Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de verhalenafdeling daarvan. In 2016 bundelde en redigeerde ik (streng!) alle tot dan toe geschreven kortverhalen in de antologie 'Recombinant' en in 2023 bracht ik de novelle 'De keizer van Populië' uit - je kan beiden gratis downloaden als je Patron wordt. In 2020 verscheen mijn debuutroman 'Fragmentariërs'. In 2023 bracht ik de opvolger 'Constellatie' uit. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.
Posts tonen met het label restaurant. Alle posts tonen
Posts tonen met het label restaurant. Alle posts tonen

zaterdag 15 augustus 2015

Hoofd geflankeerd door vlees (I)

Kelly vulde zes glazen cava en het gezelschap was een moment stil, wat het bruisen van de bubbels een sacrale kracht leek te geven. Fin glimlachte toen hij zag hoe ernstig en gefocust Kelly keek. Ze was zijn jongste en enige zus, een slanke vrouw met blond haar en lieve blauwe ogen, een opgeschoten type girl next door. Fin had ook haar ogen maar was grover gebouwd, wat zwaarder rond de buik en had een onregelmatige rosse baard.
“Ah, de glazen zijn vol, zie ik!” verstoorde Paul de stilte. Paul, Kelly’s man, kwam met een dienblad warme hapjes uit de keuken. Hij was een energieke en altijd goed geluimde Nederlander, waarbij zijn springerige bos krullen een pars pro toto leek voor de man zelf.
“Dat ruikt lekker!” zei Budur, Fins vrouw.
Fin moest toegeven dat het waar was. Een hint van bladerdeeg en zalm. Paul zette het dienblad op de salontafel en Kelly gaf iedereen zijn of haar eigen fluit.
“Zullen we dan maar toasten?” vroeg Paul. Hij gebaarde dat iedereen moest rechtstaan. Fin, Budur en Kelly stonden overeind, en toen ook William en Jana. William rolde met zijn ogen. Hij was de jongere broer van Fin, maar ouder dan Kelly. Hij had een ernstig, onveranderlijk gezicht en droeg een zware bril.
“Waarop toasten we dan?” vroeg Fin praktisch.
“Op ons, toch?” zei Paul. Fin glimlachte.
“Op ons, dan!” zei hij. De rest herhaalde de zin en er werd links en rechts en dwars geklinkt met de glazen. Er werd genipt, goedkeurend gemompeld. De prik van de cava was een beetje te hard naar Fins smaak.
Het was niet evident voor de twee broers en hun zuster om allemaal samen te kunnen komen, en dan nog met hun partners. Fin woonde aan de kust, Kelly in een Gentse randgemeente en William zat voortdurend in het buitenland op allerlei congressen. Paul reisde ook veel.
“Zie ons hier zitten als petits bourgeois,” grimaste William toen ze weer zaten. Hij nam een hapje.
“Dat moet kunnen. Je kan niet altijd de hemel bestormen,” vond Fin. William was docent in de sociologie en stond bekend als een strenge adept van linkse standpunten.
“Ik vind ook niet dat het bijzonder bourgeois is om hapjes te eten en cava te drinken. Het is niet alsof ik Vivaldi heb opgezet en seizoensgebonden servetten op tafel heb gelegd,” zei Kelly.
“Ik zou niets tegen Vivaldi hebben,” zei William met z’n mond vol.
“Ach komaan,” zei Jana, “Vivaldi is één van de meest clichématige componisten ooit. Er zijn zeker duizenden mémé-en-pépé-tavernes in Vlaanderen die Vivaldi heten.”
William lachte, nog steeds met zijn mond vol. Jana was enkele jaren ouder dan William en had permanent één lok wild donker haar voor haar ogen en een mond die aan één kant een beetje scheef stond, alsof ze alles bekeek met preventief sarcasme.
“Vivaldi, ja,” zei Fin, “of Richelieu.”
“Misschien zijn het ketens?” opperde Paul.
“Ik vrees dat het gewoon een gebrek aan originaliteit is bij de Vlaamse middenstand,” zei Fin.
“Moet alles ook echt origineel zijn?” vroeg Budur zacht. Fins vrouw was niet groot maar imponeerde altijd door haar geruisloze, elegante aanwezigheid. Het was alsof ze enkele centimeters van haar huid een onzichtbaar krachtveld had dat te harde, lelijke of irrelevante zaken deed afketsen.
“Daar heb je een punt,” zei Paul om onverklaarbare redenen enthousiast, “Ik bedoel, niemand klaagt toch ook dat al die Chinese restaurants Ocean Palace, Jade Garden of New Dragon heten of zo?”
“Onoriginaliteit is geen unieke Vlaamse eigenschap,” zei Jana zuinig.
Kelly zette haar glas op tafel.
“Uiteindelijk is niets volledig origineel. Alles is altijd gebaseerd op iets anders,” zei ze. Kelly was illustrator van kinderboeken. De muren van de woonkamer hingen dan ook vol prints van haar eigen werk en reproducties van artiesten die ze zelf bewonderde.
“Ok, maar er is toch een groot verschil tussen, ik zeg maar iets, een stationsromannetje dat volgens een bepaald sjabloon geschreven is, dan een roman die conventies uitdaagt en verweeft?” vond Jana.
“Is er echt een verschil, ja? Is dat niet gewoon allemaal snobisme?” hield Kelly vol.
“Snobisme is ook maar een stok om een hond mee te slaan,” zei Fin. Kelly hield haar hoofd scheef.
“Niet weer die discussie, graag,” zei William.
“Jij moet spreken, jij bent hier de übersnob,” zei Fin vurig. William lachte betrapt.
“Ik vind jou soms erger, hoor,” zei Kelly, “William komt er tenminste voor uit dat hij neerkijkt op populaire cultuur.”
“Dat is niet helemaal waar,” protesteerde hij zwak.
“Je kan toch wel moeilijk ontkennen, Kell, dat sommige dingen echt wel voor idioten zijn,” zei Paul.
Kelly zette zich schrap.
“Foute opmerking, Paul,” lachte Fin.
“Maar idioot volgens wie? Volgens hun IQ-testen of zo? Wat zegt dat echt over menselijke intelligentie?”
“Meer dan je denkt, eigenlijk,” zei William, die nog een hapje at. Fin en Budur namen er tegelijk ook eentje.
“Het zit zo,” zei William, “als een IQ-test voldoet aan de juiste wetenschappelijke normen en test op de drie klassieke domeinen – logica, wiskunde en ruimtelijk inzicht – dan krijg je al een vrij goede indicatie of iemand intelligent is of niet. Ze hebben in de jaren ’90 geprobeerd om meer intelligenties te introduceren, zoals interpersoonlijke of muzikale, maar het bleek dat mensen die zwak scoren op een traditionele IQ-test, even zwak scoren op een test die meer domeinen test.”
