Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de verhalenafdeling daarvan. In 2016 bundelde en redigeerde ik (streng!) alle tot dan toe geschreven kortverhalen in de antologie 'Recombinant' en in 2023 bracht ik de novelle 'De keizer van Populië' uit - je kan beiden gratis downloaden als je Patron wordt. In 2020 verscheen mijn debuutroman 'Fragmentariërs'. In 2023 bracht ik de opvolger 'Constellatie' uit. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

dinsdag 6 december 2011

Dunning & Kruger (III)

3. Een spiraal van bullshit

In een werkdag bij Donning & Kruger was de lunch een belangrijk moment. Als een Mozes scheidde het de Rode Zee van de tijd die een mens doorbracht aan een bureau, en zorgde het ook voor het broodnodige informele contact, of om de laatste geruchten te horen. Aan tafel zei ik niet veel. De meeste collega’s waren minstens vijftien jaar ouder dan mij, en hadden volledig andere interesses. ’s Zomers ging ik dan ook vaak buiten eten met Hendrik, en dat keuvelden we over muziek, interne politiek en familie. Als de zon niet scheen of als ik geen boterhammen bij had, dan was er nog altijd de refter als plan B. Die werd bestierd door een lokale traiteur, een buikige man met een zware West-Vlaamse tongval en een permanent bezweet voorhoofd. De copy van de traiteur was van een uitstekend niveau. Welke rechtgeaarde Vlaming zou er niet watertanden van “peterselie-aardappelen met stukjes bloemkool in béchamelsaus en een smakelijk lapje rosbief”? Jammer genoeg kon ik niet hetzelfde zeggen van de kwaliteit van zijn keuken. Elke dag deed hij dezelfde saus op de dagschotel, waarbij enkel de kleur en de viscositeit veranderden, en als er frietjes waren men kon het vet van de borden schrapen. Zijn broodjes hadden nooit boter en nooit mayonaise en de soep was altijd bruinoranje. Dunning & Kruger bedankte de man dan ook voor zijn diensten, en in 2008 werd de keuken overgenomen door de bekende grootcateraar Sedixo. Die begon met een charme-offensief en een prijsstijging, maar naderhand gleed ook Sedixo af tot dezelfde lamentabele kwaliteit van zijn voorganger: diarreespaghetti met een stuk worst erin, slecht doorkookte aardappelen of bloemkool die leek op knolraap, het waren dolle dagen. Elke zes maand stegen de prijzen en daalde de kwaliteit. Klagen over het eten was dan ook een favoriet tijdverdrijf van collega's. De enigen die nooit kloegen waren de Chinese collega's, die alles met de glimlach aanvaardden.

Bij Dunning & Kruger leerde ik ook koffie drinken. De uitstap naar de automaat op het einde van de gang was steeds een welkome afleiding van de monotonie van het bureau, en toen ik begon te roken kwamen daar ook de verdoken rookpauzes bij. Die vele kleine pauzes nam ik gedeeltelijk omdat mijn werklast meestal niet erg hoog lag, gedeeltelijk ook om even te kunnen ontsnappen aan Ilse. En Ilse, die bleef een onuitputtelijke lawine van waanzin over iedereen uitstorten. Ze vocht een loopgravenoorlog uit met Ehud, betreurde het vertrek van Joop naar een andere divisie (waar hij er ook in slaagde geen enkel aanwijsbaar resultaat te boeken) en zocht een bondgenoot in Jan, de geslepen baas van product management. Die schermutselingen betekenden echter weinig, omdat zij plaatsvonden in de schaduw van een oppermachtige R&D-afdeling, die bevolkt werd door ingenieurs in diverse tinten van bleekheid en carreauhemden. Hun chef was Henri Cattoir, een strenge man met een priemende blik. Hij en zijn vazallen waren wars van marketing ("waar hebben we dat eigenlijk voor nodig"), sales ("bende domoren") en project managers ("lastig!"), en zij maakten de producten waar ze zelf zin in hadden, of er nu een markt voor bestond of niet (“wij zullen dat zelf wel beter weten zeker!”). Cattoir had daarbij de divisiechef aan zijn kant. Didier Verbruggen was namelijk ook een ingenieur in zijn corporate hart, en liet het geld gul in de richting van R&D stromen. Wie R&D durfde te wijzen op zijn eigengereidheid, werd steevast om de oren geslagen met Apple als tegenvoorbeeld, want Apple was toch “ook een bedrijf dat draaide op innovatie en buikgevoel”. Alleen waren Cattoir en Verbruggen, zelf allebei al diep in de veertig, geen succesvolle miljardairs en bezaten ze samen evenveel charisma als een versleten schoenzool.

Omdat Dunning & Kruger een ingenieursbedrijf was, werd marketing benaderd met achterdocht – en Ilse vocht voor één keer een terechte strijd om meer te zijn dan een veredeld secretariaat – omdat velen er van uit gingen dat we eigenlijk te dom waren om te helpen donderen, of actief schade toebrachten aan de producten door niet elke laatste technische specificatie te vermelden op een ruimte van maar 200 woorden. Jammer genoeg hielp Ilse niet bepaald om ons imago op te krikken, aangezien ze na twee jaar nog altijd geen jota kende van de producten die we aan de man brachten, maar gelukkig konden Hendrik, Elien en ik na een tijd wel op waardering rekenen.
Een probleem dat bleef was dat hoe hoger mensen op de corporate ladder stonden, hoe meer ze zich geroepen voelden ook wat in de soep te komen roeren van marketing, tot en met keuzes van lettertypes en achtergrondkleuren toe. Daarbij lieten deze heren zich niet tegenhouden door een gebrek aan vakkennis of relevantie. Er was bijvoorbeeld een lid van de Raad van Bestuur die zijn beklag deed over de “pastelkleuren” in een bepaalde folder. Niet alleen waren de kleuren die hij niet mooi vond, geeneens pastelkleuren, hij had ze zelf het jaar voordien helpen goedkeuren als deel van de nieuwe huisstijl. Hendrik leed in stilte. Ook de copy kreeg er soms van langs. Er waren altijd wel mensen die vonden dat ze “best wel een stukje copy” konden schrijven, Ilse niet in het minst, hoewel die er een halve dag over kon doen om een incoherente email te schrijven. Bernd was dan weer allergisch aan woorden die begonnen met "un-" of "dis-" omdat die volgens hem “negatife gefoelens” opriepen. De secretaresse van Didier hield er van om nijdige mailtjes te sturen als ik op een vermeende taalfout betrapt werd. Haar meest absurde wapenfeit was een correctie van iets dat juist was, en een dubbele fout in haar eigen klacht daarover. Product management van zijn kant gaf geen moer om de elegantie en soepelheid van een tekst, zolang alle cijfers en gebruikelijke fetisjen er maar in stonden. Daarbij kreeg ik wel eens te horen dat men soms verlangde naar de dagen dat de oude Alfred zelf nog copy schreef. Ik had dan de tegenwoordigheid van geest niet te zeggen dat Alfreds teksten vol fouten stonden, voor het merendeel copypasta waren en dat sommige zinnen effectief nergens op sloegen. Of wat dacht de gemiddelde lezer van “a great user-enabled solution with lots of innovative possibilities for creativity”? Dat klanten dat soort bagger ooit onder ogen hadden gekregen, had Shakespeare vast pirouettes doen draaien in zijn graf.

Alfred was zeker niet de enige die zich bezondigde aan woordenbrijen van twijfelachtig allooi. De Vlaming is trots op zijn talen, maar er is een serieus verschil tussen vragen waar de wc is op vakantie en producten professioneel marketen en verkopen. Ik vroeg me soms af wat de Engelstaligen moesten denken als ze te horen kregen dat er broodjes “foreseen” werden na de meeting: alsof ze in de keuken rond een glazen bol de gestalte van een broodje smos hadden zien naderen uit de nevelen van de toekomst. Of wat te denken van het nep-Engelse “walking dinner”, letterlijk een lunch die een stevige wandeling maakt. Niet dat enkel niet-Engelstaligen kromme zinnen schreven: ook de Amerikanen en de Britten deden soms stevig mee. Vooral het vele Gehoofdletter en eindeloze zinnen zonder punctuatie waren een plaag om te corrigeren.

Op een dag kwam ik wat vroeger terug van de lunch om verder te werken aan God weet welke tekst toen ik plots een figuur door de gangen zag sluipen met een zware brilmontuur en een brandende blik. Het was diezelfde Noor waarbij ik was gaan spioneren voor Ehud, op die show in Amsterdam. Op slag voelde ik me weer betrapt, al wist ik niet op wat precies.
"En nog iets, Ehud," zei ik enkele uren later, tegen het einde van een meeting, "Klopt het dat hier vandaag iemand was van onze concurrent uit Noorwegen?"
Ehud liet zijn eigen bril even zakken en keek me enkele ogenblikken aan.
"Van wie heb je dat gehoord?"
"Ik heb die man hier zien rondlopen."
"Hmm. Ja, dat klopt. Hij komt voor ons werken."
Kristian Ulvik verscheen een week later in vol ornaat op het bureau. Het weerzien was niet van harte. Ik vermoedde niet zozeer dat hij zich indertijd belazerd voelde vanuit loyaliteit jegens het bedrijf waar hij toen voor werkte, maar dat het stak dat hij als gladde sales zelf compleet was voorgelogen. Gelukkig, tegen het einde van het jaar haalden we het op een conferentie nog eens op als anekdote, en toen kon er al mee gelachen worden. Kristian corrigeerde daarna zelfs vaderlijk mijn dasknoop, en feliciteerde mij met mijn pogingen om nog eens Noors te spreken (het resultaat van een keuzevak aan de universiteit). Toch nog goed voor iets, die talen.
Ehud zelf was overigens een mens met humor. Hij was van Israëlische afkomst, en dreigde er wel eens mee om de Mossad op ons af te sturen als we niet zouden doen wat hij ons vroeg. Er was ook een collega waarvan Ehud achteloos zei dat die “Joods bloed” moest hebben en dat hij dat “kon ruiken”.
Humor was echter vaak een delicate zaak bij Dunning & Kruger. Op een dag zat ik in de refter met enkele mensen van de afdeling. Collega’s waren al een hele tijd aan het doorbomen over Oswald, die er kennelijk niet was die dag.
"Weer er iemand eigenlijk waar Oswald is vandaag?" vroeg een collega.
"Geen idee. Heeft hij verlof?"
"Nee, hij zegt dat altijd," zei iemand anders.
"Ik weet waar Oswald is," zei ik, "Hij heeft zichzelf opgehangen in de demoruimte."
Dit veroorzaakte zo'n pijnlijke stilte dat ik die grap niet meer herhaald heb. Ik leerde ook dat niet iedereen komische toespelingen op porno grappig vindt. Een ander gênant moment vond plaats na een beurs. Toen zat ik met een stuntelig flirtende Joop en Ilse in een wegrestaurant, en zat ik er totaal bij voor spek en bonen – of in dit geval treurige wegrestaurantkroketten en appelmoes.
"Haha, misschien denken mensen wel dat ik jullie zoon ben," zei ik.
Zowel Ilse als Joop voelden zich aangevallen op hun leeftijd, en ik ben nooit meer met hen gaan eten. Misschien best.

