Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de verhalenafdeling daarvan. In 2016 bundelde en redigeerde ik (streng!) alle tot dan toe geschreven kortverhalen in de antologie 'Recombinant' en in 2023 bracht ik de novelle 'De keizer van Populië' uit - je kan beiden gratis downloaden als je Patron wordt. In 2020 verscheen mijn debuutroman 'Fragmentariërs'. In 2023 bracht ik de opvolger 'Constellatie' uit. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.
Posts tonen met het label emotie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label emotie. Alle posts tonen

donderdag 6 september 2012

De presidenten (III)

3. Angst

Bij het dessert volgde er een korte discussie over het verschil tussen roomijs en softijs en of dat eigenlijk niet hetzelfde was. Mr. Duplo had nostalgische herinneringen aan de rondtrekkende ijsbestelwagens van IJsboerke, terwijl James zich dan weer levendig herinnerde hoe de vlagjes van Ola buiten aan de kruidenier betekenden dat het weer zomer was.
"Enfin," zei James toen, die zijn mond afveegde en zijn lepel in zijn lege ijscoupe legde, "het is tijd voor de angsten."
"Daar ben ik goed in," zei Mr. Duplo. Maarten, die de vorige keer naar eigen zeggen 'bang was van alles', grimaste: "daar kan je wel eens competitie in krijgen."
"Battle of the broekschijters," zei Volkan.
Beiden lachten en James glimlachte minzaam.
"Wie begint dan?" vroeg James.
"Maarten is nog niet klaar met z'n dame blanche, dus laat mij maar beginnen," zei Mr. Duplo, terwijl hij zich een strijdvaardige houding aanmat.
"Ik heb onlangs beseft dat ik bang ben dat er een dag komt dat ik wakker word en besef dat ik geen vrienden meer heb. Ik bedoel niet kennissen, maar echte vrienden. Rondom mij zie ik mensen trouwen, één maat heeft intussen al een zoontje van een jaar, en ik heb ook mijn eigen bezigheden met de kookclub, mijn taalcursus en bijvoorbeeld dit. Maar stukje bij beetje zijn we allemaal uit elkaar aan het drijven. Ik weet niet waar dit gaat eindigen en misschien denk ik er liever ook niet over na."
"Heb je die angst vooral niet omdat je single bent?" vroeg James.
"Daar heb ik ook aan gedacht," gaf Mr. Duplo toe.
"Als je ouder wordt, vergen vriendschappen meer onderhoud," zei Maarten, die nu als laatste klaar was met zijn dessert, "en ik denk dat koppels het daar tegelijk moeilijker in hebben en ook makkelijker. Ze hebben elkaar wel, maar als dat eindigt als ze 35 zijn of zo, staan veel mensen plots helemaal alleen. Ik heb het gezien bij twee collega's."
"Er zijn weinig mensen met échte vrienden," zei Volkan somber, "niet dat dat je angst gaat wegnemen, Mr. Duplo, maar het is al iets dat je je die mogelijkheid inziet. Je gaat jezelf nooit wijsmaken dat mensen vrienden zijn die het niet zijn."
Mr. Duplo leek iets te gaan zeggen, maar zweeg toen. Hij gebaarde naar Maarten.
"Wel," zei Maarten, waarbij hij even over zijn haviksneus en voorhoofd wreef, "ik heb de vorige keer gezegd dat ik bang ben van alles. Dat is nog altijd zo. Ik ben bang om beroofd te worden, om ontslagen te worden of om ontmaskerd te worden als een nepintellectueel. Maar echte angsten in de existentiële zin heb ik eigenlijk niet. Dus voor deze avond: pas, sorry jongens."
"Er is inderdaad een verschil tussen bang zijn en angst hebben," zei Mr. Duplo.
"Steekt het zo nauw?" vroeg Volkan. Hij slurpte van zijn koffie.
"Niet zo, vind ik," zei James, "maar voor één keer is het goed, Maarten. Volkan, heb jij nog iets te zeggen?"
