Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de verhalenafdeling daarvan. In 2016 bundelde en redigeerde ik (streng!) alle tot dan toe geschreven kortverhalen in de antologie 'Recombinant' en in 2023 bracht ik de novelle 'De keizer van Populië' uit - je kan beiden gratis downloaden als je Patron wordt. In 2020 verscheen mijn debuutroman 'Fragmentariërs'. In 2023 bracht ik de opvolger 'Constellatie' uit. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.
Posts tonen met het label uitgaan. Alle posts tonen
Posts tonen met het label uitgaan. Alle posts tonen

dinsdag 13 augustus 2013

De goudvissen (II)

2. Iedereen probeerde wat plaats te maken

“Hey!”
Het drietal werd begroet door een brede glimlach vol stralend witte tanden.
“Moh.”
“Hallo!”
Het was Evie, nog een ex-studiegenote van de andere drie, die blijkbaar opgestapt was in Brussel-Zuid en zich nu op de laatste vrije plaats genesteld had. Iedereen probeerde wat plaats te maken.
“Wat doe jij hier? Werk je hier ook?” vroeg Senne.
“Ja. Allez, werken, het is eigenlijk een betaalde stage.”
“Waar dan?”
“Eh, ik weet niet of je die organisatie kent, het is het Vlaams Intercultureel Netwerk.”
“Nooit van gehoord,” bekende Senne. Ook Christophe zag er niet uit alsof die naam een belletje deed rinkelen, en Sophia had eveneens geen idee wat het Vlaams Intercultureel Netwerk mocht voorstellen.
“Wel,” zei Evie, op een toon die verried dat ze deze uitleg al vaak had moeten doen, maar nog steeds met diezelfde brede glimlach, “het VIN subsidieert artistieke producties in binnen- en buitenland die samenwerking zoeken binnen Vlaanderen. Dat zijn soms toneelstukken van scholen in Noord-Frankrijk die een stuk spelen in het Nederlands, of een artiest hier die bijvoorbeeld wil samenwerken met iemand uit Rusland of India.”
“Ach zo,” zei Senne.
Sophia verbaasde zich inwendig over Evie’s perfect geknipte frou, die blijkbaar stand had gehouden in de regen. Ze moest ook denken aan wat ze daarnet gezegd had tegen Senne over hipsters, want Evie was er duidelijk wel één. Niet dat ze onsympathiek was, verre van, maar Evie bewoog zich in een wereld waar Sophia direct door de mand zou vallen door haar gebrek aan kennis van wat de laatste coole band was of wat de nieuwste sensatie was in beeldende kunst.
“Je stage is betaald, zei je?” vroeg Christophe aan Evie, “Dan heb je geluk.”
“Ik weet het,” zei Evie, “het is zo al moeilijk genoeg om werk te vinden in de culturele sector.”
“Hm. Jij hebt zeker cultuurmanagement gedaan na Twee Talen?” vroeg hij.
Ze knikte.
“Ja, onbetaalde stages, dat is een echte plaag,” zei Senne.
“Hoezo?” vroeg Sophia.
Senne was duidelijk blij met die vraag en prutste opnieuw aan zijn dasknoop terwijl hij antwoordde als een volleerde docent.
“Bedrijven weten dat er voor elke vacature die ze uitschrijven, zeker in sectoren als cultuur of marketing, veel meer kandidaten zijn dan er ooit werk zullen vinden. Voor jobs die niet bijzonder veel ervaring vereisen, nemen ze stagiair na stagiair aan die ze niet hoeven of niet willen betalen, omdat ze het zich kunnen permitteren. Zo zijn er niet alleen mensen die zonder werk blijven zitten, er zijn ook altijd maar meer mensen die misschien 24 of 25 zijn en nog geen dag betaald zijn voor het werk dat ze gedaan hebben, terwijl de bedrijfswereld daar natuurlijk winst op maakt.”
“Ik denk niet dat de cultuursector daar winst op maakt,” meende Christophe.
“Het principe blijft hetzelfde. Het is niet omdat een organisatie moet overleven op subsidies, dat ze daarom haar werknemers als slaven moet behandelen.”
“Pff, vind ik wat overdreven hoor,” zei Christophe.
Sophia dacht aan haar eigen werk.
“Ik moet zeggen dat we dat ook vaak te horen krijgen op kantoor: bedrijven die zeggen dat ze intern al iemand hebben voor vertaling. Dat blijken vaak studenten, of vrijwilligers die een beetje vertaalwerk doen, maar ja, de kwaliteit blijkt dan ook ondermaats te zijn.”
“Dat is nog zo’n gevolg, inderdaad,” zei Senne.
De trein kwam in beweging, wat samenviel met een korte pauze. Het leek alsof hij langer had stilgestaan dan anders, maar niemand zei er iets van. Uit vele zitplaatsen stegen gesprekken op. Enkele zetels verder zat er iemand een broodje uit luidruchtig krakend papier te halen. Blijkbaar had Evie het ook gemerkt.
“O God,” zei ze tegen de drie anderen, op een wat stillere toon, “dat is zo erg, maar ik kan het geluid van mensen die op de trein zitten te eten, echt niet verdragen.”
“Bedoel je die gast met zijn broodje?” vroeg Sophia.
“Ja. Ugh.”
Sophia liet haar blik nog eens op de man vallen. Hij zag er eerlijk gezegd nogal zielig uit: permanent naar beneden getrokken mondhoeken, vormeloos gezicht, kalend. Ze kon zich niet voorstellen dat hij gelukkig was.
“Mij stoort het alleen maar als het chips is of zo,” zei Senne.
“Te luide muziek vind ik veel irritanter,” vond Christophe.
“Het is allemaal even ergerlijk,” lachte Evie.
“Mja. Waar eindigt het dan hé? Mag niemand nog één geluid maken?” vroeg Senne.
“In Engeland heb je van die stille coupés,” herinnerde Sophia zich. Ze dacht aan haar citytrip naar Manchester van twee jaar terug met vier vriendinnen, en dat ze op die trein vooral geslapen had, eerst om te bekomen van erg vroeg de Eurostar te nemen, op de terugweg om uit te blazen van een nacht doorsteken in een uitgaansbuurt die er op z’n zachtst gezegd apocalyptisch had uitgezien. Als een schilderij van Hiëronymus Bosch, dat was het geweest, en ze had zich toen best clever gevoeld met die opmerking. Het leek haar niet iets waar Senne of Evie van onder de indruk zouden zijn.
“Hm, dat is interessant,” zei Evie, die haar warme ogen opsloeg naar Sophia, “zouden ze hier ook moeten doen. Geen baby’s, geen telefoons, geen eten of drinken.”
“Wat doe je dan met iemand die in slaap valt en ligt te snurken?” vroeg Christophe.
“Geen idee,” zei Sophia met een schouderophalen, “voor zover ik weet was ik het wel die toen lag te snurken.”
Gegrinnik.
“Ik wou trouwens even terugkomen op wat je zei van die stagiairs,” zei Christophe toen tegen Senne, “Wij hebben er ook regelmatig rondlopen, en misschien vind je het oneerlijk dat die niet betaald worden, maar het zijn ook stagiairs voor een reden: ze kunnen niet wat een voltijdse werknemer kan, ze moeten het vak nog leren.”
“Akkoord,” zei Senne, “ik zeg ook niet dat ze altijd veel toegevoegde waarde leveren, maar het is wel zo dat ze in steeds meer gevallen echt wel het werk doen van een voltijdse werknemer.”
“Ik heb toch ook veel onbetaald stagewerk gedaan met veel verantwoordelijkheden, hoor,” zei Evie tegen Christophe, “Ik bedoel, voor het Filmfestival moest ik bussen met VIPs coördineren en zien dat al die mannen op tijd aankwamen, weg waren en naar de juiste plaatsen op het festival gebracht werden.”
“Hm,” zei Christophe slechts.
“Wat voor VIPs waren dat dan?” wilde Senne weten.
Evie haalde de schouders op en glimlachte weer haar charmante glimlach. Vanuit haar ooghoek had Sophia door dat die zijn effect op Senne niet miste.
“Ach ja, zakenmensen, sponsors, hier en daar een acteur of een regisseur.”
“En allemaal mannen, zeker?” vroeg Sophia.
“Ja.”
“Bij ons circuleerden er ook VIP-tickets, ik herinner me dat nog,” zei Christophe, “Het was wel ongelooflijk wat sommige mensen over hadden voor wat gratis champagne en een film. Het was allicht niet eens champagne?”
“Natuurlijk niet,” zei Evie.
Christophe lachte duister.
“Typisch. De meeste van die gasten proeven niet eens het verschil, maar ze zeggen allemaal van wel.”
Sophia dacht terug aan ‘exclusieve’ feestjes die georganiseerd waren door mensen die ze kende, en wist zelf ook dat er telkens opnieuw intuinden om veel geld neer te tellen om zich belangrijk te voelen. Ze begreep dat wel. Voor haar betekende het niks omdat ze uit een familie kwam die altijd al rijk was geweest en dat vanzelfsprekende zelfvertrouwen meegegeven had aan alle kinderen, maar ze was niet blind voor het feit dat die ene avond geld kunnen uitgeven als een oliesjeik op zwier in Las Vegas, ook al was het aan verdunde cava in plastic fluiten, voor sommige mensen belangrijk was.
“En wat doen jullie dit weekend?” vroeg Evie toen, nadat niemand nog iets zei.
“Ik ga misschien eten met de familie van m’n lief,” herhaalde Christophe kort wat hij al gezegd had voor Evie hen vervoegd had.
“Ik weet het zelf nog niet,” zei Sophia.
“Bij mij wordt het een filmmarathon.”
“O, leuk. Welke film?”
“De hele ‘Lord of the Rings’-trilogie.”
“Director’s cut, hopelijk?”
“Natuurlijk. En wat doe jij?”
“Ik zal moeten werken, vrees ik,” zei Evie.
“Dat is niet leuk,” vond Sophia. Ze had een hartsgrondige hekel aan weekendwerk.
“Helaas hoort het er soms bij,” zei Evie.
De trein was op volle kruissnelheid gekomen. Beton en groen wisselden lage bomen en voorsteden af aan een ijltempo. Ergens trokken ze ook door de streek waar Sophia zelf vandaan was gekomen, maar nu eigenlijk geen band meer mee voelde.
“Overwerk vind ik niet zo erg, maar weekendwerk, daar trek ik toch de grens,” zei Sophia.
“Ik denk precies het omgekeerde,” zei Senne, “Ik ben ook weggegaan waar ik voordien werkte omdat er zo’n cultuur van overwerk heerste. Onbetaald, trouwens.”
“Zolang je werk maar gedaan is,” vond Christophe. Hij zag er weer bijzonder Frans uit.
“Ja,” ging Senne akkoord, “maar te veel overwerk wijst er ofwel op dat je je job niet goed doet, ofwel dat ze meer mensen moeten aannemen. Er zijn ook mensen die overwerk zitten te doen voor de schijn, maar in werkelijkheid Farmville zitten te spelen.”
“Ik had zo’n collega,” grijnsde Christophe, “tot m’n vader erachter kwam.”
“Ik kan gelukkig m’n uren min of meer zelf kiezen,” zei Sophia, “Dat is echt geweldig.”
“Mooi,” zei Evie bewonderend, “ik wou dat ik dat ook kon. Op sommige dagen ben ik al na drie uur klaar, maar er zijn dagen dat ik met tien uur nog niet rond zou komen.”
“Tja. Onze werkindeling dateert uit de negentiende eeuw, toen de meeste mensen arbeider waren en op tijd achter een machine moesten gaan staan. Dat is nu nogal achterhaald. Terwijl we nota bene productiever zijn dan ooit.”
Sophia keek vreemd naar Senne op.
“Nota bene?” lachte ze.
Senne keek verward.
“Ja, ik wist niet dat er mensen waren die dat in spreektaal gebruikten.”
Evie en Christophe lachten hartelijk.
“Beroepsmisvorming,” gaf Senne toe, “Ik word de hele dag omringd door bankadviseurs.”
“Het is ok hoor,” stelde Sophia hem gerust.
Ze vroeg zich af in hoeverre mensen na een tijd hun werk werden. Ze betrapte zich er ook op dat ze soms in haar hoofd doelloos zat te vertalen, of dat ze de neiging had mensen die toegaven dat hun Frans niet al te best was, mentaal een klein minteken opplakte, terwijl dat niets zei over hun kwaliteiten als persoon. Het was eigenlijk geen opbeurende gedachte.
“Iedereen heeft dat wel,” zei Evie, “Ik moet soms ook beseffen dat bijna niemand er om geeft wat wij op het VIN doen, behalve die drie man en een paardenkop die het cultuurbeleid volgt.”
“Het kan ook omgekeerd,” zei Senne, “Iedereen heeft een mening over banken, en zeker over Belfius, maar slechts weinig mensen hebben er verstand van. Daartoe reken ik trouwens de meerderheid van de mensen die voor een bank werkt.”
“Wat is je specialisatie eigenlijk?” vroeg Christophe.
“Uitbesteding van diensten,” antwoordde Senne.
“O. Toevallig geen industriële textielreiniging nodig?”
Senne moest lachen.
“Ik zal eens navraag doen.”
De trein vertraagde.
“Zijn we er bijna?” vroeg Evie, kinderlijk haast.
“Nope,” zei Christophe, die uit het raam keek, “nog lang niet.”
Met een geknars van metaal op metaal stopte de trein.