Ik was de eerste om toe te geven dat m’n gevoel voor humor toondoof kon zijn – het kostte me zelfs bijna m’n job één jaar later – maar het moest ook gezegd, de meeste Krugerianen zouden een goede mop nog niet herkend hebben als ze hen kwam doodschieten. Het soort bonhomie en nepgelach met slappe mopjes dat een gewoonte is in elk bedrijf, kon me niet bekoren.
"Het is een grapje, hé!" placht Ilse vaak te zeggen na haar nerveuze, ongrappige opmerkingen waar niemand mee moest lachen. Haar gebrek aan humor ging samen met haar gebrek aan originaliteit. Als het op marketing aankwam, behielp ze zich met het looprek van enkele voorgebakken ideeën waar ze zich uit alle macht aan vastklampte. Wat voor oorspronkelijke ideeën moest doorgaan bij haar, was dan ook pijnlijk slecht - fruitboomallegorieën, ambigue Engelse slagzinnen en taalmissers waren schering en inslag. Geen mens die eigenlijk wist waarom ze in de marketing gegaan was. Hendrik en Elien zorgden ervoor dat ik niet gek werd of dat ik niet vanzelf ontslag nam. Toch waren er ook voordelen aan Ilses furie. Omdat ze zich nauwelijks kon concentreren en bij een brochure van me gestruikeld was over het eerste woord - wat een hele jeremiade met zich meebracht over mijn manier van werken - moest ik "alles volledig herschrijven". Ik veranderde letterlijk vijf betekenisloze woorden, maakte de puntgrootte kleiner en diende het document twee dagen later weer in. "Fantastisch! Veel beter!" Zo.

Toen het kouder begon te worden, nam ik steeds vaker de bus. Daardoor was ik ofwel een half uur te vroeg, of wel een half uur te laat op het werk, maar steevast miste ik mijn trein, waardoor ik pas thuis was om zeven uur. Ik miste de taxi, Ronny’s burleske grappen en Austins optimisme. Ik mist zelfs de korte gesprekken met Chen over verboden Chinese kranten.
Er was het wachten in de regen en de koude, bij een foeilelijk winkelcentrum. Of ’s ochtends aan het station, waar aan de overkant soms nog een café open was van de nacht tevoren en de kermismuziek luid uit het dampende deurgat woei.
En dan waren er de gehandicapten. Je kan het natuurlijk niemand kwalijk nemen dat hij gehandicapt is. Maar niemand kan het mij ook kwalijk nemen dat die mensen na een lange, uitputtende veldslagwerkdag of aan het beginnen van een ochtend met de kleur van rolmopsen, geweldig hard op de zenuwen werkten. Er was één lange jongen vol acné met een erg zielige glimlach, een oudere man die altijd dezelfde witte training droeg, twee kwijlende vrouwen, en dan nog één man van in de vijftig die eruitzag als een vleesgeworden remedie tegen seks. Hij had een tic waarbij hij steeds op zijn bovenlip kauwde, zag er weinig hygiënisch uit en probeerde met elke nieuwe vrouw op ‘zijn’ bus een gesprek aan te knopen. Eén keer probeerde hij ook een gesprek aan te gaan met mij. Ik negeerde hem en voelde me een slecht persoon, maar had geen zin om mijn energie nog verder te laten draineren door een zwakbegaafde wauwelaar.
Ik had intussen al talloze folders, brochures, persberichten en teksten voor de website geschreven, en de helft ervan was gewoonweg vast blijven zitten in de eeuwige bullshitspiraal van Ilse. De dagen waren erg kort. Voor de eerste keer maakte ik mee hoe het voelde om op te staan en aan te komen op het werk als het volslagen donker is, en thuis te komen in dezelfde omstandigheden. Daar kwam bij dat Hendrik dankbaar gebruik had gemaakt van het aanbod van een andere divisie om daar te komen werken en ook Alfred steeds infrequenter kwam opdagen. Elien en ik waren min of meer op elkaar aangewezen, en ik telde de uren af.

Verder naar deel vier.

maandag 5 december 2011

Dunning & Kruger (II)

2. Meneer De Neger

Dunning & Kruger was een internationaal bedrijf. We hadden divisies in de Verenigde Staten, in China, in India, de Verenigde Arabische Emiraten, Brazilië en verspreid over heel Europa. In het hoofdkwartier in België was er een detachement Chinezen aanwezig, en tot mijn verbazing bekende Elien op een dag dat ze niet van die gasten moest weten, en in het bijzonder één onder hen, Shun. Nu was Shun ook onder de groep Chinezen een buitenbeentje, omdat hij als enige opgegroeid was in België en niet zoals de anderen overgevlogen was uit China als volwassene om hier te komen werken. Shun was in de eerste plaats zeer Antwerps, en dat viel in slechte aarde bij de West-Vlamingen, die direct klaarstonden om iemand anders te kunnen beschuldigen van arrogantie en betweterigheid. Shun was niet zozeer arrogant, maar gewoon lomp. De andere Chinezen zagen hem dan ook niet als een ‘echte’ Chinees, en daadwerkelijk bezat hij een lange rij eigenschappen die pure belgitude waren: plantrekker, bricoleur, profiteur, affairist en altijd aan het fantaseren over succes. Soms werd het zelfs Bernd Aatz te moede, en vroeg hij op vergaderingen rustig met zijn Duitse accent of “het mogelijk vas dat Shun zoms even z’n mond kon houdn”.
Eliens ergernis met Shun draaide vooral rond zijn neiging te profiteren en ervan uit te gaan dat anderen z’n rommel wel gingen opruimen. De andere Chinezen vond ze dan weer opdringerig, maar ik zag dat meer als een zeer openlijke quid pro quo-mentaliteit. De eerste dagen testten zowel Lee, Zhaosheng als Cheng hoe ver ze konden gaan om ervoor te zorgen dat ik werkjes voor hen zou opknappen, en op welke manier ze dan mij konden vooruit helpen. Zeer pragmatische mensen.
Lee was een buikige man uit het verre westen van China. Hij wandelde enorm snel, met zijn bovenlichaam naar achteren, alsof hij rekening moest houden met een stevige tegenwind. Zhaosheng dan weer was een geslepen onderhandelaar met een hoge stem en een voorliefde voor Koreaanse vrouwen. Cheng was de jongste van de drie mannen. Hij las officieel verboden tijdschriften en kranten, discussieerde regelmatig met anderen over de politieke toekomst van China, of probeerde ons enkele Chinese woorden te leren. Hij had de bijnaam Mister 16:9 gekregen omdat hij spijtig genoeg ook een abnormaal breed gezicht had. Als laatste Chinese was er nog één van de accountmanagers, Suzy, die niet de naakte ambitie had van haar drie landgenoten, maar zich de toorn van Elien op de hals had gehaald door één van de toiletten elke dag met sproeikak te bevuilen – haar daderschap werd pas bewezen toen ze terug naar China vertrok en ook de dagelijkse bruine regen in de toiletten uitbleef.

Zoals ik al eerder ergens zei, was Cheng één van de mensen die vaak de taxi nam met Austin en mij. Ik bedacht me wel eens dat, op momenten dat we stonden te wachten tot Ronny de parking kwam opgescheurd, luid bulderend over het onderwerp van de dag, dat het het perfecte begin was van een mop: "staan er een Chinees, een Afrikaan en een Belg te praten...". Ondanks de grote culturele verschillen, bleek echter dat we op zijn minst één onderwerp gemeen hadden, en dat waren natuurlijk vrouwen. Dergelijke gesprekken werden steevast gekruid door vele ‘godverdommes’ van Ronny, of Austins pogingen tot weerleggen van mijn uitspraken over de liefde, die hij te pessimistisch vond. Cheng zat er doorgaans bij te glimlachen. Waarover zou hij berichten tegen zijn vrienden uit Beijing als hij voor de zoveelste keer uit het venster keek en de Vlaamse lintbebouwing zag?
Regelmatig zaten er aan het eiland achter ons ook sales- en accountmanagers uit andere landen van Europa. Clichés waren troef. De Britten waren wat onverzorgder, arroganter en grappiger dan de rest, waarbij ze vooral hun eigen baas, Bernd Aatz, in het visier namen. Toen ik aan één van de Britten vroeg of dat was omdat Aatz een Duitser was, antwoordde die: “Well, it’s just that Bernd is so serious that he’s an easy target, really. And he’s German on top of that.”
De Fransen waren de minst geliefde sales. De aanvoerder van de Franse sales was een man van in de vijftig die er permanent roodverbrand uitzag en notoir was voor zijn complexe franglais-presentaties met veel bewegende elementen. Op zijn publiek toegankelijke Facebook stond er een foto van hem in slechts een speedo, en voor de rest zijn omvangrijke buik goed zichtbaar. De man was een meester in het beloven van de hemel aan de klanten, en zowel account- als servicemensen opzadelen met furieuze klanten.
Er waren verder ook nog een hoop Duitsers die een taai Engels spraken waar je industriële dampkappen op kon bouwen, arrogante Spanjaarden die plots hun Engels vergeten waren als je hen een vraag stelde, en een kale Italiaan die altijd rode broeken droeg en een alarmerend geile grijns had. Met die regenboogcoalitie aan nationaliteiten had ik bijna dagelijks contact omdat klantenreferenties opbouwen via die lokale teams liep. Op last van Ilse moest ik zo ooit voor een klantenreferentie die ergens was blijven steken in Moskou bellen naar ons kantoor aldaar. Daar beweerde de secretaresse, die om één of andere reden doodsbang klonk, dat ze "nog nooit gehoord had" van Pjotr Andrejevitsj, hoewel ik hem twee weken voordien zelf gesproken had in België. Een ander gesprek met ons kantoor in Sjanghai werd dan weer bemoeilijkt door de vertraging die op de lijn zat, en het lawaai van iemand op de achtergrond die compleet door het lint aan het gaan was. “That is not normal, no,” zei Cheng onbewogen toen ik hem dat vertelde.