Hij zette zijn koffie neer en haalde adem. Hoe lang de stilte duurde vooraleer één van de vier sprak, was meestal een goeie indicator over hoe diep een bepaald gevoel woog.
"Ik ben soms bang dat seks mij niet interesseert."
Verbaasde blikken.
"Ja, ik zie jullie kijken," zei Volkan zonder de drie anderen aan te kijken, "hoe kan dat nu en zo. Maar dat is het punt juist. Ik ben er nooit erg in geïnteresseerd geweest en ik ben zeker dat ik ook geen homo ben. Het voorbije jaar heb ik al twee keer een meisje afgewezen dat duidelijk seks wilde."
"Misschien waren ze niet knap genoeg?" bood Mr. Duplo aan.
"Dat was het niet echt. Ik had gewoon geen zin in dat... gedoe."
"Maar... je zit dan al een jaar zonder?" vroeg Maarten. Volkan knikte en leunde weer tegen zijn muur.
"Tja," zei hij met een handgebaar, "ik voel er mij niet slecht over. Ik voel er mij alleen slecht over dat mensen vinden dat ik er mij slecht over zou moeten voelen."
"Beter dat dan van frustratie een vrouw verkrachten," zei James achteloos.
"Verkrachters ontstaan niet op die manier," zei Maarten.
"Nee?" James trok zijn wenkbrauwen op.
"Het verklaart alleszins waarom de hoeren je niet interesseerden," zei Mr. Duplo tegen Volkan, die verlegen glimlachte.
"Dat kan goed zijn."
Aan de tafel naast hen vertrok een uitgelaten gezelschap met veel complimenten aan de chef.
"James, ik denk dat het jouw beurt is," zei Maarten toen. James knikte.
"Ik weet het. Ik was nog aan het nadenken," zei hij, terwijl hij met zijn lepel tegen zijn mond tikte, en hem toen neerlegde.
"Wel dan, ik ben bang - of ik heb de angst, nietwaar Maarten," zei hij toen het andere gezelschap buiten gehoorsafstand was, "dat dit min of meer mijn leven zal blijven. Ik weet niet hoe het zit met jullie, maar bijna iedereen heeft ooit gedroomd over roem, over macht of over een geweldige carrière. In de praktijk leiden de meeste mensen een gewoon leven, en het lijkt me dat de meeste mensen dat ook ok vinden. Ik niet. De hoop dat ik zou opgepikt worden via mijn fotowerk of dat ik op één of andere manier een plotse promotie zou maken, is nooit weggegaan. Toch besef ik elk jaar dat de kansen altijd maar kleiner worden. Ik kan daar niet goed mee omgaan en ik ben bang dat ik misschien niet als Mr. Duplo wakker ga worden op een dag en beseffen dat ik geen vrienden heb, maar eerder zal moeten inzien dat dit het is. Dat er geen volgend hoofdstuk komt."
"Het is een vorm van irrelevantie op een andere manier," zei Mr. Duplo, "maar ik kan erin komen wat je zegt."
"Hm, ik weet bijvoorbeeld dat we hier in Gent met klein links ook nooit meer dan 5% zullen halen," zei Volkan met een schouderophalen, "maar het idee dat ik andere mensen heb kunnen overtuigen, of hun leven op een goeie manier heb kunnen beïnvloeden, is genoeg. Daar moet je niet rijk of beroemd voor zijn."
"Dat is zeer charmant," zei James, die zijn best deed niet al te neerbuigend te klinken, "maar het is niet wat ik wil."
Volkan haalde opnieuw de schouders op.
"Nee, ik versta je wel," trad Maarten James bij, "maar ik ben één van die mensen die er al vrede mee genomen heeft."
"Jij werkt voor de univ. Het kan zijn dat je professor wordt."
"Het is alleszins niet meer mijn ambitie. We zien wel. Iets te veel willen kan er juist toe leiden dat je niks krijgt."
James keek verstoord.
"Ik wil er nu mijn voet niet in zetten," zei Mr. Duplo toen, "maar ik heb de ober zien kijken naar ons. Misschien vragen we best de rekening."