Hij haalde zijn schouders op.
“Sommige mensen zijn helaas minder intelligent.”
“Ja, maar dat is volgens de logica van zo’n test,” zei Kelly, “Er zijn een pak mensen die uit zo’n test kunnen komen als slim, maar bijvoorbeeld dronken worden en zich te pletter rijden tegen een boom.”
“De domste dingen worden meestal ook gedaan door de slimste mensen,” zei Jana cryptisch.
Paul, Budur en Fin lachten.
“Hoe bedoel je?” vroeg Paul, die een hapje doorspoelde met een fikse teug cava.
“Jullie kennen misschien de Darwin Awards wel,” zei Jana.
Fin en Paul knikten. Budur trok een wenkbrauw op.
“Dat waren een soort postume internetonderscheidingen voor mensen die zichzelf uit de genenpoel hadden verwijderd op een spectaculair domme manier,” legde Jana uit, “en wat me daarbij opviel was dat veel van die mensen in feite precies omwille van hun intelligentie in de problemen waren gekomen. Er was bijvoorbeeld het verhaal van een Serviër die zijn schoorsteen wilde schoonmaken door er een granaat in te droppen. Maar omdat hij besefte dat de explosie moest gebeuren in de schoorsteen zelf, wilde hij de granaat laten zakken aan een ketting. Zijn fatale fout was dat hij die ketting aan de granaat probeerde te lassen.”
Algemeen gelach.
“Goed, maar denk hier eens over na,” zei Jana, “een aap zal nooit op dat idee komen, weet niet wat een granaat is, kan niet lassen, heeft geen concept van wat een schoorsteen is, en zo verder.”
“Dat is me toch wat te algemeen,” zei Fin, “op die manier is elke persoon ter wereld een wonder.”
“We zijn allemaal winnaars,” zei William sarcastisch.
“Ik heb een veel betere lakmoesproef voor intelligentie,” bood Fin aan.
Kelly en William keken sceptisch. Ze herkenden de uitdrukking van hun broer al als hij van plan was iets volstrekt onnozels te zeggen. Jana en Paul keken verwachtingsvol. Budur hield haar gedachten in beraad.
“Of iemand fan is van FC De Kampioenen of niet,” zei hij.
“Wat?” reageerde Jana.
“Wat zegt dat dan, volgens jou?” vroeg Kelly.
Fin keek eerst naar Paul.
“Paul, ik hoop dat jij niet kijkt naar FC De Kampioenen omdat je hoopt dat je dichter kan komen tot de Vlaamse cultuur op die manier.”
“Nou, ik heb wel al eens een fragment meegepikt, maar ik vond het niets bijzonders.”
“Goed. FC De Kampioenen speelt zich af in een provinciaal universum waar niets ooit echt verandert. Elk personage heeft bepaalde, zeer beperkte dromen: de vrouwelijke personages willen in het algemeen een soort status bereiken en de mannelijke personages willen zich gewoon amuseren. Niemand staat ooit stil bij de ellendige existentiële horror waar ze zich in bevinden. Alles wat ze ondernemen, is tot mislukken gedoemd en hun posities zijn het resultaat van een vastgeklonken sociale hiërarchie waar niets enige echte consequentie blijkt te hebben. Boma blijft een rijke vetzak, Pascalleke blijft in haar café staan, Xavier blijft pintjes lekken en Doortje blijft een seut. Dat is eigenlijk alles behalve grappig. De komedie, zo moeten we geloven, vloeit voort uit simpele misverstanden die een kind uit de lagere school kan oplossen op vijf minuten. Primitieve maar oppervlakkige emoties houden de personages in een eeuwige deining maar niemand beseft in wat voor miserie ze eigenlijk verkeren. Kijk naar het huwelijk van Xavier en Carmen. Carmen is duidelijk seksueel extreem gefrustreerd en allebei zijn ze sluimerende alcoholici. Ze zouden beter uit elkaar gaan maar hebben het gevoel dat ze eigenlijk niet beter kunnen krijgen. Of kijk naar Bieke, die tot diep in de 30 wordt neergezet als één of andere hippe vrouw.”
“Of dat ze een tiener moest spelen met dat onnozele kapsel,” grijnst William.
“Precies. Uiteindelijk komt ze terecht bij een loser als Marcske die we allemaal zogezegd sympathiek moeten vinden, maar wat heeft die te bieden? Hij is een brave jongen en hij drinkt niet, maar hij heeft nul ruggengraat, is ontzettend dom en nauwelijks sociaal aangepast. Dan is er Boma. Geef zo’n Boma drie minuten in een modern industrieel, internationaal bedrijf, en hij wordt vierkant uitgelachen. Ik snap wel dat hij een soort oude franskiljon moet vertegenwoordigen, maar zijn vleesfabriek produceert duidelijk minderwaardige kwaliteit en zijn seksuele wandaden zijn allesbehalve grappig. Hij teert enkel op kapitaal en vergane glorie.”
“Jij hebt daar veel te hard over nagedacht,” oordeelde Jana.
Fin leunde achterover.
“Is dat zo? Zuslief Kelly brak daarnet een lans om populaire cultuur serieus te nemen. Dat heb ik zonet gedaan. En de existentiële horror blootgelegd van wat zichzelf voordoet als komedie. De kijker wordt uitgenodigd om te lachen met een destillaat van zijn eigen wanhopige positie.”
Paul lachte luid en gretig.
“Man. Dat heb ik nog nooit van m’n leven gehoord. Heb je ooit overwogen om theaterkritiek te schrijven?”
Paul werkte als producer voor een theaterhuis.
“Wat verdient dat?” vroeg Fin.
“Niet veel,” gaf Paul toe, “maar ik zou het toch overwegen.”
“Wat wil je nu eigenlijk zeggen?” vroeg Budur, “Dat als we niet inzien dat FC De Kampioenen niet grappig is, dat we dan dom zijn?”
“Misschien niet dom. Wel oppervlakkig.”
Kelly at een hapje en keek Fin hoofdschuddend aan.
“Vel jij dan nooit een waardeoordeel, Kell?” vroeg Fin.
“Binnen een bepaalde context. Ik vind de schilderijen van Francis Bacon geweldig, maar voor een kinderboek helemaal ongeschikt,” antwoordde ze.
“Ik zie het al voor me. ‘Hoofd geflankeerd door vlees’ voor de allerkleinsten,” grinnikte William.
“Over vlees gesproken,” pikte Paul daar vlotjes op in, “Zal ik beginnen aan de maaltijd?”
Op één hapje na was het volledige dienblad leeg.
“Prima idee, Paul,” glimlachte Kelly, “Ik kom je zo helpen maar ik ga eerst even een rookpauze houden. Wie gaat er mee?”
“Ik probeer te stoppen,” zei Fin.
“Ik hou je wel gezelschap,” zei Budur.
Beide vrouwen vertrokken naar het terras achter het huis.

