Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de verhalenafdeling daarvan. In 2016 bundelde en redigeerde ik (streng!) alle tot dan toe geschreven kortverhalen in de antologie 'Recombinant' en in 2023 bracht ik de novelle 'De keizer van Populië' uit - je kan beiden gratis downloaden als je Patron wordt. In 2020 verscheen mijn debuutroman 'Fragmentariërs'. In 2023 bracht ik de opvolger 'Constellatie' uit. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.
Posts tonen met het label hallucinatie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hallucinatie. Alle posts tonen

maandag 26 september 2011

De gehangenen (VIII)

8. Moeras

Ik was opnieuw vijf jaar oud en was thuis in de woonkamer. Alle lichten waren aan en schenen zo helder dat ik mijn hoofd niet kon oprichten om naar de gezichten te kijken van de volwassenen. Ik herkende de stem van mijn moeder, die eerst klonk alsof ze vanuit een plek onder water kwam, of door een badkuip, en dan geleidelijk aan duidelijker begon te klinken. Ze praatte met een man die een grijze broek droeg en bruine schoenen.
"... te doen. Op die manier gaat het niet meer."
Een sterk gevoel van angst kwam over mij. Ik voelde dat mijn kleine handen zweetten en wilde opstaan, mij groter maken om te roepen dat ik er ook nog was, maar ik kon niks zeggen.
"Misschien is dat het beste," zei de stem van de man.
Als hij sprak, rook ik sigarettenrook.
"Wat gaat er dan met hem gebeuren?"
De uitspraak klonk afgemeten.
"Striktere observatie. Geen wandeltochten meer."
"Maar hij kan toch niet de hele tijd hier zitten?"
"Het is het een of het ander, mevrouw."
Mijn hoofd voelde zwaar en ik voelde onder het veel te heldere licht mijn oogleden dichtvallen. Ik proefde Marlboro's in mijn mond.

Ik werd wakker in de zetel. Het was nacht. Het kon ook een erg donkere avond geweest zijn, of zelfs een namiddag of ochtend, maar aan alle geluiden en zelfs aan de geuren in de woonkamer, wist ik dat het nacht was. Hoe lang had ik hier al gelegen?
Ik keek naar mezelf. Ik had een hemd en een pull aan. De kraag van mijn hemd prikte. Mijn benen hadden niet meer de vertrouwde zwaarte die ze anders hadden onder het gewicht van het gips, en ik merkte dat ik terug een van mijn oude broeken droeg - een zwarte jeans die ik al niet meer had gedragen sinds er een vlek op gekomen was van tonic die er niet meer uitgegaan was.
"Godverdomme," mompelde ik, waarop ik hoestte en mij aan mijn armen oprichtte tegen de leuning van de zetel. Terwijl ik naar mijn fles water greep, voelde ik dat ik braces aanhad in plaats van mijn gips, en terwijl ik de fles opende en dronk, probeerde ik de voorbije dagen terug samen te puzzelen. Hoe veel dagen was ik kwijt uit mijn geheugen? Wat was er gebeurd sinds ik gehallucineerd gehad dat Louis Devilder uit de regen opgedaagd was om mij te komen halen?
Enkele keren ademde ik diep in en uit, en hoestte ik opnieuw. Uit de keuken kwam het lage zoemen van de koelkast. Op tafel stond een fruitschaal en lag er een stapel boeken. Waarom was ik met mijn kleren aan gaan slapen?
"Sta op."
Ik probeerde om de stem te negeren die dat gezegd had, omdat ik wist dat ze niet echt was. Het was de stem van Brecht, maar Brecht was dood. Hoe wist ik dat ook alweer? Ik nam nog een slok water en begon me steeds beklemder te voelen. Mijn hand maakte kreuken in het plastiek.
"Sta op."
"Godverdomme," vloekte ik. Ik zette de fles neer met een onbevredigende klap, en zocht naar mijn krukken. Geen krukken te zien. Ik vroeg me af of ik al kon rechtstaan. Twee minuten later zat ik aan tafel. Brechts dode stem kwam niet meer terug, gelukkig.

