Smakeloos
“Wat eet jij vandaag?”
“Broodje smos, zoals anders,
Stefaan,” zegt Guy.
Korte stilte. Vier mannen eten. Een
milde bries speelt door de randen van de inpakpapieren van de maaltijden.
“En jij, Stefaan?”
“Boterhammen gesmeerd door mijn
vrouw. Smaken slecht,” zegt Stefaan, en hij meent het, maar iedereen lacht.
“Ik eet stront,” zegt Ivo.
“Ook broodje hier,” zegt Marc,
“broodje martino.”
“Niets voor mij,” zegt Guy. Stefaan
knikt: “dan nog liever de boterhammen van mijn vrouw.”
Als om dat kracht bij te zetten,
neemt Stefaan een fikse hap uit een boterham veganistische paté, gesmeerd op
waldkornbrood. Zijn vrouw koopt niks anders meer qua brood sinds ze de familie
verplicht op een meer milieubewust dieet heeft gezet in 2019. Stefaan weet dat
die diepbruine broden niks meer zijn dan marketing om brood te verkopen dat
smaakt naar zaagsel, maar hij is tegelijk te lui om zelf te koken, inkopen te
doen en dus boterhammen te smeren, dus ondergaat hij het maar.
“Ik eet stront,” zegt Ivo.
“Het broodje martino is nochtans in
Gent uitgevonden,” verdedigt Marc zijn middagmaal, “echt een klassieker.”
“Dat maakt nog altijd niet dat het
goed smaakt,” vindt Guy.
“Dat is jouw mening,” zegt Marc.
“Ik blijf erbij. Zure préparé: bah,”
zegt Guy misprijzend.
“Goh ja, het is niet alsof jij het
moet eten, toch?” zegt Marc.
“Hey jongens, ik eet stront,” komt
Ivo ertussen, met wat bruin rond zijn lippen.
“Ik moet mijn boterhammen jammer
genoeg wel eten,” zegt Stefaan, die moeilijk doorslikt, “ik heb geen keuze.”
“Je wil gewoon je eigen boterhammen
niet smeren, Stefaan,” zegt Marc hooghartig. Guy grinnikt en neemt nog een
stevige hap uit zijn krokant broodje smos. Wat een heerlijke smaak, denkt hij.
“Ik heb geen tijd, dat is het
probleem,” probeert Stefaan.
“Je kan ook een broodje kopen, man,”
zegt Guy met zijn mond vol.
“Mannen, ik eet stront. Stro-ont,”
komt Ivo weer tussen, voor hij enthousiast een kogelrond drolletje naar binnen
duwt.
“Ja, waarom koop je niet gewoon een
broodje?” vraagt Marc. Stefaan haalt zijn schouders op: “Broodjes zijn niet
goedkoop hé. Hoe veel hebben jullie betaald voor dat broodje? €5? €7? Dat is
toch gewoon waanzin.”
“Het was €4,9,” zegt Guy, die z’n
mond afveegt, “en ja, dat is wel redelijk veel. Maar nu ook geen kost waardoor
ik plots de huur niet meer kan betalen.”
“Stro-ont! Ik vreet stront!” zegt
Ivo, wiens lippen nu volledig bruin zijn. De geur die uit zijn inpakpapier komt
is ook niet langer te ontkennen.
“Maar denk daar eens over na,” zegt
Stefaan, die zijn brooddoos dichtdoet, “€4,9, laten we zeggen 20 dagen per
maand, dat is toch al bijna €100. Dat is niet niets! Allez, denk er eens over
na. Dat is €1.200 per jaar. Dat is geld waar je al op citytrip mee kan.”
“Ja Stefaan?” zegt Marcs, die het
laatste stukje van zijn broodje bijna opeet, “hoe veel citytrips per jaar doe
jij dan?”
“Geen, want ik heb ook vier
kinderen,” antwoordt Stefaan trots.
“Stront stront stront!” roept Ivo,
die nu opgestaan is en rondrent alsof hij een regendans uitvoert. Op de grond,
op de arduinen kroon over het muurtje waar de anderen nog op zitten, overal
zijn er bruine vlekken. Ivo gooit wild z’n armen omhoog en een strontje vliegt
op Marcs kale kop.