Verder naar deel twee.

vrijdag 7 september 2012

De presidenten (IV)

4. Verdriet

“We hebben nog niet alle onderwerpen afgerond,” zei James, “moeten we nu al echt de rekening vragen?”
“Ja, komaan,” viel Volkan James bij, “we geven hier elk half jaar veel geld uit. Ze zullen het wel niet zo erg vinden dat we hier nog even blijven babbelen.”
“Goed dan,” gaf Mr. Duplo toe, “het is gewoon dat het mijn beurt is om te betalen, en ik betaal liever nu al. Sorry, partijvoorzitter.”
Dat laatste was bedoeld voor Volkan, de zelfverklaarde communist. Volkan grijnsde wolfachtig.
“Wat ben jij eigenlijk, politiek gezien?” vroeg hij aan Mr. Duplo.
“Ik stem voor een partij waar iedereen mee lacht.”
“Vlaams Belang?” vroegen James en Maarten tegelijk.
“Nee, niet die,” zei Mr. Duplo, “zeg.”
“De tsjeven,” zei Volkan, “juist?”
Mr. Duplo hief zijn handen op en wenkte daarna de ober om de rekening te brengen.
“Was alles naar wens?” vroeg de kraaknette man, die er jong uit zag maar al stevig kalend was aan de inhammen rond zijn voorhoofd.
“Zeker,” zei James, waarbij hij zijn tandpastaglimlach bovenhaalde.
“Jammer dat de dienster van de vorige keer er niet was,” voegde hij er aan toe toen de ober buiten gehoorsafstand was.
“Je kan niet alles hebben,” zei Mr. Duplo plompverloren.
“Je kan het wel willen,” zei James daarop.
“Goed, we hebben nog verdriet op het programma staan,” zei Maarten, “altijd het vrolijkste onderwerp.”
“Ik had daar de vorige keer niks over te zeggen,” zei Mr. Duplo.
“Het was geen beschuldiging,” zei Maarten mild.
“En nu?” vroeg Volkan.
Mr. Duplo dacht na.
“Toch. Mijn hond is twee maand geleden gestorven.”
“Wat voor hond was het?” vroeg James.
“Een labrador. Henri. We zagen het al lang aankomen, hoor. Maar ja, zo’n dier, je gaat je eraan hechten. Ik was er bij toen ze hem z’n spuitje gaven. Zoiets wil ik nooit meer meemaken.”
“Hoe oud is hij geworden?” vroeg Volkan.
“Elf jaar. Hij had kanker, dus het was beter voor hem op die manier. Maar die blik... dat vergeet ik nooit. Een hond is trouw aan zijn baasje, en tot op het eind bleef hij kijken met die trouwe, zekere blik. Het was bijna angstaanjagend, zelfs.”
Mr. Duplo keek naar het tafelblad terwijl hij sprak.
“Ik weet het, het was maar een hond, maar het deed me er bij stilstaan dat dat soort gevoelens nog duizend keer sterker moeten zijn bij ouders die een kind verliezen. Ik denk niet dat ik me dat echt kan voorstellen.”
“Ik vind niet dat je je moet excuseren,” vond Volkan, “mensen die niet verstaan dat je je aan een dier kan hechten, zijn raar.”
“Of sociopaten,” zei Maarten.
“Precies,” vond Volkan.
“Ik weet het niet, ik heb het nooit zo voor dieren gehad,” bekende James, “maar dat is misschien omdat we thuis nooit dieren hadden.”
De ober bracht zo discreet mogelijk de rekening. Mr. Duplo was blij met de afleiding.
“Ik ben onlangs afgewezen,” bekende Maarten toen de ober weer weg was, “dat was ook niet zo leuk. Enfin, ik had het ergens wel verwacht, hoor. We konden het erg goed vinden en hadden een paar keer gekust, maar ik was duidelijk meer geïnteresseerd in haar dan omgekeerd. Ze vond me wel knap, maar er ontbrak iets, zei ze.”
“Jammer,” zei James, “zei ze ook wat er scheelde?”
Maartens mond maakte een vreemd kartelgebaar.
“Pff. Om eerlijk te zijn heb ik het niet gevraagd. Misschien was het een gebrek aan wederzijdse interesses of zo. Ze was nogal bezig met theater en ballet.”
“O nee, een kunstzinnig type,” kreunde Volkan.
Maarten trok zijn wenkbrauwen op.
“Ik heb er erg veel gekend die zo waren,” verklaarde hij zich, “echt waar, je weet niet wat je er aan hebt. Ze denken dat ze in boeken leven. Niemand leeft zo. En dan blijken ze te gaan voor de saaiste losers die er zijn.”
“Ha,” lachte Mr. Duplo bitter, “had je ze naar mij moeten sturen. Ik ben een saaie loser.”
“Dat is niet waar,” zei James feitelijk, “en ik denk niet dat het dat is wat Volkan bedoelt. Ik snap het wel, maar ik kan het niet uitleggen.”
“Wel ja,” hervatte Maarten zijn verhaal, waarbij hij nog eens over zijn haviksneus wreef en een ademtocht uitblies, “het is voorbij nu. Tijd voor iets anders.”
“Niks verdrietigs meegemaakt hier,” zei James, die doorhad dat de andere drie hem aankeken, “hout vasthouden.”
De ober kwam het geld halen en bedankte.
“Nu jij nog,” zei Mr. Duplo tot Volkan.
“Hm. Een paar weken terug is één van mijn beste vrienden verhuisd naar Turkije. Ik mis hem.”
“Waarom is hij verhuisd?” wilde Mr. Duplo weten.
“Hij zei dat de huizen daar goedkoper waren. Hij is hier geboren, maar heeft het nooit echt kunnen vinden in België. Dat kan ik hem niet kwalijk nemen, maar het is wel jammer dat hij weg is.”
“Kan je hem niet gaan bezoeken?” vroeg James.
“Nauwelijks. Mijn werk verdient niet bepaald veel.”
“Zou je zelf naar Turkije kunnen verhuizen?” vroeg Maarten.
Volkan lachte vreugdeloos.
“Vergeet het. Ik ben half Koerdisch, weet je wel. Bovendien is het ook dat ze Koerden of Turken die daar niet geboren zijn, niet echt zien als Turks of Koerdisch. We praten anders, we gedragen ons anders. Zeker als we naar het platteland gaan. Als je naar je grootouders gaat, dan kan ik me voorstellen dat jullie soms kunnen denken hoe conservatief of bijgelovig die mensen zijn – stel je dat voor, maar dan tien keer erger. Mochten mensen daar weten dat ik zo links ben als de pest, en niet per se denk dat oude mannen altijd gelijk hebben, zouden ze denken dat ik een omhooggevallen rockster ben uit Istanboel.”
“Dat klinkt wel cool eigenlijk, een rockster zijn in Istanboel,” zei Maarten.
“Kan zijn,” zei Volkan gelaten, “maar ik zit hier, ik ben van hier, mijn toekomst is hier.”
James knikte wijs.
“Je hebt gelijk. Heren, ik denk dat we dan maar beter opkrassen.”
Mr. Duplo knikte. Maarten herschikte zijn das.
“Iemand zin in nog een pintje elders?” vroeg die. Er was even twijfel.
“Zeker wel,” zei Mr. Duplo als eerste. Ook James en Volkan stemden in.

“Weinig vooruitgang, niet? Of wat denk jij?” vroeg de assistent aan de professor die onophoudelijk kauwde op een afgeknipt stuk sigaar.
“Geen vooruitgang,” bromde de professor fatalistisch.
“Ik vind het wel interessant,” bood de assistent voorzichtig aan, “dat ze blijven terugkomen op dezelfde dingen. Dit is al de derde keer dat één van hen praatte over zijn gestorven hond, en de vijfde keer op rij dat één van hen toegaf dat hij een drankprobleem had.”
De professor schoof zijn stoel achteruit en vouwde zijn handen over zijn buik.
“Ik weet het niet zo,” zei hij, wat zijn manier was om te zeggen dat hij dacht dat zijn assistent onzin uitkraamde, “het is eerder deprimerend dat ze blijven vast hangen in dezelfde emoties.”
De assistent neeg het hoofd. Hij speelde met zijn pen.
“Schrijf dat niet in het verslag, wel,” voegde de professor er aan toe, waarna hij met zijn kin gebaarde naar de vier oude mannen die het neprestaurant verlieten, “anders kan het zijn dat we onze subsidies verliezen.”
“Wat moet ik dan schrijven?”
“Ach ja. Ik veronderstel dat het menselijk is dat we blijven hangen in onze meest markante herinneringen en breekpunten. Zelfs als we dement worden.”
De assistent maakte enkele notities in vlugschrift.
“Toch vind ik dat niet zo negatief.”
“Hoezo?” vroeg de professor zonder zijn assistent aan te kijken.
“Wel,” zei de assistent, “het... definieert hen. Het maakt hen... menselijk, ik weet het niet. Nee, beter, sorry, het getuigt van een verrassend inzicht in henzelf. En in elkaar.”
“Hm. Maar wat ben je met die menselijkheid als het berust op herhaling?”
“Dat is het net,” zei de assistent, die van de leegheid van de opmerking gebruik maakte om zijn mening nadrukkelijker te formuleren, “mens zijn is toch dingen doen bij herhaling? Bovendien wijzen onze biometrische gegevens ook uit dat ze alle vier na zo’n bijeenkomst rustiger zijn, gelukkiger en optimistischer.”
De professor keek hem scheef aan, en keek toen weer naar het scherm.
“Gelukkiger door een illusie, misschien.”
“Geldt dat niet voor alle mensen? Niet alleen voor dementerenden, bedoel ik.”
Intussen verlieten ook de acteurs de scène.
“In zekere mate,” zei de assistent, “maar... als dat alles is wat we hebben, dan kan het toch maar beter zijn dat die illusies ons – hen – gelukkig maken.”
“Denk ervan wat je wil. Ik ben gaan eten.”
“Smakelijk,” zei de assistent zonder animo.
De professor stond luidruchtig op en verliet de kamer. De assistent maakte nog enkele aantekeningen. Op het scherm volgde hij hoe de vier oude mannen volledig verdwaasd werden opgevangen door hulpverleners die verkleed waren als agenten, en niet voor de eerste keer voelde hij medelijden met hen. Ze wisten niet eens meer dat ze ooit dat contract getekend hadden.

donderdag 6 september 2012

De presidenten (III)