Middenin een droom werd ik wakker; een droom binnen een droom. Het kwam nog voor. Ik had al vaak zulke verhalen gehoord van mijn klanten, en had het toen niet geloofd. Dat was iets voor in films of in boeken.
Van buitenaf zag ik mijzelf schrijven, met mijn gezicht dicht tegen het papier, aan een soort dagboek. Op de achtergrond speelde de tv. Het venster stond open en de gordijnen waaiden meer naar binnen met de wind. Achter mij zat er een man aan tafel met een blauw gezicht.
"Aufmachen."
Op de een of andere manier schrok ik minder hard dan dat had gemoeten. Door het Duits kon ik mijzelf makkelijker overtuigen dat wat ik zag en hoorde, niet echt was. Ik besefte eveneens dat het geen zin had mijn moeder te roepen, want wie weet hoe veel dagen ik daarna zou verliezen in mijn geheugen, en waar ik dan wakker zou worden? Ik stond traag op.
"Aufmachen, bitte."
Het was tenminste al Brechts stem niet meer.
Toen ik de deur opende na nog drie minuten, keek ik naar een soldaat die rook naar
grootvaderdeodorant en een grote kin had.
"Peter Schutze?" vroeg ik.
"Papiere?" vroeg de soldaat, zonder te antwoorden. Ik toonde hem het dagboek. Hij nam het aan met een harde uitdrukking, bladerde erdoor, keek van mij naar de pagina's en dan weer terug, en knikte tenslotte. Hij gebaarde toen naar een auto die aan de overkant van de straat wachtte, en begeleidde mij er naar toe, nadat hij de voordeur gesloten had. Het zwart van de auto viel niet op in het donkergrijs van de nacht. Hoewel ik wist dat dit allemaal een hallucinatie was, voelde ik mij rustiger dan ooit.
Ik moest voorzichtig instappen. Peter Schutze ging aan het stuur zitten. Naast hem zat Louis Devilder, in zijn zwart pak en met zijn bolhoed, en op de achterbank zaten Jana en mijn moeder. Iedereen zag er ernstig uit. Ik zei zelf ook niks meer, en keek maar een keer achterom toen Schutze de auto startte en de straat uit begon te rijden, naar de donkere voorgevel van mijn huis.

Ik stopte met schrijven, of beter, ik zag mijzelf stoppen met schrijven. Ik kon mij niet herinneren dat ik ooit in mijn leven al zo veel geschreven had. Mijn ogen waren bloeddoorlopen en ik zweette. De deur van mijn appartement ging open maar ik keek niet op en bleef kijken naar de laatste woorden die ik op papier gezet had. Ik volgde alles door de ogen van de man die binnengekomen was.
"Kris? Kris, wat is hier gebeurd?"
Kris, tegelijkertijd ik en niet-ik, keek traag om en zei iets onverstaanbaars. In mijn hoofd hoorde ik dat ik wilde zeggen dat de bezoeker weg moest gaan.
"Wat is er gebeurd met Brecht?" herhaalde de bezoeker.
Ik stond op en wreef mijn bezwete handen af aan mijn t-shirt.

Soldaat Schutze reed de auto door het kleine netwerk aan straten van Buitenbeke tot aan een grindweg die langs aan de ene kant een moeras, aan de andere kant een gekapt bos had. Tegelijk stapte iedereen uit. Schutze liep om en opende de deur aan mijn kant.
"Aussteigen," zei hij slechts. Zijn ogen stonden ver.
Met minder moeilijkheden dan ik was ingestapt, stapte ik uit. De lucht voelde koud en dik aan, en ik besefte nu pas dat ik geen schoenen aan had. Het was dik bewolkt, en alleen in de verste verte waren er enkele straatlichten zichtbaar over de heuvels voorbij het gerooide bos. Mijn moeder, Jana en mijn overgrootvader stonden aan de andere kant, bij het moeras. Schutze pakte mij bij de arm en leidde mij tot bij hen, waarop we ons in beweging zetten over de grindweg. Gelukkig deden mijn voeten geen pijn. Nog steeds zweeg iedereen. Niemand zei een woord toen Schutze de groep een smal pad naar binnen deed inslaan, waar zijn laarzen een zompig geluid maakten door de modder, en niemand zei er iets van toen de eerste dikke regendruppels begonnen te vallen. Het was ook harder beginnen waaien. Ik was vastbesloten de rit van deze hallucinatie uit te zitten. Er zat niks anders op.
Toen het al volop aan het regenen was, na wat leek op een wandeling van een kilometer, waren we voorbij het moeras uitgekomen bij een kleine, bemoste landtong die over een dode rivierarm lag. Het geluid van de regen die neerstortte in de ondiepe poel water overstemde bijna alles.

