Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de verhalenafdeling daarvan. In 2016 bundelde en redigeerde ik (streng!) alle tot dan toe geschreven kortverhalen in de antologie 'Recombinant' en in 2023 bracht ik de novelle 'De keizer van Populië' uit - je kan beiden gratis downloaden als je Patron wordt. In 2020 verscheen mijn debuutroman 'Fragmentariërs'. In 2023 bracht ik de opvolger 'Constellatie' uit. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.
Posts tonen met het label Labels: bedrijf. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Labels: bedrijf. Alle posts tonen

maandag 5 december 2011

Dunning & Kruger (II)

2. Meneer De Neger

Dunning & Kruger was een internationaal bedrijf. We hadden divisies in de Verenigde Staten, in China, in India, de Verenigde Arabische Emiraten, Brazilië en verspreid over heel Europa. In het hoofdkwartier in België was er een detachement Chinezen aanwezig, en tot mijn verbazing bekende Elien op een dag dat ze niet van die gasten moest weten, en in het bijzonder één onder hen, Shun. Nu was Shun ook onder de groep Chinezen een buitenbeentje, omdat hij als enige opgegroeid was in België en niet zoals de anderen overgevlogen was uit China als volwassene om hier te komen werken. Shun was in de eerste plaats zeer Antwerps, en dat viel in slechte aarde bij de West-Vlamingen, die direct klaarstonden om iemand anders te kunnen beschuldigen van arrogantie en betweterigheid. Shun was niet zozeer arrogant, maar gewoon lomp. De andere Chinezen zagen hem dan ook niet als een ‘echte’ Chinees, en daadwerkelijk bezat hij een lange rij eigenschappen die pure belgitude waren: plantrekker, bricoleur, profiteur, affairist en altijd aan het fantaseren over succes. Soms werd het zelfs Bernd Aatz te moede, en vroeg hij op vergaderingen rustig met zijn Duitse accent of “het mogelijk vas dat Shun zoms even z’n mond kon houdn”.
Eliens ergernis met Shun draaide vooral rond zijn neiging te profiteren en ervan uit te gaan dat anderen z’n rommel wel gingen opruimen. De andere Chinezen vond ze dan weer opdringerig, maar ik zag dat meer als een zeer openlijke quid pro quo-mentaliteit. De eerste dagen testten zowel Lee, Zhaosheng als Cheng hoe ver ze konden gaan om ervoor te zorgen dat ik werkjes voor hen zou opknappen, en op welke manier ze dan mij konden vooruit helpen. Zeer pragmatische mensen.
Lee was een buikige man uit het verre westen van China. Hij wandelde enorm snel, met zijn bovenlichaam naar achteren, alsof hij rekening moest houden met een stevige tegenwind. Zhaosheng dan weer was een geslepen onderhandelaar met een hoge stem en een voorliefde voor Koreaanse vrouwen. Cheng was de jongste van de drie mannen. Hij las officieel verboden tijdschriften en kranten, discussieerde regelmatig met anderen over de politieke toekomst van China, of probeerde ons enkele Chinese woorden te leren. Hij had de bijnaam Mister 16:9 gekregen omdat hij spijtig genoeg ook een abnormaal breed gezicht had. Als laatste Chinese was er nog één van de accountmanagers, Suzy, die niet de naakte ambitie had van haar drie landgenoten, maar zich de toorn van Elien op de hals had gehaald door één van de toiletten elke dag met sproeikak te bevuilen – haar daderschap werd pas bewezen toen ze terug naar China vertrok en ook de dagelijkse bruine regen in de toiletten uitbleef.