Verder naar deel drie.

maandag 12 augustus 2013

De goudvissen (I)

1. Het regende dat het een ongeluk goot

Het regende dat het een ongeluk goot, maar Sophia stoorde zich daar niet aan, niet alleen omdat je daar buiten de natte vloeren in Brussel-Centraal toch niks van merkte, maar ook omdat het een soort mantel over de wereld leek te leggen waar harde geluiden van luidsprekers, auto's en treinen automatisch gedempt werden. Ze voelde zich moe en luisterde ook niet echt naar de muziek in haar oortjes. Ze hoopte op een kalme treinrit.
“Hallo.”
Ze draaide zich om en keek in het gezicht van Senne. Ze besefte dat ze hem hier al eens gezien had, maar dat ze toen niet gesproken hadden.
“Oh hey.”
“Lang geleden.”
Ze deed haar oortjes uit en schakelde haar mp3-speler eveneens uit.
“Zeg wel. Moet je ook terug naar Gent?”
Senne knikte. Hij droeg een natte lange jas. Zijn das zat scheef.
“Yup. Elke dag. Normaal neem ik een vroegere trein, maar ik moest langer werken.”
“Waar werk jij ook alweer?”
Op een ander spoor kwam een trein aan met een hels gepiep. De perrons stonden overvol. Senne kneep zijn ogen samen, alsof dat zou helpen om het lawaai te verminderen.
“Bij Belfius,” zei hij met een grimas.
“O ja,” zei Sophia, “dat is nog waar ook. Hoe staan de zaken daar nu?”
Senne haalde de schouders op.
“Ik heb nog werk,” zei hij zuinig, “en wat doe jij? Vertalen, was het?”
Sophia knikte.
“Frans-Nederlands en Nederlands-Frans,” vulde ze aan.
“Daar is altijd wel vraag naar,” zei Senne.
“Dat wel, maar er is veel competitie.”
“Mja. Deze economie.”
Ze wierpen gelijktijdig een blik op het aankondigingsbord. Geen vertraging vandaag, of toch alleszins geen vertraging die meer zou moeten bedragen dan vijf minuten.
“De treinen rijden weer wat stipter de laatste tijd,” zei Senne. Hij herschikte zijn das.
“Als hij te laat is, kan je er niets aan doen.”
Sophia had geprobeerd zich vooral niet te ergeren aan de onbetrouwbaarheid van het openbaar vervoer in Brussel toen ze er begon te werken. Het had gewoon geen zin.
“Mmh. Ik zorg ervoor dat ik altijd een boek bij heb,” zei hij.
“Ik lees echt te weinig de laatste jaren.”
Ze hadden allebei talen gestudeerd, maar hadden in andere jaren gezeten. Ze kenden elkaar vooral van naar dezelfde cafés te gaan. Sophia kwam daar nog steeds, maar Senne was er al lang niet meer geweest, bedacht ze zich.
“Ga jij eigenlijk nog vaak uit?” vroeg ze.
“Niet echt, ik heb het allemaal zo'n beetje gezien. Soms ga ik eens naar de Oude Beestenmarkt, maar ik blijf nooit lang.”
“Bij de hipsters,” glimlachte Sophia.
“Precies,” zei Senne, waarbij zijn glimlach een reeks sterke, gele tanden toonde. Het viel Sophia op dat hij de laatste jaren verouderd was en dat zijn haar ook dunner was geworden.
“Maar,” zei hij toen, “liever hipsters dan de zoveelste plek vol studenten, of van die afgelikte kerels met strakke hemdjes.”
“Ach, ik weet het niet,” zei Sophia, “je gaat toch niet echt voor de mensen maar om je te amuseren?”
“Mensen vormen wel een belangrijk deel van je amusement.”
Ze dacht aan gezichtsloze, slecht dansende mannen - inderdaad, met te strakke hemden - onder donkerblauw licht. Ze had er zich met de jaren in bekwaamd om niet steeds in gesprekken met dat soort types te raken, maar in van die hipsterbars kon ze zich ook niet vinden. Ze voelde er zich te gewoontjes voor, alsof iedereen er automatisch op haar zou neerkijken omdat ze geen idee had wat de laatste coole band was of welk patroon de legging van de week had.
“Het zijn de vrienden waar je mee optrekt die tellen,” zei ze.
“Dat is ook waar,” gaf Senne toe.
De trein kwam langzaam binnengerold. De massa op het perron zette zich schrap, jockeyde voor de beste posities als de deuren zouden opengaan. Tot Sophia’s opluchting bleef Senne gewoon staan waar hij stond en overschouwde hij het gekrioel met berusting. Ze hield niet van mensen die van alles een race wilden maken, en het deed haar bovendien nog vermoeider voelen dan ze zich al voelde. Terwijl ze wachtten tot de trein tot stilstand kwam, wierp ze nog een zijdelingse blik op Senne en zijn uitdunnende haar.
“En, ben jij nog samen met Erica?” vroeg ze, toen ze vlak naast elkaar voor de deuren stonden. Ze bemerkte dat ze automatisch een hekel had aan die naam toen ze hem uitsprak, maar kon niet zeggen waarom.
Hij leek verrast door die vraag.
“Nee. Al anderhalf jaar niet meer,” antwoordde hij, “en hoe zit het bij jou?”
“Het is kalm,” zei ze. Ze had geen zin uit te wijden over de drie opeenvolgende mislukte relaties van het laatste jaar, waarna ze er meer dan ooit een punt van gemaakt had niks te beginnen met mannen die ze leerde kennen als ze uitging. Eén ervan was te dom gebleken om te helpen donderden, de tweede te onbetrouwbaar en de derde veel te opdringerig.
“Dat kan goed zijn,” zei Senne, maar het leek op een rare manier meer alsof hij dat tegen zichzelf zei.
Ze stapten op. Sophia was eerst. Een deel van haar baalde ervan dat ze de treinrit niet kon gebruiken om een dutje te doen, maar Senne was niet het onaangenaamste gezelschap.
In de coupé trof haar blik als vanzelf de blik van Christophe, ook al een ex-studiegenoot. Ze wist dat hij in Brussel werkte maar was hem nog nooit eerder tegengekomen. Hij herkende haar en Senne en legde zijn schoudertas opzij om hen plaats te kunnen bieden.
Er werden groeten uitgewisseld terwijl alle zetels in de coupé snel bezet werden door pendelaars, studenten, toeristen en bejaarden. De sfeer was drukkend.
“Zo, Christophe, da’s ook al lang geleden,” zei Senne.
“Zeg wel,” zei hij. Christophe zag er eigenlijk uit als een Fransman, met zijn gestreepte hemd, keurige haar en iets donkerder tint.
“En… werken jullie samen of zo?” vroeg Christophe, terwijl hij van Sophia naar Senne keek.
“Nee,” zei Sophia, “we zijn elkaar ook toevallig tegengekomen op het perron. Ik vertaal.”
“En ik werk bij Belfius,” zei Senne. Christophe maakte er geen opmerking over. Sophia wist dat hij werkte in het bedrijf van zijn vader, een koeriersdienst die actief was in heel Brussel.
Het was even stil tussen hen, alsof er nu een estafettestok gevallen was en iemand hem maar moest oprapen.
“Hebben jullie al plannen voor het weekend?” vroeg Sophia toen, terwijl ze zichzelf verweet wat voor een clichévraag dat was.
“Niet echt,” zei Christophe met een schouderophalen, “het kan zijn dat ik ga eten met mijn schoonfamilie.”
“Schoonfamilie? Ben je getrouwd?” vroeg Senne.
Hij lachte.
“Nee. Bij wijze van spreken. Voor mij hoeft al dat trouwen niet.”
“Ach, ik vind het wel iets hebben,” vond Senne.
“Ik vind het ook niet nodig,” zei Sophia. Ze dacht aan foute huwelijksfeesten en de echtscheiding van haar oudste broer, die nu volop in een midlifecrisis zat. Het was lelijk om te zien.
De trein zette zich in gang.
“Dat zijn de moderne tijden, zeker,” zei Senne, die met zijn uitspraak oud klonk, dat leek te beseffen en toen vergoelijkend lachte, “die jeugd van tegenwoordig toch, niet!”
“Je bent maar een jaar ouder dan ons,” zei Sophia. Senne bleef glimlachen.
“Ik zie de romantiek van dat trouwen gewoon niet,” zei Christophe onverstoord.
“Ik zeg ook niet dat het met een lange witte jurk en in een kerk moet zijn, hé,” verdedigde Senne zich, “maar ik vind het idee wel mooi. Ik bedoel, dat uitspreken tegenover de gemeenschap, zo van ‘ok, dit zijn wij, en wij zijn van plan om samen oud te worden’. Bovendien is het ook leuk om iedereen nog eens samen te krijgen.”
“Er zijn ook wel massa’s veel echtscheidingen,” zei Sophia, die opnieuw aan haar broer dacht.
Senne haalde zijn schouders op.
“Sowieso,” zei Christophe, waarbij zijn mond in een karteling vertrok die halverwege lag tussen misprijzen en aanvaarding, “ik weet niet of iets eeuwig blijft duren.”
Hij keek uit het venster. De rosheid van de Brusselse binnenstad gleed traag voorbij.
“Is dat niet nogal makkelijk om te zeggen?” vroeg Senne, “Het is soms ook een excuus om niet te proberen.”
“Waarom is het dan eigenlijk uit geraakt tussen jou en…,” vroeg Sophia, waarbij ze vermeed die lelijke naam ‘Erica’ te zeggen.
“Heh,” zei Senne, “Nu heb je me. Het was niet mijn schuld.”
Christophe keek geamuseerd weg van zijn venster en keek Sophia en Senne aan.
“Dat zegt iedereen toch?”
“Ik zweer het,” zei Senne, “Ze was blijkbaar verliefd op haar yogaleraar.”
“Yogaleraar?” herhaalde Christophe, opnieuw met die afwijzende kronkel om z’n mond.
Sophia moest lachen.
“Had hij een staartje en sprak hij over helende chakra’s?”
“Het leek me zo’n type, ja. Hij had zo’n boekje geschreven over aryuvedische geneeskunde waarin hij zichzelf citeerde. Zegt genoeg, denk ik,” zei Senne, “Erica voelde zich ‘spiritueel openbloeien’ bij hem, maar echt serieuze filosofie interesseerde haar niet.”
“Beter kwijt dan rijk,” besloot Christophe.
“Zo denk ik er nu ook over,” zei Senne, “maar goed,” – en daarbij draaide hij zich terug naar Sophia – “dat wil niet zeggen dat elke relatie daarom moet eindigen.”
Het was weer stil tussen hen. De trein rolde traag Brussel-Zuid binnen. Hier en daar stond iemand op, maar de meeste passagiers maakten zich vooral op voor de tweede instroom van pendelaars, toeristen en mensen die om God wist welke reden uit Brussel weg moesten.
“Soit. Hoe staat het dan met jouw weekendplannen?” vroeg Christophe toen aan Sophia, om het onderwerp van daarnet te hernemen.
“Nog geen vaste plannen,” antwoordde ze, waarna ze haar schouders ophaalde.
Ze wist echter dat de kans groot was dat ze in dezelfde bars en clubs zou terechtkomen waar ze anders bijna elk weekend zat. Ze spiegelde zichzelf soms graag voor dat weekends braakliggend terrein waren, en dat ze eindelijk nog eens een theatervoorstelling zou gaan bekijken, of naar een museum zou gaan, maar het kwam er nooit van. Omdat het er nooit van kwam, voelde ze ook dat ze ingeboet had aan een onzichtbaar cultureel kapitaal, wat haar nog terughoudender had gemaakt om eindelijk eens iets anders te doen dan uitgaan, uitslapen en uitkateren. Die levensstijl kon geen jaren meer blijven duren, wist ze, maar het was ook niet dat ze er iemand iets mee misdeed. Dat ze er zich niet onverdeeld gelukkig over voelde kwam misschien door het idee dat het niet hoorde om op haar 27 nog elk weekend tot in de vroege uurtjes weg te blijven, terwijl veel leeftijdgenoten in een warme cocon zaten van kleine vriendenkringen en langdurige relaties.
“Hm,” zei Christophe slechts. Hij vroeg niet door.
De deuren van de trein waren opengegaan.
“Ik ga me wagen aan een ‘Lord of the Rings’-filmmarathon,” kondigde Senne aan.
“Leuk,” glimlachte Sophia, “zou ik misschien ook eens willen doen.”
“Ik ben in slaap gevallen in de cinema toen ik de eerste ging bekijken,” bekende Christophe, “Al dat gedoe met orks en elfen is niets voor mij.”
“Je moet er voor zijn,” zei Senne laconiek.
Een deel van Sophia wenste dat Senne haar zou uitnodigen om mee te kijken, niet omdat ze hem zo boeiend vond, maar omdat ze er eens iets anders zou door doen dan wat ze gewoon was, ook al was het eigenlijk gewoon voor tv zitten. Maar Senne zei niets in die strekking.
Mensen stroomden over het gangpad.