"Niet doen, Kris."
Ik stond op de rand van de vensterbank.
"Val dood," zag ik mijzelf zeggen, bleek en zwetend.

Ik werd gewaar dat ik in een ziekenhuisbed lag. Aan weerszijden van mijn bed stonden mijn moeder en een dokter. Hij leek alleszins op een dokter.
"Kan je spreken?" vroeg de dokter.
"Ja," zei ik. Mijn lippen kleefden bijna aan elkaar van de droogte. Ik voelde mij alsof ik maar een meter groot was, en zag aan het voeteinde van mijn bed twee dikke, witte buizen die opgehouden werden door een soort verband.
"Herinner je je dat je gevallen bent?" vroeg de dokter. Ik keek van zijn gezicht naar de buizen en besefte dat het mijn benen waren, die in een dikke laag gips zaten. Daarna keek in maar mijn moeder, die rond haar hoofd precies een stralenkrans leek te hebben door het melkwitte licht dat naar binnen kwam door het venster.
"Ik weet het niet," zei ik. Ik voelde hoofdpijn.

Een gestalte wachtte ons op bij een dikke, verwrongen boom. Aan een van de takken van die boom hingen twee koorden die bengelden in de regenvlagen.
"Kom dichter," zei de stem die bij de gestalte hoorde, door de regen heen. Toen ik een stap dichter zette, zakte ik door mijn benen. Mijn hoofd voelde zwaar aan. Drie paar armen tilden mij overeind terwijl regen langs mijn gezicht sloeg. Ik voelde de vaste hand van mijn moeder, de fijne armen van Jana en de vingers van mijn overgrootvader Louis, hard als rots.
Aan een van de koorden was iemand opgehangen.
"Dichter!" gebood de stem die aan de grote, bijna onzichtbare gestalte behoorde. Ik werd
overgedragen aan zijn greep, maar kon niet opkijken omdat ik over zijn schouder geslingerd was. Mijn drie begeleiders waren teruggekeerd naar hun afstand, en keken wezenloos toe, op een rij naast elkaar. Louis' bolhoed droop van de regen.
De opgehangen gestalte dreef mee op de sterke wind. Door zijn borst stak een lans, en aan zijn uniform herkende ik dat het Peter Schutze was. Ik wilde iets zeggen, roepen, wakker worden, maar ik had er absoluut de kracht niet voor. Door een ijzersterke arm werd ik opgehesen en werd mijn zware, pijnlijk hoofd door de lus gestoken van de andere koord.
Het gehuil van de wind overstemde mijn gekerm, toen ik mijn stem terugkreeg. De onzichtbare beul die me had opgehangen stond achter me.
"Help mij! Help mij!" riep ik vergeefs. Mijn kreten werden gesmoord in het snijdende, harde touw dat rond mijn hals zat en waar ik niet uit kon. In de dode rivierarm zag ik stenen en gezichten, voorbij waar Louis, Jana en mijn moeder stonden. Dokters, doden, oude vrienden, drugsverslaafden, beroemdheden. Ze vermenigvuldigden zich.
De beul achter me trok de koord op en strakker. Mijn lichaam was drijfnat. Door de angst zag ik het, voor ik het voelde, dat er een speerpunt uit mijn borst stak. Met een overdonderende knettering vorkte er een bliksemschicht door de hemel.
Tegen de tijd dat de donderslag kwam, was ik al dood.

zondag 25 september 2011

De gehangenen (VII)