Verder naar deel vier.

woensdag 5 september 2012

De presidenten (II)

2. Bekentenis

Van het restaurantbezoek en het gesprek leek het onderdeel van de bekentenissen op het eerste zicht steeds het interessantste, maar omdat de vier mannen elkaar buiten de bijeenkomsten weinig zagen, viel dat in werkelijkheid vaak tegen. De personen die in de verhalen of bekentenissen figureerden, waren vaak vage kennissen, geen gemeenschappelijke vrienden.
"Omdat ik bij het vorige onderdeel niks te zeggen had, zal ik nu beginnen," zei James plichtbewust als een patron, terwijl hij de drie anderen beurtelings aankeek, "Het is eigenlijk iets waar ik maar zelden bij stilgestaan heb: ik steel van mijn werkgever. Niet in de letterlijke zin zoals materiaal stelen of geld versluizen naar mijn rekening, maar gewoon door het werk op bepaalde manieren te saboteren. Ik doe alsof ik erg veel werk heb, maar eigenlijk zou ik al mijn weektaken gerust kunnen doen op één dag. Daardoor vraag ik me soms af of er nog véél zulke mensen zijn. Elke keer als iemand me zegt dat hij het druk heeft, vermoed ik dat hij liegt. Dat iedereen net als ik de ganse dag zit te surfen op het internet, naar muziek luistert of beursberichten volgt.”
“Ooit al een carrière bij de overheid overwogen?” vroeg Mr. Duplo op zijn gebruikelijk flegmatieke manier, “Ik heb daar drie zomers na elkaar een vakantiejob gedaan via mijn moeder. Daar zaten mensen die van doen alsof ze aan het werken waren, een kunst gemaakt hadden.”
“Mijn baan is best goed betaald,” zei James, “en daar schaam ik me in.”
“Ik zie niet in waarom,” pikte Volkan daarop in, “het is de schuld van de werkgever dat zij jou dit zo makkelijk laten doen. Zou je meer willen werken, mocht er meer werk zijn?”
“Ik weet het niet. Er zijn altijd wel manieren om het zo efficiënt aan te pakken dat er weer tijd zal over zijn.”
“Hm,” zei Volkan slechts, waarna hij een grote hap vis nam.
“Je moet oppassen voor een bore-out,” zei Maarten, die met zijn mes in James’ richting wees, “ooit van gehoord? Nee? Een burnout kan je krijgen door constant overwerk, een bore-out door constant, tja, onderwerk. Mensen met een bore-out kunnen voorgoed verbrand raken voor de arbeidsmarkt. Misschien moet je overwegen toch een andere job te zoeken.”
James knikte maar zijn gezichtsuitdrukking verried een zekere vrijblijvendheid.
“Iedereen kijkt,” zei Maarten met een glimlach, “dus het is mijn beurt, zeker?”
Het was stil. Hij schraapte zijn keel, en had al een blos van de wijn.
“Wel, ik ben onlangs naar de hoeren geweest,” zei hij, terwijl hij met zijn vinger langs een restje saus op de rand van zijn bord ging, en toen de rest terug aankeek, “Ik kwam terug van een feestje dat veel te vroeg gedaan was, en besloot een omweg te nemen. Ok, ik was dronken, maar dat is nu ook geen excuus.”
“Hoeveel heb je betaald?” vroeg Mr. Duplo met een frons. De anderen lachten.
“Zestig euro.”
Mr. Duplo floot geluidloos.
“En was het goed, eigenlijk?” vroeg Volkan.
Maarten haalde ongemakkelijk de schouders op.
“Niet echt. Geldverspilling als je ’t mij vraagt. Het is ook allemaal zo fake. Bovendien stelde ik me nadien vragen of ik op die manier niet mee aan het werken was aan uitbuiting van vrouwen. En toch kon ik er niet aan weerstaan. Het gebeurt ook niet alle dagen dat een vrouw met weinig kleren aan naar me wenkt vanachter een venster.”
“Dat is een lastige kwestie,” zei James met een ernstige plooi op zijn knappe gezicht.
“Mja,” zei Volkan lui, “er zitten er altijd tussen met een pooier, zelfs hier. Dat is niet zo fijn natuurlijk. Ik snap wel niet goed hoe je daar een verleiding in ziet, Maarten. Die willen gewoon zo veel mogelijk verdienen. Ik ben al een paar keer door de buurt gewandeld met maten, en ik heb toen ook niet zo goed verstaan wat die er zo geweldig aan vonden.”