3. Angst

Bij het dessert volgde er een korte discussie over het verschil tussen roomijs en softijs en of dat eigenlijk niet hetzelfde was. Mr. Duplo had nostalgische herinneringen aan de rondtrekkende ijsbestelwagens van IJsboerke, terwijl James zich dan weer levendig herinnerde hoe de vlagjes van Ola buiten aan de kruidenier betekenden dat het weer zomer was.
"Enfin," zei James toen, die zijn mond afveegde en zijn lepel in zijn lege ijscoupe legde, "het is tijd voor de angsten."
"Daar ben ik goed in," zei Mr. Duplo. Maarten, die de vorige keer naar eigen zeggen 'bang was van alles', grimaste: "daar kan je wel eens competitie in krijgen."
"Battle of the broekschijters," zei Volkan.
Beiden lachten en James glimlachte minzaam.
"Wie begint dan?" vroeg James.
"Maarten is nog niet klaar met z'n dame blanche, dus laat mij maar beginnen," zei Mr. Duplo, terwijl hij zich een strijdvaardige houding aanmat.
"Ik heb onlangs beseft dat ik bang ben dat er een dag komt dat ik wakker word en besef dat ik geen vrienden meer heb. Ik bedoel niet kennissen, maar echte vrienden. Rondom mij zie ik mensen trouwen, één maat heeft intussen al een zoontje van een jaar, en ik heb ook mijn eigen bezigheden met de kookclub, mijn taalcursus en bijvoorbeeld dit. Maar stukje bij beetje zijn we allemaal uit elkaar aan het drijven. Ik weet niet waar dit gaat eindigen en misschien denk ik er liever ook niet over na."
"Heb je die angst vooral niet omdat je single bent?" vroeg James.
"Daar heb ik ook aan gedacht," gaf Mr. Duplo toe.
"Als je ouder wordt, vergen vriendschappen meer onderhoud," zei Maarten, die nu als laatste klaar was met zijn dessert, "en ik denk dat koppels het daar tegelijk moeilijker in hebben en ook makkelijker. Ze hebben elkaar wel, maar als dat eindigt als ze 35 zijn of zo, staan veel mensen plots helemaal alleen. Ik heb het gezien bij twee collega's."
"Er zijn weinig mensen met échte vrienden," zei Volkan somber, "niet dat dat je angst gaat wegnemen, Mr. Duplo, maar het is al iets dat je je die mogelijkheid inziet. Je gaat jezelf nooit wijsmaken dat mensen vrienden zijn die het niet zijn."
Mr. Duplo leek iets te gaan zeggen, maar zweeg toen. Hij gebaarde naar Maarten.
"Wel," zei Maarten, waarbij hij even over zijn haviksneus en voorhoofd wreef, "ik heb de vorige keer gezegd dat ik bang ben van alles. Dat is nog altijd zo. Ik ben bang om beroofd te worden, om ontslagen te worden of om ontmaskerd te worden als een nepintellectueel. Maar echte angsten in de existentiële zin heb ik eigenlijk niet. Dus voor deze avond: pas, sorry jongens."
"Er is inderdaad een verschil tussen bang zijn en angst hebben," zei Mr. Duplo.
"Steekt het zo nauw?" vroeg Volkan. Hij slurpte van zijn koffie.
"Niet zo, vind ik," zei James, "maar voor één keer is het goed, Maarten. Volkan, heb jij nog iets te zeggen?"
Hij zette zijn koffie neer en haalde adem. Hoe lang de stilte duurde vooraleer één van de vier sprak, was meestal een goeie indicator over hoe diep een bepaald gevoel woog.
"Ik ben soms bang dat seks mij niet interesseert."
Verbaasde blikken.
"Ja, ik zie jullie kijken," zei Volkan zonder de drie anderen aan te kijken, "hoe kan dat nu en zo. Maar dat is het punt juist. Ik ben er nooit erg in geïnteresseerd geweest en ik ben zeker dat ik ook geen homo ben. Het voorbije jaar heb ik al twee keer een meisje afgewezen dat duidelijk seks wilde."
"Misschien waren ze niet knap genoeg?" bood Mr. Duplo aan.
"Dat was het niet echt. Ik had gewoon geen zin in dat... gedoe."
"Maar... je zit dan al een jaar zonder?" vroeg Maarten. Volkan knikte en leunde weer tegen zijn muur.
"Tja," zei hij met een handgebaar, "ik voel er mij niet slecht over. Ik voel er mij alleen slecht over dat mensen vinden dat ik er mij slecht over zou moeten voelen."
"Beter dat dan van frustratie een vrouw verkrachten," zei James achteloos.
"Verkrachters ontstaan niet op die manier," zei Maarten.
"Nee?" James trok zijn wenkbrauwen op.
"Het verklaart alleszins waarom de hoeren je niet interesseerden," zei Mr. Duplo tegen Volkan, die verlegen glimlachte.
"Dat kan goed zijn."
Aan de tafel naast hen vertrok een uitgelaten gezelschap met veel complimenten aan de chef.
"James, ik denk dat het jouw beurt is," zei Maarten toen. James knikte.
"Ik weet het. Ik was nog aan het nadenken," zei hij, terwijl hij met zijn lepel tegen zijn mond tikte, en hem toen neerlegde.
"Wel dan, ik ben bang - of ik heb de angst, nietwaar Maarten," zei hij toen het andere gezelschap buiten gehoorsafstand was, "dat dit min of meer mijn leven zal blijven. Ik weet niet hoe het zit met jullie, maar bijna iedereen heeft ooit gedroomd over roem, over macht of over een geweldige carrière. In de praktijk leiden de meeste mensen een gewoon leven, en het lijkt me dat de meeste mensen dat ook ok vinden. Ik niet. De hoop dat ik zou opgepikt worden via mijn fotowerk of dat ik op één of andere manier een plotse promotie zou maken, is nooit weggegaan. Toch besef ik elk jaar dat de kansen altijd maar kleiner worden. Ik kan daar niet goed mee omgaan en ik ben bang dat ik misschien niet als Mr. Duplo wakker ga worden op een dag en beseffen dat ik geen vrienden heb, maar eerder zal moeten inzien dat dit het is. Dat er geen volgend hoofdstuk komt."
"Het is een vorm van irrelevantie op een andere manier," zei Mr. Duplo, "maar ik kan erin komen wat je zegt."
"Hm, ik weet bijvoorbeeld dat we hier in Gent met klein links ook nooit meer dan 5% zullen halen," zei Volkan met een schouderophalen, "maar het idee dat ik andere mensen heb kunnen overtuigen, of hun leven op een goeie manier heb kunnen beïnvloeden, is genoeg. Daar moet je niet rijk of beroemd voor zijn."
"Dat is zeer charmant," zei James, die zijn best deed niet al te neerbuigend te klinken, "maar het is niet wat ik wil."
Volkan haalde opnieuw de schouders op.
"Nee, ik versta je wel," trad Maarten James bij, "maar ik ben één van die mensen die er al vrede mee genomen heeft."
"Jij werkt voor de univ. Het kan zijn dat je professor wordt."
"Het is alleszins niet meer mijn ambitie. We zien wel. Iets te veel willen kan er juist toe leiden dat je niks krijgt."
James keek verstoord.
"Ik wil er nu mijn voet niet in zetten," zei Mr. Duplo toen, "maar ik heb de ober zien kijken naar ons. Misschien vragen we best de rekening."

Verder naar deel vier.

woensdag 5 september 2012

De presidenten (II)