“Dat… ja,” geeft Marc toe, “als je
vier kinderen hebt moet je inderdaad serieus kijken naar alle kosten. Ik heb er
twee en het kost me nu al een arm en een been.”
Ook Guy is ridderlijk: “Ik versta
het. Ik heb geen kinderen, maar het leven is erg duur. Zeg, Stefaan, wat als we
jou de volgende keer trakteren op een broodje?”
Marc knikt: “Ja! Ik doe mee.”
Stefaan lijkt eerst te overwegen dat
Guy’s voorstel een grap is, maar ziet dan dat het een ernstig voorstel is. Dan
denkt hij dat hij het superieure medelijden van zijn collega’s niet hoeft.
Direct daarop begrijpt hij dat z’n collega’s het echt willen doen omdat ze
verstaan dat hij de veganistische paté-boterhammen van zijn vrouw haat. Die
boterhammen dan weggooien op dagen dat ze hem een broodje zouden trakteren –
zou dat niet trouweloos zijn tegenover zijn vrouw? Hij haalt diep adem: “Ik…
weet je wat, ik ga er eens over spreken met mijn vrouw.”
Ivo rolt over de grond, hijgend:
“stront, stront, stront, ik eet, ik vreet stront, kak, shit, merde, Scheiße,
lekker lekker lekker.”
Guy kijkt op zijn horloge: “Ik denk
dat we terug naar binnen moeten?”
“Nu al?” reageert Marc, die op z’n
telefoon kijkt, “Och God, ja. Blijkbaar.”
“De tijd vliegt als je eet,” weet
Stefaan.
Ivo staat op en veegt zijn mond en
kleren af. Marc en Guy dumpen de inpakpapieren van hun broodjes in een nabije
vuilnisbak. De vier collega’s gaan terug naar binnen.
A²+B² = X²
Hun rookpauzes nemen de twee Lena’s
altijd samen. De ene heet Lena De Boer en is 23 en de andere heet Lena
Taverniers en is 46. Op klokslag 10:30 gaan ze naar buiten. Lena De Boer werkt
op de verkoopafdeling, Lena Taverniers werkt op legal. De Boer rookt Pall Mall,
Taverniers Belga. Op die tien minuutjes hebben ze het steeds over filosofische
onderwerpen.
De Boer: “Als moraliteit niet
relatief is, welke moraal heeft dan meer gelijk?”
Taverniers: “Wat als mijn ex-man een
kleine lul had?”
De Boer: “Waarom lijkt een ideologie
als kapitalisme onvermijdelijk?”
Taverniers: “Waarom ziet mijn baas
eruit als zo’n handpop met menselijke handen uit ‘het Liegebeest’?”
De Boer: “Als esthetiek een rol
speelt bij de partnerkeuze, was homo sapiens 10.000 jaar geleden dan veel
lelijker?”
Taverniers: “Wat als Immanuel Kant
zwart was geweest?”
De Boer: “Bestaat er naast de
fameuze ééndimensionale man ook nog een nuldimensionale man die de ideale
scroller is en zelfs geen geld meer uitgeeft aan consumptie, enkel aandacht in
de aandachtseconomie?”
Taverniers: “Hoe stond Pythagoras
tegenover zijn eigen scheten?”
De Boer: “Is een collectieve
verkeerde herinnering even waar als een collectieve vergeten herinnering?”
Taverniers: “Wie was de grootste
basic bitch onder de filosofen en waarom was het Rawls?”
De Boer: “Als je leren lezen niet
kan ont-leren tenzij door hersentrauma en het schrift jonger is dan de mens
zelf, waarvan komt die capaciteit dan?”
Taverniers: “Waarom komen er bij
ontvoeringen door aliens altijd anale sonderingen aan te pas?”
De Boer: “Is alle bedrog niet
uiteindelijk een vorm van zelfbedrog?”