Maarten haalde diep adem en nam een slok wijn.
“Een bekentenis is een bekentenis.”
“Het was een mooie,” vond Mr. Duplo, die nog steeds zat te fronsen.
“Ik zal de volgende gelijk voor m’n rekening nemen,” zei Volkan strijdvaardig. Zijn bord was volledig leeg. Hij keek de andere drie mannen elk om beurt aan, en zijn blik bleef toen rusten op James.
“James, mag ik het nummer van je zuster?”
Mr. Duplo en Maarten lachten luid. James’ mond lachte, maar zijn ogen tot zijn eigen verbazing niet.
“Hoe ken je haar?”
Volkan leunde achterover tegen de muur.
“Ik doe vrijwilligerswerk in een kringloopwinkel, en zij werkt daar soms ook met een vriendin. Ik herkende haar van op een feestje ergens, en heb kort met haar gesproken, maar nu werkt ze er niet meer en ik weet niet hoe ik haar moet contacteren.”
“Tja. Ze is een volwassen vrouw. Waarom vraag je haar haar nummer zelf niet?”
“Hoe dan?”
“Facebook,” suggereerde Mr. Duplo.
“Ik zit niet op Facebook,” zei Volkan, “ik ben niet bezig met dat hele sociale mediagedoe.”
“Ik pas om hier commentaar op te leveren,” zei Maarten, waarop hij zich bedacht: “hoewel Volkan, had jij ook geen knappe zus?”
Volkan lachte even gespannen als James zoëven.
“Nee, nee. Maar... ja, raar hé,” grinnikte hij idioot, “Mijn vrienden en ik maakten altijd moppen over elkaars moeders en zusters, maar als er ook maar één van ons een vinger naar zou uitgestoken hebben, amai. Het is primitief, in feite, maar je ontsnapt er zelf niet aan.”
“Ik vind het gewoon een rare vraag, dat is alles,” zei James, die weer zijn charmante zelf was, “maar hier heb je ’t nummer. Wees vriendelijk.”
Hij gaf een nummer door dat hij op een servet geschreven had. Volkan maakte een dankbaar handgebaar en vouwde het servet op als een kostbaar juweel.
“Het zal er niet aan mankeren,” verzekerde hij James met een extra zwaar Gents accent.
“Nog drank, iemand?” vroeg Mr. Duplo.
“Is het niet eerder tijd voor een dessert?” vroeg Volkan opgeruimd.
Nadat de ober hun bestelling was komen opnemen, was het nog Mr. Duplo’s beurt om een bekentenis op tafel te gooien.
“Ik kom de dag niet door zonder alcohol. Soms vraag ik me af of ik een alcoholicus ben. Ik ben zelden dronken, maar ik drink elke avond drie glazen, tot ik me licht voel, en dan ga ik slapen. Als ik dat niet kan doen, ben ik humeurig en gejaagd. Overdag, op het werk, zit ik soms de uren af te tellen tot ik weer wat kan drinken.”
“Misschien is het meer een soort ritueel?” opperde Maarten, “Heb je al geprobeerd met iets dat geen alcohol is?”
“Ja,” zei Mr. Duplo, “maar dan kreeg ik alleen een suikerkick. En met water werkte het helemaal niet.”
Op dat moment zette Volkan net zijn glas water neer op tafel.
“Mja, ik denk dat je inderdaad een probleem hebt,” zei hij scherp tegen Mr. Duplo, “je lijkt in te zien dat je ’t niet onder controle hebt. Misschien moet je eens gaan praten met een dokter.”
“Ik vind niet dat je moet overdrijven, Volkan,” vond Maarten, “er zijn massa’s veel mensen die doen wat Mr. Duplo doet.”
“Dat maakt het daarom nog niet ok,” zei Volkan onverstoord.
“Heren, de regels. Niet door elkaar praten,” vermaande James hen. Ze zwegen, waardoor iedereen nu nog wachtte op James’ commentaar.
“Zolang je gezondheid, je omgeving en je werk er niet onder lijden, denk ik dat het nog meevalt,” zei hij, “maar het is inderdaad een moeilijk grensgeval. Probeer gewoon één dag niet te drinken of zo?”
Mr. Duplo grimaste.
“Ik zal het proberen.”
“Voor wie was de dame blanche?”
De vier mannen keken op naar de ober met de plateau desserts.