Verder naar deel twee.

dinsdag 22 januari 2013

Fantoomnostalgie

1

Een paar handen bewerkt mijn hoofdhuid. Mijn hoofd wordt omringd door dampen van zeep en chemie, en rondom klinkt het zachte, precieze metaal-op-haar snijgeluid van scharen, nu en dan eens omlijst door een tondeuse of iemand die gaat zitten in een kappersstoel. Ik sluit mijn ogen. Een gemasseerd hoofd is er twee waard. Kappersbezoeken zijn zo één van die dingen die ik telkens te lang uitstel, tot drie à vier weken toe omdat het al snel aanvoelt als tijdverlies. Nu heb ik besloten dat allemaal weldadig op te nemen, en het helpt dat de vrouw die m'n haar bewerkt, er schattig en lief uit ziet. In mijn kindertijd moest ik me behelpen met een bijzonder dikke dame en een zilveren vos met een dunne snor die zelfmoord pleegde na problemen met een sekte.
Even later verlies ik per seconde enkele strengen haar terwijl ik koffie drink en door 'The Sun' blader. Waarom ze die hier hebben, is me een raadsel. Sensationele berichtgeving met gele Britse tanden. Een uitgezakte vrouw laat in grofkorrelig zwart-wit een borst zien. De jeugd is verdoemd. Politici bakken er niets van. Er zou geknoeid zijn met een voetbalwedstrijd, en lezersbrieven zijn eens te meer het open riool van de Verlichting. Mijn blik kruist die van m'n kapster als ik er bij stil sta dat ze toch wel al een tijdje door mijn haar aan het woelen is.
"Je hebt erg veel haar."
"Ja," zeg ik, "het groeit dik. Beter dat dan kaal zijn op 30."
Ze lacht een professioneel vriendelijke lach waar ik vooral niet in probeer te zien dat ze me leuker vindt dan ze me hoort te vinden.
"Zeker! Zeker!"
Onder het verderlezen van verse koppen in schreefloze letters denk ik aan Engeland. Dat ik ooit van plan was geweest er te gaan wonen. Ik ken de Engelse volksgeest, ruw maar absoluut niet stom, agressief maar speels voor wie er mee om kan. De kapster behandelt mijn haar alsof het een uniek beeldhouwwerk is en lacht opnieuw naar me via de spiegel. Ik lach terug maar voel dat m'n kaken rozerood worden en verwijt mezelf daarbij dat ik van diep uit mijn huid weer de vijftienjarige, verlegen jongen voel opwellen die ik ooit geweest ben en die in artefacten van m'n gedrag nog altijd aanwezig is.
"De oortjes vrij of niet?"
"Oortjes? Zeg maar gerust 'oren' hoor. Gelukkig zijn het geen flaporen."
Ze blijft lachen maar wacht op een antwoord.
"Het maakt me eigenlijk niet veel uit," zeg ik, en dan: "Ja of doe toch maar vrij," want ik heb door dat een open antwoord die een verdoken vraag is onzekerheid genereert.
Ik kijk naar mezelf en naar de handen van de kapster die rond m'n hoofd zweven, en in gedachten zie ik in oververzadigd zonlicht foto's voor met van thisisnthappiness.com, waar ik soms minutenlang naar zit te staren. Verstilde vrouwen met alleen hemden aan, rokend in tegenlicht. Bestofte vensters en onopgemaakte bedden. Ze activeren telkens opnieuw herinnerde fragmenten van tv-films uit de jaren '70, lange road trips door Amerikaanse steppes en afgebleekte jeansbroeken. Toen leken dingen eenvoudiger, alles kwam gewoon nog op me af zoals het was.
Ik buig me weer over 'The Sun' en de koffie. Had ik definitief kunnen aarden in een Engelse metropool als het hier al zo moeilijk blijkt? A man who's tired of London, is tired of life, zegt men. Was ik verhuisd, was ik mogelijk compleet berooid teruggekeerd, met weinig verwezenlijkingen, maar de vraag is of het hier allemaal zo veel beter is in de gezellige kattenbak van de stad. Op kwade momenten verdenk ik er mezelf van dat alles wat ik doe, bezigheidstherapie is om niet toe te geven dat er zich jaar na jaar deuren sluiten. Vandaag is niet zo'n dag. Het is nog niet eens voorbij de middag, dus conclusies dringen zich niet op. De winterzon buiten speelt een handig spel met de geheugenfoto's die me een vals gevoel van nostalgie geven.
"Is het goed zo?"
Ze woelt weer één ogenblik te lang door m'n haar en opnieuw moet ik er van blozen als een boerenjongen.

2

Het is bijna mechanisch hoe ik mijn arm naar boven breng om te drinken. Een gin-tonic die eigenlijk te zoet is. Ik sta te wachten op mijn vriend, die vijf minuten geleden ging aanschuiven in de toiletten. Ze zouden verdomme beter een aparte wc maken voor mensen die coke willen gaan doen. Dat ze de hele zwik legaliseren. Als het even kan, mogen ze ook extra toiletten installeren voor niet-hetero's en transgenders. Ik heb gehoord dat ze dat in Thailand blijkbaar doen.
Ik zie mezelf weerspiegeld achter de rekken met halflege flessen korte drank. De twee barmeiden zijn druk in de weer. Zo mechanisch als ik drink, zo mechanisch handelen zij alle bestellingen af en glimlachen ze net niet te lang naar de klanten. Het is hier vannacht weer een worstenpaleis. Dat zou me normaal moeten aanstaan, maar het heterogehalte ligt hier te hoog naar m'n zin. Je kan ze er zo uit pikken, die slechte dansers met te stijve hemden en veilige kapsels. Ik draai me met m'n rug naar de bar en probeer onder de bassen en beats door naar m'n eigen ademhaling te luisteren terwijl ik zo traag mogelijk over de mensen glijd met mijn blik.
Het nummer dat nu speelt herinner ik me uit de diepe jaren '90, van voor ik uit de kast kwam maar van na dat ik besefte dat ik liever keek naar mannenlijven dan vrouwenlijven. Een tijd die omkransd is door klimop dat tezelfdertijd zoet en giftig smaakt. Op de zanglijn van het nummer had ik voor het eerst gekust met een man en had ik hem m'n leven kunnen geven. Ik ben blij dat ik dat niet gedaan heb, maar het is een overweldigend verlangen dat ik nooit vergeten ben en telkens kleine splinters van ben blijven opzoeken in de relaties nadien. De huidige splinter zit nog in de wc. Een metafoor waar ik om had gelachen als ik me beter gevoeld had.
Langs de muren van de zaal staan de gebruikelijke figuren die je overal tegenkomt, in elke middelgrote club die je maar kan vinden: de eenzame, onhandige mannen, in het donker niet te onderscheiden van hun boosaardige tweeling, de verkrachter. Vanavond zal geen enkel van hen scoren, als hyena's die op een afstand toekijken, hopend dat een prooi zich vanzelf zal komen aanbieden. Wat is het probleem toch, denk ik, terwijl naar één zo'n exemplaar kijk, rond en door en door gamma, met muppetlippen en een bril die verdonkert in zonlicht. Verderop maakt een gezelschap hipsters grote sier met een veel te dure emmer champagne. Ik merk dat m'n mondhoek naar beneden trekt bij dat vertoon en neem een grote slok gin waar steeds meer tonic in begint door te smaken.
Een nieuw nummer explodeert over de dansvloer. Twee meisjes vallen elkaar in de armen. Sommigen onder hen merken het zelfs niet eens meer dat er altijd wel één kerel is die hen aanstaart. Ik kruis een blik met één kerel en zie onmiddellijk dat hij niet homo is. Hij valt op omdat hij boven iedereen in de club uit torent en zich daar ook goed van bewust is. In zijn vleugels staan een vrouw en een man. De man heeft het niet naar z'n zin. Ik zie dat hij vandaag nog naar de kapper geweest is door de ongemakkelijkheid waarmee hij zich beweegt. Hij heeft er de pest in om hier te zijn. Het heeft zeker te maken met een vrouw.
Dieper in de club is er een dik meisje dat met twee mannen tegelijk danst, en het lijkt me één van de weinige mensen die het hier effectief leuk vindt en er zich geen bal van aantrekt wat andere mensen van haar denken. Het doet me inwendig een toost uitbrengen op haar. Mijn ademhaling rolt rustig, half zo traag als de muziek. Waar zit die gast toch? Wind je niet op, zeg ik tegen mezelf, hij is bezig, hij komt eraan. Bovendien is de kans hier bijzonder klein dat hij iemand leuker dan ik zou tegengekomen zijn in de toiletten, aangezien het aantal homo's hier op één hand te tellen is. Zeker ben je natuurlijk nooit. Ze zeggen altijd wel dat we dat feilloos van elkaar aanvoelen, maar ik heb me toch al lelijk vergist, zeker naarmate ik ouder word.
Ik draai me weer naar de bar wat m'n glas is leeg. Een dronken stoethaspel duwt langs me heen. De man met het norse gezicht die ik daarnet zag, komt water bestellen. Zéker een vrouwenkwestie. Ik heb zin om hem er iets over te zeggen, maar doe het niet. Het is hier al druk genoeg, en m'n gedachten moeten niet met nog meer gezwam opgevuld worden.