Dieselslangen
Elke woensdag gingen Paolo en Ismaïl
samen naar het tankstation om hun auto’s vol te tanken, een koffie te drinken
en een kleine snack te kopen. Een jaar geleden wisselden ze voor de lol van
wagen tijdens de tankbeurt, om dan weer in hun eigen wagens te kruipen voordat
ze de terug de weg op reden. Na een dikke maand wisselden ze van snacks. Eén
enkele keer van kleren. Eén van hen (ze wisten nadien niet meer wie) stelde
toen voor: “wat als we wisselen van vrouw? Voor de grap natuurlijk. Ik bedoel,
tenzij? Tenzij wat?” Het idee liet hen niet los. Ze spraken er thuis niet over,
maar spraken er bij hun woensdagse tankbeurt des te meer over. Het idee wond
hen ongelooflijk op, ook al ontkenden ze het eerst tegenover elkaar. Ze konden
niet meer zeggen wie eerst was, maar na een tijdje begonnen Paolo en Ismaïl
elkaar af te trekken terwijl ze erover praatten, nu eens in de ene auto, dan
weer in de andere, altijd afwisselend, soms met de kleren aan van de andere
man. Ze dronken hun (of elkaars) koffie, aten hun (of elkaars) snack daarna
alsof er niets gebeurd was. Maar beide mannen hadden al lang stilzwijgend
beslist dat de woensdag-tankbeurt het hoogtepunt was van hun week. Niemand
anders wist er iets van, en hoe konden ze het ook aan iemand vertellen? Het was
toch gewoon een grap? Iets onder vrienden en collega’s? Niks serieus. De eerste
onderlinge pijpbeurt – gewoon een goeie, onder maten. De eerste keer dat ze
lingerie van hun vrouwen meebrachten in de wagen – legendarisch lachen. Ze
babbelden zoals anders over voetbal, hun vervelende bazen en die collega die
binnenkort toch wel op pensioen moest gaan. Maar toen kreeg Ismaïl een
bedrijfswagen, een elektrische. Het tankstation had wel laadpalen, maar het was
niet meer hetzelfde. Ze probeerden de traditie nog in stand te houden: een
indiscrete blowjob terwijl Paolo praatte over wat zijn vrouw zou doen met
Ismaïl of omgekeerd, een vlugge handjob terwijl ze het hadden over hoe sexy hun
vrouwen waren, maar, het was fundamenteel anders als Paolo daar stond met de
dieselslang en Ismaïl even verderop zijn batterij oplaadde. De snacks van het
tankstation waren ook veranderd. Het worstenbroodje had een nieuw recept (meer
lucht, minder kruiden). De porties koffie waren duidelijk kleiner geworden. De
tankbeurt op woensdag was langzamerhand een angstig, verplicht nummer geworden.
Ze lachten nog met hun mond, maar niet langer met hun ogen. Tot Paolo de
dieselslang in zijn eigen mond stak. Iedereen huilde op zijn uitvaart, Ismaïl
nog het meeste van al.
Schaamwoensdag
“Ik schaam mij in het feit dat ik
arm ben,” zegt Hugo, terwijl hij zijn potje yoghurt opent. Hugo is een lange,
magere man met grijs haar. Alles aan hem lijkt verticaal, met zijn lange,
knokige benen en handen en zijn smal gezicht met een groot voorhoofd.
“Hoezo je bent arm?” vraagt
Krzysztof, die een droge worst eet. Samen met hun collega Gisa zitten ze voor
een doorzonvenster in de piepkleine eetruimte van het magazijn. Vandaag is de
baas er niet. En dat betekent bekentenissen tijdens de lunch.
“Het is toch niet alsof je hier poen
kan rapen met deze job, toch?” zegt Hugo, alsof dat vanzelfsprekend is. Hij
gebaart vaag rond.
“Dat niet, maar arm? Kom je
niet rond?” vraagt Krzysztof. De Poolse collega spreekt bijna accentloos
Nederlands en heeft een rond, rozig hoofd dat kalend is.
“Nauwelijks,” zegt Hugo zuinig, “ik
ben een man alleen, moet alleen mijn huur betalen, alleen inkopen doen, alleen
mijn water- en energiekosten betalen. Als je samenwoont, valt dat voordeliger
uit.”
“Dat begrijp ik,” valt Gisa in. Gisa
heeft donkerbruin haar, grote ogen die even donker zijn en een rond figuur. Ze
draagt bijna altijd lange jurken waardoor ze soms op een parasol lijkt, “Voor
ik mijn meneer leerde kennen, was het ook moeilijker om rond te komen.”