Verder naar deel drie.

maandag 3 september 2012

De presidenten (I)

1. Onzekerheid

Elk half jaar kwamen ze met vier samen in restaurant 'De gouden krab'. Die traditie was begonnen toen ze tegelijk waren afgestudeerd en als niet meer dan goeie kennissen aan de praat waren geraakt. Ze hadden weliswaar elk nog hun eigen netwerk aan vrienden en kennissen, maar deze traditie was al bijna zes jaar ongewijzigd gebleven. James, de bezieler van het idee, had ook de regels bepaald: iedereen moest een pak en das dragen, er zou alleen een hoofdgerecht gegeten worden (waar men dan niet op de prijs zou kijken), iedereen moest volledig eerlijk zijn, en er waren vier onderwerpen. Het idee was geboren als een hypothese toen, na die proclamatie, op een zonneslagnamiddag, Maarten geklaagd had dat zijn kersverse ex hem had verweten nooit open te zijn over zijn gevoelens.
Bij de wijn, toen ze zaten te wachten op het eten, kwam het eerste vaste gespreksonderwerp. Dat was onzekerheid.
"Ik denk dat het tijd is dat we er eens aan beginnen," had James gezegd, nadat de vier een kwartier hadden gekeuveld over werk, het weer en de nieuwe tweedehandsauto van Volkan, die vroeger altijd een fervent fietser geweest was.
Onwillekeurig veranderde ieders houding. Met een hoofdknik, nadat hij de tafel rondgekeken had, begon Peter te praten. Niemand noemde hem bij zijn echte naam - zijn bijnaam was al meer dan tien jaar Mr. Duplo, nadat iemand ooit had opgemerkt dat hij leek op een vleesgeworden Duplo-figuur. Hij had een stevige, vierkante kop en zijn lichaam leek uit één stuk gebouwd, rechthoekig, vol, en recht aflopend naar beneden, waar bij elk onderdeel van zijn lichaam even breed was. Zijn wenkbrauwen waren donker en gewelfd, en zijn peper-en-zouthaar leek altijd te glanzen.
"Goed, goed," zei Mr. Duplo, die met zijn vingers rond de hals van zijn wijnglas speelde, "Onzekerheid. Wel. Ik voel me onzeker in het bijzijn van knappe mensen."
De andere drie zwegen, dus Mr. Duplo zag zich genoodzaakt verder te praten.
"Bijvoorbeeld op straat, of in winkels, of op café, zie ik vaak knappe vrouwen. Ik word daar onmiddellijk een beetje verliefd op."
"Bedoel je niet dat je erop geilt?" vroeg Maarten.
"Nee," zei Mr. Duplo, "dat is niet hetzelfde. Ik bewonder hun schoonheid. Dat kan een knap gezicht zijn, een mooi figuur, een verzorgd gebit... enfin, ik merk dat allemaal onmiddellijk. Maar ik denk er altijd bij dat die wel niks voor mij zouden zijn omdat ik te lelijk ben voor zo'n vrouwen. Daar komt ook nog bij dat die vrouwen altijd omringd zijn door mannen die ook mooi zijn. Grote mannen met een atletisch lijf, of met cool haar, of die gewoon vlot kunnen praten. Dat maakt me triest. Hoe veel ik ook zal proberen om af te vallen, mezelf te verzorgen of kleren te kopen die passen bij mijn figuur, die vrouwen zullen me nooit een blik waardig gunnen. En waarom zouden ze dat ook doen? Ik beoordeel hen op dat moment ook puur op hun uiterlijk, dus is er geen enkele reden waarom zij niet hetzelfde zouden doen."
Een handgebaar gaf aan dat hij klaar was. Hij dronk van zijn glas. Volgens de door James opgestelde regels mocht iedereen één antwoord geven of één bijkomende vraag stellen. Volkan was de eerste die sprak.
"Maakt dat dan zo veel uit?" vroeg Volkan, "Ik bedoel, Mr. Duplo, er zullen altijd knappere mensen bestaan dan jou. Er zullen er ook altijd bij zijn die intelligenter zijn, rijker en gelukkiger. Maar dat houdt jou niet tegen van te focussen op waar je zelf goed in bent."
Mr. Duplo grimaste maar zei niks.
"Ik volg Mr. Duplo een beetje," bekende Maarten, "maar ik krijg dan meer een hekel aan mezelf voor mijn eigen oppervlakkigheid."
Mr. Duplo glimlachte op die opmerking.
"Ik heb daar weinig tegen in te brengen," zei James, "Ik heb altijd geluk gehad dat vrouwen mij knap vonden, dus dat zijn vragen die nooit bij me op zijn gekomen, maar ik dénk dat het hier ook wel ligt aan zelfvertrouwen. Er zijn genoeg voorbeelden van mannen die niet erg aantrekkelijk zijn, maar toch scoren bij mooie vrouwen. Bovendien heb je nog eens geluk als man. Een lelijke man die erg interessant is, maakt nog een kans. Een lelijke vrouw, die kan het vergeten."
Volkan roerde zich maar mocht niks zeggen volgens de regels. Het was nu Maartens beurt om te praten. Voor hij kon spreken, werd het eten opgediend. Mr. Duplo viel als uitgehongerd aan op z'n osso bucco, terwijl James en Maarten elk kreeft hadden besteld. Volkan at een visschotel op een steengrill.
"Mmm, kreeft, lang geleden," mompelde Maarten, alvorens zijn bestek neer te leggen en te spreken. Hij schikte zijn dasknoop even. Maarten was een pezige, blonde man met een haviksneus en dicht bij elkaar staande, blauwe ogen. Normaal droeg hij een stoppelbaard, maar hij had zich vandaag geschoren.
"Ik werk erg veel en hard," zei Maarten. Hij was doctorandus in de chemie.