3

In een frituur, zeker om zes uur 's ochtends, maakt het niet meer uit wie je bent. Er is altijd wel de toevallige dronkaard die het nodig vindt om een gesprek te beginnen - meestal meer een monoloog - maar daarbuiten laat iedereen elkaar met rust. We herkennen dat we allemaal de laatste overlevenden zijn van één nacht, die samen op de laatste warme plaatsen zijn waar nog plezier is. Het geluid van het pruttelende frietvet is geruststellend, maar de zoutige, vette geur van de frietjes is dat nog veel meer. Ook rustgevend is dat ik er zelden aangekeken word op m'n kleur.
Ik kauw traag, met veel plezier. De nacht is zeer lang geweest, de dag voordien leek nog langer omdat ik uren op het werk doorbracht. Het is bovendien de eerste keer in meer dan vierentwintig uur dat ik volstrekt alleen ben, en ik doe hard m'n best om dat zo te houden door met niemand oogcontact te zoeken. De cocktailsaus smaakt hemels en ik voel een eenvoudig verlangen naar mijn bed. Het is niet ver meer vanaf hier.
Ongemerkt kijk ik rond. Twee dronken jongens praten onder elkaar in een onverstaanbaar West-Vlaams dialect en dragen allebei een lelijke pet. Een ouder, zelfvoldaan koppel is aan het bestellen. Achteraan de korte rij staat een man die had kunnen doorgaan voor een collega van me. Ik ben er vrijwel zeker van dat hij homo is. Hij ziet er triest uit. Uit nieuwsgierigheid zou ik 'm wel willen vragen wat er scheelt, maar ik blijf zitten en eet verder. Al te vaak heb ik geleerd dat nieuwsgierigheid bestraft wordt met onvoorziene gevolgen. Iedereen wil wel iets van je, en dan wordt het netelig. Vraag ik een klant naar zijn dag, hij denkt dat het de eerste stap is naar seks. Wil ik vrienden maken met een andere vrouw, er is direct achterdocht omdat ze denken dat ik ergens onoprechte motivaties koester. Wou ik vroeger uitgaan, het was slechts een kwestie van tijd voordat ik een hoer zou worden.
Ik buig opnieuw m'n hoofd en merk dat er nog slechts één derde, met saus bedekt, over blijft van het pakje friet, en laat een lange ademtocht uit. M'n nagels glanzen van zowel het vernis als het vet, en bijna moet ik lachen als ik denk aan frietvet als nail polish, of dat ik het in mensen hun haar zou doen zonder dat ze het beseffen. Met donkere humor spring je een eind om de dingen te relativeren.
De dronken West-Vlamingen zijn gaan zitten met hun buit. Eén ervan zit even te loeren naar me maar merkt dat ik zijn blik niet beantwoordt, en dan gaan ze allebei aan het eten. De droevige homo wacht op zijn bestelling. Voorbij de friturist staart hij door het venster, maar ik denk dat zelfs al was er een carnavalsparade langskomen over straat, dat zijn blik nog altijd dezelfde geweest was. Hij lijkt me rond de veertig te zijn, maar ziet er jonger uit. Met m'n vinger dip ik de laatste zoutkorrels op die in het bakje achtergebleven zijn. Eén van de duizenden kleine, heimelijke dingen waar ik van geniet. Ik kijk nu zelf uit het andere venster. Er is bijna niemand meer op straat, ik voel hoe de slaap zelf overal over ligt, alsof ze uit de gesloten vensters en deuren zelf komt gekropen, en vergelijk dat beeld met foto's die ik gezien heb van Casablanca waar m'n vader opgroeide, een stad die niet alleen nooit leek te slapen maar altijd leek te wachten op iets, vol verlangen naar morgen of gisteren, of in een hinderlaag lag als een piraat. Mijn vader vertelde me dat het een piratenstad was, ooit. Toen ik er zelf was, merkte ik er niks van. Een negatieve cultuurschok, zelfs. De herinnering die m'n vader me had doorgegeven, bleek een leugen.
"Is het ok als ik hier zit?"
Ik kijk naar de trieste man en ik glimlach - ik kan niet anders - bemoedigend.
"Geen probleem. Ik was toch bijna klaar."
Na meer dan twintig jaar voel ik nog altijd dat Nederlands me nooit honderd procent juist in de mond ligt. De man zegt er niets van en knikt slechts. Klein pakje zonder saus en een cola.
"Ook uit geweest?" vraagt hij beleefd. Hij wil z'n gedachten verzetten.
"Ja," antwoord ik, "het was leuk. Met vriendinnen. Maar ik had nog honger."
"Kan gebeuren. Ik ben blij dat je je geamuseerd hebt."
Ik frommel het papier, het bakje en wat overblijft van de saus op in een bal.
"Ik hoop hetzelfde," zeg ik terwijl ik opsta, "en hoop dat je straks goed slaapt."
Even fleurt er iets op aan hem.
"Ja. Dat zal deugd doen," zegt hij. Hij begint te eten.
"Slaap ze," knik ik hem toe, terwijl ik 'm liever een knuffel zou geven en hem zou willen zeggen dat hij het zich niet te hard moet aantrekken en dat er nog veel knappe mannen in deze wereld zijn, maar ik heb geleerd om me in te houden.
"Jij ook," zegt hij, en daarop stap ik naar buiten.

zaterdag 14 januari 2012

Ungesicht (VII)

7. De andere man

Het was een kille weekavond. Tomas had enkele uren geleden zijn laatste postkaarten verstuurd en met alcoholstift citaten van wetenschappers en dichters op de toiletdeuren van twee restaurants geschreven. Hij zat in 'De Handgranaat', waar hij eerst afgesproken had met Lina, maar toen die maar niet kwam opdagen, was hij in gesprek geraakt met een oudere man die er zelf alleen zat. In een hoek van het café zaten Wolfskeel en zijn acolieten, en buiten de occasionele boze blik die Tomas van hem opving, was er niks van belang over hem te melden.
Op de achtergrond speelde klassieke jaren '70-rock.
"... naar muziek luisteren en mensen ontmoeten houdt je scherp," kwam de man aan het eind van een zin.
"Mee eens. Je kan zelfs veel over mensen leren door muziek."
"Meer door boeken te lezen, vind ik."
De man zag er midden de dertig uit, maar zijn handen en brede mond verrieden een hogere leeftijd. In tegenstelling tot het kleine cohort eenzame, oudere zuipers dat het Gentse centrum telde, zag hij er beter verzorgd uit, en niet zo egomaan als andere mannen "die het allemaal al gezien hadden" maar niks geleerd hadden.
"Ja," zei Tomas, terwijl hij nadacht en zijn blik langs het plafond van 'De Handgranaat' liet glijden, "ja. Maar je kan uit beiden ook de verkeerde dingen leren. Sommige liefdesnummers zijn bijvoorbeeld helemaal niet romantisch. Er zijn ook boeken die over relaties gaan, waar lezers compleet verkeerde conclusies aan verbinden."
"Zoals?" vroeg de man. Iets in zijn intense, grijze ogen lichtte op. Tomas besefte dat hij hetzelfde type ogen had, alleen jonger en wat groter.
"Je kent dat nummer wel van The Police, dat-"
De man onderbrak hem met een grijns.
"Natuurlijk. Dat gaat over stalking. Veel mensen weten dat."
"Er zijn er nog meer die het niet weten. Wat boeken betreft, dan... Bijvoorbeeld 'Turks fruit', als je het gelezen hebt?"
De man knikte en nam een slok van zijn bier.
"Iedereen focust zich op de enorme passie die het hoofdpersonage voelt voor zijn vriendin die hem verlaten heeft, en hoe conservatief haar familie is. Maar stel nu dat zij gelijk had?"
"Ga verder."
"Ik bedoel," legde Tomas uit, waarbij hij zijn handen spreidde over de toog, "dat hij duidelijk niet snapte dat hij haar compleet uitputte door zeven dagen op zeven zo intens te zijn. Ze ging eraan ten onder. Het hoofdpersonage was egocentrisch en had ze niet allemaal op een rij. Dan hebben we het ook nog niet gehad over al die andere vrouwen die hij nadien had en nauwelijks iets meer waard achtte dan een object zonder gedachten en gevoelens die er toe deden."
"Denk jij dat vrouwen ook niet zo kunnen denken over mannen?"
Tomas keek gestoord.
"Dat... heb ik niet gezegd, toch? Dat was ook mijn punt niet."
"Nee, dat weet ik. Ik strijd ook je punt niet af, want je hebt gelijk dat er wat scheelde aan dat hoofdpersonage. Alleen denk ik dat zijn probleem net was dat hij alleen dié vrouw niet zag als iets dat van hem verwijderd stond. Bovendien staan de meeste mensen zo tegenover elkaar. Ik bedoel mannen en vrouwen, vooral."
Tomas taxeerde zijn gesprekspartner opnieuw en liet zijn woorden in zijn hoofd ronddraaien. De man interpreteerde die stilte als een kans om een vervolg te breien aan zijn redenering.
"Uiteindelijk ben je nog niet zo oud... 25?"
"27."
"Goed dan. Maar het soort liefde waarin twee mensen in elkaar opgaan, is niet alleen onbestaand, maar ook volkomen waardeloos. Misschien leer je dat nog."
"Daar ben ik ook geen voorstander van, geloof me."
Tomas balanceerde met zijn glas tussen zijn handen. Hij overwoog even om aan deze volslagen vreemdeling te vertellen over al zijn gebroken relaties, en hoe hij steeds een balans had proberen vinden tussen dicht bij iemand kunnen zijn en die persoon los te laten, en hoe elk compromis uiteindelijk uit was gedraaid op puur verlies van tijd en energie. En dat dat ertoe geleid had dat hij de voorbije weken draaide op pure compromisloosheid. Toch vond hij niet dat hij de vrouwen van die periode als objecten behandeld had. Hij had geen enkele keer gelogen over zijn intenties.
"Dus waar komt het dan op neer?” concludeerde de oudere man, “Je gaat van persoon tot persoon, je probeert te vinden wat je op dat moment of in die periode nodig hebt, en dan is het voorbij."
"Toch," hoorde Tomas zichzelf zeggen, "moet het mogelijk zijn, denk ik, om een relatie uit te bouwen die niet verzandt in saaiheid of niet eindigt in miserie door instabiliteit."
"Geloof me," zei de man, "ik heb het geprobeerd. Het lukt niet."
Er begon een nieuw nummer te spelen. Met een klap boorde zich een moment van inzicht, een Japans soort satori, door Tomas' brein.
"Je hebt het volgens mij nooit écht geprobeerd," zei hij, "Net als ik. Ik dacht dat ik steeds in een relatie moest zitten en ik deed de dingen die ik dacht dat ik moest doen, maar dat was nonsens. En de laatste tijd ben ik bezig het tegengestelde te maken tot een nieuw idee-fixe. Zo werkt het niet. Zo kan het niet werken."
Op dat moment, en geen slechter moment was mogelijk geweest, kwam Lina 'De Handgranaat' binnen. Ze zag er geweldig uit. Tomas' gesprekspartner leek iets te gaan zeggen, maar keek als vanzelf ook naar Lina, en Tomas zag zijn blik, herkende die blik van bij zichzelf, en wist dat hij hier weg moest, dan het hem allemaal te veel was en dat de wereld op dit ogenblik mocht ontploffen.
Hij stond op.
"Bedankt," zei hij tot de man, "Maar ik moet weg."
Lina naderde.
"O? Jammer. Wie weet zie ik je nog eens."
"Kleine kans toe."
"Wat is je naam?"
"Tomas."
"Gert."
Hij had de tegenwoordigheid van geest om niet z'n hand uit te steken. Lina was bij hen komen staan. Tomas keek haar aan, pakte haar vast en kuste zacht haar voorhoofd, waarna hij het café uit beende.

