Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de verhalenafdeling daarvan. In 2016 bundelde en redigeerde ik (streng!) alle tot dan toe geschreven kortverhalen in de antologie 'Recombinant' en in 2023 bracht ik de novelle 'De keizer van Populië' uit - je kan beiden gratis downloaden als je Patron wordt. In 2020 verscheen mijn debuutroman 'Fragmentariërs'. In 2023 bracht ik de opvolger 'Constellatie' uit. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.
Posts tonen met het label zomer. Alle posts tonen
Posts tonen met het label zomer. Alle posts tonen

woensdag 27 maart 2013

Einde (III)

3. Laatste woorden

“Ik, Tja,” zeg ik, en laat dat laatste woord even tussen ons in hangen. Ons tempo is al wat vertraagd in de zon.
“Iedereen die belangrijk voor me is, laten weten dat ik heb graag zie, en daarna naar m’n familie rijden in Eeklo.”
“Het einde van de wereld in Eeklo,” zegt Frank plechtig, “het zou de titel kunnen zijn van een boek.”
“Het is misschien niet spectaculair,” geef ik toe met een schouderophalen, “maar als je erover nadenkt, gaan alle stranden, bergen en plekken met een mooi uitzicht toch al bezet zijn.”
Jelena trekt haar neus op.
“Inderdaad. Dan liever thuis zitten.”
“Maar misschien denkt iedereen dat, en blijft iedereen thuis,” oppert Frank.
We komen bij een open, ronde plek met in het midden een verweerd prieel. Er spelen twee kinderen. Alle bankjes errond zijn bezet.
“Dat zal ook wel niet,” zeg ik beslist. We blijven even staan om een groep andere mensen van onze leeftijd door te laten.
“Heb je die gast gezien met zijn zwart haar?” vraagt Jelena aan me als ze net buiten gehoorsafstand zijn. Frank draait zich om en fronst.
“Ja,” zeg ik, “knap, maar ziet er arrogant uit.”
“Die met die zonnebril in z’n haar?” vraagt Frank, met één opgetrokken wenkbrauw.
“Wat maakt dat nu uit?” vraagt Jelena, “je kijkt toch naar z’n gezicht en niet naar wat hij in zijn haar heeft.”
“Bovendien is het een warme dag en je kan je zonnebril niet altijd op hebben,” val ik haar bij. We komen weer in beweging.
“Ja, ok. Maar mannen met een zonnebril in hun haar komen altijd fout over. Ze doen met denken aan van die macho kmo-bazen van midden de veertig, je weet wel, met zo’n patserige Mercedes, een dure smartphone en een enorme eigendunk.”
“Iemand is jaloers hier,” zingt Jelena. Frank lacht.
“Niet echt.”
“Mijn vader is ook een kmo-baas van in de veertig,” zeg ik tegen Frank, een beetje beledigd door het karikatuur dat hij van dat soort mensen schetst.
“Draagt hij z’n zonnebril in zijn haar?” vragen Frank en Jelena.
“Hij is kaal,” zeg ik.
Nog drie jongens komen ons voorbij. De knapste van de drie heeft ook een zonnebril in zijn haar, en ik moet toegeven dat die er inderdaad arrogant uit ziet.
“Zie je wel?” zegt Frank. Hij heft z’n hoofd hoog en doet alsof hij van zijn sociologische triomf geniet.
“Ja, en toch maakt dat niet zo veel uit hoor,” vindt Jelena.
“Wat vind je daar dan van bij vrouwen?”
“Doen die dat ook, dan?” vraagt Frank zich luidop af, waarop hij zich al snel herstelt: “Ik ken er inderdaad een paar die dat doen. En ja, het gaat ook voor hen op. Meisjes met veel geld, meestal.”
“Je kan je ook duur kleden en toch arm zijn, als kleren je prioriteit zijn,” zeg ik.
“Dat zal je zeker wel al gezien hebben op je werk?” vraagt Frank aan mij.
“Bij sommige thuisbezoeken, ja. Slecht onderhouden huizen, diepvriesmaaltijden, apparaten die niet goed meer werken en de kinderen die bepaalde schoolboeken niet hebben, maar hun tweedehands-BMW is tot in de puntjes verzorgd.”
“Ik had ook ooit zo’n lief,” zegt Jelena, “en hij zei dat zijn huis hem niets uitmaakte omdat daar bijna nooit iemand kwam. Met zijn auto moest hij overal komen, en dat maakte veel meer indruk.”
“En toch zal ook dat niets meer uitmaken als de wereld ten onder gaat,” zeg ik, terwijl ik in de verte de heuvel in het park zie opdoemen, met keurig verspreide groepjes zonnebaders op handdoeken.
“Hij kan de ondergang tegemoet rijden in zijn BMW,” zegt Frank.
“Iedereen die een BMW heeft, mag er voor mijn part mee ten onder gaan,” zeg ik schamper, “of nee, laat maar zitten. Het zijn Audi-chauffeurs die tegenwoordig eikels zijn.”
“Zeker als ze een zonnebril in hun haar dragen,” voegt Frank er aan toe. Jelena lacht, maar houdt dan abrupt op.
“Kijk,” zegt ze, “weer een ijskraam.”
“Niet naar kijken,” zeg ik, terwijl snel achter haar kom en haar tegen hou aan haar frêle schouders, “dat is wat ze willen dat je doet!”
Frank overweegt om nog een sigaret op te stekken, maar wist het zweet van zijn voorhoofd en bedenkt zich.
“Maar... ik kan... er niet... weerstaan,” zegt Jelena, zwak worstelend in mijn greep. Frank kijkt ons zijdelings geamuseerd aan.
“En wat als ik trakteer?” stelt hij voor, “Ik denk dat we wel een pauze verdiend hebben, nu.”
“Ja!” zeggen Jelena en ik in koor. Ik pak Frank even vast.
“Beste vriend ooit!”
Hij glimlacht bescheiden, op een manier die hem moeilijk afgaat.
“Maximum twee bollen elk, wel,” voegt hij er aan toe.