“Maar je kan dan ook niet sparen of
zo?” dringt Krzysztof aan, alsof er een logische oplossing is voor Hugo’s
geldproblemen. Die schudt gewoon traag z’n hoofd en eet yoghurt.
“Allez, ik dan,” zegt Gisa, die een
glas water drinkt en het neerzet, “ik schaam mij omdat ik een hekel heb aan
gehandicapten.”
Beide mannen kijken haar verbaasd
aan. Gisa verklaart: “ik weet dat die mensen daar niets aan kunnen doen, en
mijn hekel speelt niet zo sterk op als ik bijvoorbeeld iemand zie die blind is,
of in een rolstoel zit. Het zijn specifiek gehandicapten die… nu ja, je mag dat
niet meer zeggen, die we spasten noemden. Die zo plots beginnen roepen of
gillen. Of die onverstaanbaar wauwelen terwijl ze erbij kwijlen.”
“Maar Gisa,” zegt Hugo geschokt,
“wat als het jouw kind was, of, ja, je broer of zus of zo?”
“Het is trouwens “personen met een handicap”,”
komt Krzysztof er wijsneuzerig tussen, “door “gehandicapte” te zeggen reduceer
je mensen tot hun handicap.”
“Ik weet dat het erg is,” geeft Gisa
toe terwijl ze haar handen omhoog gooit, “ik zeg ook niet dat ik die mensen
dood wil of zo hé? Ze ergeren me gewoon. Ik ben er als de dood voor als zo’n
gehandicapte – sorry, persoon met een handicap – me zo benaderen op straat of
in de winkel. Ik snap niet dat we moeten doen alsof dat guitige of vertederende
mensen zijn.”
“Je haat hen niet, je bent bang
van hen,” preciseert Krzysztof.
“Beetje van beide misschien,” zegt
Gisa weifelend, nu naar het tafelblad kijkend. Het is een tel stil. Als vanzelf
is de aandacht nu op Krzysztof gevestigd. Zijn worst is weggewerkt. Hugo’s
yoghurt is ook klaar.
“Ik schaam mij soms in mijn
landgenoten,” zegt Krzysztof dan gedecideerd. Hij kijkt langs zijn twee
collega’s door het venster met vernauwde ogen: “Dit land is goed voor mij
geweest, en voor mijn gezin. Maar als ik soms andere Polen tegenkom… spreken
geen of heel slecht Nederlands, hebben geen manieren, lopen er de kontjes van
af –”
“– de kantjes, Krzysztof,” verbetert
Hugo hem.
“Ja, dat. Dan wil ik niet dat die
mensen weten dat ik ook een Pool ben. Ik schaam mij in hen. Dan is het of ik
zie al de vooroordelen die mensen ooit gehad hebben over mij, waarheid worden
bij hen, snap je?”
“Maar er zijn toch overal mensen die
geen manieren hebben, of lui zijn?” zegt Gisa.
“Ja ja,” zegt Krzysztof, “maar de
Vlaming wordt hier niet gezien als een groep, snap je? Er zijn natuurlijk luie
Vlamingen, maar die zijn uitzonderingen. Maar als buitenlander ben je per
definitie een luie profiteur en moet je tegendeel bewijzen.”
Hugo verbetert hem niet, maar knikt:
“Daar… ja, daar zit wel iets in.”
Gisa kijkt op haar telefoon: “Het is
13:01. Tijd om weer aan het werk te gaan, jongens.”
Krzysztof glimlacht: “Goede
schaamwoensdag.”
Hugo glimlacht ook: “Ja. Fijne
middag.”
Hel
“Je denkt dat dat grappig is hé, een
kapper voor kale mensen? Haha. Goed gevonden. Iets wat een “creatieve” schrijver
bedenkt, een “geestige” comédienne, een cabaretier die steeds “een zorgeloze
avond voor het hele gezin” belooft,” oreert Olivia, die de grote lift in stapt
die haar naar het 124ste zal brengen, samen met John, haar
ineengedoken assistent. Olivia lijkt op een berin of een ouderwetse gravin die
al haar hele leven jaarringen rond zich verzamelt in volume, maar er nooit
onder instort, integendeel, elke nieuwe laag vet symboliseert een toename van
haar macht in het bedrijf. John steekt er bij af als een misvormd stukje
houtskool.