Zeven uur later, na een nachtelijke snack en een lange omzwerving door de stad, waarbij hij er een punt van gemaakt had in geen enkel café binnen te stappen, zijn gsm uit te laten staan, niet te blijven stilstaan aan het water en zelfs niet uit morbide nieuwsgierigheid door de rosse buurt te wandelen, was hij terug in de Overpoort. Het was er verlaten.
"Hé!"
Hij draaide zich om. Achter hem was er iemand een nachtwinkel buiten gestapt. Hij herkende haar - donkerbruin haar in een hoge staart, scherpe kin, beetje wijd uit elkaar staande, ronde donkere ogen.
"Irina," mompelde hij, "jij hier nog zo laat?"
"Gedaan met werken. Ik ben sigaretten gaan halen."
Nu pas leek Tomas het schijnsel te merken van de nachtwinkel.
"O. Ik kom terug van een wandeling."
"Niet uitgeweest?"
"Nee. Welke kant moet je op?"
Ze gebaarde de richting die Tomas ook uit moest, en ze begonnen naast elkaar te wandelen.
"Hoe is het met je ninjawerk voor de Vlaamse regering?" vroeg ze.
"Je herinnert je dat nog? Ik heb ontslag genomen," antwoordde hij loom.
"Hmm."
In de stilte die volgde, voelde Tomas verschillende deuren openen. Hij kon Irina proberen vastnemen en kussen, hij kon haar voorstellen om met hem mee te gaan, hij kon ervandoor gaan of hij kon iets anders zeggen. Hij koos het laatste.
"Ik heb een maand geleden ontslag genomen op mijn werk. Ik was compleet op. Mijn relatie was voorbij, ik had geen energie meer, en ik had het gevoel dat mijn leven aaneen was beginnen hangen van de beleefdheden en wat ik 'voorzichtige ambities' noem, haalbare dingen die volkomen schadeloos en nutteloos zijn. Een eigen auto, een huis van mezelf, dat soort dingen."
Irina keek hem sceptisch aan vanuit haar ooghoeken.
"Dus besloot ik langzamerhand dat het mij allemaal niet meer kon schelen. Ik wilde alleen nog doen waar ik zelf zin in had. Daarom heb ik hier een maand rondgezworven, dronken geweest, drugs genomen, enfin, je snapt het plaatje."
"Mmm."
"Ik zou het kunnen blijven doen voor de rest van mijn leven. Maar op die manier... op die manier slaag je er alleen maar in je nog meer terug te trekken uit dingen die er écht toe doen. Je komt in een soort... fort terecht waarin je onkwetsbaar wordt, maar waar niks uiteindelijk nog echt van waarde is."
"Meen je dat?"
"Ben je me aan het uitlachen?" vroeg hij bitter.
"Nee. Ik heb dat soort praat alleen al vaker gehoord van anderen. Als dit een versiertruc is, ben je erg slecht bezig."
"Als ik je wilde versieren, had ik wel iets anders gezegd."
Ze stonden aan de verkeerslichten.
"Ik raakte in gesprek met een man, vanavond," ging Tomas verder, toen het licht op groen sprong, "die dat soort leven leeft. Je kon het aan hem zien. Hij gaat van affaire naar affaire, probeert zichzelf jong en in het nu te houden, en hij heeft zijn charme geperfectioneerd tot een kunst. Maar het kwam me plots zo... ontzield over. Een emotionele zelfontkenning, als je wil."
"En jij wil niet zo worden?"
"Nee," zei Tomas, blij dat hij het gevoel had dat Irina begreep waar hij naartoe wilde, "daar ben ik nu achter. Het is niet dat er een zwart-witkeuze is tussen mezelf in een keurslijf dwingen en altijd beleefd knikken, ofwel een eeuwige rebel without a cause zijn."
"Wel, een compromis kan goed zijn, zolang je er iets mee bereikt van waarde."
Tomas glimlachte.
"Inderdaad. Maar daarvoor moet je ophouden met de wereld in te delen in verliezers en winnaars. Daar draait het ook niet om. Toch?"
Irina bleef stilstaan.
"Nee. Het draait om heel andere dingen."
Ze keek even alsof ze ook haar hart zou uitstorten. Tomas wachtte enkele ogenblikken.
"Ik moet er hier af," zei ze toen.
Het viel Tomas op hoe dicht ze bij elkaar stonden.
"Ik heb te veel lopen praten," zei hij toen, "en het is al laat."
"Het geeft niet."
Tomas werd opnieuw, veel sterker, overweldigd door de zin om haar te kussen.
"Wat als we dit gesprek een andere keer verder zetten?" vroeg hij toen, zijn adem uitblazend.
Irina glimlachte. Het leek een glimlach die niet veel gebruikt werd.
"Dat is goed," zei ze na even aarzelen, "dan ga ik je ook weten te zeggen hoe ik erover denk."
"Mag ik je nummer?"
"Kom morgen langs in 'l'Ascenseur' en ik geef het je."
Ze pakte hem vast, klopte hem op de schouder en stapte toen weg.

vrijdag 13 januari 2012

Ungesicht (VI)

6. Balkonscène

Irina ademde diep in en sloot haar ogen. Een nijdige wind speelde door haar haar. Ze keek van op haar smalle, kleine balkon uit over de straat beneden, waar buiten af en toe een late fietser, geen enkele beweging en geen enkel geluid te bespeuren was. Al vijf minuten stond ze een sigaret tussen haar vingers te draaien alsof het een miniatuurversie was van een majorettenstok. De officiële naam van de discipline was twirling, een weetje dat automatisch kwam bovendrijven in haar hoofd. Ze keek naar haar gsm en las opnieuw de enige twee berichten in haar inbox. Eén bericht was van Hanna, om te zeggen dat 'l'Ascenseur' vanavond niet openging omdat de baas er geen zin in had en dat ze allemaal uitgingen naar de 'Scurvy', een ander bericht was van Gert, en een fors pak langer. Gert was een ex-lief dat aan het begin van hun relatie alle positieve kanten waar Irina op kon vallen op paradoxale wijze in zich verenigd had, en op het einde alle mogelijke negatieve kanten waar ze op af kon knappen verzameld had op dezelfde paradoxale manier. Ze vroeg zich af waarom een bericht van hem krijgen haar nog steeds zo van de kaart bracht, en verweet zichzelf haar emotionele reactie. Hij hoorde niks meer te betekenen, hij moest al lang een jammerlijke maar nauwelijks zichtbare vetvlek op een toog geworden zijn en ze vond zichzelf veel te oud geworden om zich nog aan te trekken wat hij over haar dacht, laat staan waar hij mee bezig was.
Irina besloot uiteindelijk toch de sigaret aan te steken. Door de stilte op straat klonk de ontsteking van de aansteker bevredigend luid, en kon ze zelfs horen hoe de eerste kleine strengen tabak aan het uiteinde van de sigaret begonnen te branden. Zo hoorde het.

Er was een gevecht uitgebroken. Irina was niet bang. Een ratachtige student die niet echt in 'l'Ascenseur' paste, had blijkbaar ruzie gezocht met de domst uitziende kerel in de hele bar, die een hoekige schouderpartij had waar links het woord 'bouwwerf' en rechts het woord 'fitness' in leken gebeiteld. De student was dronken of stoned, en had helemaal niet verbaasd gekeken toen hij de eerste klap geïncasseerd had.
"Is het weer zover?" vroeg Hanna, terwijl beide vrouwen vanachter hun toog toekeken hoe Malik en John tussenbeide kwamen. De student brulde een onverstaanbare belediging. Mensen kozen partij. Irina koos nooit partij. Wie vocht, had al op voorhand verloren. Wie een gevecht zocht, kon er altijd wel een krijgen, en dat begreep Irina niet. Zelfs in haar donkerste, meest teruggetrokken momenten had ze er nooit aan gedacht om zich volop in de drank, drugs, mannen of het geweld te storten. Ontbrak er bij sommige mensen een vorm van lijfsbehoud? Of overstemde de leegte de pijn die ze dachten te voelen bij hun eigen vernietiging?

Door de maanden die ze er al gewerkt had en rondgezworven had door de Overpoort, was de connectie met Gert vervaagd, maar nu lichtte ze weer op als een kruimelspoor van deur tot deur, bar tot bar. Gert was plots verschenen, niet op de manier dat iemand op de scène kan arriveren en al van elders in brand lijkt te staan van energie en verlangen, maar op een evidente manier, alsof een man als hij er in feite al de hele tijd geweest was, maar er toen pas voor had gekozen om zich aan Irina kenbaar te maken. Hij was de perfecte mengeling geweest van knap genoeg en toch persoonlijk getekend, pezig zonder uitgemergeld te zijn, intens zonder manisch te zijn, en hij had van meet af aan alleen maar oog gehad voor haar. Hij maakte muziek, kende mensen. Hij veroverde zonder te hard te willen.

De student werd buitengegooid en de breedgeschouderde bouwvakker werd door zijn maats gekalmeerd. De rust keerde langzaam terug.
“Drie pinten,” zei één van zijn vrienden kordaat. Irina gebaarde naar Hanna dat zij de bestelling wel zou nemen. Ze ging verder op haar eerder gedachtespoor. Het waren meestal mannen die ervoor kozen met geweld kenbaar te maken dat ze het leven hier beu waren en dat ze aan een flirt waren begonnen met de dood zelf. Was het een gevoel van nutteloosheid, dat hen ertoe dreef? De beelden in reclame en actiefilms die mannen enerzijds oppompte tot bundels dadendrang, anderzijds tot intellectuele onbenullen?
“Bedankt,” zei Irina toen ze gepast geld ontving. De jongen keek haar één seconde langer aan dan nodig was. In haar hoofd trok iemand een streep in de poot van een enorm bed.

Irina blies nijdig rook uit door haar neusgaten en voelde haar zenuwen opspannen. De maanden die erop gevolgd waren leken nu op een steeds uitputtender trektocht omhoog langs bergpaden, waar het landschap langzaam kaler en kaler werd, tot de top niks meer had gebleken dan een afgrond. Ze vervloekte zichzelf voor die clichébeeldspraak en trad uit haar eigen kwaadheid naar een kwaadheid tegenover Gert die altijd gelachen had met haar gewoonte om uitdrukking en woorden te verzamelen en op losse stukken papier te schrijven. Eerst goedmoedig gelach, als een vader, dan neerbuigend als een leraar, tenslotte met het hoofdschudden van een Echte Artiest die Irina maar een burgertrut vond. Dat had hij letterlijk gezegd.
Voor elk van zijn afwijkingen (deviaties!) had hij een uitleg (explicatie?) klaar gehad. Waarom hij nog niet was doorgebroken? Omdat dat niet nodig was. Waarom hij op zijn leeftijd nog zo vaak uitging? Omdat hij hield van het leven en de mensen. Waarom hij zo zelden vaste relaties had gehad? Omdat hij respect had voor de vrijheid van andere mensen. Irina had er haar studies voor opgegeven, want een universitaire studie was niks meer dan een gouden ketting die haar aan de saaie, gladgestreken middenklasse zou binden. Een leven met Gert had honderden keren interessanter geleken.
Irina vond terug een vorm van kalmte, sloot haar ogen en concentreerde zich alleen op de rook die ze naar binnen trok. Ze zag Gert nu helder voor haar staan, met zijn los hangend donker haar en zijn grote, grijze ogen. Hij had niks te zeggen. Voor al zijn pose was hij een figuur die gedoemd was steeds dezelfde rol te gaan spelen tot zijn masker afzakte.
"Ja," zei ze in gedachten, "je hebt me één ding bijgeleerd: dat ik niet kan liegen tegen mezelf."
Irina wiste de sms zonder hem te herlezen.