Vijf minuten later zitten we in de schaduw van een laag muurtje gretig aan het roomijs te likken. We zijn nu zelf deel van het decor geworden waar we daarnet doormeanderden. Ik denk er even niet aan dat het zondag is, en morgen weer een werkdag. Ook andere zorgen zijn veraf, gaand van een afwas van drie dagen die nog moet gedaan worden tot en met een ex-lief dat ik onlangs weer tegenkwam en die me bij die hatelijke naam Alfredina noemde. Ik kijk naar Jelena en Frank, die dezelfde gemoedstoestand uitstralen – Frank die als een hagedis met zichtbaar genoegen ijs van z’n hoorntje wegsteelt, en Jelena die alleen maar verticaal likt.
“Er hangt een dot ijs aan je neus,” zeg ik tegen Jelena. Ze lacht en veegt ‘m snel af.
“Overkomt mij ook vaak,” zegt Frank, wiens lange neus inderdaad vervaarlijk dicht bij de bovenste bol van zijn ijsje komt.
“It was as if the world was one big Sunday afternoon. Nothing to do, nowhere to go,” citeer ik iemand waarvan ik de naam al vergeten ben.
“Verdomme toch,” zegt Jelena nu, tussen twee happen door, “het is echt wel een schitterende dag.”
“Misschien dat de wereld best op zo’n dag eindigt. Plots.”
De avondschemer zet zich langzaam verder.

maandag 25 maart 2013

Einde (I)