“Nee, ik vind dat niet grappig,”
probeert John.
“Toch toch,” zegt Olivia terwijl de
liftdeuren zich sluiten, “Ik wed dat je ook ooit hebt gelachen met dichters die
trots de frase “rijmen en dichten zonder uw gat op te lichten” hebben gebruikt,
of nog beter, je hebt dat zelf ooit gezegd en je vond dat heel grappig.”
Olivia haalt een pijp uit haar
binnenzak. John kijkt naar de liftvloer.
“Ga je nog drukken op de knop of
wat?” snauwt Olivia hem toe. John schiet vliegensvlug in actie en drukt op de
juiste knop. Olivia kent de lift zoals een zeeman zijn boot kent, en de korte
verandering in zwaartekracht speelt geen rol bij het stoppen van haar pijp.
“Je mag hier niet roken,” stamelt
John.
“Ik doe wat ik wil,” zegt Olivia,
letterlijk verbeten, met het mondstuk van de pijp tussen haar tanden. De eerste
acht étages zijn al gepasseerd.
“D-dan mag ik toch ook leuk vinden
wat ik leuk vindt?”
“O,” zegt Olivia sardonisch, “dat
mag je zeker. Jij mag natuurlijk lachen met die kutmopjes van de
Druivelaar, of zitten nabazelen dat die hondsvodden die ze op tv opvoeren als
intellectuelen “toch wel erg slim zijn”. Mijn beste John,” en ze puft even rook
uit, “je mag je uiteraard verdedigen dat die lelijke jas van je “toch erg
praktisch” is, of denken dat anderen je niet haten als je pas begint na
te denken over je bestelling in de frituur als het pas jouw beurt is en
daardoor de hele rij ophoudt. Of dat je, als je al eens echt op restaurant
gaat, de menukaart zit te bestuderen alsof het een talmoed-examen is maar
uiteindelijk toch altijd steak bien cuit bestelt met frieten. Of “haha ze laten
hier alles binnen” zeggen tegen je beste vriend die op café binnenkomt en dan
allebei lachen.”
Ze zitten over de helft. John wil
gewoon dat het stopt.
“Het punt is,” zegt Olivia, wier
rook nu de hele liftcabine vult en traag neerkrult, alsof ze op een ouderwetse
showbizzvloer staan met droog ijs, “niet dat je dat allemaal niet mag, maar dat
het zo verdomde ellendig is allemaal. Zo smakeloos. Zo beige allemaal.”
“Kunnen we professioneel blijven?”
slaagt John er nog in te piepen, voordat hij begint te hoesten. De liftcabine
is zo warm. Verdiep 80 komt in zicht.
“Professioneel?” Olivia slaat met
een berenpoot op zijn schouder, waardoor hij bijna voorover klapt, “Het is nog
steeds pauze, en madam is er niet, hier kunnen we zijn als vrienden
onder elkaar, nietwaar John? En kan ik je zeggen dat je zelfs niet cool bent in
wat je niet leuk vindt, want iedereen vindt Niels Destadsbader een gladjanus,
smeuiige en neerbuigende postjes schrijven over Tomorrowland doet zowat elke
idioot die gewoon nooit heeft aanvaard dat elektronische muziek gewoon muziek
is, je vrouw lacht enkel met je “rake opmerkingen” over toppolitici omdat ze
beleefd wil zijn of gewoon even beige is als jij en ik weet niet wat erger is,
en letterlijk iedereen en zijn moeder hebben “bedenkingen” bij massatoerisme
maar hebben al allemaal de Sagrada Familia gezien of hebben een bomma met een
foeilelijk jaren ’70-appartement in Westduinkerke of Duinbrugge.”
Verdiep 120.
“Het is Oostduinkerke,” zegt John
gepijnigd. De lift gaat open en de vlammen slaan haast in hun beider gezichten.
Olivia blijft onbewogen.