Terwijl de maanden voortgleden, werd ik ingewijd in enkele kantoorgeheimen. Onze divisiepresident Didier Verbruggen had een geheime relatie met Lutgard Van De Kamerplanten. Bernd Aatz dan weer bleek af te stammen van Duitsers die na Wereldoorlog II weggevlucht waren uit Pruisen, dat toen bij Polen aangehecht werd. Suzy – van wie toen nog niet geweten was dat zij de sproeikakster was – had een hele schare nerds uit R&D die verliefd op haar waren. Een van onze technical writers was een expert in de fijnere theologische verschillen tussen soennisme en sjiisme. Een producttester had ooit een affaire gehad met een stagiaire. Er was een arbeidster die zou bijklussen als prostitué. Er werd ook gefezeld over een brand die jaren geleden uitgebroken was en Dunning & Kruger veel geld had opgeleverd door de verzekering, waardoor een populaire theorie was dat men die brand dan wel niet zelf had aangestoken, maar zeker niet veel moeite had gedaan om hem snel te blussen (Shun, de bricolerende Chino-Belg, vond dat hilarisch en slim gevonden). Wat nog? Eén Engelse salesman bleek gebore te zijn in het toenmalige Rhodesië, een kortstondige blanke staat in het Afrika van de jaren ’60. Ilse had een proces lopen tegen haar vorige werkgever. Een collega van wie we allemaal dachten dat die spoedig op pensioen zou gaan, bleek slechts 47 te zijn. Een ander marketing- en communicatiehoofd was naar verluidt een pester en hield zich bezig met esoterische oosterse massagetechnieken.
Ik weet niet of er ook verhalen over mij de ronde deden, maar ik vermoed van niet, buiten dan over mijn bij tijden ongepast gevoel voor humor. Daar kom ik later op terug, omdat het me bijna m’n job zou kosten.

Op een avond verscheen Ronny op de parking met een matras op het dak van de taxi. Hij stond trots naast de taxi, alsof hij de matras zonet zelf was gaan neerschieten in een bos. Op dit punt was er sowieso niets meer waar ik Ronny niet toe in staat achtte.
"Wel Ronny, die matras, waar is dat voor nodig?" vroeg ik.
"Haja, voor dingstje hé, allez, hoe noemt hij, meneer De Neger!"
Als Ronny het woord ‘neger’ gebruikte, twijfelde ik er nooit aan dat hij het niet racistisch bedoelde. Hij kon trouwens geen enkele naam onthouden en noemde iedereen buiten zijn eigen familie ‘chefke’.
"Hoezo?"
“Ja ja,” zei Ronny, “Je weet, die jongen zocht nog naar een appartement hé?”
“Ja.”
“Awel, Mario heeft een plek voor hem gevonden, maar er was nog geen matras om op te slapen of niets, dus ik heb er maar één meegepakt.”
“Ah bon.”
Intussen kwamen Cheng en Austin de uitgang uit. Ronny boog zich samenzweerderig naar mij.
“En weet je waar hij logeert? Bij de maîtresse van Mario!”
Dat feit zou een nieuwe bron vormen van onuitputtelijke hilariteit. Vanaf toen ging Austin regelmatig met Mario en zijn minnares op café. Op een ochtend, toen ik de taxi enterde, zat Austin weggedoken in een hoek met rooddoorlopen ogen en forse wallen.
“Good morning. You look rough.”
“Yeah,” zei Austin, “That was some night, last night.”
“What happened?”
“We went out again and got completely shit-faced.”
Ronny luisterde met een half oor terwijl de taxi zich in beweging zette.
“I see.”
Het bleef even stil. Er kwam toen een vraag bij me op.
“But, Austin, there’s something I don’t get. You go out from time to time with Mario and his mistress, but as far as I know, they don’t speak English, and you speak neither Dutch nor French.”
Hij lachte zwak.
“That doesn’t matter, man. After enough beer, you all start speaking the language of love.”
Dat verstond Ronny, en ik zag zijn grijns in de achteruitkijkspiegel.

De taxi vervoerde regelmatig ook Amerikaanse collega’s die enkele dagen in België waren. De meest opmerkelijke onder die Amerikanen was een man met een gezicht dat eruit zag als een kippenborst met een zwakke kin. Hij droeg een toupet en had een dikke buik, en zijn naam was Winthorpe III. Winthorpe was een mormoon. De meeste van zijn mededelingen begon hij steevast met “Well, I’ve been in the industry for about twenty years now” als een soort omgekeerd “Ceterum censo Carthaginem delendam esse”, maar zijn grootste autoriteit ontleende hij niet daaraan. Wat hem vooral gevreesd maakte was zijn superkracht: slaap opwekken. Hij praatte iedereen in slaap, inclusief zichzelf. Winthorpe slaagde erin elke vergadering tot een martelgang te maken met zijn trage, meanderende redevoeringen, en deed dat telkens op zulk een beleefde, vriendelijke manier dat je je wel moest gewonnen geven. Als practical joke, het kon haast niet anders, werd Winthorpe ook op elk industrie-evenement uitgenodigd om speeches te geven.
Tijdens de lunch hield ik meermaals mijn hart vast als Winthorpe er bij was en argeloos informeerde naar wat wij dachten over Amerika. Een mormoon uit Utah met een toupet was vast geen persoon die graag ongenuanceerde “Bush sucks!”-uitspraken zou horen, en vermoedelijk dacht dat Europa nog steeds in beate bewondering leefde voor de grote broer aan de andere kant van de Atlantische Oceaan. Gelukkig kwam het niet tot pijnlijke discussies omdat iedereen wel leek te beseffen dat Winthorpe in zijn eigen universum leefde, waar God almachtig was en sliep in een bed met stars and stripes.
De andere Amerikanen waren een stuk vinniger dan Winthorpe. De copywriter van hun team heette Louis en leek als twee druppels water op het typetje Borat Sagdiyev. Hij was een innemende man met een goed gevoel voor humor, en enthousiasme dat zich het best liet vertalen door uitroeptekens, ook aan de telefoon.
“Hi Anton! It’s Louis here! How are you?”
“Oh hi Louis. I’m all right.”
“You’re just all right? Is anything wrong?”
“No, it just means I’m not doing particularly bad, but not particularly great either.”
“I see.”
“And how are you, Louis?”
“I’m great.”

De pret met de taxi was geen lang leven beschoren. De regelmatige taxigangers werden op een dag in een vergaderzaaltje opgetrommeld, waar de gewichtige, puddingvormige HR-overste ons vertelde dat er “verschillende klachten” waren gekomen dat wij te laat op het werk waren en te vroeg vertrokken. Dat ging weliswaar over tien minuten per dag, maar blijkbaar was dat voldoende om mensen te ergeren. Omdat dat zou betekenen dat ik echter elke dag meer dan een uur aan m’n pendeltocht zou breien, probeerde ik aan te bieden om onze middagpauze in te korten, of om één dag in de week een uur over te werken, maar het mocht niet baten. De HR-verantwoordelijke werd steeds grimmiger en dieper ingegraven in haar eigen fox hole naarmate ik – constructief! – tegenvoorstellen maakte. Austin stond duidelijk aan mijn kant, maar ik zag aan zijn gezicht dat hij er voor zichzelf al een kruis over gemaakt had, en Cheng zag er uit alsof hij het liefst van al onder tafel gekropen was. De vooropgezette uren in het contract bleken echter plots heiliger dan de dogma’s van de Katholieke Kerk. Geen minuut mocht er nog van afgeweken worden. Dat dat een fijn staaltje hypocrisie was, bleek ook uit de eindeloze uren overwerk die heel veel collega’s onbetaald maakten.
De HR-pudding eindigde de discussie door simpelweg te verklaren dat het niet het probleem was van Dunning & Kruger hoe vroeg ik moest opstaan en hoe ik naar het werk kwam. Bij dat ultieme argument deed ik er ook het zwijgen toe, maar maakte ik een aantekening dat ze dan voor en na de werkuren ook niets meer van mij moesten verwachten.
Ilse kwam nauwelijks voor me op toen ik het probleem bij haar aankaartte. Die vond dat vast vreemd dat ik niet zoals zij ook nog aan mijn bureau vergroeid zat om zeven uur ’s avonds, en probeerde me te troosten door te wijzen op een collega die elke dag helemaal van Leuven moest komen. Ze vertelde er niet bij dat die collega vijf keer zo veel verdiende als mij ook.
Vanaf toen ging ik de hort op met de fiets van en naar het station, om de onmogelijke uren van de nieuwe taxiregeling te ontwijken. Fietsen verbeterde mijn conditie en leerde me opnieuw de hevige Vlaamse wind en de vele stukken vals plat appreciëren als meedogenloze tegenstanders. 's Ochtends ging alles altijd sneller dan 's avonds. Lokale chauffeurs waren hondsbrutaal en leken er zich helemaal niet van bewust dat ze het wegdek deelden met fietsers. Het dichtste bij de dood kwam ik nog door toedoen van Ronny, die me vanuit zijn taxi herkende en zo dicht langs me heen raasde, luid en enthousiast brullend als een hond, dat hij er bijna mijn linkerarm af reed.

Verder naar deel drie.

zondag 4 december 2011

Dunning & Kruger (I)

Niet iedereen weet dat ik met schrijven effectief een maandloon verdien, maar jammer genoeg is dat niet met Nederlandstalige fictie, versregels of columns, maar met commerciële teksten in het Engels. “De best betaalde dichters,” noemde Herman De Coninck dit soort tekstenboeren, die in vaktermen bekend staan als copywriters (“Nee, nee,” heb ik al meermaals moeten zeggen boven de luide muziek van een café, “niets met rechten, geen copyrighting, copywriting). Copywriting is een essentieel onderdeel van marketing en communicatie, een beroepsklasse die buiten bij gehaaide liberalen met dollartekens in de ogen ten hoogste op een knarsetandend respect kan rekenen. Het cliché wil dat marketingmensen net slim genoeg zijn om mooie praat te verkopen en wat te layouten, maar niet genoeg om iets nuttigs te verrichten als verkoopwerk, installatie, service of design. Na human resources en incompetente managers behoren ze tot de meest geminachte werknemers binnen een bedrijf. Is daar nu echt reden toe? Misschien. Ik ben nooit gaan werken voor de waardering van de goegemeente. Maar weet dat ik even medeplichtig ben aan de toestanden die ik zo dadelijk zal beschrijven, dan dat ik me er van afkeer.

1. Brood bestellen op z’n Vlaams

Zelfs mensen met een slecht geheugen herinneren zich nog hun eerste schooldag, hun huwelijksdag, of de dag dat ze voor het eerst beseften dat hun leven een totale mislukking was. Met de eerste werkdag is dat niet anders. Mijn eerste werkdag bij het Belgische technologiebedrijf Dunning & Kruger viel samen met de eerste werkdag van 2007. Van die dag, buiten de saaie rondleiding door allerlei witte gangen en grote landschapsbureaus met lage vensters, herinner ik me twee zaken haarscherp: sales director Bernd Aatz, die volledig opgetrokken leek uit het op de tabel van Mendeljev vooralsnog afwezige element corporate (Cp), en Lutgard, die een bureau had dat omgeven werd door afschuwelijke kamerplanten en weggelopen leek uit ‘In de gloria’.