7. Bolhoed

De volgende dagen probeerde ik alles zo rustig en beheerst mogelijk te doen. Ik sliep niet meer zonder slaappillen, omdat ik wist dat ik dan niets zou dromen. Ik bekeek actiefilms, maar die hielpen niet bepaald om mij te kalmeren (ze deden me voor het eerst mijn oude leven missen). Ik kwam het huis niet uit, tenzij om te proberen rondstappen in de tuin, en noch ik, noch mijn moeder kwamen nog terug op mijn kortstondige zinsverbijstering. Het waren verdomd saaie dagen. Dagen vol frustratie ook. Tot overmaat van ramp was het bijna onophoudelijk aan het regenen.
Ik zat aan tafel en at een boterham met choco. Mijn moeder was gaan werken. We verwachtten eigenlijk elk moment een brief of een telefoon van het gerecht, dat ik mij weer kon gaan melden op het politiekantoor of in de gevangenis (die grijnzen, die domme, idiote lach van de agenten, of die oudere cipiers met hun snorren en hun valse vadermanieren), maar ik kon niet zeggen dat ik er op zat te wachten.
Ik nam een slok cola en keek voor de zoveelste keer het venster uit. Met mijn andere hand zat ik te prutsen aan het plastieken tafellaken. Regen vormde dikke stralen en strepen, en ik kon de wind horen tot binnen. Aan de overkant stond een beige Mercedes uit de jaren ’80 geparkeerd. De bejaarde overburen waren thuis. Voorts was Opperbeke door God verlaten, zoals ik het altijd al had geweten. Terwijl ik nog een stuk uit mijn boterham beet, dacht ik aan de dokter met zijn vriendelijke nietszeggendheid, en kon ik mij niet inbeelden dat hij ooit iets anders deed dan in zijn kabinet zitten en mensen ontvangen. Ik moest ook denken aan de apotheker en zijn hese stem, en hoe die man zelf uit medicijnen leek te bestaan. Zou die ooit nog seks hebben? Ik dacht, terwijl ik een grote hap nam uit de korst van de boterham en zowel boter als choco proefde, aan de professionele dronkaards in het cafe. Die mensen hadden niks beters te doen. Ze hadden
nochtans alle vrijheden.
“Kalm, Kris,” zei ik tegen mijzelf, toen ik me voelde kwaad worden omdat ik binnenkort terug de bak in moest als mijn benen beter waren. Ik probeerde mij terug te herinneren waarom ik ervoor gekozen had mijn straf uit te zitten en niemand te verraden. Mijn blik dreef weer af naar buiten.
Mijn hart sloeg een slag over toen ik een seconde dacht dat er een man met een bolhoed en een lange zwarte jas met dikke knopen voor het venster stond en recht naar binnen keek. Het was maar inbeelding – een plotse schaduw van een regenwolk misschien, of de telefoonpaal in de buurt die ik verkeerd gezien had voor een figuur. Ik zag gewoon te weinig mensen, ook. Met twee slokken leegde ik het glas cola en zette ik het luid terug op tafel. Lawaai deed deugd. Ik had het gevoel dat ik weer toe was aan frisse lucht.
Een kwartier later zat ik op de drempel van de voordeur, uit de regen, met mijn krukken naast mij, en mijn jas aan. Toen ik als bekroning van dat karwei zocht naar een sigaret in mijn jas, voelde ik de kaft van Louis’ dagboek. Ik bleef steken in mijn handeling.
“Niet flauw doen,” zei ik tegen mezelf, waarop ik het dagboek uit mijn binnenzak nam, mijn sigaretten er mee uit haalde, en het boekje opensloeg terwijl ik mijn aansteker er bij nam.
Rook vloog snel weg over de vergeelde bladzijden, de plenzende regen in.

11 november 1943

Natuurlijk mochten we Wapenstilstand niet vieren van de Duitsers, maar in ’t geniep hebben Angèle en ik toch een kaars kunnen branden op zolder, bij ons beeldje van de IJzertoren. Alles Voor Vlaanderen, Vlaanderen voor Kristus. Al vragen wij ons soms af wat de Lieve Heer bezielt om ons dit aan te doen. Ze zeiden trouwens vandaag dat we een moeilijke winter gaan hebben. De boeren zijn niet content geweest van de zomer ook.


Ik moest glimlachen en bladerde zelfverzekerd door het dagboek. Niks mee aan de hand.
Misschien was ik te moe geweest, onlangs. Nog een rookpluim haastte zich weg door de regen. Er waren een paar regendruppels op mijn gips terechtgekomen, maar dat was niet erg. Binnenkort mocht het er toch af, en ging het gips vervangen worden door braces. De krukken was ik nog niet vanaf, maar dat was ook niet erg, want geen krukken betekende ook terug definitief de gevangenis in, dat wist ik zeker.
Ik dacht eraan dat ik misschien Jana nog eens wilde zien en pakte mijn gsm, tot ik besefte dat ik haar nummer niet had. Daardoor stond ik een moment stil bij hoe leeg mijn gsm-geheugen momenteel was. Ik probeerde mij de namen te herinneren van mijn maten van toen. Xavier, die gladde macho met zijn tien lieven die een keer te veel speed genomen had en een student bijna doodgeslagen had. Tanya, zijn halfzuster waar ik nog mee geneukt had en die al even geschift was als hijzelf. Cedric, hun vader, waarvan zijn eigen zoon en dochter niet eens wisten dat hij klant was bij mij. Chance dat hij geen magistraat meer was, anders had ik hem serieus kunnen kloten – of ook weer niet, dan was ik nu misschien vrij en had ik geen twee gebroken benen. Ik gooide de sigaret weg. Ze siste weg in een plas bij de goot. Goed gemikt. Ik was daar altijd wel goed in, in mikken. Met proppen papier in de prullenmand, met balletjes gooien naar leerkrachten, en met darts op cafe. Of met geweren.
Ik schudde met mijn hoofd en voelde mij daarbij oud. Het dagboek viel weer open, tegen het einde van het ding, waar de bladzijden niet zo dicht meer op elkaar zaten.