Verder naar deel zeven.

donderdag 12 januari 2012

Ungesicht (V)

5. Wastafel

Tomas zat op de trappen die van het Sint-Pietersplein leidden naar de Kunstlaan. De trappen waren van een bevlekt grijs, van mensen die er 's zomers en op andere warme dagen gezeten hadden met nachtwinkeldrank of met fast food. Nu zat er buiten hem niemand, en bovendien regende het. De regen was zacht genoeg om te verdragen en bovendien was er nauwelijks wind. Tomas wist dat hij op zijn gsm vier onbeantwoorde berichten had - één van Lina, deze ochtend, met een voorzichtige aanzet om opnieuw af te spreken, één van Bert die vroeg om te gaan eten, één van zijn moeder die vroeg om hem op te bellen, en een grap zonder pointe van Kim. Het was een dag dat hij geen enkele zin om op ook maar één bericht te antwoorden, waar hij er zich vroeger zorgen zou over gemaakt hebben wat mensen van hem dachten.
De maand was bijna ten einde, en daarmee ook deze staat van genade.
Tomas kon uitkijken over het volledige plein, met pal voor hem de grote, ongepast Byzantijns uitziende kerk, die op haar beurt geflankeerd werd door het abdijmuseum en één van de nagelnieuwe universiteitsgebouwen. Het paste allemaal niet zo goed samen maar als eenheid vormde het toch iets met een eigen smoel. C'est du belge, zeker, dacht hij.
Het was goed dat er niet veel mensen op straat waren. Hij dacht aan de weken die nu achter hem lagen. Van zijn eerste stappen om zich te bevrijden van al zijn zelfopgelegde regels van welvoegelijkheid, de afwijzingen en de bijna-gevechten tot de one-night-stands en het immens onnozele gevecht waarin hij drie dagen geleden was verzeild geraakt.
Niet voor de eerste keer vroeg hij zich af of hij depressief, waanzinnig was of allebei. Waanzin is uiteindelijk ook maar context, besefte hij. Het was al waanzinnig genoeg dat zo veel mensen nooit zeiden wat ze echt dachten of voelden, nooit in opstand kwamen tegen de idioten die hen omringden, of zouden uitkomen voor de verlangens die ze werkelijk voelden. Dit was het soort leven waar hij al jaren naar had uitgekeken. En hoe voelde het nu? Een uitgerokken, vervormd besef van gevaarlijke nutteloosheid, zo voelde het. Tomas was altijd maar van één soort mensen bang geweest, en dat waren mensen die niks te verliezen hadden. Nu was hij zelf zo'n persoon geworden, en hij probeerde de angst die hij voor zichzelf voelde, te ontkennen, omdat dat de allerlaatste grens was die hij mogelijk nog kon oversteken.
Hij dacht aan zijn gesprek met Wolfskeel Grindgezang, waar het mee begonnen was. De zaden waren voordien al geplant. Op die meeting waar hij had gewalgd van zichzelf omdat hij als reden voor zijn ontslag een berg corporate speak had gedebiteerd, terwijl de werkelijke reden was dat hij in een panische angst verkeerde net zo uitgezakt, inspiratieloos en gestroomlijnd te worden als zijn oudere collega's. Of dat hij niet in staat was zich te concentreren op het beantwoorden van idiote e-mails van Support omdat hij al dagen niks anders had gedaan dan elk detail van zijn mislukte relaties op te schrijven op opgevouwen kartonnen dozen, en die dan vol te stouwen met artefacten van die relaties.
Wolfskeel was maar een lucifer geweest. De ironie hiervan ontging Tomas niet, maar hij moest er niet mee lachen. Mensen die moesten lachen met hun eigen moppen, wilden ook niet echt anderen aan het lachen brengen, en tenslotte was het toch daar dat een mop om draaide.

"Heb je ooit al naar de bovenverdiepingen van al die huizen hier gekeken? Ik bedoel de gevels?" vroeg Kim. Tomas volgde haar blik naar boven en was onmiddellijk gefascineerd. Boven de kleurige, oplichtende voorgevels van de bars, clubs en snackbars zag de Overpoort eruit als een steeg van een derdewereldland. Onderaan: fris laagje verf, kleurige deurposten, schone vensters, neon. Bovenaan: afgebladderd grijs op grijs, gebroken vensters, een regenpijp die verkeerd hing of een dakgoot vol duivenstront.
"Interessant," zei hij. Kim en Tomas namen allebei een trek van hun sigaret.
"Hoe komt het dat je hier de laatste tijd zo veel bent?" vroeg ze.
Tomas kende Kim nog van enkele jaren geleden, toen ze allebei studeerden. Zij was nooit afgestudeerd geraakt en had diverse korte jobs afgewisseld. De vraag die ze stelde wierp ook de tegenvraag op - waarom zij hier zo vaak was, en of ze zelf niet moest werken. In plaats van op haar vraag te antwoorden, stelde hij dan ook die tegenvraag. Haar gelaatsuitdrukking in haar anders egale, mooie maar onpersoonlijke gezicht werd afstandelijker, alsof iemand er een nauwelijks zichtbare film had overgelegd.
"Ik ben werkloos," zei ze.
"Zoek je werk?"
"Ik ben werkzoekend," verbeterde ze zichzelf.
"Dat is hetzelfde als werkloos."
"Niet helemaal? De implicatie is anders."
Tomas haalde zijn schouders op. Kim leek haar eerdere vraag vergeten te zijn. Mensen vergaten zo snel dingen. Hij had zin in bier, maar niet in dronkenschap. Het was er de avond niet voor.

Zeven uur later hing Tomas boven zijn wastafel. Op de achtergrond, in de spiegel, zag hij Kim staan tegen een deurpost.
"Hier is toch iets aan de hand," zei ze.
"Je meent het," raspte hij.
Ze waren vier uur terug samen vertrokken naar zijn appartement. Daar was hij te moe en te humeurig geweest om seks te hebben, deels omdat hij helemaal niet verwacht had niet alleen te slapen en dan kwaad was op zichzelf omdat hij zich een luxeprobleem aantrok, deels ook omdat hij in alles voelde dat zijn lichtend pad van compleet en blind egoïsme aan het verdonkeren was tot iets anders.
"Wat is er dan?" wilde ze weten.
Tomas veegde zijn mond af, spoelde zijn mond uit onder de kraan, en pakte zijn tandenborstel.
"Dat is niet jouw probleem, eigenlijk," zei hij, terwijl hij kort oogcontact maakte via de spiegel. Hij merkte dat het wit van zijn ogen doorschoten was met rood, en merkte ook hoe ruw zijn gezichtshuid eruit zag.
"Ga je nu nog je tanden poetsen?"
"Hmm," knikte hij met de bepastade tandenborstel in zijn mond. Kim bleef staan, leek te overwegen om zich kwaad te maken en besloot toen blijkbaar dat het het niet waard was. Aanvankelijk was dat best voor Tomas, maar toen ze verdween uit het deurgaat, voelde hij opnieuw woede opkomen, een woede die geboren was uit de machteloosheid die hem tot dit experiment gedreven had.
"Ik heb mezelf gemaakt tot iemand die niets meer waard is," zei hij, toen hij drie minuten later de kamer binnenstapte. Kim sliep al, en de overweldigende, plotse golf van stilte zorgde ervoor dat alle energie uit hem wegebde.

Verder naar deel zes.

woensdag 11 januari 2012

Ungesicht (IV)

4. Diehards

Het was iets na drie uur. De gematigde fuifgangers en de meest onvoorzichtige drinkers waren al naar huis en het zag er niet naar uit dat er nog grote stromen volk zouden binnenkomen in 'l’Ascenseur'.
“Ik hoop eigenlijk dat het kalm blijft,” zei Irina tegen Hanne. Hanne knikte en waste een glas af.
De DJ was routinematig een set aan het afhaspelen die hij vorige week al eens uitgeprobeerd had, maar buiten Irina leek niemand van het personeel ooit de veranderingen in zijn sets op te merken.
“Je weet nooit op avonden als deze,” zei Hanne met een blik op de deur, waar buiten twee meisjes en een jongen aan het roken waren. Binnen telde Irina nog ongeveer vijfentwintig mensen, het merendeel mannen. Hun korte gesprek werd onderbroken door nieuwe klanten. Terwijl Irina een pint tapte en een glas wijn uitgoot (check, routine, check, efficiënte bewegingen van armen en handen, geld krijgen, berekening, glimlach, inschatten van graad van dronkenschap, viel behoorlijk mee) dacht ze aan de implicatie van “avonden als deze”. Verraderlijk rustig. De weinigen die na drie uur nog uitgingen, waren de diehards, en diehards waren er in alle soorten: eenzamen, getroubleerden en wanhopigen.
Er verscheen een nieuwe klant. Hij zag er niet heel scherp meer uit en bestelde een pintje. Bijna alle stemmen klonken dezelfde over de luide muziek. Ze dacht eraan dat ze weer maar eens vergeten was om oordopjes mee te nemen. De klant bedankte en betaalde.
“Wat is je naam?” vroeg hij. Irina keek hem opnieuw aan.
“Irina,” zei ze. Hij knikte en nam een korte slok.
“Gaat het een beetje, vanavond?” vroeg hij.
“Dat valt goed mee, het is niet te druk,” zei ze naar waarheid.
“Ok,” zei hij slechts. Hij keek om zich heen. Hoewel hij geen dom voorkomen had, had alles aan hem iets licht uitgerafeld, alsof de dingen achter zijn ogen net niet in orde waren, net niet helemaal daar.
"Hoe komt het dat je hier alleen bent?"
"Ik ben op een drie weken durende missie om al mijn angsten en vooroordelen te verbranden."
"Serieus?"
"Nee. Ik ben een ninja in dienst van de Vlaamse regering en ik ben belast met het oprollen van een Russisch spionagenetwerk. Mijn naam is Tomas, trouwens."
"Jij denkt dat je geestig bent?"
"Meestal," zei hij plompverloren, waarop hij z'n schouders ophaalde.
"Probeer je dat vaak, op die manier barmeiden versieren?"
Hij lachte als een wolf.
"Niet zo vaak. Ik moet ook zeggen dat ik meer succes heb bij andere types."
Irina moest zelf ook glimlachen.
"Je lijkt me nochtans zelf niet het prototype versierder."
"Dat klopt," gaf Tomas toe, "ik ben er zelfs erg slecht in. Hoe het me toch zo vaak lukt, dat weet ik niet echt, maar ik heb er een theorie over."
"Die ga je me ongetwijfeld vertellen."
"Hij is niet zo ophefmakend. Het komt hierop neer: kijk eens rond naar de mannen die hier aanwezig zijn. Vrouwen elimineren al minstens één derde omdat ze te lelijk zijn. Van de mannen die overblijven, elimineer je vervolgens de wanhopigen, de dommeriken, de bruten en de kerels die niks te vertellen hebben. Dan blijven er al niet zo veel meer over."
"Hm. Ik neem aan dat jij tot geen van die categorieën behoort?"
"Daar ga ik graag van uit. Maar goed, ik wijt het dus niet aan mijn eigen verdiensten."
Tomas' glas was leeg.
"Is het toilet daar?" vroeg hij, doelend op de deur voorbij de dansvloer, die slechts nog door twee groepjes mensen ingenomen werd.
"Nee, die deur leidt naar een magisch labyrint. Achter elke deur zit een giraf die tarotkaarten legt," zei Irina. Tomas' blik klaarde voor het eerst op.
"Interessant."
Irina ging weer aan het werk. 'l'Ascenseur' begon langzaam leeg te lopen. Op die momenten voelde het als een enorme zandloper waarvan zijzelf, Hanne, de baas, de DJ en de buitenwipper de allerlaatste korrels waren. Op een dag, hield ze zichzelf voor, zou ze voor de allerlaatste keer bij die korrels horen en terug tijd hebben voor andere dingen dan luisteren naar dronkaards, bizarre complimenten krijgen over haar uiterlijk of kortstondig opflakkerende relaties aan te gaan die snel implodeerden door drama. Was dit soort cynisme een deel van ouder worden? Ze vroeg zich ook af of ze niet wat te laatdunkend was geweest tegenover die Tomas, terwijl ze nog een klant bediende die een laatste rij shots bestelde. Aan de andere kant was het niet alsof ze hem iets verschuldigd was.
Toen ze twee minuten later weer enkele glazen had weggezet en kort met een schoteldoek langs de achterkant van de toog gegaan was, stond Tomas er terug.
"Het wordt tijd dat ik naar huis ga. Mijn vrienden vragen zich ook af waar ik zit," zei hij.
"Goeienacht nog, dan."
"Jij ook. Bedankt voor de babbel."
Hij stapte naar buiten. Irina volgde hem met haar ogen. Op straat keek hij om zich heen, met een blik en lichaamstaal van iemand die niets in het bijzonder hoopte te vinden, maar op alles kon ingaan dat zijn nieuwsgierigheid wekte. Het had een aanstekelijke kinderlijkheid die niet paste bij zijn zieke gezicht en zijn droge mond.
"Bijna vier uur. Ik denk dat we binnen een half uur gaan sluiten," zei Hanne.
"Het zal best zijn. Ik heb slaap nodig."
"Je gaat niet meer mee uit?"
"Geen zin, sorry."
Hanne trok een lelijk gezicht.
"Het is zo lang geleden dat je nog eens bent mee geweest."
"Ik weet het," antwoordde Irina,"maar het zegt me allemaal steeds minder. Ik heb het een beetje gezien."
In haar hoofd speelde een diaprojector snel een stel snapshots af van de bekendste afterparty-cafés in Gent en hun habitués. Ze waren ingedeeld volgens kleur, muziek, genre en het volk. Een grote zaal met zwart en groen die een slangenkuil was vol late twintigers. Een sympathiek donkeroranje plekje waar je zelden lastiggevallen werd, een dansding dat nooit een dansding was, een peperdure club waar soms BV's kwamen en veel verdwaalde hipsters en dan nog een duister hol met een misvormd balkon en een erg slechte DJ.
"Je voelt je toch wel nog goed?"
"Ik voel me ok, hoor," zei Irina. Doordat ze het zei, twijfelde ze echter aan de waarheid van die uitspraak. Hanne leek zich met dat antwoord tevreden te stellen.
"Ok dan. Als er iets is..."
Ze brak haar zin af om nog een klant te bestellen. Irina keek uit het venster en had zin in een sigaret, in een warm bed en drie dagen volstrekt alleen zijn.

