Klein pakje zonder saus en een cola.
"Ook uit geweest?" vraagt hij beleefd. Hij wil z'n gedachten verzetten.
"Ja," antwoord ik, "het was leuk. Met vriendinnen. Maar ik had nog honger."
"Kan gebeuren. Ik ben blij dat je je geamuseerd hebt."
Ik frommel het papier, het bakje en wat overblijft van de saus op in een bal.
"Ik hoop hetzelfde," zeg ik terwijl ik opsta, "en hoop dat je straks goed slaapt."
Even fleurt er iets op aan hem.
"Ja. Dat zal deugd doen," zegt hij. Hij begint te eten.
"Slaap ze," knik ik hem toe, terwijl ik 'm liever een knuffel zou geven en hem zou willen zeggen dat hij het zich niet te hard moet aantrekken en dat er nog veel knappe mannen in deze wereld zijn, maar ik heb geleerd om me in te houden.
"Jij ook," zegt hij, en daarop stap ik naar buiten.

zondag 11 november 2012

Zeppelin



Jozef Vermeer kneep zijn ogen dicht tegen de zon die langzaam onderging waar de grens met Nederland begon, even voorbij Malmünd. Daardoor kreeg hij het tegelijk berustende en opgelaten gevoel bijna thuis te zijn. 's Ochtends, bij het opstijgen in Berlijn, had de zeppelin zijn schaduw nog lang en sigaarvormig voor zijn boeg uit geworpen, maar nu baadde alles dat voor het gevaarte lag, in een goudoranje schijn van een mooie nazomeravond.
"Excuseert u mij," vroeg een stem in het Duits, "stoor ik u?"
Jozef draaide zich met tegenzin weg van bij het venster en keek in een paar open, donkere ogen die toebehoorden aan het afgelijnde gezicht van een man die ongeveer Jozefs leeftijd moest hebben.
"Nee, gaat u zitten," zei Vermeer zelf in vlot Duits.
"U bent Vlaming?" vroeg de Duitser, die onmiddellijk plaats genomen had aan het tafeltje met zijn buffetbord. Het restaurant zou niet lang meer openblijven voor de laatste maaltijd, en veel eters waren er niet.
"Dat klopt," antwoordde Jozef met enige verbazing, "de meeste mensen herkennen het verschil niet tussen Nederlanders en Vlamingen, laat staan aan hun accent in het Duits."
De Duitser glimlachte.
"Ik ben al vaak genoeg in Nederland en Vlaanderen geweest om het verschil te weten."
Beide mannen aten even alvorens de Duitsers weer begon te praten.
"U woont in Brussel?"
"Enkele kilometers buiten Brussel, technisch gesproken, maar mijn zaak is in de stad zelf."
"Waarin handelt u?"
"IJzerwaren."
Het gezicht van zijn gesprekspartner klaarde op.
"U komt van de IJzerbeurs in Berlijn. Ik was er ook."
"U zit ook in de handel?"
"Nee, maar vrienden van mij wel. Om eerlijk te zijn vermijd ik Berlijn als ik kan. Te luid, te groot, te decadent naar mijn smaak."
Jozef knikte.
"Het is anders dan Brussel. Het is er inderdaad luid. Maar het is wel een stad die lééft, die energie heeft. Parijs heeft afgedaan."
De Duitser nam een slok water en trok daarbij zijn wenkbrauwen op.
"Ja, dat is het minste wat je kan zeggen."
De kranten spraken al weken over de ontwikkelingen in Frankrijk. Sinds de verkiezing van Pierre Semard als president in '36, nadat hij de politieke arena al bijna tien jaar gedomineerd had buiten de regering, was de vrees voor een nieuwe oorlog erg concreet geworden.
"Bent u ooit in Parijs geweest?" vroeg Vermeer.
"Nee," zuchtte de man, "men zei me altijd dat het mooi was, als je de Fransen er bij kon nemen."
Jozef lachte beleefd.
"Ik ben er zelf geweest als kind, in 1901. Ik was geweldig onder de indruk, maar ja, als kind ben je makkelijk onder de indruk van iets dat zo groot en modern is."
"Dat klopt. Toch kunnen we niet ontkennen dat dat soort ervaringen ons vormen en ons wereldbeeld mee bepalen."
De Duitser werkte aan ijltempo zijn bord naar binnen. Jozef had geen honger meer en liet ongeveer één derde liggen. Het zeppelinvoedsel was niet bepaald grote gastronomie, en hoewel hij met de Duitsers op zowat alle vlakken al vrede had genomen, zou hij nooit hun keuken kunnen appreciëren.
"Je vraagt je bijvoorbeeld af," zei de Duitser, toen Jozef weer uit het venster keek en Malmünd al bijna onder hen weggegleden was in zijn rotsige Ardennenlandschap, "hoe iemand communist kan worden. Een gebrek in hun jeugd misschien? Een slechte ervaring met autoriteit?"
"Ik weet het niet," zei Jozef, die zelf zelden filosofische gedachten had en in gedachten afdwaalde naar zijn vrouw, "Het lijkt me een vorm van collectieve hebzucht, misschien. Een redenering die zegt dat als zij niet kunnen hebben wat gewone mensen hebben, dan niemand het mag hebben."