Mijn eerste chef, en tevens de vrouw die me mee had aangeworven, was Ilse. Men kon haar altijd van ver horen komen omdat ze door de lange gangen van Dunning & Kruger stapte alsof ze meedeed aan een wedstrijd snelwandelen op hakken. Ze praatte erg snel en sprak bijzonder vloeiend verschillende varianten op het West-Vlaams om zich verstaanbaar te maken bij Amerikanen, Fransen, Duitsers en Spanjaarden. Ilse rook sterk naar mandarijnen, en was een pezige vrouw met een hese stem. Tevens had ze ook een poedelkapsel dat permanent in brand leek te staan.
Andere collega’s die onder Ilses hoede vielen waren Elien (evenementen), Hendrik (grafiek en wat web) en Alfred (niet nader gespecificeerde bezigheidstherapie). Elien was van m’n eigen leeftijd en was een maand voor bij beginnen werken bij Dunning & Kruger, terwijl Hendrik al een decennium op de teller had staan in actieve dienst. Alfred, tenslotte, was zelf ooit manager geweest, maar was gedegradeerd tot kobold in dienst van Ilse omdat zijn werkmethodes sinds 1975 al niet meer aangepast waren geweest, en hij slecht meedraaide in de geavanceerde kenniseconomie van 2007. Alfred leek op professor Gobelijn en had een probleem met zijn heup. De eerste dagen slaagde hij er al in zo hard op mijn zenuwen te werken dat ik me inbeeldde dat ik hem van de trap duwde.

Ik leerde snel dat Ilse in constante staat van agitatie verkeerde. Ilse was een perfectioniste van zulk een orde dat ze niets voor elkaar kreeg. Daar kwam bij dat haar bekwaamheden op veel vlakken buiten marketing lagen. Cijfers en rapporten waren meer haar ding dan het uitvoeren van een visie. Hendrik vertelde me bijvoorbeeld dat Ilses eigen baas ooit aan het venster van zijn kantoor, dat uitkeek op het eiland van marketing, de boodschap ‘Feel the heat’ had gehangen, als corporate aanmoediging dat we de concurrentie een stap voor moesten blijven. Ilse had die handschoen opgenomen door Hendrik de boodschap ‘We warm the globe’ te laten maken, met voor elke letter één A4. Waarom had deze divisie van Dunning & Kruger in godsnaam nog een copywriter nodig met zulke briljante slagzinnen.

Mijn eerste grote vuurdoop kwam al na nauwelijks een maand. Om me persoonlijk op de hoogte te stellen van wat de concurrentie zoal uitvoerde, werd ik naar Amsterdam gesommeerd naar de grootste Europese beurs voor onze industrie. De eerder vermelde hoofdhoncho van de marketingafdeling, Joop (geen Nederlander), was zo vriendelijk om me daarvoor een lift aan te bieden.
Op die beurs zelf, een luide affaire die vooral bezocht werd door insiders, en waar een warmte heerste die gradueel alle plezier uit een mensenlichaam drukte, had ik het na een halve dag al wel gezien. Omdat ik verder weinig van nut kon zijn, had marketing-manager Ehud een opdracht voor me bedacht. Als expert inzake de olie- en de auto-industrie, stuurde hij me naar de stand van een concurrent om prijzen van een bepaald systeem te ontfutselen. Dat was een firma uit Noorwegen, en aangezien ik een beetje Noors sprak, was dat een kolfje naar mijn hand. Ik loog dat ik zwart zag en kreeg de prijzen. Probleem: de sales die me te woord had gestaan, stalkte de dagen nadien onophoudelijk de stand van Dunning & Kruger, en ik zou nooit zijn brandende blik vergeten toen hij doorhad dat ik helemaal geen medewerker was de Universiteit van Gent. Grootmoedig beloofde Ehud dan ook me niet meer op industriële spionage-opdrachten te sturen.
In Amsterdam maakte ik ook kennis met de hoofddirecteur van onze divisie, Didier Verbruggen. Didier was een humorloze, saaie man en als hij al eens glimlachte, leek hem dat zichtbaar pijn te doen. Hij was in mijn ogen het schoolvoorbeeld van een corporate monnik – een man die leefde voor zijn werk en door zijn werk geleefd werd. Zijn communicatie liet hij dan ook meestal over aan Joop, een man die qua modebesef ergens in 1997 was achtergebleven. Het moet gezegd worden dat Joop een publiek kon toespreken en niet geheel ongrappig was, maar voorts was onze grote chef marketing een gigantische windbuil die weinig te vertellen had. Bij korte, algemene mededelingen hoopte ik steeds dat Didier plots ging zeggen: "ok mannen... ik ken een mopje" maar dat gebeurde natuurlijk nooit. Het was meestal Joop die de show stal.
Op een bijeenkomst van alle sales- en marketingmensen wereldwijd, was hij als een trouwfeesten-dj die net een nieuwe variant op de polonaise ontdekt had. In dit geval was dat een mechanische stier, waar iedereen op moest kruipen om zich belachelijk te maken. De oude Alfred werd gelukkig ontzien. Ik lag er na minder dan zeven seconden en een enorm dwaze foto af.

In die dagen had ik nog geen rijbewijs, en treinde ik naar het werk. Het eerste jaar legde Dunning & Kruger voor het groepje pendelaars ook een taxidienst in van het station naar het bedrijf zelf. Alleen al daarover zou ik een boek kunnen schrijven. De baas van die kleine firma heette Mario, en was alles wat je van een man zou vermoeden die Mario heet. Hij was een goed geklede veertiger met een krullend nekmatje, rook altijd naar de deodorant en had een zwarte maîtresse. Zijn lakei die ons het vaakst vervoerde, Ronny, zei hoofdschuddend over Mario dat die "een echte vedette" was “als die een stapje in de wereld” zette.
Ronny zelf was bijna even breed als kort en moest niet onderdoen voor zijn baas als het op karakter aankwam. Hij liep al tegen de zestig, en werkte in het zwart voor Mario. In alle dimensies was Ronny luid en duidelijk aanwezig, als een volksmens pur sang. Soms bracht hij ook zijn dochter mee, die nog naar de middelbare school ging en wier voorhoofd en kin naar elkaar toegroeiden. Ronny kwam van Menen (“Miènde”) en leerde me de vele verschillende betekenissen appreciëren van het woord "godverdomme". Hij gebruikte het als hij moest remmen voor een onoplettende voetganger, als krachtterm om zijn eigen woorden extra waarheid te verlenen, of als hij een mooie vrouw zag.
De voertaal aan boord van de taxi was Steenkolenengels omdat de twee andere frequente medepassagiers Cheng uit Beijing en Austin uit Londen – oorspronkelijk uit de Caraïben – waren. Austin werd consequent ‘Houston’ genoemd door Mario, die geen woord Engels sprak.
“I don’t mind. I know what he means,” zei Austin toen ik hem daar ooit op wees.
Maar Ronny was dus een volksmens. Hij was ooit dronken met zijn auto op een politiekantoor ingereden, had een verleden als gewichtheffer en rallypiloot, en had in verschillende episodes verteld over hoe zijn beste vriend ("een advocaat!") er vandoor was gegaan met zijn vrouw, hoe hij toen met een achttien jaar jonger meisje begonnen was en hoe dit ruzie in de familie had veroorzaakt, met een uiteindelijke verzoening toen zijn moeder kanker had gekregen.
Ronny's Engels was schabouwelijk, maar Austins Nederlands was onbestaande. Ronny vertelde uitvoerig over zijn luxevakanties aan de Turkse rivièra, en dat hij om de vier maand van auto veranderde. Zijn favoriete merk was ‘Mutsibutsi’.
"How do you order bread in Flemish?" vroeg Austin op een keer.
"You just walk into a bakery and choose the type of bread you want. Something like "een groot wit brood alsjeblieft" should do the trick."
"So… “a big white bread,” is that right? Is it that simple? You don't actually say you're ordering it or that you’re buying it?"
"Why would you? Since you're already inside the bakery, they're pretty much assuming you're not going to steal it."
"Makes sense."
Austin was maar voor zes maand in België, en pendelde op weekends naar de Britse hoofdstad terug. Intussen zocht hij naar een tijdelijk onderkomen in de buurt van Kortrijk, wat hem niet makkelijk viel. Niemand wilde een appartement maar voor een half jaar verhuren. Maar Austin kloeg niet. Hij was een onverwoestbare optimist, en bovendien ook een zelfverklaarde ladies’ man, waarin hij steeds ongevraagd advies kreeg van Ronny, die zichzelf ook daarin erg deskundig achtte. Op enkele maanden tijd bestond Austins Nederlandse woordenschat uit enkele West-Vlaamse telwoorden, "godverdomme" en "poeze". Hij gaf wel toe dat een vrouw met een kat vergelijken logischer was dan hoe men het deed in het Engels, waar men bijvoorbeeld "a fit bird" kon gebruiken.
Hoe vermakelijk de taxiritten soms waren, des te deprimerender waren de treinreizen, vooral ’s ochtends, als ik probeerde om te lezen of een dutje te doen en die rust constant verstoord werd door luidruchtige ambtenaren van middelbare leeftijd.