Verder naar deel vijf.

dinsdag 10 januari 2012

Ungesicht (III)

3. Terugdraaiende velgen

"Je kijkt naar films en je denkt dat je leven ook zo zou kunnen zijn. Het decadente nachtleven, zo. Al die kronkelende lijven, oneliners en comebacks. Coole muziek die altijd bij de sfeer past. De werkelijkheid is hier echter overal hetzelfde: de meeste mensen worden niet voortdurend netjes belicht en staan te zweten, ze dragen geen kostuums van Armani of vrouwen hebben ook niet altijd de perfecte make-up aan. De grote meerderheid van de mensen heeft er zich ook bij neergelegd eerder aangenaam te zijn dan geestig. Of ze denken geestig te zijn, terwijl ze onaangenaam zijn."
De helft van Tomas' woorden ging verloren in de drums. Peter trok zijn wenkbrauwen op, nam zijn kauwgom uit zijn mond en plakte die tegen een paal.
"Je moet... toch geloven in iets van jezelf? Zelfvertrouwen is nodig. Mensen beelden zich gewoon ook graag in om een filmster te zijn."
"Misschien is dat goed om iemand een keer mee in je bed te praten, misschien, maar wat als daarna blijkt dat ze je een eikel vindt?"
"Vind jij mij een eikel?"
"Soms wel."
Peter grimaste en nam een slok.
"Coke?"
"Coke."
Wc's in cafés stonken altijd, maar ze verschilden onderling in hun type stank. De ergste toiletten roken zonder meer naar kak en rotte eieren.
Peter onthulde als een soort minitapijtverkoper zijn waar op het deksel van de wc, met de zorg die eigen was aan een druggebruiker die zichzelf een aura van respectabiliteit aanmat. Geen van beide mannen zei iets en Tomas was zijn eigen korte monoloog over het gebrek van glamour al vergeten. Hij dacht aan een werkweek die nooit meer zou komen en vond dat een aangenaam vooruitzicht.
Peter nam zijn tijd om het poeder netjes te versnijden met een bankkaart. Waarom altijd bankkaarten en geen tankkaarten of lidkaarten van de ECI Boekenclub? Tomas besloot die vraag niet luidop te stellen.
"Zo," zei Peter met een merkwaardig diepe stem. Van buiten klonk er geschuifel. Urine van elders. Het toilet stonk maar matig naar pis. De overheersende geur was een goedkoop merk van wc-tabletten die Tomas deden denken aan het parfum van één van zijn ex'en. Hij had haar nooit durven zeggen dat ze rook naar een toiletdame en dat hij haar daarom soms niet had willen kussen. De schaamte aan die herinnering worstelde met de schaamte aan het feit dat hij dat niet had durven zeggen.
Peter ging eerst. Het was zijn eigen spul. Tomas volgde. Hij moest denken aan het nummer 'Benzin' van Rammstein.

Terug in de zaal zelf was er niet onmiddellijk veel veranderd, buiten het feit dat het nog warmer aanvoelde dan daarnet. Ok, kleine tinteling, dat wel, maar verder niks meer aan de hand.
"Wat drink je nog?"
"Pintje."
Tomas wrong zich langs twee grote mannen en een tros dikke meisjes waarvan één een erg mooi gezicht had, en werd vrijwel onmiddellijk bediend. In zijn jaren café- en clubervaring had hij een haast mystieke techniek ontwikkeld om erg snel bediend te worden. Het lag aan een soort lichaamshouding, focus en een kleine dosis gedistingeerdheid, zelfs in dronkenschap. Althans, dat vertelde hij zichzelf graag, bedacht hij zich.
Voordat hij zijn wisselgeld op zak stak, gaf hij één van beide pinten door aan Peter, die z'n gsm uitgeklapt had.
"Bert is er blijkbaar. Hij staat buiten," zei Peter.
Tomas had onmiddellijk het mentale beeld van de immer vrolijke Bert in een streepjestrui. Bert met het sappige West-Vlaamse accent en Bert die wel eens voor zijn plezier een boek las. Bert die ook ooit een zeer creepy liefdesbrief geschreven had aan een kennis van Tomas, maar dat was intussen ook alweer drie jaar geleden.
"Dat hij binnen komt."
"Of dat hij buiten wacht," zei Peter plompverloren. Tomas snoof, voelde zijn neus tintelen en nam een forse slok bier.
"Mij gelijk."

Tomas nam alles tegelijkertijd zeer traag en met een enorme helderheid waar. Het was alsof hij uitgestegen was boven zijn eigen dronkenschap. In de wolkjes adem die hij blies kon hij op elk afzonderlijk moment bijna de atomen zelf gaan waarnemen die zich haarscherp aflijnden tegen de paarsige nacht van de Overpoort. De straatlichten bezaten een gelijkaardige scherpte, waarbij passanten en feestvierders die onder die lichten door liepen, nu eens levende neonuithangborden en dan weer knetterende lonten leken.
"Ik heb honger. Wil jij nog iets eten?"
Ook het gepraat om hem heen ontsnapte niet aan zijn aandacht. Op elke vraag die gesteld werd, kon hij duizend verschillende antwoorden verzinnen.
"Ik heb anders wel zin in een pita."
"Hm. En jij Tomas?"
Tomas dacht aan het meisje dat hij daarnet binnen gezien had met de grote groene ogen, vroeg zich af hoe het moest voelen om haar schouder aan te raken of in wat voor huis ze woonde. Hij stelde zich rommel op de vloer voor, dacht aan de rommel op zijn eigen vloer en moest doen denken aan hoe hol het was dat hij haar zou najagen voor zijn eigen plezier, alsof dat het enige was waar in zijn geconstipeerde, dronken toestand nog ruimte voor was. Hij moest denken aan haar haar en de verwijten die ze hem misschien kon maken als hij haar zou proberen kussen, of dat ze er integendeel op zat te wachten om deze avond versierd te worden. Men kon het nooit weten en elke interpretatie van een mogelijkheid was evenzeer geldig.
"Ik heb geen zin in pita," zei Tomas. Hij voelde zijn blik zweven en het leek alsof er een uur voorbijgegaan was. In werkelijkheid was er een minuut voorbij.
"Hmm," hoorde hij Peter zeggen, die zich in slow motion leek om te draaien en zijn sigaret weggooide, "Weet je wat? Ik ga er toch één gaan eten."
"Ik ga wel mee," zei Bert.
Tomas zag zichzelf knikken vanop de overkant van de straat, waar twee jonge Turken een erg luide discussie voerden met iemand die in een auto zat met geblindeerde vensters. Tomas dacht aan auto-achtervolgingen, snel draaiende wielschijven die in zonlicht merkwaardig genoeg altijd in de verkeerde richting leken te draaien, het glijden van lampen in tunnels over de zwarte motorkap, de grille en de vensters en hoe het leder (ongetwijfeld leder) zou ruiken, gemengd met een soort pooierdéorodant. Wie weet zou de onzichtbare chauffeer een pistool trekken en één van de twee Turkse jongens neerschieten maar dat gebeurde niet. Raam dicht, Turken hoofdschuddend, auto reed weg. Drugs? Drugs, vermoedelijk.
"Ik ga een wandeling maken," bracht Tomas uit.
"Gaat het wel?" wilde Bert weten, die het minst stoned of high of wat dan ook was.
"Ja," antwoordde Tomas met een vaag handgebaar, "Ik zie jullie straks nog wel."
Of niet, dacht hij. Of nooit. Misschien verdwijn ik wel voorgoed.
"Kom, we gaan eten," zei Peter, die duidelijk enorm hongerig was.

Verder naar deel vier.

maandag 9 januari 2012

Ungesicht (II)

2. Nachtzoo

Irina’s platte schoenen maakten bijna geen geluid op de tegels van het trottoir. Het enige waaraan een blinde zou kunnen horen dat ze over straat liep, was het doffe gerinkel van de gespen van haar schoudertas. Het was kouder aan het worden, en in de late herfst leek het steeds of de anders dicht bijeengebouwde huizen, appartementen, winkels en cafés van Gents hoekiger, hoger en wijder werden, alsof ze zich misschien vanzelf terugweken van wie in die kou nog op straat wilde komen. Maar Irina genoot op een erg eenvoudige manier van die ijzige stilte. Eind november betekende dat de meest studentendopen voorbij waren, dat de laatste grote feestjes eraan kwamen en dat de eerstejaarsstudenten intussen al een vorm van routine gevonden hadden. Het betekende ook minder verrassingen, maar dat was op zich niet zo erg.
Irina had zin in een sigaret maar ze hield zich in. Ze zou er nog wel één roken voor ze 'l’Ascenseur' binnen moest. Ze stak de Heuvelpoort over, dat onmogelijke kruispunt waar in principe veel meer ongevallen zouden moeten gebeuren dan dat er gebeurden, maar omdat iedereen er zo voorzichtig was, gebeurde er zelden iets. Drie jaar geleden was er nog een auto uitgebrand na een botsing, en vorig jaar was er een student aangereden.
Irina bekeek zichzelf zijdelings in de weerspiegeling van een hoog gebouw dat ooit een studentenresto geweest was, en nu langs alle kanten stond te verloederen. Het samenspel van hoeken, glas en jaren ’70 oogde hol en naargeestig. Onder haar hoge trappen verzamelden soms junks of marginalen die andere mensen aangaapten. Vandaag was er niemand.
Er hing regen in de lucht. Irina snoof en keek naar boven. Geen ster te zien in de donkerpaarse hemel. Ze had ergens gelezen dat Gent de slechtste luchtkwaliteit had van heel Vlaanderen. Fallout van het havengebied in het noorden, mogelijk. Of opspattend schuim van al die Gentenaars die nog verknocht waren aan hun sigaretten, sigaren en pijpen.