9 december 1943

Ze brengen mij weg naar Duitsland. Ze brengen u weg naar ’t gevang. Het is allemaal hetzelfde. Wat hebben mensen als wij misdaan? Ik ben alleen maar gaan vissen met Peter en voor de rest weet ik niets meer. En gij zijt alleen maar om boodschappen geweest voor uw maten en blijkbaar had ge de verkeerde dingen mee. Een mens kan zich vergissen, zeg ik altijd. Maar niet iedereen kan daar mee lachen. Wat doen we daaraan, Kris?


Alle bloed trok weg uit mijn gezicht, en ik kreeg kippenvel op mijn armen. Mijn ogen waren vastgelijmd aan de bladzijde. De tekst scheen zichzelf verder te vormen in Louis’ propere handschrift terwijl ik nog aan het lezen was.

10 december 1943

Het regent zo hard. Ik wou dat het sneeuwde, dat is tenminste een stuk zachter en ge voelt er u niet zo ziek door ook. De mensen zeggen zo veel over mij, en mijn Duits is niet goed genoeg om alles te verstaan wat ze zeggen. Misschien gaan ze mij naar één van die kampen sturen. En wat gaan ze met u doen? Ik heb ook het gedacht dat ge niet verstaat waarom ge daar nu infeite zit en waarom ge gezwegen hebt. Maar ik versta dat.


Ik klapte het dagboek dicht en toen weer open. De paragrafen waren weg. De hele bladzijde was weg, en het eindigde nog steeds op 8 december 1943. Ik probeerde mijn ademhaling te controleren en overliep in mijn hoofd welke medicijnen ik had genomen. Het moesten bijwerkingen zijn. Ik moest naar de dokter. Mijn nek en spieren deden plots pijn, maar mijn handen beefden te veel om naar mijn krukken te grijpen en zomaar op te staan. Voelde dat dan zo, zot worden? Ik had het genoeg gezien bij anderen, maar had nooit kunnen weten dat mij dat zoveel angst ging bezorgen.
“Fuck,” mompelde ik, “fuck,” nog een keer, langgerekter. Nog een sigaret dan maar. Traag roken, dat hielp misschien. En hopen dat het niet zo lang meer ging duren eer mijn moeder thuiskwam, maar het was nog altijd licht achter de regenwolken, dus het was nog even op de tanden bijten. Ik kon de ambulance bellen, maar dat zou alleen maar tonen aan Opperbeke hoe slecht het met mij ging. Wat moest ik doen?
Mijn sigaret werd aangestoken met een steekvlam.
“Fuck,” zei ik opnieuw, deze keer als spontane reactie.
Uit de beige Mercedes aan de overkant van de straat kwam een man gestapt. Het was een oudere man, met een zwart kostuum, dikke knopen en een bolhoed. In de auto zaten een paar mensen die allemaal naar mij keken en geen ogen hadden.
De man met de bolhoed kwam door de regen naar mij toe. Zijn schoenen maakten een kletterend geluid in de zware regen, en ik kon geen kant op. Ik voelde mij alleen zo koud als steen.
“Kris De Geest?” vroeg de man. Zijn gezicht zag er asgrauw uit, met een sepiarand.
“Ja,” hoorde ik mijzelf zeggen, ergens heel, heel ver weg, “Wat is er?”
“Ik ben Louis Devilder. Ik kom u halen.”
Mijn moeder vond mij op de drempel van het huis in mijn eigen kots, natgeregend en ziek.

Verder naar deel acht.