De Duitser was door deze uitspraak zeer geamuseerd en knikte.
"Dat is een mooie. Toch denk ik dat we de oorzaak moeten zoeken bij de jeugd. Heeft u wel eens Freud gelezen?"
"Al van gehoord," gaf Vermeer toe, "ik heb niet erg veel tijd."
"Natuurlijk," verontschuldigde zijn gesprekspartner zich, "handel voeren en reizen nemen veel tijd in beslag."
"Waar bent u dan mee bezig in het dagelijks leven?"
De Duitser had net gedaan met eten. Hij legde zijn mes en vork over zijn bord en veegde traag zijn mond af. Jozef dacht een ogenblik dat hij iets verkeerds gevraagd had of dat er een taalkundige nuance in zijn vraag was die hem ontgaan was.
"Ik doe een beetje van alles," zei de Duister toen. Hij leunde achterover. Het oranje avondlicht gaf zijn ogen een warmere gloed. Jozef fronste.
"Van alles?"
"Ik bezoek mensen. Ik lees. Ik ben bezig met kunst, met de mensen, met politiek."
Vermeer had eindelijk een aanknopingspunt gevonden.
"U bent een filosoof, dan?"
"Het restaurant gaat sluiten binnen een kwartier. Gelieve u naar uw kajuiten te bewegen. Landing in Brussel is voorzien om 21u," werd er omgeroepen door een vrouwenstem.
Noch Jozef, noch de vreemde Duitser maakten aanstalten om op te staan.
"Ach, 'filosoof', dat is een groot woord," antwoordde deze, "Schopenhauer, Nietzsche... ja, dat waren filosofen. Ik zoek de brug op tussen filosofie, kunst en politiek. Hoe kan men bijvoorbeeld met kunst het communisme bestrijden?"
"Ik volg politiek niet zo," zei Jozef neutraal, "maar ik heb gehoord dat men Italië wel bezig is met een soort anticommunistische kunst. Futurisme?"
"Mja, het is een poging, maar een poging die toch nog schatplichtig is aan ideeën die te radicaal en modern zijn," vond de Duitser, die nu zijn servet in één hand opgefrommeld had en ermee speelde.
"En goed," ging hij verder, "het zal ook niet alleen kunst zijn waarmee we de Fransen, de Russen en de Spanjaarden gaan verslaan. Gelooft u dat er een nieuwe oorlog komt, meneer...?"
"Vermeer."
"Ah, als de schilder," zei de andere man samenzweerderig.
"Ja, maar ik denk niet dat ik echt familie ben."
"Vlamingen zijn te bescheiden, meneer Vermeer. U kan toch best familie zijn? Maar goed, wat denkt u?"
Jozef vouwde zijn handen samen. Hij had al over het onderwerp gesproken met zijn vrouw en zijn vrienden, maar had het steeds vermeden als hij in Duitsland was, waar men niet begreep dat het verse, grotere Nederland erg ambigu stond tegenover een nieuwe oorlog. Als de Fransen oorlog wilden, werd het oude België weer het eerste slachtoffer. Duizenden Belgische communisten zaten aan de grens te wachten om hun oude dorpen en steden terug binnen te trekken, zogezegde landverraders te executeren en een sovjet in te stellen.
"Ik zal u wat zeggen, meneer..."
"Schicklgruber."
"Ik ben erg bang van wel. Neemt u dit alstublieft niet persoonlijk, maar in de Grote Oorlog is ons land kapotgemaakt. Eerst door het Duitse leger, daarna door de Hollanders. Wij, als Vlamingen, hebben het onder de Nederlanders goed en onze welstand is gestegen. Maar vele verbannen Franstaligen zijn rancuneus, en worden met de dag rancuneuzer en opstandiger. Iedereen praat over president Semard, maar ik vrees zijn bondgenoten nog meer. Stalin zit ver weg, maar hij is het verdrag van Brest-Litovsk niet vergeten. Waarop kunnen we hopen, dan? De Britten zijn bang om iets te doen en de Italianen zitten al vast in hun koloniale oorlogen."
Shicklgruber grimaste.
“U bent ongeveer mijn leeftijd, vermoed ik, meneer Vermeer. Het zijn natuurlijk mijn zaken niet, maar het is best mogelijk dat wij elkaar op een bepaald ogenblik in de ogen hebben gekeken als vijanden op het front, in de modder van West-Vlaanderen.”
Hoewel hij Jozef aankeek, stonden zijn ogen ver.
“Die oorlog was voor u en voor uw volk een onrechtvaardige oorlog. Er zijn te veel mensen nodeloos gestorven. En toch weet ook u, als Vlaming, dat de staat België niet deugde. De Belgen die meeheulen met de communisten in Frankrijk en Spanje zijn dezelfde Belgen die uw volk onderdrukten en in de loopgraven stuurden, als ik zo vrij mag zijn dat te zeggen.”
Vermeer voelde zich triest worden. In de verte kwamen de eerste stadjes en steden al in zicht die erop wezen dat Brussel steeds dichterbij kwam.
“Wij hebben veel verloren, meneer Schicklgruber,” zei Jozef, “En alles was wij willen, is dat het niet opnieuw gebeurt. Niet onder Duitse, niet onder Nederlandse noch onder Franse vlag.”