Er waren ook dagen dat ik mee mocht rijden met Elien, die net als ik in Gent woonde. Daarvoor was ik enorm dankbaar. Ik deed ook mijn best om geen onaangename passagier te zijn. Als vanzelfsprekend werd er dan vooral gelachen met andere collega's in de auto: de onmogelijkheid van Bernds doorgedreven, messcherpe corporate persoonlijkheid, Ilses voortdurende verwarring, de aandoenlijke traagheid van Alfred, en ook wel het seksisme op de werkvloer bij Dunning & Kruger. Dunning & Kruger was namelijk overwegend een mannenbedrijf. Alfred, onze gevallen oude man, kon men nog enigszins knarsetandend ontslaan van de zwaarste verwijten, want die man kwam effectief uit een soort pregeïnformatiseerd Bakelieten Tijdperk, maar de ranzigheid van sommige andere mannen was toch iets dat veel vragen opriep. Mopjes die net iets te aangebrand roken, getrouwde mannen die suggestieve mailtjes stuurden, bazen die vrouwelijke collega’s stonden uit te kleden met hun ogen – het waren dan geen toestanden uit vieze sketches van Benny Hill, maar het was wel een van de vele kleine dingen die me aandachtiger zouden maken voor dit soort achtergrondseksisme.
Natuurlijk had ik als man van seksisme persoonlijk weinig last, en bovendien was ik ook niet populair bij de kleine minderheid homo’s die Dunning & Kruger telde. Hendrik daarentegen was een charmante grijze vos, en had af en toe wel eens last van de lokale is-hij-het-nu-of-is-hij-het-niet die rond hem drentelde. Al bij al was de aandacht voor Elien een tweesnijdend zwaard. De meeste mannelijke collega's waren de 30 al voorbij en hadden er zich bij neergelegd dat ze een groot deel van hun leven nog zouden doorbrengen aan de lichtgrijze bureaus tussen Lutgards kamerplanten. Of dat nu latente ranzigheid met zich meebracht of niet, Elien stond meer in de spotlight en kon ook meer op schouderklopjes rekenen voor haar werk (wat ze overigens uitstekend deed), terwijl ik met m’n esoterische kennis van de fijnere grammaticale punten van het Engels net zo goed een vogelwichelaar had kunnen zijn die men af en toe opzocht voor een negeerbare profetie. Dat stak wel eens.
Dit was des te duidelijker door hoe de sales & marketingafdeling van onze divisie fysiek georganiseerd was, met eiland na eiland in één groot landschapsbureau, en mensen die voortdurend af en aan liepen. Mijn bureau werd weinig bezocht, terwijl dat van Elien een hotspot was van activiteit. Dat had ook voordelen. Ik kon me daardoor meer aan één stuk concentreren op het schrijven van marketingproza per lopende meter. Onze buren waren minder fortuinlijk. De project managers zaten voortdurend tussen de hamer van de sales, die onrealistische beloftes hadden gemaakt, en het aambeeld van klanten, die het onmogelijke wilden. Twee onder hen hadden de gewoonte opgepikt enorm luid te praten aan de telefoon, waardoor het soms meer leek op een improvisatietheater dan een bureau. Verder waren het kamerplanten van Lutgard die ons scheidden van de service managers aan de ene kant, en de Europese vliegende sales aan de andere kant.

Na een paar maand klikten de zaken min of meer in een vaste routine. Ik at mijn brood met Hendrik, leurde met mijn teksten bij overkritische sales, market managers met hun eigen fetisjvocabularium ("scalability!", "leveraging!", "total cost of ownership!"), productmanagers met arendsblikken, en uiteraard Ilse. Alfred, die maar om de andere week nog kwam werken met het bravado van een geschopte hond, veroorzaakte ook nog maar weinig overlast.
Een opvallende vaststelling was dat er bij Dunning & Kruger, toch een bedrijf van meer dan 3.000 werknemers, massaal werd overgewerkt tot ’s avonds laat. Toen ik mijn contract had getekend, had men mij gezegd dat de meeste mensen “op tijd” naar huis gingen. Het waarheidsgehalte daarvan was vergelijkbaar met artikels in de Pravda in de hoogdagen van de Sovjetunie. Mensen die “op tijd” haar huis gingen, waren een zeldzaamheid, en niet vaak stamelden ze daar een halfbakken excuus bij, alsof ze zich moesten verantwoorden voor het feit dat ze niet nog een extra uur onbetaald aan hun bureau te vinden waren.
Al van in het begin had ik een hekel aan die cultuur van overwerk. Men beschouwde het als volkomen normaal dat werknemers nog bereikbaar waren tot 21u en soms later. Ik begreep dat toen niet en begrijp dat nu nog altijd niet. Een man met een interne prikklok was ik niet, en bij belangrijke projecten vond ik het aanvaardbaar om een extra inspanning te leveren, maar de overuren die bij Dunning & Kruger gedraaid werden, deden soms eerder denken aan een bedrijf in Japan in plaats van een firma in België.
Ook Ilse deed elke dag zware overuren, hoewel ze zelden wat voor elkaar kreeg, en meer tegen- dan meewerkte. Nog goed te keuren brochures, persberichten of teksten voor de website bleven zich opstapelen in haar mailbox, of ze had de neiging om vlak voor de voltooiing te veranderen van idee over hoe het moest. Die koerswijziging deelde ze dan mee op zo’n manier dat het leek alsof Hendrik, Elien, Alfred en ik een team imbecielen waren. Ilse vergat ook voortdurend belangrijke details over de diensten en goederen die Dunning & Kruger aanbood. Dat deed argumenteren met haar deed lijken op een redelijke discussie proberen voeren met een malevolente kleuter die als ultiem argument nog altijd even vlug in z’n broek kon kakken. Alleen: wij waren altijd de broek.

Verder naar deel twee.

maandag 26 september 2011

De gehangenen (VIII)

8. Moeras

Ik was opnieuw vijf jaar oud en was thuis in de woonkamer. Alle lichten waren aan en schenen zo helder dat ik mijn hoofd niet kon oprichten om naar de gezichten te kijken van de volwassenen. Ik herkende de stem van mijn moeder, die eerst klonk alsof ze vanuit een plek onder water kwam, of door een badkuip, en dan geleidelijk aan duidelijker begon te klinken. Ze praatte met een man die een grijze broek droeg en bruine schoenen.
"... te doen. Op die manier gaat het niet meer."
Een sterk gevoel van angst kwam over mij. Ik voelde dat mijn kleine handen zweetten en wilde opstaan, mij groter maken om te roepen dat ik er ook nog was, maar ik kon niks zeggen.
"Misschien is dat het beste," zei de stem van de man.
Als hij sprak, rook ik sigarettenrook.
"Wat gaat er dan met hem gebeuren?"
De uitspraak klonk afgemeten.
"Striktere observatie. Geen wandeltochten meer."
"Maar hij kan toch niet de hele tijd hier zitten?"
"Het is het een of het ander, mevrouw."
Mijn hoofd voelde zwaar en ik voelde onder het veel te heldere licht mijn oogleden dichtvallen. Ik proefde Marlboro's in mijn mond.

Ik werd wakker in de zetel. Het was nacht. Het kon ook een erg donkere avond geweest zijn, of zelfs een namiddag of ochtend, maar aan alle geluiden en zelfs aan de geuren in de woonkamer, wist ik dat het nacht was. Hoe lang had ik hier al gelegen?
Ik keek naar mezelf. Ik had een hemd en een pull aan. De kraag van mijn hemd prikte. Mijn benen hadden niet meer de vertrouwde zwaarte die ze anders hadden onder het gewicht van het gips, en ik merkte dat ik terug een van mijn oude broeken droeg - een zwarte jeans die ik al niet meer had gedragen sinds er een vlek op gekomen was van tonic die er niet meer uitgegaan was.
"Godverdomme," mompelde ik, waarop ik hoestte en mij aan mijn armen oprichtte tegen de leuning van de zetel. Terwijl ik naar mijn fles water greep, voelde ik dat ik braces aanhad in plaats van mijn gips, en terwijl ik de fles opende en dronk, probeerde ik de voorbije dagen terug samen te puzzelen. Hoe veel dagen was ik kwijt uit mijn geheugen? Wat was er gebeurd sinds ik gehallucineerd gehad dat Louis Devilder uit de regen opgedaagd was om mij te komen halen?
Enkele keren ademde ik diep in en uit, en hoestte ik opnieuw. Uit de keuken kwam het lage zoemen van de koelkast. Op tafel stond een fruitschaal en lag er een stapel boeken. Waarom was ik met mijn kleren aan gaan slapen?
"Sta op."
Ik probeerde om de stem te negeren die dat gezegd had, omdat ik wist dat ze niet echt was. Het was de stem van Brecht, maar Brecht was dood. Hoe wist ik dat ook alweer? Ik nam nog een slok water en begon me steeds beklemder te voelen. Mijn hand maakte kreuken in het plastiek.
"Sta op."
"Godverdomme," vloekte ik. Ik zette de fles neer met een onbevredigende klap, en zocht naar mijn krukken. Geen krukken te zien. Ik vroeg me af of ik al kon rechtstaan. Twee minuten later zat ik aan tafel. Brechts dode stem kwam niet meer terug, gelukkig.

Middenin een droom werd ik wakker; een droom binnen een droom. Het kwam nog voor. Ik had al vaak zulke verhalen gehoord van mijn klanten, en had het toen niet geloofd. Dat was iets voor in films of in boeken.
Van buitenaf zag ik mijzelf schrijven, met mijn gezicht dicht tegen het papier, aan een soort dagboek. Op de achtergrond speelde de tv. Het venster stond open en de gordijnen waaiden meer naar binnen met de wind. Achter mij zat er een man aan tafel met een blauw gezicht.
"Aufmachen."
Op de een of andere manier schrok ik minder hard dan dat had gemoeten. Door het Duits kon ik mijzelf makkelijker overtuigen dat wat ik zag en hoorde, niet echt was. Ik besefte eveneens dat het geen zin had mijn moeder te roepen, want wie weet hoe veel dagen ik daarna zou verliezen in mijn geheugen, en waar ik dan wakker zou worden? Ik stond traag op.
"Aufmachen, bitte."
Het was tenminste al Brechts stem niet meer.
Toen ik de deur opende na nog drie minuten, keek ik naar een soldaat die rook naar
grootvaderdeodorant en een grote kin had.
"Peter Schutze?" vroeg ik.
"Papiere?" vroeg de soldaat, zonder te antwoorden. Ik toonde hem het dagboek. Hij nam het aan met een harde uitdrukking, bladerde erdoor, keek van mij naar de pagina's en dan weer terug, en knikte tenslotte. Hij gebaarde toen naar een auto die aan de overkant van de straat wachtte, en begeleidde mij er naar toe, nadat hij de voordeur gesloten had. Het zwart van de auto viel niet op in het donkergrijs van de nacht. Hoewel ik wist dat dit allemaal een hallucinatie was, voelde ik mij rustiger dan ooit.
Ik moest voorzichtig instappen. Peter Schutze ging aan het stuur zitten. Naast hem zat Louis Devilder, in zijn zwart pak en met zijn bolhoed, en op de achterbank zaten Jana en mijn moeder. Iedereen zag er ernstig uit. Ik zei zelf ook niks meer, en keek maar een keer achterom toen Schutze de auto startte en de straat uit begon te rijden, naar de donkere voorgevel van mijn huis.

Ik stopte met schrijven, of beter, ik zag mijzelf stoppen met schrijven. Ik kon mij niet herinneren dat ik ooit in mijn leven al zo veel geschreven had. Mijn ogen waren bloeddoorlopen en ik zweette. De deur van mijn appartement ging open maar ik keek niet op en bleef kijken naar de laatste woorden die ik op papier gezet had. Ik volgde alles door de ogen van de man die binnengekomen was.
"Kris? Kris, wat is hier gebeurd?"
Kris, tegelijkertijd ik en niet-ik, keek traag om en zei iets onverstaanbaars. In mijn hoofd hoorde ik dat ik wilde zeggen dat de bezoeker weg moest gaan.
"Wat is er gebeurd met Brecht?" herhaalde de bezoeker.
Ik stond op en wreef mijn bezwete handen af aan mijn t-shirt.