"Maar ik heb het gevoel dat het nooit genoeg is om te bewijzen dat ik iets kan. Al vier jaar lang denk ik dat er een dag komt dat mijn promotor op een afspraak zal zeggen dat hij erachter is gekomen dat ik eigenlijk helemaal niet zo'n briljante student ben en dat ik eerder gemiddeld ben. De conclusie van mijn masterthesis vond ik zelf flauw en zwak beargumenteerd. Ik weet nog altijd niet waarom ik er zo'n goeie score op haalde, en het probleem is dat als ik hierover wil praten met andere vrienden, ze denken dat ik een visje aan het uitgooien ben om complimenten te krijgen. De waarheid is dat die complimenten niks voor mij betekenen. Die komen van mensen die sowieso al weinig weten van chemie."
Mr. Duplo gromde goedkeurend door het eten.
"Men heeft daar een naam voor," zei James, "men noemt dat het 'impostor syndrome', namelijk dat veel getalenteerde mensen in intellectueel veeleisende beroepen het gevoel hebben dat ze daar niet op hun plaats zitten."
James had Engels-Frans gestudeerd maar speelde graag de amateurpsycholoog.
"Het is ook verwant met het Dunning-Kruger-complex. Onderzoek toonde aan dat incompetente mensen hun eigen competenties overschatten en omgekeerd."
"Het is toch ook niet omdat mensen niks weten van chemie, dat ze daarom niet kunnen inschatten dat je een knappe kop hebt. Wij zijn geen astrofysici en wij zien ook wel dat Stephen Hawking een enorm geleerde man is," zei Mr. Duplo, die net z'n mond had leeggegeten.
"Ik pas," zei Volkan weifelend, "ik denk dat Maarten en Mr. Duplo het al goed gezegd hebben."
"Hoe is je vis?" vroeg Mr. Duplo aan Volkan.
"Erg goed. Beter dan de laatste keer dat ik het had in Gök 2."
Volkan woonde bij de Sleepstraat. Zijn vader was zelf een half-Turk, half-Koerd en zijn moeder een Vlaamse. Hij had een verzorgde baard en expressieve, donkerbruine ogen, en was al jaren actief als één van de voormannen van klein-links in de stad.
"Mijn beurt, dan, zeker?" zei hij, toen hij zag dat iedereen hem aankeek.
"Goed dan."
Volkan had een zwaar Gents accent en had de neiging elke zin te laten eindigen op een nauwelijks hoorbaar "ja?".
"Ik weet nooit of mensen vriendelijk tegen mij zijn, of juist vijandig, omwille van mij, of omwille van hoe ik eruit zie. Bijvoorbeeld onlangs in de Match, was er een kassierster die me afsnauwde. Had die een slechte dag gehad, of was ze racistisch? Zelfde met toen ik naar het gemeentehuis moest voor een kleinigheid. Die man was zo vriendelijk dat ik het verdacht begon te vinden."
"Mja, er bestaan natuurlijk mensen die uit goeie bedoelingen overdreven vriendelijk zijn tegen minderheden, wat ook weer een soort racisme is," filosofeerde James.
"Met dat verschil natuurlijk, dat dat voor mij een dagelijks vraagstuk is," zei Volkan, een beetje geprikkeld omdat James hem onderbroken had en zijn eigen regel had overtreden, "dat maakt een normale dag voor jullie altijd een meer onzekere dag voor mij. Dan is het simpel om terug te vallen op Turkse of Koerdische vrienden. Die mensen stellen die vraag niet. Maar dat wil ik ook niet volledig doen, want dat vernauwt mijn blikveld te veel."
"Pas," zei Mr. Duplo, "ik kan hier niks zinnigs op zeggen."
"Ik heb al gesproken, sorry," zei James. Volkan gebaarde dat het ok was.
"Ik wil geen afbreuk doen aan wat je zei," vond Maarten, die z'n glas wijn bijvulde, "maar het omgekeerde bestaat ook. Toen ik jobstudent was in een bouwwinkel en ik moest iets weigeren, of uitleggen aan iemand van een minderheid - Turk, Bulgaar, Marokkaan, Spanjaard, maakt niet uit - was ik altijd bang dat ze gingen zeggen dat ik hen dingen weigerde uit racisme. Het is ook een keer gebeurd dat een familie boos werd en me daarvan beschuldigde, en nadien voelde ik me erg rot. Ik weet het, het is ook niet omdat je zégt dat je geen racist bent, dat je er daarom geen kan zijn, maar het is ook een ervaring die onzekerheid met zich meebrengt."
Na een korte stilte was het duidelijk dat James moest spreken. Hij had al twee derde van z'n bord schoongeveegd.
"Ik heb lang nagedacht," zei hij, "maar ik kon op weinig komen. De vorige keren heb ik een aantal onzekerheden gedeeld, maar... dat is het zowat, nu. Er is niks waar ik me momenteel onzeker over voel."
James had korte tijd na zijn studies modellenwerk gedaan. Hij hield zijn haar gemillimetreerd, en had een open, ongedwongen gezicht met een brede mond die altijd een beetje leek te lachen. Nu gaf hij les.
"Dan hoop ik dat je bekentenis straks de moeite is," zei Maarten.
"Daar mag je vanuit gaan," zei James rustig.
"Het lijkt haast niet te geloven dat je over niks onzeker kan zijn," zei Mr. Duplo met een verre blik.
"Misschien besef je het zelf gewoon nog niet," wierp Volkan op.
"Dat kan," gaf James toe, "maar dat zal dan voor de volgende zitting zijn."
"Wil iemand nog iets om te drinken?" vroeg de ober die langskwam. Ze wisselden snel blikken uit.
"Spuitwater," zei Volkan. Maarten volgde hem. James en Mr. Duplo besloten nog een halve liter wijn te delen.