Achttien jaar later, toen Jozef in een lekke schuilkelder luisterde op de radio hoe het tot op de laatste man uitgeputte Duitsland in lichterlaaie stond door Russische atoombommen en er van Parijs niks meer overbleef dan een geruïneerde modderpoel, moest hij, zoals hij zo vaak had gedaan, denken aan zijn gesprek met Adolf Schicklgruber. Ze hadden elkaar nooit meer gezien na hun toevallige ontmoeting op de zeppelin, maar hij was vanaf toen steeds frequenter te horen geweest op de radio. Steeds bozer. Steeds fanatieker. Tot het bloed begon te koken en verdampen over de hele wereld.

vrijdag 7 september 2012

De presidenten (IV)

4. Verdriet

“We hebben nog niet alle onderwerpen afgerond,” zei James, “moeten we nu al echt de rekening vragen?”
“Ja, komaan,” viel Volkan James bij, “we geven hier elk half jaar veel geld uit. Ze zullen het wel niet zo erg vinden dat we hier nog even blijven babbelen.”
“Goed dan,” gaf Mr. Duplo toe, “het is gewoon dat het mijn beurt is om te betalen, en ik betaal liever nu al. Sorry, partijvoorzitter.”
Dat laatste was bedoeld voor Volkan, de zelfverklaarde communist. Volkan grijnsde wolfachtig.
“Wat ben jij eigenlijk, politiek gezien?” vroeg hij aan Mr. Duplo.
“Ik stem voor een partij waar iedereen mee lacht.”
“Vlaams Belang?” vroegen James en Maarten tegelijk.
“Nee, niet die,” zei Mr. Duplo, “zeg.”
“De tsjeven,” zei Volkan, “juist?”
Mr. Duplo hief zijn handen op en wenkte daarna de ober om de rekening te brengen.
“Was alles naar wens?” vroeg de kraaknette man, die er jong uit zag maar al stevig kalend was aan de inhammen rond zijn voorhoofd.
“Zeker,” zei James, waarbij hij zijn tandpastaglimlach bovenhaalde.
“Jammer dat de dienster van de vorige keer er niet was,” voegde hij er aan toe toen de ober buiten gehoorsafstand was.
“Je kan niet alles hebben,” zei Mr. Duplo plompverloren.
“Je kan het wel willen,” zei James daarop.
“Goed, we hebben nog verdriet op het programma staan,” zei Maarten, “altijd het vrolijkste onderwerp.”
“Ik had daar de vorige keer niks over te zeggen,” zei Mr. Duplo.
“Het was geen beschuldiging,” zei Maarten mild.
“En nu?” vroeg Volkan.
Mr. Duplo dacht na.
“Toch. Mijn hond is twee maand geleden gestorven.”
“Wat voor hond was het?” vroeg James.
“Een labrador. Henri. We zagen het al lang aankomen, hoor. Maar ja, zo’n dier, je gaat je eraan hechten. Ik was er bij toen ze hem z’n spuitje gaven. Zoiets wil ik nooit meer meemaken.”
“Hoe oud is hij geworden?” vroeg Volkan.
“Elf jaar. Hij had kanker, dus het was beter voor hem op die manier. Maar die blik... dat vergeet ik nooit. Een hond is trouw aan zijn baasje, en tot op het eind bleef hij kijken met die trouwe, zekere blik. Het was bijna angstaanjagend, zelfs.”
Mr. Duplo keek naar het tafelblad terwijl hij sprak.
“Ik weet het, het was maar een hond, maar het deed me er bij stilstaan dat dat soort gevoelens nog duizend keer sterker moeten zijn bij ouders die een kind verliezen. Ik denk niet dat ik me dat echt kan voorstellen.”
“Ik vind niet dat je je moet excuseren,” vond Volkan, “mensen die niet verstaan dat je je aan een dier kan hechten, zijn raar.”
“Of sociopaten,” zei Maarten.
“Precies,” vond Volkan.