Soldaat Schutze reed de auto door het kleine netwerk aan straten van Buitenbeke tot aan een grindweg die langs aan de ene kant een moeras, aan de andere kant een gekapt bos had. Tegelijk stapte iedereen uit. Schutze liep om en opende de deur aan mijn kant.
"Aussteigen," zei hij slechts. Zijn ogen stonden ver.
Met minder moeilijkheden dan ik was ingestapt, stapte ik uit. De lucht voelde koud en dik aan, en ik besefte nu pas dat ik geen schoenen aan had. Het was dik bewolkt, en alleen in de verste verte waren er enkele straatlichten zichtbaar over de heuvels voorbij het gerooide bos. Mijn moeder, Jana en mijn overgrootvader stonden aan de andere kant, bij het moeras. Schutze pakte mij bij de arm en leidde mij tot bij hen, waarop we ons in beweging zetten over de grindweg. Gelukkig deden mijn voeten geen pijn. Nog steeds zweeg iedereen. Niemand zei een woord toen Schutze de groep een smal pad naar binnen deed inslaan, waar zijn laarzen een zompig geluid maakten door de modder, en niemand zei er iets van toen de eerste dikke regendruppels begonnen te vallen. Het was ook harder beginnen waaien. Ik was vastbesloten de rit van deze hallucinatie uit te zitten. Er zat niks anders op.
Toen het al volop aan het regenen was, na wat leek op een wandeling van een kilometer, waren we voorbij het moeras uitgekomen bij een kleine, bemoste landtong die over een dode rivierarm lag. Het geluid van de regen die neerstortte in de ondiepe poel water overstemde bijna alles.

"Niet doen, Kris."
Ik stond op de rand van de vensterbank.
"Val dood," zag ik mijzelf zeggen, bleek en zwetend.

Ik werd gewaar dat ik in een ziekenhuisbed lag. Aan weerszijden van mijn bed stonden mijn moeder en een dokter. Hij leek alleszins op een dokter.
"Kan je spreken?" vroeg de dokter.
"Ja," zei ik. Mijn lippen kleefden bijna aan elkaar van de droogte. Ik voelde mij alsof ik maar een meter groot was, en zag aan het voeteinde van mijn bed twee dikke, witte buizen die opgehouden werden door een soort verband.
"Herinner je je dat je gevallen bent?" vroeg de dokter. Ik keek van zijn gezicht naar de buizen en besefte dat het mijn benen waren, die in een dikke laag gips zaten. Daarna keek in maar mijn moeder, die rond haar hoofd precies een stralenkrans leek te hebben door het melkwitte licht dat naar binnen kwam door het venster.
"Ik weet het niet," zei ik. Ik voelde hoofdpijn.

Een gestalte wachtte ons op bij een dikke, verwrongen boom. Aan een van de takken van die boom hingen twee koorden die bengelden in de regenvlagen.
"Kom dichter," zei de stem die bij de gestalte hoorde, door de regen heen. Toen ik een stap dichter zette, zakte ik door mijn benen. Mijn hoofd voelde zwaar aan. Drie paar armen tilden mij overeind terwijl regen langs mijn gezicht sloeg. Ik voelde de vaste hand van mijn moeder, de fijne armen van Jana en de vingers van mijn overgrootvader Louis, hard als rots.
Aan een van de koorden was iemand opgehangen.
"Dichter!" gebood de stem die aan de grote, bijna onzichtbare gestalte behoorde. Ik werd
overgedragen aan zijn greep, maar kon niet opkijken omdat ik over zijn schouder geslingerd was. Mijn drie begeleiders waren teruggekeerd naar hun afstand, en keken wezenloos toe, op een rij naast elkaar. Louis' bolhoed droop van de regen.
De opgehangen gestalte dreef mee op de sterke wind. Door zijn borst stak een lans, en aan zijn uniform herkende ik dat het Peter Schutze was. Ik wilde iets zeggen, roepen, wakker worden, maar ik had er absoluut de kracht niet voor. Door een ijzersterke arm werd ik opgehesen en werd mijn zware, pijnlijk hoofd door de lus gestoken van de andere koord.
Het gehuil van de wind overstemde mijn gekerm, toen ik mijn stem terugkreeg. De onzichtbare beul die me had opgehangen stond achter me.
"Help mij! Help mij!" riep ik vergeefs. Mijn kreten werden gesmoord in het snijdende, harde touw dat rond mijn hals zat en waar ik niet uit kon. In de dode rivierarm zag ik stenen en gezichten, voorbij waar Louis, Jana en mijn moeder stonden. Dokters, doden, oude vrienden, drugsverslaafden, beroemdheden. Ze vermenigvuldigden zich.
De beul achter me trok de koord op en strakker. Mijn lichaam was drijfnat. Door de angst zag ik het, voor ik het voelde, dat er een speerpunt uit mijn borst stak. Met een overdonderende knettering vorkte er een bliksemschicht door de hemel.
Tegen de tijd dat de donderslag kwam, was ik al dood.

zondag 25 september 2011

De gehangenen (VII)

7. Bolhoed

De volgende dagen probeerde ik alles zo rustig en beheerst mogelijk te doen. Ik sliep niet meer zonder slaappillen, omdat ik wist dat ik dan niets zou dromen. Ik bekeek actiefilms, maar die hielpen niet bepaald om mij te kalmeren (ze deden me voor het eerst mijn oude leven missen). Ik kwam het huis niet uit, tenzij om te proberen rondstappen in de tuin, en noch ik, noch mijn moeder kwamen nog terug op mijn kortstondige zinsverbijstering. Het waren verdomd saaie dagen. Dagen vol frustratie ook. Tot overmaat van ramp was het bijna onophoudelijk aan het regenen.
Ik zat aan tafel en at een boterham met choco. Mijn moeder was gaan werken. We verwachtten eigenlijk elk moment een brief of een telefoon van het gerecht, dat ik mij weer kon gaan melden op het politiekantoor of in de gevangenis (die grijnzen, die domme, idiote lach van de agenten, of die oudere cipiers met hun snorren en hun valse vadermanieren), maar ik kon niet zeggen dat ik er op zat te wachten.
Ik nam een slok cola en keek voor de zoveelste keer het venster uit. Met mijn andere hand zat ik te prutsen aan het plastieken tafellaken. Regen vormde dikke stralen en strepen, en ik kon de wind horen tot binnen. Aan de overkant stond een beige Mercedes uit de jaren ’80 geparkeerd. De bejaarde overburen waren thuis. Voorts was Opperbeke door God verlaten, zoals ik het altijd al had geweten. Terwijl ik nog een stuk uit mijn boterham beet, dacht ik aan de dokter met zijn vriendelijke nietszeggendheid, en kon ik mij niet inbeelden dat hij ooit iets anders deed dan in zijn kabinet zitten en mensen ontvangen. Ik moest ook denken aan de apotheker en zijn hese stem, en hoe die man zelf uit medicijnen leek te bestaan. Zou die ooit nog seks hebben? Ik dacht, terwijl ik een grote hap nam uit de korst van de boterham en zowel boter als choco proefde, aan de professionele dronkaards in het cafe. Die mensen hadden niks beters te doen. Ze hadden
nochtans alle vrijheden.
“Kalm, Kris,” zei ik tegen mijzelf, toen ik me voelde kwaad worden omdat ik binnenkort terug de bak in moest als mijn benen beter waren. Ik probeerde mij terug te herinneren waarom ik ervoor gekozen had mijn straf uit te zitten en niemand te verraden. Mijn blik dreef weer af naar buiten.
Mijn hart sloeg een slag over toen ik een seconde dacht dat er een man met een bolhoed en een lange zwarte jas met dikke knopen voor het venster stond en recht naar binnen keek. Het was maar inbeelding – een plotse schaduw van een regenwolk misschien, of de telefoonpaal in de buurt die ik verkeerd gezien had voor een figuur. Ik zag gewoon te weinig mensen, ook. Met twee slokken leegde ik het glas cola en zette ik het luid terug op tafel. Lawaai deed deugd. Ik had het gevoel dat ik weer toe was aan frisse lucht.
Een kwartier later zat ik op de drempel van de voordeur, uit de regen, met mijn krukken naast mij, en mijn jas aan. Toen ik als bekroning van dat karwei zocht naar een sigaret in mijn jas, voelde ik de kaft van Louis’ dagboek. Ik bleef steken in mijn handeling.
“Niet flauw doen,” zei ik tegen mezelf, waarop ik het dagboek uit mijn binnenzak nam, mijn sigaretten er mee uit haalde, en het boekje opensloeg terwijl ik mijn aansteker er bij nam.
Rook vloog snel weg over de vergeelde bladzijden, de plenzende regen in.

11 november 1943

Natuurlijk mochten we Wapenstilstand niet vieren van de Duitsers, maar in ’t geniep hebben Angèle en ik toch een kaars kunnen branden op zolder, bij ons beeldje van de IJzertoren. Alles Voor Vlaanderen, Vlaanderen voor Kristus. Al vragen wij ons soms af wat de Lieve Heer bezielt om ons dit aan te doen. Ze zeiden trouwens vandaag dat we een moeilijke winter gaan hebben. De boeren zijn niet content geweest van de zomer ook.


Ik moest glimlachen en bladerde zelfverzekerd door het dagboek. Niks mee aan de hand.
Misschien was ik te moe geweest, onlangs. Nog een rookpluim haastte zich weg door de regen. Er waren een paar regendruppels op mijn gips terechtgekomen, maar dat was niet erg. Binnenkort mocht het er toch af, en ging het gips vervangen worden door braces. De krukken was ik nog niet vanaf, maar dat was ook niet erg, want geen krukken betekende ook terug definitief de gevangenis in, dat wist ik zeker.
Ik dacht eraan dat ik misschien Jana nog eens wilde zien en pakte mijn gsm, tot ik besefte dat ik haar nummer niet had. Daardoor stond ik een moment stil bij hoe leeg mijn gsm-geheugen momenteel was. Ik probeerde mij de namen te herinneren van mijn maten van toen. Xavier, die gladde macho met zijn tien lieven die een keer te veel speed genomen had en een student bijna doodgeslagen had. Tanya, zijn halfzuster waar ik nog mee geneukt had en die al even geschift was als hijzelf. Cedric, hun vader, waarvan zijn eigen zoon en dochter niet eens wisten dat hij klant was bij mij. Chance dat hij geen magistraat meer was, anders had ik hem serieus kunnen kloten – of ook weer niet, dan was ik nu misschien vrij en had ik geen twee gebroken benen. Ik gooide de sigaret weg. Ze siste weg in een plas bij de goot. Goed gemikt. Ik was daar altijd wel goed in, in mikken. Met proppen papier in de prullenmand, met balletjes gooien naar leerkrachten, en met darts op cafe. Of met geweren.
Ik schudde met mijn hoofd en voelde mij daarbij oud. Het dagboek viel weer open, tegen het einde van het ding, waar de bladzijden niet zo dicht meer op elkaar zaten.