Verder naar deel twee.

zaterdag 2 augustus 2008

Terwijl wij van weelde en van bloemen genieten, sluipt de dood nabij met onhoorbare pas

In een dorp ergens te lande ligt een oude vrouw op haar slaapkamerbed. Ze ziet eruit alsof ze uit een vernietigingskamp komt. Ze is niet dood, maar het is duidelijk dat ze stervende is. In de hoek van de kamer zit een norse, vertwijfelde oude man.

Een jonge man rent haastig de trap op van een Gents appartementsgebouw. Sirenes dreunen keihard door zijn hoofd, en een nieuwe schokgolf adrenaline overweldigt hem als hij het appartement binnenstormt. Op de vloer ligt het meisje met wie hij enkele uren tervoren gebroken had, roerloos en klein.

In een voorstad van Antwerpen schrijft een meisje enkele korte e-mails en brieven naar mensen allerhande. Het zijn afscheidsbrieven. Sommigen krijgen het miniemste onder de kattenbelletjes, anderen krijgen een wat langere versie, maar er is niemand die werkelijk te weten komt wat er al jaren in haar omgaat. In een kistje bij het bed zit een glimmend mes.

Een dochter en een zoon komen de kamer binnen. Hun vader groet hen nauwelijks merkbaar, of zelfs helemaal niet. In het schemerlicht zijn zijn gelaatstrekken die van omgeploegde aarde die al veel te lang geen regen meer gezien heeft. De volwassen kinderen, allebei veertigers, beseffen dat dit één van de laatste keren zal zijn dat ze hun moeder levend zullen gezien hebben. Wat valt er nog te zeggen? Ze is niet meer in staat te communiceren. De medicijnen overstemmen haar gevoel van intense pijn, van het gezwel dat zich een weg vreet door haar lichaam, en hebben haar in een diepe, verwarde slaap ondergedompeld. En vroeger was ze zo’n sterke vrouw, zelden ziek, altijd in de weer.

De sirenes die daarnet nog in zijn hoofd bonkten, weerklinken nu echt, en zouden normaal pijn doen aan zijn oren, maar het gevoel dat alles overstemt is dat van wanhoop en boosheid. Hij heeft al meer dan genoeg problemen. Zij was één van die problemen, maar blijkbaar geen probleem dat zich makkelijk liet oplossen. Hij zit in de ambulance en kijkt naar haar. Ze ziet er grauw uit. Drieëntwintig en vroeg oud. Hij kon het ook soms zien als ze teveel gedronken had, of als ze wanhopig was (zoals nu). Hoe in dat tere lichaam al die kwalijke geschiedenissen opgeslagen waren. De ambulance raasde door het verkeer.

Nu het haast zo ver is, is de twijfel geweken. En het voelt weldadig, om niet te zeggen goed. Haar kamer is volledig opgeruimd, en er ligt een brief met instructies te wachten op haar ouders. Die brief stond tevens bol van verontschuldigingen, maar er is ook een deel van haar dat, voor één keer, al die verontschuldigingen niet helemaal meende, omdat ze er zeker van is dat de wereld een betere plek zou zijn zonder haar. In de badkamer loopt het bad vol. De kamer is volledig opgeruimd.