De Overpoort. De vergaarbak van jeugdige overmoed. Niet meer wat het geweest is. Gehaaid en snel. Toch wel overroepen. De afvoerput van studenten en marginalen. De ene drugsclub naast de andere. Vier pitabars maar echte kenners zworen slechts bij de fijne kebab van 'Collosseum' (verkeerd gespeld, al jaren). Frituur 'De Bronzen Boulet' had veel van zijn pluimen verloren omdat de eigenaar dement aan het worden was. De club op de hoek met het Stalhof was vervloekt. Alleen in 'De Cascade' kon men nog proeven van het echte studentenleven met lint, kiel en cantuscodex. 'The Apocalypse' had vaak een witte kat voor het venster zitten.
Al die uitspraken, al die zinnen. Irina voelde ze soms door haar hoofd klutsen als ze werkte. Iedereen in Gent had een mening over de Overpoortstraat, één van de zenuwcentra van jong en minder jong Gents geweld en al meer dan dertig jaar een zware uitgangsbuurt.
Irina stond buiten en rookte. Binnen had Hanne even de shift overgenomen. Als ze links keek, zag ze de straat met een flauwe kromming verder naar boven lopen. Aan de 'Overpoort Pool' stonden enkele Turkse dertigers luid te discussiëren. Eén van de vaste medewerkers van de 'Pool' stond erbij. Irina herinnerde zich dat hij Olivier heette en een erg opdringerig, onvolwassen mannetje was. Op dat soort momenten was het een voordeel dat ze met hakken aan net boven de meter tachtig kwam – dan kon ze dat slag opdringerige kobolden al neersabelen door er gewoon geringschattend naar te kijken.
Verder rechts, aan de overkant, had Mike besloten om de 'Luxor' dan toch te openen. De cafébaas van het dompige, alternatieve café waar herfstbladeren en noten op de veel te smalle dansvloer lagen, was een notoir dronkaard en had er al zeven relaties aan versleten met steeds jonger wordende vrouwen.
Nog verderop was er een gewemel rond 'Scurvy', een blinkende nieuwe club waar alleen al even blinkende mensen werden binnengelaten. De definitie van het woord klatergoud – dure maar slechte pils, goed geklede maar domme mensen en een interieur dat haar bezoekers agressief herinnerde aan de late jaren ’90, toen de zwanenzang van de megadiscotheken was ingezet. Klatergoud. Irina sprak het net niet uit en nam zich voor om het woord te onthouden, ergens te gaan gebruiken.
Aan de overkant van 'l’Ascenseur' lag het Stalhof, een dode zij-arm van de Overpoort, met aan de linkerkant van de bekasseide steeg de blokkendozen van de studentenhomes, en aan de rechterkant de debiele broertjes van de gewone Overpoortcafés. Er was een mislukte Irish pub bij die niet door Ieren werd uitgebaat en waar bijna alleen Spaanse en Italiaanse Erasmus-studenten kwamen. Er was nog een onooglijk vuil café waar de lelijkste rockers van heel Gent op een kluitje zaten, een fuifzaal die leek op een stripclub, een karaoke met verdachte Maleisiërs en tenslotte 'De Handgranaat', een zeer links nest waar vooral hangouderen en jonge communisten zaten.
Sigaretten zijn ‘the great equaliser’ had één van Irina’s docenten gezegd. Bier was dat ook. Men beweerde wel dat iedereen net wat anders reageerde op bier en dronkenschap, maar Irina vond de meeste mensen veelal dezelfde: een uitvergroting van zichzelf, met alle positieve en negatieve kanten. Jammer genoeg bleef er van sommige mensen weinig positiefs over, dan. In een jeugdboek dat ze ooit gelezen had, voerde het vaderfiguur aanstaande huwelijkskandidaten voor zijn dochter dronken om erachter te komen hoe hij werkelijk in elkaar zat. Irina had het voordeel dat ze al haar huwelijkskandidaten meestal al had leren kennen als ze dronken waren. Ondanks verschillen in persoonlijkheid, waren het vooral soorten alcohol die gedrag licht veranderden: bier maakte mensen luid, emotioneel en dom. Wijn maakte mensen moe, melig en zeurderig. Gin produceerde niet zo veel resultaat. Tequila was de kernbom onder de sterke dranken en sloeg kraters in geheugen als een soort eenmansgrenadier. Vodka werkte verraderlijk en deed mensen denken dat ze niet zo dronken waren als ze echt waren. Zware bieren maakten mensen tot lapzwanzen.
Aan haar linkerkant ging '’t Plezier' open, een café dat nooit veel klanten trok buiten die die er bijna altijd kwamen. Het was er rustig zitten als het er niet stonk naar pis.
Irina’s sigaret was op. Ze rechtte zich onwillekeurig wat meer, en ging terug de bonkende walm van 'l’Ascenseur' binnen.

Irina was bijna bij 'l’Ascenseur' aangekomen. Eén na negen, één minuut te laat, maar niemand die er iets van zei. Er was nog steeds bijna niemand op straat. Zo waren vrijdagen – leeg tot laat op de avond, daarna een explosie van volk, en dan weer een snelle leegloop rond drie uur. Wie daarna overbleef, was een diehard, een alcoholicus of iemand die problemen zocht door ervan weg te lopen in de breedst mogelijke zin.
Ze bedacht zich dat ze hier al ontelbare keren gestaan had, een sigaret had gerookt, in één beweging, in één routine. En kort overviel haar een gevoel van veraf gelegen melancholie bij die vaststelling. Hier leek het alsof altijd alles anders was, maar eigenlijk veranderde er niets. Irina staarde naar haar aansteker, en borg hem weer op.

Verder naar deel drie.

zondag 8 januari 2012

Ungesicht (I)

1. Postkaarten

"Ok, dus ik schrijf regelmatig iets op postkaartjes en stuur die naar willekeurige adressen die ik vind in een oud telefoonboek of opzoek via Google."
"Jaag je daar mensen niet de stuipen mee op het lijf?" vroeg Lina.
Tomas nam een slok gin.
"Dat kan, maar ik zie het resultaat toch nooit en het kan me ook niet schelen. Het is een bescheiden daad van rebellie."
"Wat zet je op die postkaarten?"
"Ik kras de foto uit," antwoordde Tomas nog voor de vraag volledig gesteld was, "plak er soms iets anders over uit een tijdschrift of een krant, en op de achterkant schrijf ik een kort tekstje over een boom of over een schilder, of hoe slecht de nationale voetbalploeg geworden is na 2002."
Lina’s huid voelde koel en zacht aan. Naakt gin drinken, waarom niet.
“Het is wel grappig,” moest Lina toegeven, “maar wat heb je eraan?”
Tomas besefte dat ze hem aankeek en probeerde in te schatten of hij volledig bij zijn verstand was, of gewoon excentriek. Hij liet de implicatie in het midden. Het gelige licht van de woonkamer vloeide over het bijzettafeltje, waar al drie lege glazen stonden en een halfvolle fles. Het was warm.
“De daad van het opsturen. Zoals ik al zei – het is iets onverwachts, iets dat de routine voor anderen breekt. En als ze er schrik van krijgen, is dat jammer, maar is dat niet mijn probleem.”
Hij liet zijn vinger over haar dij glijden.

De dag dat Tomas besefte dat het hem geen moer meer kon schelen wat iemand over hem dacht was een donkere dag geweest, met regen die onophoudelijk alles had doordrongen van ziekelijkheid. Hij zat in één van zijn stamcafés in de buurt van Sint-Pietersplein tegenover een zanger van een lokale metalband die erg luid praatte met een erg nadrukkelijk Antwerps accent.
“... kunnen er niets van. Ik ben het brein en ik bepaal alles, de creatieve richting, de teksten, zelfs de gitaarpartijen. Maar je kan niet alles zelf doen natuurlijk.”
De metalzanger heette Philippe maar liet zich door iedereen de zelfgekozen bijnaam Wolfskeel Grindgezang welgevallen. Tomas keek in zijn bier.
“Ja Wolfskeel,” zei één van de acolieten van de zanger, een boomlange blonde jongen met een vervaarlijk holle stem, “we hebben elkaar nodig.”
“Correctie,” verbeterde Wolfskeel hem, “jullie hebben mij nodig.”
“Vind je dat zelf niet arrogant?” vroeg Tomas toen terwijl hij het glas bier in zijn hand ronddraaide.
“Natuurlijk,” gaf Wolfskeel toe, “ik ben enorm arrogant. Maar zonder arrogantie raak je nergens.”
“Hoe komt het dan dat je geen platencontract hebt?”
Wolfskeels entourage leek even terug te wijken voor die vraag. Wolfskeel zelf leunde voorover. Hij had een knap gezicht dat er nog knapper had uitgezien als hij geen lang haar en een vreemde baard gehad had.
“De industrie oordeelt niet echt over talent,” zei hij, Tomas aankijkend, “ze kijkt of iets commercieel interessant is. De metalscène in Vlaanderen is te klein om mensen als mij te kunnen ondersteunen.”
“Er bestaan ook buitenlandse labels.”
Tomas nam een slok.
“Ja,” zei Wolfskeel met een zucht, “maar dat is zo’n fucking gedoe man. Je moet dat dan op een filesharer zetten, je verliest kwaliteit en voor hetzelfde geld stelen ze je ideeën.”
Tomas had Wolfskeel enkele weken voordien leren kennen op een kleinschalig optreden waar hij naartoe was geweest met een kennis. Ze waren daar aan de praat geraakt over Nietzsche. Een op het eerste zicht interessante conversatie was verworden tot deze cafépraat, waarin Wolfskeel voortdurend bezig was zijn ego aan het strelen en zijn bandleden af te breken.
“Dat kan goed zijn,” gaf Tomas toe, “maar het lijkt erop dat je arrogantie een schild is om te verbergen dat je onzeker bent over waar je mee bezig bent, en dat is nergens voor nodig.”
Hij zei het zacht en het leek alsof hij zichzelf van buiten zijn eigen lichaam waarnam.
“Ik ben niet onzeker. Ik ben echt zo arrogant,” zei Wolfskeel, nadrukkelijker Antwerps dan ooit.
“Dan ben je een lul,” zei Tomas na een ademtocht, “en ik ben weg.”
Hij stond op. Wolfskeel keek alsof hij Tomas zou aanvliegen, maar besloot, toen Tomas snel zijn jas aanschoot, om één van de leden van zijn entourage een klap te verkopen. Tomas maakte een inwendige aantekening dat het bier in De Handgranaat te lauw was, en had zin om in lachen uit te barsten.

“Ik begin kou te krijgen,” zei Lina met een blik op het bijna lege glas gin.
“Dan mag je teruggaan naar het bed,” zei Tomas, “ik kom zo wel.”
“Ik wacht wel even,” zei ze, alsof ze daarop een mysterieus antwoord verwachtte. Tomas zei niets. Hij dacht aan enkele uren terug, aan de stroboscopische lichten van de 'Nacho Libre', de hoge, plakkerige tafeltjes en de concentratie aan geparfumeerde, dansende lijven daar. Hoe hij daar alleen was aangekomen om drie uur ’s nachts, dronken van Duvel, en met willekeurige mensen was beginnen praten. Nu dit. Lina was de zesde in drieëntwintig dagen die hij mee naar huis had genomen, en de negende die hij gekust had. Ze was zonder twijfel ook de knapste.
“Wat doe jij soms om te ontsnappen aan... de gewone dingen, de sleur?” vroeg Tomas. Lina haalde de schouders op en keek naar de vloer.
“Uitgaan. Drugs. O, en ik maak collages.”
“Collages?” Tomas leegde zijn glas.
Opnieuw schokschouderde Lina. Haar huid was volmaakt, zonder littekens, zonder wratten, moedervlekken of mee-eters. Er was mogelijk aan gewerkt. Het gaf haar iets onmenselijks definitieloos.
“Foto’s van verschillende beroemdheden die ik op elkaar plak, zodat ze een ander gezicht krijgen,” glimlachte ze, “of allemaal hondensoorten bij elkaar die hetzelfde kleur vacht hebben.”
Tomas zette het glas neer.
“Wat doe je met die collages?”
“Ik bewaar ze in een grote map.”
“Ik toon ze trouwens nooit aan iemand,” voegde ze er snel aan toe met een schichtige blik, alsof hij haar ouder ging opbellen om te zeggen dat Lina, hun dochter die al vier jaar werkte bij een pakjesdienst, zich bezighield met onverantwoord nutteloze dingen.
“Het is nochtans het interessantste dat ik van je weet,” schatte Tomas. Hij besefte dat dat kwetsend kon geïnterpreteerd worden, maar Lina liet zich niet van haar stuk brengen of vatte die mogelijke interpretatie niet echt.
“Het is wat het is,” zei ze, “het is een leuke ontspanning.”
“Ja,” zei Tomas, zelf ontspannen, halfdronken, “dat moet het inderdaad zijn.”
“En wat doe jij, buiten postkaarten sturen naar onbekenden?”

Verder naar deel twee.