9 december 1943

Ze brengen mij weg naar Duitsland. Ze brengen u weg naar ’t gevang. Het is allemaal hetzelfde. Wat hebben mensen als wij misdaan? Ik ben alleen maar gaan vissen met Peter en voor de rest weet ik niets meer. En gij zijt alleen maar om boodschappen geweest voor uw maten en blijkbaar had ge de verkeerde dingen mee. Een mens kan zich vergissen, zeg ik altijd. Maar niet iedereen kan daar mee lachen. Wat doen we daaraan, Kris?


Alle bloed trok weg uit mijn gezicht, en ik kreeg kippenvel op mijn armen. Mijn ogen waren vastgelijmd aan de bladzijde. De tekst scheen zichzelf verder te vormen in Louis’ propere handschrift terwijl ik nog aan het lezen was.

10 december 1943

Het regent zo hard. Ik wou dat het sneeuwde, dat is tenminste een stuk zachter en ge voelt er u niet zo ziek door ook. De mensen zeggen zo veel over mij, en mijn Duits is niet goed genoeg om alles te verstaan wat ze zeggen. Misschien gaan ze mij naar één van die kampen sturen. En wat gaan ze met u doen? Ik heb ook het gedacht dat ge niet verstaat waarom ge daar nu infeite zit en waarom ge gezwegen hebt. Maar ik versta dat.


Ik klapte het dagboek dicht en toen weer open. De paragrafen waren weg. De hele bladzijde was weg, en het eindigde nog steeds op 8 december 1943. Ik probeerde mijn ademhaling te controleren en overliep in mijn hoofd welke medicijnen ik had genomen. Het moesten bijwerkingen zijn. Ik moest naar de dokter. Mijn nek en spieren deden plots pijn, maar mijn handen beefden te veel om naar mijn krukken te grijpen en zomaar op te staan. Voelde dat dan zo, zot worden? Ik had het genoeg gezien bij anderen, maar had nooit kunnen weten dat mij dat zoveel angst ging bezorgen.
“Fuck,” mompelde ik, “fuck,” nog een keer, langgerekter. Nog een sigaret dan maar. Traag roken, dat hielp misschien. En hopen dat het niet zo lang meer ging duren eer mijn moeder thuiskwam, maar het was nog altijd licht achter de regenwolken, dus het was nog even op de tanden bijten. Ik kon de ambulance bellen, maar dat zou alleen maar tonen aan Opperbeke hoe slecht het met mij ging. Wat moest ik doen?
Mijn sigaret werd aangestoken met een steekvlam.
“Fuck,” zei ik opnieuw, deze keer als spontane reactie.
Uit de beige Mercedes aan de overkant van de straat kwam een man gestapt. Het was een oudere man, met een zwart kostuum, dikke knopen en een bolhoed. In de auto zaten een paar mensen die allemaal naar mij keken en geen ogen hadden.
De man met de bolhoed kwam door de regen naar mij toe. Zijn schoenen maakten een kletterend geluid in de zware regen, en ik kon geen kant op. Ik voelde mij alleen zo koud als steen.
“Kris De Geest?” vroeg de man. Zijn gezicht zag er asgrauw uit, met een sepiarand.
“Ja,” hoorde ik mijzelf zeggen, ergens heel, heel ver weg, “Wat is er?”
“Ik ben Louis Devilder. Ik kom u halen.”
Mijn moeder vond mij op de drempel van het huis in mijn eigen kots, natgeregend en ziek.

Verder naar deel acht.

zaterdag 24 september 2011

De gehangenen (VI)

6. Stap voor stap

Het lopen ging beter. “Stap voor stap!” had de dokter gezegd, en hij had dat enorm grappig gevonden. Ik wandelde terug moeizaam de heuvel op naar huis, langs het voetpad. Af en toe reed er een auto voorbij. Het zag eruit alsof het opnieuw zou gaan regenen, maar erg koud was het niet. In het begin had ik elke auto die te traag was voorbijgereden, bespied met samengetrokken ogen. Je wist nooit dat oude vrienden het idiote plan opgevat hadden om mij te komen bezoeken, of erger, mij te komen bezichtigen alsof ik een aap in een kot was.
Tik, stap, tik, tik, stap, tik. Het ging. Binnenkort kon ik terug naar het ziekenhuis om te beginnen met de verdere revalidatie. ik vroeg me af wanneer er een brief in de bus ging zitten van het gerecht. Ze hadden mij toegestaan thuis te revalideren en zo’n enkelband te dragen, maar dat ging maar duren tot ik weer kon lopen.
Stap, tik, tik, stap, tik.
Het was belachelijk eigenlijk – ik ging dan wel weer kunnen lopen, maar zou er niks aan hebben, want het was dan weer alle dagen celregime. Ik had het er met niemand over gehad, maar verdomme, in zo’n cel zitten was geen grap. Toen ik nog dealde, had ik erover gesproken met Nico. We vonden allebei dat zware criminelen er te makkelijk van af kwamen en dat tien jaar cel voor doodslag niets was. Ik vond twee maanden al ondraaglijk.
Tik, stap, stap, tik, tik.
Ik keek op. Was het mogelijk dat ik Voorbeke al ging missen nog voor ik er goed en wel weg was? Deze saaie, burgerlijke gemeente waar elk dak oranjerood was en mannen zelf hadden mee helpen metselen? Ik had zin in bier, maar weerstond de verleiding nog door te stappen tot het cafe. Ik ging er ook te moe voor zijn, en bovendien had ik beloofd aan mijn moeder dat ik rechtstreeks naar huis ging komen van bij de dokter.
Stap, stap, tik, tik, tik, stap.
Een auto passeerde traag. Ik weerstond de neiging opzij te kijken. Niks verdacht doen, Kris. Dat gebruiken ze toch alleen maar tegen jou. Ik moest denken aan mijn celgenoot, een oude, onverstaanbare vent. Een kleine crimineel, een inbreker die al te vaak gepakt was door zijn eigen domheid. Ze hadden ook van mij gezegd dat ik niet slim was.
Tik, tik, stap.
Ik was intussen boven op de heuvel. Nog een auto kwam langs. Per toeval keek ik opzij, omdat het hetzelfde model was als de auto die ik ooit gehad had. Er zaten vijf mensen in. Ze hadden alle vijf schotwonden, en keken me aan met ogen zonder pupillen of irissen. Ik schreeuwde. Het volgende moment reed de auto door en bleek er maar een chauffeur in te zitten – een verwarde nouveau riche, een advocaat die een paar straten verder woonde.
Tik.
Ik bleef staan en kwam op adem. Ik overliep de medicatie die ik moest nemen en of er bijwerkingen bij waren. Toch eens vragen aan mijn moeder.

Toen ik thuis kwam, was mijn moeder er nog niet. Ik was haar voor geweest, blijkbaar. Mijn benen deden pijn. Het deed deugd toen ik mij terug in de zetel bij het venster kon laten vallen. Ik probeerde mijn gedachten te verzetten van wat ik daarjuist gezien had, of beter, niet gezien had. Ik schonk mij een glas water in van de fles die op de vensterbank stond. Naast de fles lag ‘De Geschiedenis van Voorbeke’ omgekeerd, met de pagina’s die ik had zitten lezen voor ik naar de dokter had gemoeten, open. Ik nam het boek terug op om het vooral van daarnet te vergeten. Ik zat opnieuw in het hoofdstuk over Wereldoorlog II omdat ik het nauwkeuriger wilde lezen. Op de rechterpagina stond het krantenbericht van vlak na de oorlog, met een oplijsting van de Voorbeekse slachtoffers, waar ze ook de mysterieuze Peter Schutze in vermeld hadden. Er was een paragraaf over het Belgische leger dat zich had teruggetrokken en enkele hoger gelegen torens had in brand gestoken, om de Duitsers vanaf de heuvels het uitzicht te ontzeggen over de vallei. Slim bekeken. Ook een stukje over de rantsoenering, en dat boeren hier niet zo’n woekerwinsten hadden gemaakt als elders in Vlaanderen. De Devilders waren geen boeren geweest, al hadden ze er op foto wel zo uitgezien. Angele en Louis hadden samen een winkel gehad, maar Louis had geschreven dat ze die dichtgedaan hadden in 1941. Niet alleen was er niet veel vraag meer naar ‘koloniale waren’, maar de voorraden kwamen ook niet meer binnen omdat Belgie bezet was en Congo niet. Mijn ogen gingen opnieuw over de zinnen waarin Peter Schutze vermeld was. Hoe meer ik het las, hoe zekerder ik werd dat dat diezelfde Peter was waar Louis over geschreven had. Ik sloeg de bladzijde om en zag iets dat ik nog niet eerder gezien had. Er was een kolom in fijne drukinkt, geschreven in dezelfde runen die ik had laten ontcijferen door Jana.
“Raar,” zei ik luidop. Ik bladerde naar voor en naar achter, en nergens kwamen de tekens terug. De kolom tekst leek gewoon deel uit te maken van het boek. Daarna ging het over de bevrijding, de Amerikanen, enzovoort. Een foto van grijnzende jonge Amerikanen, en nieuwsgierige mensen op straat die rond vrachtwagens verzameld stonden. Erg veel brillantine.
Ik hield mijn vinger tussen de pagina en zocht in het stapeltje papieren en boeken dat op de vensterbank lag, naar een dun boekje dat Jana in de bus had gestoken een paar dagen terug, zodat ik zelf de runen kon ontcijferen.
“Weer aan het lezen?”
Het klonk als een beschuldiging.
“Ook een goeiedag, ma.”
“Jij bent nu al terug?”
“Goed doorgestapt he.”
Mijn moeder knikte slechts en hing haar jas aan de kapstok. Intussen richtte ik mij op, pakte ik mijn krukken en ging ik met beide boeken aan tafel zitten.
“Is er papier?”
Ze haalde een cursusblok die nauwelijks beschreven was van bij de telefoon. Ik wilde bijna vragen waarom wij eigenlijk nog een vaste telefoon hadden, maar zei niks. Mijn moeder had duidelijk geen zin in een discussie. Mijn aanwezigheid leek haar op de zenuwen te werken, al verstond ik niet goed waarom. En ik ging het ook niet vragen.
Een uur later had ik de kolom tekst overgeschreven en daarna proberen lezen met de runen erbij. Ik deed het daarna nog een keer, toen mijn moeder al bezig was met het eten en ze de radio aangezet had. Ik beefde, en had zin om overeind te springen, de deur achter mij dicht te slaan en oneindig ver weg te lopen. Maar ik kon niet.

De Germaanse god Woden nam het leven van soldaat Peter Schutze. Bij het vissen samen met dorpeling Louis Devilder was het zwaar beginnen onweren. De god was aan hen verschenen in het moeras. Hij had de Duitser overmeesterd, opgehangen en daarna met een speer doorboord. Bij zijn thuiskomst werd Devilder gearresteerd en weggevoerd.