“Ik weet het niet, ik heb het nooit zo voor dieren gehad,” bekende James, “maar dat is misschien omdat we thuis nooit dieren hadden.”
De ober bracht zo discreet mogelijk de rekening. Mr. Duplo was blij met de afleiding.
“Ik ben onlangs afgewezen,” bekende Maarten toen de ober weer weg was, “dat was ook niet zo leuk. Enfin, ik had het ergens wel verwacht, hoor. We konden het erg goed vinden en hadden een paar keer gekust, maar ik was duidelijk meer geïnteresseerd in haar dan omgekeerd. Ze vond me wel knap, maar er ontbrak iets, zei ze.”
“Jammer,” zei James, “zei ze ook wat er scheelde?”
Maartens mond maakte een vreemd kartelgebaar.
“Pff. Om eerlijk te zijn heb ik het niet gevraagd. Misschien was het een gebrek aan wederzijdse interesses of zo. Ze was nogal bezig met theater en ballet.”
“O nee, een kunstzinnig type,” kreunde Volkan.
Maarten trok zijn wenkbrauwen op.
“Ik heb er erg veel gekend die zo waren,” verklaarde hij zich, “echt waar, je weet niet wat je er aan hebt. Ze denken dat ze in boeken leven. Niemand leeft zo. En dan blijken ze te gaan voor de saaiste losers die er zijn.”
“Ha,” lachte Mr. Duplo bitter, “had je ze naar mij moeten sturen. Ik ben een saaie loser.”
“Dat is niet waar,” zei James feitelijk, “en ik denk niet dat het dat is wat Volkan bedoelt. Ik snap het wel, maar ik kan het niet uitleggen.”
“Wel ja,” hervatte Maarten zijn verhaal, waarbij hij nog eens over zijn haviksneus wreef en een ademtocht uitblies, “het is voorbij nu. Tijd voor iets anders.”
“Niks verdrietigs meegemaakt hier,” zei James, die doorhad dat de andere drie hem aankeken, “hout vasthouden.”
De ober kwam het geld halen en bedankte.
“Nu jij nog,” zei Mr. Duplo tot Volkan.
“Hm. Een paar weken terug is één van mijn beste vrienden verhuisd naar Turkije. Ik mis hem.”
“Waarom is hij verhuisd?” wilde Mr. Duplo weten.
“Hij zei dat de huizen daar goedkoper waren. Hij is hier geboren, maar heeft het nooit echt kunnen vinden in België. Dat kan ik hem niet kwalijk nemen, maar het is wel jammer dat hij weg is.”
“Kan je hem niet gaan bezoeken?” vroeg James.
“Nauwelijks. Mijn werk verdient niet bepaald veel.”
“Zou je zelf naar Turkije kunnen verhuizen?” vroeg Maarten.
Volkan lachte vreugdeloos.
“Vergeet het. Ik ben half Koerdisch, weet je wel. Bovendien is het ook dat ze Koerden of Turken die daar niet geboren zijn, niet echt zien als Turks of Koerdisch. We praten anders, we gedragen ons anders. Zeker als we naar het platteland gaan. Als je naar je grootouders gaat, dan kan ik me voorstellen dat jullie soms kunnen denken hoe conservatief of bijgelovig die mensen zijn – stel je dat voor, maar dan tien keer erger. Mochten mensen daar weten dat ik zo links ben als de pest, en niet per se denk dat oude mannen altijd gelijk hebben, zouden ze denken dat ik een omhooggevallen rockster ben uit Istanboel.”
“Dat klinkt wel cool eigenlijk, een rockster zijn in Istanboel,” zei Maarten.
“Kan zijn,” zei Volkan gelaten, “maar ik zit hier, ik ben van hier, mijn toekomst is hier.”
James knikte wijs.
“Je hebt gelijk. Heren, ik denk dat we dan maar beter opkrassen.”
Mr. Duplo knikte. Maarten herschikte zijn das.
“Iemand zin in nog een pintje elders?” vroeg die. Er was even twijfel.
“Zeker wel,” zei Mr. Duplo als eerste. Ook James en Volkan stemden in.