1. Niets nieuws onder de zon

De eerste aanzet van de schemer maakt zich kenbaar, maar dat is geen aanleiding voor de mensen die lui in het gras liggen, op dekentjes en met radio's, om naar huis te gaan. Het is een warme zomeravond. Met ons drieën wandelen we over de paden van het park. Ik slenter een beetje achter Jelena en Frank aan.
"Gaan we te snel?" vraagt Frank, die zich met een kwartslag omdraait. Zijn indrukwekkende neus snuift licht spottend.
"Jongens toch, het is wàrm. We hebben net gegeten. We moeten nergens heen."
"Dina heeft gelijk," zegt Jelena, die nu Frank aankijkt, "Het is geen wedstrijd snelwandelen."
Frank wacht een tel en wandelt dan tussen ons in aan een trager tempo. Ik ben blij dat Jelena me consequent Dina blijft noemen - mijn werkelijke naam vind ik vreselijk.
"Het zal wel goed zijn om het eten te doen zakken, zeker?" zegt Frank, terwijl hij op z'n buik klopt, die iets dikker is dan toen ik 'm laatst zag. Frank heeft een winterkop, en de zomer lijkt hem niet zo te bevallen.
"Absoluut," zegt Jelena opgewekt.
"En grote fysieke inspanningen leveren na de maaltijd is niet gezond, ook," voeg ik eraan toe. Ik voel me een reuzin tegenover Jelena en kom bijna op gelijke hoogte met Frank.
"Dat is een mythe, denk ik," zegt Frank nu, terwijl we een flauwe bocht nemen in de schaduw van een paar bomen, "al is er naar 't schijnt een oudovergrootvader van mij op die manier verdronken in de Schelde. Hij ging zwemmen na het eten, werd onwel en zo... Tja. Dat is wat ze zeiden."
"Zwemmen in de Schelde. Zouden we dat nu niet kunnen doen?" vraagt Jelena.
"Superkoud, volgens mij," zeg ik.
"Ik zou ook verdrinken," zegt Frank, "Ik ben nooit goed geweest in zwemmen."
"Het is tenminste een originele manier van doodgaan. In de Schelde springen en hup," zegt Jelena.
"Verdrinken schijnt inderdaad nog mee te vallen," zeg ik met een frons, terwijl ik uit een ooghoek zie hoe een groep jongens ons aangaapt, "Als je longen vollopen met water, voel je niets meer."
"Ja, maar er is altijd die eerste doodstrijd," zegt Frank, die een sigaret opsteekt, "die paniekreactie die je automatisch hebt. Dan zou ik toch liever anders aan mijn einde komen."
"Hoe dan?" vraag ik.
"In mijn slaap of zo."
"Dat is zo cliché," zegt Jelena, waarbij ze de laatste lettergreep lang laat hangen, "kom Frank, ik ben je creatiever gewoon. Bijvoorbeeld een gasexplosie, wat denk je daarvan?"
Frank glimlacht maar zegt niets.
"Hoe gaat het nog met Sven?" vraag ik aan Jelena in de stilte die erop volgt.
"O, dat is alweer een maand gedaan hoor," zegt ze luchtig, "uiteindelijk bleek hij toch wat te dom te zijn voor mij."
"Hm."
"Doe je dat nog vaak, je dates hier mee naar het park nemen?" vraagt Frank.
"En met de honden van het asiel gaan wandelen? Natuurlijk. Altijd een winnaar, dat idee," zegt Jelena.
Soms bewonder ik Jelena's vasthoudendheid aan haar losse relaties, die telkens volgens hetzelfde patroon verlopen. Ooit vond ik het een beetje triest dat ze altijd in dezelfde val leek te trappen, maar door haar de laatste twee jaar minder vaak te zien, ben ik er anders over beginnen denken. Het houdt haar levendig en het is een vrolijke vorm van zelfbedrog die ze nodig heeft - deze keer wordt het anders, 't is de ware, het zal voor altijd zijn.
"En bij jou?" vraagt Jelena aan mij.
"Niets nieuws onder de zon."
"Hier ook niet," zegt Frank, "intussen al anderhalf jaar."
"Anderhalf jaar zonder seks?" vraagt Jelena ongelovig.
"Mmh. Dat niet. Maar hoe minder ik daarover vertel, hoe beter."
Ik denk terug aan de avonden, vroeger, hoe we met ons drieën uitgingen en de onnozelste dingen zeiden en deden. Frank en Jelena belandden zelfs ooit in bed met elkaar.
"Trouwens," zegt Frank nu, terwijl we terug in het volle zonlicht komen, "over de dood gesproken, daarjuist. Neem nu dat de wereld gaat eindigen. Laat ons zeggen, binnen drie dagen. Het is onherroepelijk en iedereen zal doodgaan. Wat doen jullie?"
"Het is prachtig weer, en jij denkt aan de apocalyps," zeg ik.
"Ik denk altijd aan de apocalyps," zegt Frank, maar hij ziet me vanuit zijn ooghoek glimlachen.
"Wel, beantwoord dan misschien eerst je eigen vraag," zeg ik. Jelena valt me bij. Frank knort en gooit zijn sigaret weg.
"Jij rookt nooit je sigaretten volledig op," merkt Jelena op. Frank haalt zijn schouders op.
"Als het te warm is, warmt de filter mee op. Zeer onaangenaam."
Jelena schudt haar hoofd en kijkt even achterom naar de nasmeulende peuk. Ik denk eraan dat het jaren duurt eer zo'n filter volledig vergaat.
"Goed dan. Ik zou eerst," begint Frank, "mijn beste vrienden contacteren om te zeggen dat hen graag zie. Dat lijkt me niet meer dan logisch. En mijn familie ook."
Ik grimas onwillekeurig. Ik zou m'n familie nooit bellen.
"Daarna... allicht elke vrouw waar ik van denk dat ik er wel eens seks mee zou kunnen of willen hebben, opbellen."
"Zijn wij daar ook bij?" vraagt Jelena. Het is een totaal ongepaste vraag, maar ik denk er natuurlijk ook aan.
"Uiteraard."
Ik weet nu al dat ik nee zou zeggen. Ik ben niet in staat Frank als een volledig seksueel wezen te zien.
"Afhankelijk van m'n succes daarmee, zou ik me nadien compleet lamzuipen."
"Wil je het einde van de wereld dan niet bewuster meemaken?" vraag ik.
Frank haalt de schouders op.
"Het zal toch overroepen zijn, wat het ook is. Het is ook niet omdat ik stomdronken ga zijn, dat ik het niet zal meemaken, want slapen zal er ook niet in zitten."
Er valt weer een stilte. Vanop een heuveltje klinkt reggae. Verderop voetballen drie jongens en een meisje.
"Nu jullie," zegt Frank, "Wie eerst?"
Jelena en ik kijken elkaar even aan. Ik knik haar toe dat zij maar moet praten.



Verder naar deel twee.