Ik sloot mijn ogen en rook het sissende vlees. Bloemkool.
“Ma?” vroeg ik. Ze kwam uit de keuken.
“Wat is er. Kris, jij ziet plots bleek.”
Ik toonde haar de runenpassage in ‘De geschiedenis van Voorbeke’.
“Kan jij dit zien?”
Ze knikte.
“Dat is... het boek over Voorbeke. Wat is er mee?”
“Nee, dat weet ik ook,” zei ik, “Maar dit?”
Ik legde mijn vinger op de runetekens.
“Er staat iets over een Duitse soldaat die stierf. Is het dat?”
“Nee! Zie je ’t niet? Die tekens?”
Mijn moeder legde haar hand op mijn schouder en keek mij lang aan.
“Jongen, ik zie niks. Ben je zeker dat je je wel goed voelt?”
Ik klapte het boek dicht en voelde mij leeglopen als een ballon.
“Laat maar zitten.”
Ik wilde niet dat ze dacht dat ik gek was. Ik had al mensen gek zien worden door drugs, maar had mijn eigen spul nooit veel genomen. De knalrode auto van de advocaat kwam ook terug in mijn geheugen.
“Wat eten we?” vroeg ik toen. Ik klonk te agressief.
“Worst en bloemkool.”
Ik knikte. Het allersimpelste van simpele Vlaamse kost. Het maakte mij rustiger.
“Ok. Dat is goed. Lekker.”
Mijn moeder ging traag terug de keuken in.
“Misschien moet je morgens eens terug naar dokter De Padt,” zei ze nog.
Ik schudde nee, maar dat kon ze niet meer zien.

Verder naar deel zeven.

donderdag 22 september 2011

De gehangenen (V)

5. Granaatscherf in het hart

De volgende dag had ik het volledige dagboek uitgelezen. Louis Devilder had verder gesproken over zijn dochter die opgroeide en een mooi meisje werd, wat zijn dominante vrouw dacht over de oorlog, en over de soldaten die ongerust werden dat ze misschien naar het Oostfront moesten. De naam van Peter was regelmatig opgedoken – blijkbaar hadden de twee mannen een voorliefde gedeeld voor vissen. Het dagboek was plots opgehouden op 7 december 1943. De laatste paar tekstjes waren ook al kort geweest, en daarna volgden alleen maar witte pagina’s.
“Waarom heeft hij niet verdergeschreven?” vroeg ik aan mijn moeder, toen we ’s avonds samen lasagne aten. De radio stond godzijdank uit. Ik begon al terug gevoel te krijgen in mijn rechterbeen.
“Wat? Wie?”
“Je grootvader,” antwoordde ik, “Zijn dagboek stopt op het eind van 1943.”
“Misschien was het vol?”
“Er waren nog massa’s blanco pagina’s nadien.”
Mijn moeder legde haar vork in de lasagne, keek naar buiten en dacht na. Het viel me plots op dat ze er veel jonger uit zag dan gisteren, maar dat kwam waarschijnlijk door het zachte licht dat op de keukentafel viel.
“Ik denk dat hij toen ongeveer naar Duitsland is gevoerd.”
“Waarom?”
“Dwangarbeid. Ja, het was daar dat hij zot geworden is.”
“Dat is raar,” zei ik, na een hap lasagne, “want uit zijn dagboek schijnt hij nochtans goed te zijn overeengekomen met de Duitsers die in hun huis zaten.”
“Mja. Je wist dat nooit, in die tijd, zeker? Befehl ist Befehl en zo,” maakte mijn moeder er zich van af. Het was buiten beginnen regenen. De rest van de maaltijd brachten we in stilte door.

Een uur nadat we klaar waren met eten, zat ik weer te lezen. Ik had al enkele keren met mezelf gelachen door mijn nieuwe gewoontes. Mijn oude vrienden zouden gevraagd hebben wat er mis met mij geweest was, dat ik in de zetel lag te lezen, en dan nog met een enorm dik boek. Het was ‘De geschiedenis van Onderbeke’, geschreven door een zekere Xavier T. Costeur. Alleen al zijn naam klonk boekachtig, en op de achterkant stond zijn foto – een ronde, kleine vent met een bril waarvan de glazen verkleurden in het zonlicht. Ik was even blijven hangen bij het stuk over de Middeleeuwen en een paar zinnen over vrouwen die geschaakt waren, en dan een paar foto’s van de oude kerk, maar wat ik eigenlijk zocht was een stuk over de Tweede Wereldoorlog. Dat zat bijna tegen het eind van het boek. De bladzijden voelden erg scherp aan, waaruit ik opmaakte dat niemand erg vaak in het boek had gekeken. Er waren een paar foto’s van jonge soldaten die hadden meegevochten in de Achttiendaagse Veldtocht en waarvan er een niet was teruggekeerd. Er was ook een lijst van ‘opgeeischten’. Daar stond de naam van Louis Devilder niet tussen. Het bijschrift bij de lijst vermeldde wel dat het ging over een document uit 1942, dus de naam van mijn overgrootvader kon er ook niet tussen staan.
Het boek begon zwaar te wegen, en ik liet het even zakken. Buiten, op straat, regende het pijpenstelen. De huizen aan de overkant waren bijna onzichtbaar achter hun regengordijn. Ik had zin om nog eens het cafe op te zoeken, maar wist dat het onbegonnen werk was om met mijn krukken naar buiten te gaan. Bovendien had ik daar ook niets te zoeken. De regen viel zo hard neer dat ze dikke, vette strepen maakte op de venster, volledig verticaal.
“De oorlogsslachtoffers van Onderbeke,” luidde de titel van de volgende paragraaf. Er waren er niet veel geweest, zo te zien. Een zekere Georgette Buyle die een granaatscherf in haar hart had gekregen (hoe was die daar gekomen?), een postbode die verkeerdelijk was aangezien voor een verzetslid en was doodgeschoten, en ook een Duitse soldaat. Mijn ogen bleven er op rusten.
Peter Schutze. Zou dat de Peter zijn van de dagboeken? Ik las verder. Het boek vertelde dat soldaat Schutze op de uitkijk had gestaan op een grindheuvel, en er ’s nachts in weggezakt en gestikt was. Dat klonk te fantastisch om waar te zijn – wie zakte er nu zomaar weg, en dan nog in een heuvel grind? Datum van overlijden: 8 december 1943. Mijn hart sloeg een slag over.

Ik stond onder het afdak van de achtertuin te roken. Moeder was weg met een vriendin. De getallen en namen zwommen rond in mijn hoofd, vooral ook omdat het mij afleidde van sterke herinneringen aan de gevangenis en wat er vooraf aan was gegaan.
Louis had op 7 december geschreven dat hij weer zou gaan vissen met Peter. Hadden de Duitsers hem de schuld gegeven van de dood van Peter? Misschien was er een ander ongeluk gebeurd, en hadden ze Louis dan maar naar Duitsland gestuurd om het stil te houden. Of misschien had Peter homofiele avances gemaakt op Louis, was er een gevecht ontstaan en was Peter per ongeluk doodgeslagen geweest. Toch leek Louis uit zijn dagboeken enorm zachtaardig. Er was natuurlijk dat bizarre fragment in runen.
Ik steunde op een kruk, en toen op een andere. Ik had het zelfs niet gemerkt dat mijn moeder voor mijn neus was verschenen, onder een paraplu.
“Wat sta jij hier te doen?”
Haar stem klonk niet onvriendelijk, maar op een bepaalde manier mannelijk.
“Waarom praat jij zo raar?”
Ze tilde haar paraplu op. Het was nog steeds mijn moeder.
“Aan het nadenken,” zei ik achteloos.
“Over?”
“Wat ik gelezen heb,” zei ik met een schouderophalen.
“Toch niet weer over mijn grootvader?”
“Natuurlijk. Het is niet dat hier anders veel te doen is.”
“Misschien moet je eens wat anders lezen? Louis was echt zo interessant niet.”
“Maar je weet niets over hem.”
Mijn moeder ging ook onder het afdak staan en klapte haar paraplu dicht.
“Ik zou gewoon niet willen dat je denkt dat... Ik weet het niet,” zei ze, “Mijn moeder vertelde mij altijd dat haar vader zot was teruggekeerd uit Duitsland, en ik vind het raar dat je je zijn lot zo aantrekt. Als er een iemand is in de familie waar je niet op moet gaan lijken, dan is het hem wel.”
Ik moest lachen en nam nog een trek van mijn sigaret.
“Serieus, moeder. Ik ga niet op iemand lijken door zijn dagboek te lezen. Ik heb die mens zelfs nooit gekend.”
“Ik vind het gewoon raar dat je nooit eerder geinteresseerd bent geweest in je familie, en nu plots wel. Waarom bezoek je eens tante Maria niet?”
“Maria? Het is al geleden van toen ik dertien was dat ik die gezien heb.”
“Ze heeft je wel altijd veel geld gegeven voor je verjaardag.”
Ik haalde mijn schouders op.
“Ik heb daar nooit om gevraagd.”
Ik besefte dat dit soort gesprekken een van de vele redenen was waarom ik nooit had kunnen blijven wonen in Onderbeke. Onvrijwillig had ik terug een beeld in mijn hoofd van een van mijn vrienden die aan het overgeven was over de reling van een brug nadat zijn liefje uit een dorp in de streek hem gedumpt had voor een andere gast. Zelfs dat was boeiender dan de parochiale gedachten van mijn moeder.
“Jij bent soms zo...”
Ze maakte haar zin niet af, en ik had zelf geen zin om ruzie te maken. Ze ging naar binnen, en ik rookte mijn sigaret op.

Ik droomde dat ik terug in mijn cel was. Alleen waren de muren witter, en was het venster groter. Ik zat aan tafel. Voor mij zat een man met volledig zwart haar. Ik vond dat hij op een of andere manier leek op Jana. Hij leek eerst wartaal te spreken tegen mij, maar gaandeweg werd zijn taal verstaanbaarder.
“Steven, Paul, Evert, Eline, Dirk... die namen zeggen je niets?”
“Nee,” zei ik, naar mijn aanvoelen extreem traag, “Waarom?”
“Laat maar,” zuchtte de man.
Een andere man kwam binnen. Ik voelde mij zwaar, zo zwaar dat ik niet kon opkijken naar het gezicht van de andere man.
“Wie is dat?” bracht ik uit.
“Dat is niemand,” zei de man die tegen mij sprak.
“Ik was alleen maar aan het lezen,” zei ik.
“Ja. Dat weten we.”
“Ik wil terug normaal kunnen lopen,” mompelde ik.
“Binnenkort kan dat weer. Ga nu maar slapen.”
En ik werd wakker.

Verder naar deel zes.