2. Bekentenis

Van het restaurantbezoek en het gesprek leek het onderdeel van de bekentenissen op het eerste zicht steeds het interessantste, maar omdat de vier mannen elkaar buiten de bijeenkomsten weinig zagen, viel dat in werkelijkheid vaak tegen. De personen die in de verhalen of bekentenissen figureerden, waren vaak vage kennissen, geen gemeenschappelijke vrienden.
"Omdat ik bij het vorige onderdeel niks te zeggen had, zal ik nu beginnen," zei James plichtbewust als een patron, terwijl hij de drie anderen beurtelings aankeek, "Het is eigenlijk iets waar ik maar zelden bij stilgestaan heb: ik steel van mijn werkgever. Niet in de letterlijke zin zoals materiaal stelen of geld versluizen naar mijn rekening, maar gewoon door het werk op bepaalde manieren te saboteren. Ik doe alsof ik erg veel werk heb, maar eigenlijk zou ik al mijn weektaken gerust kunnen doen op één dag. Daardoor vraag ik me soms af of er nog véél zulke mensen zijn. Elke keer als iemand me zegt dat hij het druk heeft, vermoed ik dat hij liegt. Dat iedereen net als ik de ganse dag zit te surfen op het internet, naar muziek luistert of beursberichten volgt.”
“Ooit al een carrière bij de overheid overwogen?” vroeg Mr. Duplo op zijn gebruikelijk flegmatieke manier, “Ik heb daar drie zomers na elkaar een vakantiejob gedaan via mijn moeder. Daar zaten mensen die van doen alsof ze aan het werken waren, een kunst gemaakt hadden.”
“Mijn baan is best goed betaald,” zei James, “en daar schaam ik me in.”
“Ik zie niet in waarom,” pikte Volkan daarop in, “het is de schuld van de werkgever dat zij jou dit zo makkelijk laten doen. Zou je meer willen werken, mocht er meer werk zijn?”
“Ik weet het niet. Er zijn altijd wel manieren om het zo efficiënt aan te pakken dat er weer tijd zal over zijn.”
“Hm,” zei Volkan slechts, waarna hij een grote hap vis nam.
“Je moet oppassen voor een bore-out,” zei Maarten, die met zijn mes in James’ richting wees, “ooit van gehoord? Nee? Een burnout kan je krijgen door constant overwerk, een bore-out door constant, tja, onderwerk. Mensen met een bore-out kunnen voorgoed verbrand raken voor de arbeidsmarkt. Misschien moet je overwegen toch een andere job te zoeken.”
James knikte maar zijn gezichtsuitdrukking verried een zekere vrijblijvendheid.
“Iedereen kijkt,” zei Maarten met een glimlach, “dus het is mijn beurt, zeker?”
Het was stil. Hij schraapte zijn keel, en had al een blos van de wijn.
“Wel, ik ben onlangs naar de hoeren geweest,” zei hij, terwijl hij met zijn vinger langs een restje saus op de rand van zijn bord ging, en toen de rest terug aankeek, “Ik kwam terug van een feestje dat veel te vroeg gedaan was, en besloot een omweg te nemen. Ok, ik was dronken, maar dat is nu ook geen excuus.”
“Hoeveel heb je betaald?” vroeg Mr. Duplo met een frons. De anderen lachten.
“Zestig euro.”
Mr. Duplo floot geluidloos.
“En was het goed, eigenlijk?” vroeg Volkan.
Maarten haalde ongemakkelijk de schouders op.
“Niet echt. Geldverspilling als je ’t mij vraagt. Het is ook allemaal zo fake. Bovendien stelde ik me nadien vragen of ik op die manier niet mee aan het werken was aan uitbuiting van vrouwen. En toch kon ik er niet aan weerstaan. Het gebeurt ook niet alle dagen dat een vrouw met weinig kleren aan naar me wenkt vanachter een venster.”
“Dat is een lastige kwestie,” zei James met een ernstige plooi op zijn knappe gezicht.
“Mja,” zei Volkan lui, “er zitten er altijd tussen met een pooier, zelfs hier. Dat is niet zo fijn natuurlijk. Ik snap wel niet goed hoe je daar een verleiding in ziet, Maarten. Die willen gewoon zo veel mogelijk verdienen. Ik ben al een paar keer door de buurt gewandeld met maten, en ik heb toen ook niet zo goed verstaan wat die er zo geweldig aan vonden.”
Maarten haalde diep adem en nam een slok wijn.
“Een bekentenis is een bekentenis.”
“Het was een mooie,” vond Mr. Duplo, die nog steeds zat te fronsen.
“Ik zal de volgende gelijk voor m’n rekening nemen,” zei Volkan strijdvaardig. Zijn bord was volledig leeg. Hij keek de andere drie mannen elk om beurt aan, en zijn blik bleef toen rusten op James.
“James, mag ik het nummer van je zuster?”
Mr. Duplo en Maarten lachten luid. James’ mond lachte, maar zijn ogen tot zijn eigen verbazing niet.
“Hoe ken je haar?”
Volkan leunde achterover tegen de muur.
“Ik doe vrijwilligerswerk in een kringloopwinkel, en zij werkt daar soms ook met een vriendin. Ik herkende haar van op een feestje ergens, en heb kort met haar gesproken, maar nu werkt ze er niet meer en ik weet niet hoe ik haar moet contacteren.”
“Tja. Ze is een volwassen vrouw. Waarom vraag je haar haar nummer zelf niet?”
“Hoe dan?”
“Facebook,” suggereerde Mr. Duplo.
“Ik zit niet op Facebook,” zei Volkan, “ik ben niet bezig met dat hele sociale mediagedoe.”
“Ik pas om hier commentaar op te leveren,” zei Maarten, waarop hij zich bedacht: “hoewel Volkan, had jij ook geen knappe zus?”
Volkan lachte even gespannen als James zoëven.
“Nee, nee. Maar... ja, raar hé,” grinnikte hij idioot, “Mijn vrienden en ik maakten altijd moppen over elkaars moeders en zusters, maar als er ook maar één van ons een vinger naar zou uitgestoken hebben, amai. Het is primitief, in feite, maar je ontsnapt er zelf niet aan.”
“Ik vind het gewoon een rare vraag, dat is alles,” zei James, die weer zijn charmante zelf was, “maar hier heb je ’t nummer. Wees vriendelijk.”
Hij gaf een nummer door dat hij op een servet geschreven had. Volkan maakte een dankbaar handgebaar en vouwde het servet op als een kostbaar juweel.
“Het zal er niet aan mankeren,” verzekerde hij James met een extra zwaar Gents accent.
“Nog drank, iemand?” vroeg Mr. Duplo.
“Is het niet eerder tijd voor een dessert?” vroeg Volkan opgeruimd.
Nadat de ober hun bestelling was komen opnemen, was het nog Mr. Duplo’s beurt om een bekentenis op tafel te gooien.
“Ik kom de dag niet door zonder alcohol. Soms vraag ik me af of ik een alcoholicus ben. Ik ben zelden dronken, maar ik drink elke avond drie glazen, tot ik me licht voel, en dan ga ik slapen. Als ik dat niet kan doen, ben ik humeurig en gejaagd. Overdag, op het werk, zit ik soms de uren af te tellen tot ik weer wat kan drinken.”
“Misschien is het meer een soort ritueel?” opperde Maarten, “Heb je al geprobeerd met iets dat geen alcohol is?”
“Ja,” zei Mr. Duplo, “maar dan kreeg ik alleen een suikerkick. En met water werkte het helemaal niet.”
Op dat moment zette Volkan net zijn glas water neer op tafel.
“Mja, ik denk dat je inderdaad een probleem hebt,” zei hij scherp tegen Mr. Duplo, “je lijkt in te zien dat je ’t niet onder controle hebt. Misschien moet je eens gaan praten met een dokter.”
“Ik vind niet dat je moet overdrijven, Volkan,” vond Maarten, “er zijn massa’s veel mensen die doen wat Mr. Duplo doet.”
“Dat maakt het daarom nog niet ok,” zei Volkan onverstoord.
“Heren, de regels. Niet door elkaar praten,” vermaande James hen. Ze zwegen, waardoor iedereen nu nog wachtte op James’ commentaar.
“Zolang je gezondheid, je omgeving en je werk er niet onder lijden, denk ik dat het nog meevalt,” zei hij, “maar het is inderdaad een moeilijk grensgeval. Probeer gewoon één dag niet te drinken of zo?”
Mr. Duplo grimaste.
“Ik zal het proberen.”
“Voor wie was de dame blanche?”
De vier mannen keken op naar de ober met de plateau desserts.