“Weinig vooruitgang, niet? Of wat denk jij?” vroeg de assistent aan de professor die onophoudelijk kauwde op een afgeknipt stuk sigaar.
“Geen vooruitgang,” bromde de professor fatalistisch.
“Ik vind het wel interessant,” bood de assistent voorzichtig aan, “dat ze blijven terugkomen op dezelfde dingen. Dit is al de derde keer dat één van hen praatte over zijn gestorven hond, en de vijfde keer op rij dat één van hen toegaf dat hij een drankprobleem had.”
De professor schoof zijn stoel achteruit en vouwde zijn handen over zijn buik.
“Ik weet het niet zo,” zei hij, wat zijn manier was om te zeggen dat hij dacht dat zijn assistent onzin uitkraamde, “het is eerder deprimerend dat ze blijven vast hangen in dezelfde emoties.”
De assistent neeg het hoofd. Hij speelde met zijn pen.
“Schrijf dat niet in het verslag, wel,” voegde de professor er aan toe, waarna hij met zijn kin gebaarde naar de vier oude mannen die het neprestaurant verlieten, “anders kan het zijn dat we onze subsidies verliezen.”
“Wat moet ik dan schrijven?”
“Ach ja. Ik veronderstel dat het menselijk is dat we blijven hangen in onze meest markante herinneringen en breekpunten. Zelfs als we dement worden.”
De assistent maakte enkele notities in vlugschrift.
“Toch vind ik dat niet zo negatief.”
“Hoezo?” vroeg de professor zonder zijn assistent aan te kijken.
“Wel,” zei de assistent, “het... definieert hen. Het maakt hen... menselijk, ik weet het niet. Nee, beter, sorry, het getuigt van een verrassend inzicht in henzelf. En in elkaar.”
“Hm. Maar wat ben je met die menselijkheid als het berust op herhaling?”
“Dat is het net,” zei de assistent, die van de leegheid van de opmerking gebruik maakte om zijn mening nadrukkelijker te formuleren, “mens zijn is toch dingen doen bij herhaling? Bovendien wijzen onze biometrische gegevens ook uit dat ze alle vier na zo’n bijeenkomst rustiger zijn, gelukkiger en optimistischer.”
De professor keek hem scheef aan, en keek toen weer naar het scherm.
“Gelukkiger door een illusie, misschien.”
“Geldt dat niet voor alle mensen? Niet alleen voor dementerenden, bedoel ik.”
Intussen verlieten ook de acteurs de scène.
“In zekere mate,” zei de assistent, “maar... als dat alles is wat we hebben, dan kan het toch maar beter zijn dat die illusies ons – hen – gelukkig maken.”
“Denk ervan wat je wil. Ik ben gaan eten.”
“Smakelijk,” zei de assistent zonder animo.
De professor stond luidruchtig op en verliet de kamer. De assistent maakte nog enkele aantekeningen. Op het scherm volgde hij hoe de vier oude mannen volledig verdwaasd werden opgevangen door hulpverleners die verkleed waren als agenten, en niet voor de eerste keer voelde hij medelijden met hen. Ze wisten niet eens meer dat ze ooit dat contract getekend hadden.