De familie is geen familie waarin affectie hoog in het vaandel gedragen wordt. Het zijn trotse mensen, bouwers, werkers en zelfstandigen, geen artistieke figuren of mensen die zich in idiote avonturen zouden storten. En toch zoeken broer en zus nu troost bij elkaar, buiten de kamer. Er wordt niet veel gezegd: de feiten spreken voor zich. Op gedempte toon wordt af en toe de hoop geuit dat de lijdensweg niet te lang is. Hoewel er een kruisbeeld in de hall hangt, is de oude eed van Hippocrates die later eigendom werd van de Kerk, en onder meer omvat het leven zo lang mogelijk te rekken, hier ver weg. Ze beseffen wel dat het niet abnormaal is om je moeder te verliezen, maar dat helpt niet om de pijn en het verdriet tegen te houden. Want vanaf nu zal alles anders worden. De oude norse man in de kamer is, niet zoals zijn vrouw die langzaam wegteert op het bed, een vat vol energie of iemand die grootse familiefeesten zal organiseren. Hij is er niet de man naar om iedereen samen te houden – het interesseert hem niet. Hij is een klomp bevroren potgrond, en alleen zijn vrouw heeft hem af en toe kunnen ontdooien – of de drank. Maar nu wordt alles anders.

Enkele uren later staart het meisje naar het plafond. Aan haar bed zit haar nieuwbakken ex-vriend.
“Waar dacht je toch in godsnaam aan?” vraagt hij. Omdat het zo stil is, klinkt het niet als een beschuldiging.
“Ik stortte in,” zegt ze, zich oprichtend. Ze hangt volgeplakt met elektroden en heeft zo’n hoogst onflatteuze, aseksuele ziekenhuisjurk met bolletjes aan. Het ziet er tegelijk zielig en grappig uit.
“Het leek alsof ik plots weer zes jaar terug werd gekatapulteerd, weet je,” zegt ze, hem niet rechtstreeks aankijkend, “Het werd gewoon teveel. Ik kon het niet meer aan. En ik voelde me een moordenaar.”
Hij kijkt nu zelf ook weg van haar.
“Het was de juiste beslissing.”
“Ik weet het, ik weet het. Maar wat als ik het gehouden had? Dan had ik mijn leven helemaal kunnen omkeren, en tenminste iets opbouwen dat ergens op leek. Iets wat mensen zouden kunnen respecteren.”
“Het is ook daarom dat ik eruit wilde,” zegt hij, “Ik vond niet dat ik nog respect verdiende. Geen job, geen perspectieven, ziek geworden, familie die gestorven is… Enfin, je begrijpt het wel.”
“Maar ik zie je graag. Telt dat niet?”
“Soms is het moeilijk omdat te geloven.”
Ze gaat weer liggen en sluit haar ogen.
“Als er wel één ding is dat je moet geloven, is het dat wel. Ik weet dat je van me vind dat ik de waarheid niet vaak spreek, en ik doe soms domme dingen. Zoals dit. Maar ik ben honderd procent zeker dat ik enorm veel van je hou.”
Vanonder haar gesloten oogleden komen er tranen. Hij staat op uit de stoel bij het raam, en pakt zacht, heel zacht, alsof het elk moment kan verdwijnen, haar hand vast. Niet met de koele, analyserende greep van een dokter of een verpleger, maar met de warme aanraking van iemand die geen woorden meer over heeft om iets te kunnen zeggen.

Het meisje gaat in bad. Ze vindt het op een bepaalde manier gênant dat haar ouders haar naakt zullen vinden, maar met kleren aan in bad stappen, dat gaat ook niet. En het heeft tegelijkertijd ook een zekere puurheid, alsof met het uitdoen en netjes opvouwen van haar kleren ook het laatste restje van omhulling is verdwenen dat haar nog enigszins in verbinding stelt met de rest van de wereld. Als een astronaut op ruimtewandeling die zelf zijn kabel doorsnijdt, en dan gewoon wegzweeft, op naar onbekende oorden. Er zitten geen citaten in haar hoofd, geen wijsheden uit alle boeken die ze gelezen heeft, die haar nu begeleiden. Er is alleen maar het weldadig warme water. Het snijden gebeurt haast automatisch, zonder dat ze bij moet nadenken. Geen twijfel, God, geen twijfel, wat voelt dat goed. Het doet minder pijn dan ze gevreesd had, en terwijl ze kijkt naar de koraalrode wolk die zich kringelend als inkt vermengt met het water, voelt ze langzaam het delirium opkomen waarover ze al gehoord had. Ze laat haar hoofd achterover zakken, en voelt de warmte van het water en haar eigen bloed om haar heen. Dit is geen einde, maar een nieuw begin. Voor haar, voor de wereld, voor alles. Ze ademt uit.