Verder naar deel drie.

maandag 3 september 2012

De presidenten (I)

1. Onzekerheid

Elk half jaar kwamen ze met vier samen in restaurant 'De gouden krab'. Die traditie was begonnen toen ze tegelijk waren afgestudeerd en als niet meer dan goeie kennissen aan de praat waren geraakt. Ze hadden weliswaar elk nog hun eigen netwerk aan vrienden en kennissen, maar deze traditie was al bijna zes jaar ongewijzigd gebleven. James, de bezieler van het idee, had ook de regels bepaald: iedereen moest een pak en das dragen, er zou alleen een hoofdgerecht gegeten worden (waar men dan niet op de prijs zou kijken), iedereen moest volledig eerlijk zijn, en er waren vier onderwerpen. Het idee was geboren als een hypothese toen, na die proclamatie, op een zonneslagnamiddag, Maarten geklaagd had dat zijn kersverse ex hem had verweten nooit open te zijn over zijn gevoelens.
Bij de wijn, toen ze zaten te wachten op het eten, kwam het eerste vaste gespreksonderwerp. Dat was onzekerheid.
"Ik denk dat het tijd is dat we er eens aan beginnen," had James gezegd, nadat de vier een kwartier hadden gekeuveld over werk, het weer en de nieuwe tweedehandsauto van Volkan, die vroeger altijd een fervent fietser geweest was.
Onwillekeurig veranderde ieders houding. Met een hoofdknik, nadat hij de tafel rondgekeken had, begon Peter te praten. Niemand noemde hem bij zijn echte naam - zijn bijnaam was al meer dan tien jaar Mr. Duplo, nadat iemand ooit had opgemerkt dat hij leek op een vleesgeworden Duplo-figuur. Hij had een stevige, vierkante kop en zijn lichaam leek uit één stuk gebouwd, rechthoekig, vol, en recht aflopend naar beneden, waar bij elk onderdeel van zijn lichaam even breed was. Zijn wenkbrauwen waren donker en gewelfd, en zijn peper-en-zouthaar leek altijd te glanzen.
"Goed, goed," zei Mr. Duplo, die met zijn vingers rond de hals van zijn wijnglas speelde, "Onzekerheid. Wel. Ik voel me onzeker in het bijzijn van knappe mensen."
De andere drie zwegen, dus Mr. Duplo zag zich genoodzaakt verder te praten.
"Bijvoorbeeld op straat, of in winkels, of op café, zie ik vaak knappe vrouwen. Ik word daar onmiddellijk een beetje verliefd op."
"Bedoel je niet dat je erop geilt?" vroeg Maarten.
"Nee," zei Mr. Duplo, "dat is niet hetzelfde. Ik bewonder hun schoonheid. Dat kan een knap gezicht zijn, een mooi figuur, een verzorgd gebit... enfin, ik merk dat allemaal onmiddellijk. Maar ik denk er altijd bij dat die wel niks voor mij zouden zijn omdat ik te lelijk ben voor zo'n vrouwen. Daar komt ook nog bij dat die vrouwen altijd omringd zijn door mannen die ook mooi zijn. Grote mannen met een atletisch lijf, of met cool haar, of die gewoon vlot kunnen praten. Dat maakt me triest. Hoe veel ik ook zal proberen om af te vallen, mezelf te verzorgen of kleren te kopen die passen bij mijn figuur, die vrouwen zullen me nooit een blik waardig gunnen. En waarom zouden ze dat ook doen? Ik beoordeel hen op dat moment ook puur op hun uiterlijk, dus is er geen enkele reden waarom zij niet hetzelfde zouden doen."
Een handgebaar gaf aan dat hij klaar was. Hij dronk van zijn glas. Volgens de door James opgestelde regels mocht iedereen één antwoord geven of één bijkomende vraag stellen. Volkan was de eerste die sprak.
"Maakt dat dan zo veel uit?" vroeg Volkan, "Ik bedoel, Mr. Duplo, er zullen altijd knappere mensen bestaan dan jou. Er zullen er ook altijd bij zijn die intelligenter zijn, rijker en gelukkiger. Maar dat houdt jou niet tegen van te focussen op waar je zelf goed in bent."
Mr. Duplo grimaste maar zei niks.
"Ik volg Mr. Duplo een beetje," bekende Maarten, "maar ik krijg dan meer een hekel aan mezelf voor mijn eigen oppervlakkigheid."
Mr. Duplo glimlachte op die opmerking.
"Ik heb daar weinig tegen in te brengen," zei James, "Ik heb altijd geluk gehad dat vrouwen mij knap vonden, dus dat zijn vragen die nooit bij me op zijn gekomen, maar ik dénk dat het hier ook wel ligt aan zelfvertrouwen. Er zijn genoeg voorbeelden van mannen die niet erg aantrekkelijk zijn, maar toch scoren bij mooie vrouwen. Bovendien heb je nog eens geluk als man. Een lelijke man die erg interessant is, maakt nog een kans. Een lelijke vrouw, die kan het vergeten."
Volkan roerde zich maar mocht niks zeggen volgens de regels. Het was nu Maartens beurt om te praten. Voor hij kon spreken, werd het eten opgediend. Mr. Duplo viel als uitgehongerd aan op z'n osso bucco, terwijl James en Maarten elk kreeft hadden besteld. Volkan at een visschotel op een steengrill.
"Mmm, kreeft, lang geleden," mompelde Maarten, alvorens zijn bestek neer te leggen en te spreken. Hij schikte zijn dasknoop even. Maarten was een pezige, blonde man met een haviksneus en dicht bij elkaar staande, blauwe ogen. Normaal droeg hij een stoppelbaard, maar hij had zich vandaag geschoren.
"Ik werk erg veel en hard," zei Maarten. Hij was doctorandus in de chemie.
"Maar ik heb het gevoel dat het nooit genoeg is om te bewijzen dat ik iets kan. Al vier jaar lang denk ik dat er een dag komt dat mijn promotor op een afspraak zal zeggen dat hij erachter is gekomen dat ik eigenlijk helemaal niet zo'n briljante student ben en dat ik eerder gemiddeld ben. De conclusie van mijn masterthesis vond ik zelf flauw en zwak beargumenteerd. Ik weet nog altijd niet waarom ik er zo'n goeie score op haalde, en het probleem is dat als ik hierover wil praten met andere vrienden, ze denken dat ik een visje aan het uitgooien ben om complimenten te krijgen. De waarheid is dat die complimenten niks voor mij betekenen. Die komen van mensen die sowieso al weinig weten van chemie."
Mr. Duplo gromde goedkeurend door het eten.
"Men heeft daar een naam voor," zei James, "men noemt dat het 'impostor syndrome', namelijk dat veel getalenteerde mensen in intellectueel veeleisende beroepen het gevoel hebben dat ze daar niet op hun plaats zitten."
James had Engels-Frans gestudeerd maar speelde graag de amateurpsycholoog.
"Het is ook verwant met het Dunning-Kruger-complex. Onderzoek toonde aan dat incompetente mensen hun eigen competenties overschatten en omgekeerd."
"Het is toch ook niet omdat mensen niks weten van chemie, dat ze daarom niet kunnen inschatten dat je een knappe kop hebt. Wij zijn geen astrofysici en wij zien ook wel dat Stephen Hawking een enorm geleerde man is," zei Mr. Duplo, die net z'n mond had leeggegeten.
"Ik pas," zei Volkan weifelend, "ik denk dat Maarten en Mr. Duplo het al goed gezegd hebben."
"Hoe is je vis?" vroeg Mr. Duplo aan Volkan.
"Erg goed. Beter dan de laatste keer dat ik het had in Gök 2."
Volkan woonde bij de Sleepstraat. Zijn vader was zelf een half-Turk, half-Koerd en zijn moeder een Vlaamse. Hij had een verzorgde baard en expressieve, donkerbruine ogen, en was al jaren actief als één van de voormannen van klein-links in de stad.
"Mijn beurt, dan, zeker?" zei hij, toen hij zag dat iedereen hem aankeek.
"Goed dan."
Volkan had een zwaar Gents accent en had de neiging elke zin te laten eindigen op een nauwelijks hoorbaar "ja?".
"Ik weet nooit of mensen vriendelijk tegen mij zijn, of juist vijandig, omwille van mij, of omwille van hoe ik eruit zie. Bijvoorbeeld onlangs in de Match, was er een kassierster die me afsnauwde. Had die een slechte dag gehad, of was ze racistisch? Zelfde met toen ik naar het gemeentehuis moest voor een kleinigheid. Die man was zo vriendelijk dat ik het verdacht begon te vinden."
"Mja, er bestaan natuurlijk mensen die uit goeie bedoelingen overdreven vriendelijk zijn tegen minderheden, wat ook weer een soort racisme is," filosofeerde James.
"Met dat verschil natuurlijk, dat dat voor mij een dagelijks vraagstuk is," zei Volkan, een beetje geprikkeld omdat James hem onderbroken had en zijn eigen regel had overtreden, "dat maakt een normale dag voor jullie altijd een meer onzekere dag voor mij. Dan is het simpel om terug te vallen op Turkse of Koerdische vrienden. Die mensen stellen die vraag niet. Maar dat wil ik ook niet volledig doen, want dat vernauwt mijn blikveld te veel."
"Pas," zei Mr. Duplo, "ik kan hier niks zinnigs op zeggen."
"Ik heb al gesproken, sorry," zei James. Volkan gebaarde dat het ok was.
"Ik wil geen afbreuk doen aan wat je zei," vond Maarten, die z'n glas wijn bijvulde, "maar het omgekeerde bestaat ook. Toen ik jobstudent was in een bouwwinkel en ik moest iets weigeren, of uitleggen aan iemand van een minderheid - Turk, Bulgaar, Marokkaan, Spanjaard, maakt niet uit - was ik altijd bang dat ze gingen zeggen dat ik hen dingen weigerde uit racisme. Het is ook een keer gebeurd dat een familie boos werd en me daarvan beschuldigde, en nadien voelde ik me erg rot. Ik weet het, het is ook niet omdat je zégt dat je geen racist bent, dat je er daarom geen kan zijn, maar het is ook een ervaring die onzekerheid met zich meebrengt."
Na een korte stilte was het duidelijk dat James moest spreken. Hij had al twee derde van z'n bord schoongeveegd.
"Ik heb lang nagedacht," zei hij, "maar ik kon op weinig komen. De vorige keren heb ik een aantal onzekerheden gedeeld, maar... dat is het zowat, nu. Er is niks waar ik me momenteel onzeker over voel."
James had korte tijd na zijn studies modellenwerk gedaan. Hij hield zijn haar gemillimetreerd, en had een open, ongedwongen gezicht met een brede mond die altijd een beetje leek te lachen. Nu gaf hij les.
"Dan hoop ik dat je bekentenis straks de moeite is," zei Maarten.
"Daar mag je vanuit gaan," zei James rustig.
"Het lijkt haast niet te geloven dat je over niks onzeker kan zijn," zei Mr. Duplo met een verre blik.
"Misschien besef je het zelf gewoon nog niet," wierp Volkan op.
"Dat kan," gaf James toe, "maar dat zal dan voor de volgende zitting zijn."
"Wil iemand nog iets om te drinken?" vroeg de ober die langskwam. Ze wisselden snel blikken uit.
"Spuitwater," zei Volkan. Maarten volgde hem. James en Mr. Duplo besloten nog een halve liter wijn te delen.