donderdag 6 september 2012

De presidenten (III)

3. Angst

Bij het dessert volgde er een korte discussie over het verschil tussen roomijs en softijs en of dat eigenlijk niet hetzelfde was. Mr. Duplo had nostalgische herinneringen aan de rondtrekkende ijsbestelwagens van IJsboerke, terwijl James zich dan weer levendig herinnerde hoe de vlagjes van Ola buiten aan de kruidenier betekenden dat het weer zomer was.
"Enfin," zei James toen, die zijn mond afveegde en zijn lepel in zijn lege ijscoupe legde, "het is tijd voor de angsten."
"Daar ben ik goed in," zei Mr. Duplo. Maarten, die de vorige keer naar eigen zeggen 'bang was van alles', grimaste: "daar kan je wel eens competitie in krijgen."
"Battle of the broekschijters," zei Volkan.
Beiden lachten en James glimlachte minzaam.
"Wie begint dan?" vroeg James.
"Maarten is nog niet klaar met z'n dame blanche, dus laat mij maar beginnen," zei Mr. Duplo, terwijl hij zich een strijdvaardige houding aanmat.
"Ik heb onlangs beseft dat ik bang ben dat er een dag komt dat ik wakker word en besef dat ik geen vrienden meer heb. Ik bedoel niet kennissen, maar echte vrienden. Rondom mij zie ik mensen trouwen, één maat heeft intussen al een zoontje van een jaar, en ik heb ook mijn eigen bezigheden met de kookclub, mijn taalcursus en bijvoorbeeld dit. Maar stukje bij beetje zijn we allemaal uit elkaar aan het drijven. Ik weet niet waar dit gaat eindigen en misschien denk ik er liever ook niet over na."
"Heb je die angst vooral niet omdat je single bent?" vroeg James.
"Daar heb ik ook aan gedacht," gaf Mr. Duplo toe.
"Als je ouder wordt, vergen vriendschappen meer onderhoud," zei Maarten, die nu als laatste klaar was met zijn dessert, "en ik denk dat koppels het daar tegelijk moeilijker in hebben en ook makkelijker. Ze hebben elkaar wel, maar als dat eindigt als ze 35 zijn of zo, staan veel mensen plots helemaal alleen. Ik heb het gezien bij twee collega's."
"Er zijn weinig mensen met échte vrienden," zei Volkan somber, "niet dat dat je angst gaat wegnemen, Mr. Duplo, maar het is al iets dat je je die mogelijkheid inziet. Je gaat jezelf nooit wijsmaken dat mensen vrienden zijn die het niet zijn."
Mr. Duplo leek iets te gaan zeggen, maar zweeg toen. Hij gebaarde naar Maarten.
"Wel," zei Maarten, waarbij hij even over zijn haviksneus en voorhoofd wreef, "ik heb de vorige keer gezegd dat ik bang ben van alles. Dat is nog altijd zo. Ik ben bang om beroofd te worden, om ontslagen te worden of om ontmaskerd te worden als een nepintellectueel. Maar echte angsten in de existentiële zin heb ik eigenlijk niet. Dus voor deze avond: pas, sorry jongens."
"Er is inderdaad een verschil tussen bang zijn en angst hebben," zei Mr. Duplo.
"Steekt het zo nauw?" vroeg Volkan. Hij slurpte van zijn koffie.
"Niet zo, vind ik," zei James, "maar voor één keer is het goed, Maarten. Volkan, heb jij nog iets te zeggen?"
Hij zette zijn koffie neer en haalde adem. Hoe lang de stilte duurde vooraleer één van de vier sprak, was meestal een goeie indicator over hoe diep een bepaald gevoel woog.
"Ik ben soms bang dat seks mij niet interesseert."
Verbaasde blikken.
"Ja, ik zie jullie kijken," zei Volkan zonder de drie anderen aan te kijken, "hoe kan dat nu en zo. Maar dat is het punt juist. Ik ben er nooit erg in geïnteresseerd geweest en ik ben zeker dat ik ook geen homo ben. Het voorbije jaar heb ik al twee keer een meisje afgewezen dat duidelijk seks wilde."
"Misschien waren ze niet knap genoeg?" bood Mr. Duplo aan.
"Dat was het niet echt. Ik had gewoon geen zin in dat... gedoe."
"Maar... je zit dan al een jaar zonder?" vroeg Maarten. Volkan knikte en leunde weer tegen zijn muur.
"Tja," zei hij met een handgebaar, "ik voel er mij niet slecht over. Ik voel er mij alleen slecht over dat mensen vinden dat ik er mij slecht over zou moeten voelen."
"Beter dat dan van frustratie een vrouw verkrachten," zei James achteloos.
"Verkrachters ontstaan niet op die manier," zei Maarten.
"Nee?" James trok zijn wenkbrauwen op.
"Het verklaart alleszins waarom de hoeren je niet interesseerden," zei Mr. Duplo tegen Volkan, die verlegen glimlachte.
"Dat kan goed zijn."
Aan de tafel naast hen vertrok een uitgelaten gezelschap met veel complimenten aan de chef.
"James, ik denk dat het jouw beurt is," zei Maarten toen. James knikte.
"Ik weet het. Ik was nog aan het nadenken," zei hij, terwijl hij met zijn lepel tegen zijn mond tikte, en hem toen neerlegde.
"Wel dan, ik ben bang - of ik heb de angst, nietwaar Maarten," zei hij toen het andere gezelschap buiten gehoorsafstand was, "dat dit min of meer mijn leven zal blijven. Ik weet niet hoe het zit met jullie, maar bijna iedereen heeft ooit gedroomd over roem, over macht of over een geweldige carrière. In de praktijk leiden de meeste mensen een gewoon leven, en het lijkt me dat de meeste mensen dat ook ok vinden. Ik niet. De hoop dat ik zou opgepikt worden via mijn fotowerk of dat ik op één of andere manier een plotse promotie zou maken, is nooit weggegaan. Toch besef ik elk jaar dat de kansen altijd maar kleiner worden. Ik kan daar niet goed mee omgaan en ik ben bang dat ik misschien niet als Mr. Duplo wakker ga worden op een dag en beseffen dat ik geen vrienden heb, maar eerder zal moeten inzien dat dit het is. Dat er geen volgend hoofdstuk komt."
"Het is een vorm van irrelevantie op een andere manier," zei Mr. Duplo, "maar ik kan erin komen wat je zegt."
"Hm, ik weet bijvoorbeeld dat we hier in Gent met klein links ook nooit meer dan 5% zullen halen," zei Volkan met een schouderophalen, "maar het idee dat ik andere mensen heb kunnen overtuigen, of hun leven op een goeie manier heb kunnen beïnvloeden, is genoeg. Daar moet je niet rijk of beroemd voor zijn."
"Dat is zeer charmant," zei James, die zijn best deed niet al te neerbuigend te klinken, "maar het is niet wat ik wil."
Volkan haalde opnieuw de schouders op.
"Nee, ik versta je wel," trad Maarten James bij, "maar ik ben één van die mensen die er al vrede mee genomen heeft."
"Jij werkt voor de univ. Het kan zijn dat je professor wordt."
"Het is alleszins niet meer mijn ambitie. We zien wel. Iets te veel willen kan er juist toe leiden dat je niks krijgt."
James keek verstoord.
"Ik wil er nu mijn voet niet in zetten," zei Mr. Duplo toen, "maar ik heb de ober zien kijken naar ons. Misschien vragen we best de rekening."

Verder naar deel vier.