Verder naar deel twee.

zondag 13 maart 2011

Desert of the real (III)

3. Motel

Met hun vijven stonden ze in de gang van de derde en hoogste verdieping van het motel. Het zachtgele licht dat in grillige intervallen de donkere gang bescheen, zorgde ervoor dat iedereen eruit zag als een spook op een foto uit 1974.
“Gaan we nu nog naar beneden, of niet?” vroeg Xerox opgeruimd. Iedereen had net z’n bagage in de kamers achtergelaten. Voordien hadden ze gediscussieerd over het plan om nog iets te gaan drinken in de bar die naast het motel lag. Ze hadden er bij hun aankomst hamburgers gegeten. Xerox, Tom en Sara waren op het idee gekomen.
“Voor mijn part doen jullie maar, maar vergeet niet wat Mack gezegd heeft,” zei Greet.
“Over die rare mensen?” vroeg Sara verbaasd, “Daarnet waren we de enige mensen die er zaten.”
“Ik heb auto’s horen aankomen,” zei Berk met een schouderophalen. Hij zag er gevaarlijk uit in het halfduister, met zijn sekteleiderskop en zijn tatoeages.
“Ik vind dat we allemaal moeten gaan, of niemand,” vond Tom. Greet keek Tom scherp aan. Aan de ene kant wist ze dat ze blij moest zijn dat hij haar kant toch een beetje koos, maar aan de andere kant was het weer zo’n typisch slap Tom-voorstel. Ze wilde iets zeggen, slikte haar woede in en zweeg toen Xerox het woord nam.
“Ik vind van niet,” zei Xerox, “Het is dagen geleden dat we nog eens echt onder de mensen gekomen zijn. We moeten toch niet alles per se samen doen?”
“Maar er zat niemand, daarnet,” herhaalde Greet Sara’s woorden.
“Ik heb gewoon geen zin om te kijken naar een onnozel tv-programma,” zei Xerox met een onwillekeurig overslaande stem. Niemand lachte, wat het nog gênanter maakte. Greet besefte dat Xerox boos aan het worden was, en voelde tegelijk ook dat zij alleen zou achterblijven.
“Goed, ik ga mee. Als ik mag, tenminste.”
“Natuurlijk,” glimlachte Tom. Greet wist dat het een onoprechte glimlach was.
“Vooruit dan!” zei Sara monter. Haar lange, dunne benen zagen er in de gang als asperges uit. Als een enthousiaste hond flankeerde Xerox haar.
“Je hoeft geen schrik te hebben,” zei Tom stil genoeg, dat alleen Greet het kon horen.
Waar het diner van daarnet nog een verzameling lege houten tafels geweest was, leek de toog plots dubbel zo groot, en de schaduwen dieper. Er speelde rock uit de jaren ’80, en ook wat aan de toog en de tafels zat, leek recht uit dat decennium gestapt. Enkelen keken op toen het vijftal binnenkwam, en Greet moest opnieuw een intens negatieve emotie inslikken. Aan de toog was nog een plek vrij waar ze met enige moeite allemaal konden staan of zitten.
“Wat gaan we bestellen?” vroeg Xerox vrolijk. Hij had een blos op zijn wangen, en zijn ogen stonden nog boller dan gewoonlijk. Het leek wel alsof hij preventief dronken was.
“Een pintje kennen ze hier zeker niet?” vroeg Tom.
“O, zo’n coole fles tequila,” kirde Sara, gebarend naar het grote rek dranken achter de toog. De barman keek sceptisch. Tom, Xerox en Sara discussieerden over wat ze zouden nemen. Berk stak een sigaret op.
“You can’t smoke in here,” zei een tooghanger naast Berk. Greet vond dat het vijandig klonk. Berk knikte slechts en drukte de sigaret uit met zijn voet.
“Wat wil jij?” vroeg Tom aan Greet. Hier weg, dacht ze, zo ver mogelijk van de woestijnen, de stinkende huurauto en dat domme idee van jagen op aliens. In de plaats van die gedachte uit te spreken, vroeg ze een cola light, een diet coke, zoals ze het hier noemden.
“Where are you from?” vroeg de man die zonet Berk had aangemaand. Twee van zijn maats keken aandachtig toe.
“Belgium,” zei hij, waarop hij aan Xerox een cola vroeg. Iedereen buiten Berk moest zijn paspoort laten zien, en in ratelend Engels bestelde Xerox tequila, een lokaal bier en twee cola’s, vergetend dat die voor Greet light had moeten zijn.
“Where the hell is that?” vroeg de Amerikaan aan Berk, alsof zonet zijn intelligentie beledigd geweest was. Hij had een snor en een kapsel dat eruit zag alsof het mee met de hete woestijnwind over de jaren uitgedund was.
“It’s in Europe,” zei Greet, die haar cola aangereikt kreeg.
“You mean like France and Germany?”
“Not at all,” zei Xerox behulpzaam, na een eerste slok van zijn bier, “Belgium is more like in between France and Germany, and the Netherlands to the north.”
De man draaide zich naar zijn vrienden.
“Sympathieke mens,” zei Greet. Berk haalde zijn schouders op en nam een slok cola.
“Provincialen, wat wil je,” zei Tom. Sara leegde in één keer haar tequilashot en vroeg er nog één.
“Ach, je kan het hen soms niet kwalijk nemen,” zei Xerox, “Hun onderwijs is echt hopeloos. Bovendien is het ook een enorm land hé. Er zijn denk ik meer Amerikaanse staten dan dat er landen in Europa zijn.”
“Ja, maar iedereen spreekt hier wel Engels. Enorm makkelijk,” vond Tom.
“Dat is ook aan het gebeuren in Europa,” meende Xerox.
“Ik voel nog helemaal niks van die tequila,” zei Sara sip.
“Misschien best,” sneerde Greet, die zich voor de zoveelste keer met een inwendige zucht bedacht dat Sara en slechte beslissingen evenveel samen gingen als deze bar en de verwaaide rednecks die er zaten.
“’t Is niet dat ik moet rijden,” zei Sara, en ze bestelde zich nog één.
“Ze heeft een punt,” vond Xerox.
“Ik ben ook blij dat hier overal waar je binnen komt, airco is,” zei Tom, die nu behaaglijk tegen de toog leunde. Greet moest dat beamen, en dacht met een steen in haar buik aan de gevlekte Buick waarvan de airco altijd ofwel te hard ofwel te zacht stond. En Berks lijfgeur.
“Waar is Berk?” vroeg Greet toen. Sara klapte het shotglas neer op de bar.
“You sure can drink, Belgian girl,” merkte de besnorde Amerikaan van daarnet op tegen Sara.
“I drink a lot more when I go out,” zei ze. Xerox leek iets te willen zeggen, maar hield zijn mond. Berk kwam terug.
“Waar was jij?” vroeg Greet.
“WC,” antwoordde hij kort, waarop hij zijn glas leeg dronk.
“Wil je nog iets drinken?” vroeg Tom.
Berk gromde en keek even naar de drie lege shotglazen tequila op de toog.
“Doe maar nog een cola,” besloot hij toen. Het had Greet op een positieve manier verwonderd dat Berk op de bijna twee weken reis nog geen druppel alcohol gedronken had, hoewel hij het uiterlijk had van een stevige drinker.
“Is that your boyfriend?” vroeg de Amerikaan, gebarend naar Xerox.
“Oh no. But he’s really sweet.”
De aandoenlijke en tegelijk gênante eerlijkheid van Sara deed Xerox diep in zijn glas staren. Zelfs Greet voelde een opstoot van medelijden. De snor moest lachen, waarbij zijn mond helemaal scheef trok in één richting. Tom deelde nog een rondje uit.
“Ik had niks gevraagd,” zei Greet koel. Tom maakte een verontschuldigend gebaar en zette het glas terug. Greet voelde ondanks de airco het zweet tussen haar billen kleven, en wist dat ze weer uitslag had.
“Drink jij ooit alcohol?” vroeg ze aan Berk, die er maar wat verloren bij stond.
Xerox volgde het
gesprek tussen Sara en de Amerikaan vol aandacht. Tom legde zijn hand op Greets schouder en kneep erin. Ze was ooit onder andere op die zachte, rustige handen van Tom gevallen, en op zijn al even minzame manier van tegen de zaken aan te kijken. Waar was dat gevoel naartoe?
“Nee,” zei Berk slechts.
“Waarom?” drong Greet aan. Berk draaide het koele glas cola rond in zijn handen en keek van Tom naar Greet, en dan weer terug.
“Ik heb jarenlang hard gefeest, zoals Sara dat nu doet. Ik was bijna elke avond dronken. Ik ben ooit dronken in mijn auto gestapt, om zeven uur ’s ochtends, en ik heb toen een moeder en een kind omvergereden.”
“Was het... een dodelijk ongeval?” vroeg Tom.
“Het kind overleefde het,” zei Berk, waarop hij een slok cola nam, “Sindsdien drink ik niet meer. Het brengt die vrouw natuurlijk nooit meer terug, maar ik zal mij alleszins niet meer moeten voelen hoe ik mij toen voelde.”
“Hoe lang is het geleden?” wilde Greet weten.
“Elf jaar geleden,” antwoordde Berk, “En weet je wat het idiote is? Het is ook sinds die ochtend dat ik ben gaan geloven in buitenaards leven. Vlak voor ik vertrok van het café, zag ik langs mij, heel laag over een landweg, een zilveren, ovalen ding zweven. Even snel als ik, hoe snel of hoe traag ik ook reed. Ik had het gevoel dat ik bekeken werd, toen.”
“Denk je dat ze je een teken wilden geven?” vroeg Greet sceptisch.
“Ik weet het niet,” zei Berk naar waarheid, “En je kan wel zeggen dat ik toen dronken was, maar ik hallucineerde zeker niet. Ik wist dat er een verschil was.”
Er viel even een stilte. De Amerikaan en zijn vrienden amuseerden zich kostelijk met Sara. Xerox’ gezicht zag eruit als opgefrommeld krantenpapier.
“Waardoor ben jij beginnen geloven?” vroeg Berk aan Tom. Hij leek aan te voelen dat Greet er eigenlijk erg weinig geloof aan hechtte.
“Door Xerox, denk ik,” zei Tom, die zijn bril even terug op zijn neus schoof, “Ik moest eerst lachen met al zijn verhalen, maar hij heeft me enkele boeken laten lezen die me toch van mening hebben doen veranderen. Het bewijsmateriaal is zo overweldigend dat het eigenlijk een schande is dat er zoveel geheim wordt gehouden.”
“Het is ook een bewuste strategie om UFO-waarnemingen belachelijk te maken,” zei Berk met een grote vanzelfsprekendheid, “En Xerox weet ook veel. Hij kent bijna alle belangrijke waarnemingen en gevallen uit zijn hoofd.”
Greet vond het bizar dat er in de laatste woorden van Berk een zeker respect voor Xerox
doorklonk.
“Van vrouwen weet hij echter weinig,” voegde Berk eraan toe met een korte glimlach. De
Amerikanen kraaiden intussen van plezier. Er waren meer mannen bijgekomen.
“Vertrouw jij dat wel?” vroeg Greet aan Tom. Samen met Berk sloegen ze het tafereel nu gade.
“Ze weet wel iets van uitgaan en cafés, denk ik,” zei Tom vals monter.
Later leek het allemaal kristalhelder, maar toen gebeurde alles zo aaneensluitend dat er geen tijd was om veel emoties te voelen of complexe redeneringen op te bouwen. Eén van de Amerikanen sloeg op Sara’s kont, waarop Xerox onmiddellijk uitviel en zei dat ze haar met rust moesten laten. Een tot hier toe onopgemerkte blok van een man, die rechtstreeks uit woestijnrots gehouwen leek, sloeg Xerox daarop vol in het gezicht, waarop Berk zich ogenblikkelijk omdraaide en zijn glas in diens gezicht gooide. Het glas brak pas toen het op de grond viel.
Het was niet als in de films, waar de muziek plots stopte met spelen – ze werd gewoon overstemd door het geluid van een tiental mannen dat zich naar de toog haastte en toen eensklaps, ijzingwekkend, als een muur voor het vijftal ging staan. De man die het glas in zijn gezicht gekregen had, bloedde uit zijn wenkbrauw en neus. Xerox ook. Tom was voor Greet gaan staan, met zijn rug naar haar.
“Leave us alone,” riep Berk, met zijn hand op zijn riem.
“Get your fucking Belgian asses out of here,” zei de snor, die zoëven Sara nog had aangemoedigd meer tequila te drinken, “Unless y’all want to get seriously hurt.”
De barman zei niks. Hij stond met zijn armen over zijn borst gevouwen te kijken wat de reactie van de vijf Belgen zou zijn. Berk gebaarde met een hoofdknik dat de rest eerst moest verdwijnen. Als ratten stormden ze uit de bar, en achterwaarts volgde Berk hen.
Toen ze uit de bar waren, zetten ze het op een lopen.

Een kwartier later raasden ze over de nachtelijke, kaarsrechte weg. Sara weende en zat opgekruld tegen de linkerdeur op de achterbank. Xerox zat in de passagierszetel en zei niks. Hij keek uit het venster. Zijn ogen en zijn al formidabele neus waren komisch gezwollen, maar er was niemand die er mee lachte.
“Misschien kunnen we de volgende keer luisteren als iemand van de streek ons advies geeft,” zei Greet, die aan de rechterdeur zat.
“Je had gelijk,” mompelde Tom.
“Shit happens,” zei Berk. Het was een domme uitspraak, maar door de vreemde kwaliteit van de nacht in Arizona klonk het als een diepfilosofisch statement.
“Wel, alles in acht genomen hebben we geluk gehad,” zei Tom met een zucht.
Xerox keek even op en schudde toen zijn hoofd. Berk keek vermanend in de achteruitkijkspiegel en schudde eveneens zijn hoofd.
“Ik ga proberen slapen,” zei Greet, waarop ze zich oprolde als een egel.
“Fuck you,” hoorde ze iemand zeggen, maar ze wist niet wie.

Verder naar deel vier.