Zoals ik al eerder ergens zei, was Cheng één van de mensen die vaak de taxi nam met Austin en mij. Ik bedacht me wel eens dat, op momenten dat we stonden te wachten tot Ronny de parking kwam opgescheurd, luid bulderend over het onderwerp van de dag, dat het het perfecte begin was van een mop: "staan er een Chinees, een Afrikaan en een Belg te praten...". Ondanks de grote culturele verschillen, bleek echter dat we op zijn minst één onderwerp gemeen hadden, en dat waren natuurlijk vrouwen. Dergelijke gesprekken werden steevast gekruid door vele ‘godverdommes’ van Ronny, of Austins pogingen tot weerleggen van mijn uitspraken over de liefde, die hij te pessimistisch vond. Cheng zat er doorgaans bij te glimlachen. Waarover zou hij berichten tegen zijn vrienden uit Beijing als hij voor de zoveelste keer uit het venster keek en de Vlaamse lintbebouwing zag?
Regelmatig zaten er aan het eiland achter ons ook sales- en accountmanagers uit andere landen van Europa. Clichés waren troef. De Britten waren wat onverzorgder, arroganter en grappiger dan de rest, waarbij ze vooral hun eigen baas, Bernd Aatz, in het visier namen. Toen ik aan één van de Britten vroeg of dat was omdat Aatz een Duitser was, antwoordde die: “Well, it’s just that Bernd is so serious that he’s an easy target, really. And he’s German on top of that.”
De Fransen waren de minst geliefde sales. De aanvoerder van de Franse sales was een man van in de vijftig die er permanent roodverbrand uitzag en notoir was voor zijn complexe franglais-presentaties met veel bewegende elementen. Op zijn publiek toegankelijke Facebook stond er een foto van hem in slechts een speedo, en voor de rest zijn omvangrijke buik goed zichtbaar. De man was een meester in het beloven van de hemel aan de klanten, en zowel account- als servicemensen opzadelen met furieuze klanten.
Er waren verder ook nog een hoop Duitsers die een taai Engels spraken waar je industriële dampkappen op kon bouwen, arrogante Spanjaarden die plots hun Engels vergeten waren als je hen een vraag stelde, en een kale Italiaan die altijd rode broeken droeg en een alarmerend geile grijns had. Met die regenboogcoalitie aan nationaliteiten had ik bijna dagelijks contact omdat klantenreferenties opbouwen via die lokale teams liep. Op last van Ilse moest ik zo ooit voor een klantenreferentie die ergens was blijven steken in Moskou bellen naar ons kantoor aldaar. Daar beweerde de secretaresse, die om één of andere reden doodsbang klonk, dat ze "nog nooit gehoord had" van Pjotr Andrejevitsj, hoewel ik hem twee weken voordien zelf gesproken had in België. Een ander gesprek met ons kantoor in Sjanghai werd dan weer bemoeilijkt door de vertraging die op de lijn zat, en het lawaai van iemand op de achtergrond die compleet door het lint aan het gaan was. “That is not normal, no,” zei Cheng onbewogen toen ik hem dat vertelde.

Terwijl de maanden voortgleden, werd ik ingewijd in enkele kantoorgeheimen. Onze divisiepresident Didier Verbruggen had een geheime relatie met Lutgard Van De Kamerplanten. Bernd Aatz dan weer bleek af te stammen van Duitsers die na Wereldoorlog II weggevlucht waren uit Pruisen, dat toen bij Polen aangehecht werd. Suzy – van wie toen nog niet geweten was dat zij de sproeikakster was – had een hele schare nerds uit R&D die verliefd op haar waren. Een van onze technical writers was een expert in de fijnere theologische verschillen tussen soennisme en sjiisme. Een producttester had ooit een affaire gehad met een stagiaire. Er was een arbeidster die zou bijklussen als prostitué. Er werd ook gefezeld over een brand die jaren geleden uitgebroken was en Dunning & Kruger veel geld had opgeleverd door de verzekering, waardoor een populaire theorie was dat men die brand dan wel niet zelf had aangestoken, maar zeker niet veel moeite had gedaan om hem snel te blussen (Shun, de bricolerende Chino-Belg, vond dat hilarisch en slim gevonden). Wat nog? Eén Engelse salesman bleek gebore te zijn in het toenmalige Rhodesië, een kortstondige blanke staat in het Afrika van de jaren ’60. Ilse had een proces lopen tegen haar vorige werkgever. Een collega van wie we allemaal dachten dat die spoedig op pensioen zou gaan, bleek slechts 47 te zijn. Een ander marketing- en communicatiehoofd was naar verluidt een pester en hield zich bezig met esoterische oosterse massagetechnieken.
Ik weet niet of er ook verhalen over mij de ronde deden, maar ik vermoed van niet, buiten dan over mijn bij tijden ongepast gevoel voor humor. Daar kom ik later op terug, omdat het me bijna m’n job zou kosten.

Op een avond verscheen Ronny op de parking met een matras op het dak van de taxi. Hij stond trots naast de taxi, alsof hij de matras zonet zelf was gaan neerschieten in een bos. Op dit punt was er sowieso niets meer waar ik Ronny niet toe in staat achtte.
"Wel Ronny, die matras, waar is dat voor nodig?" vroeg ik.
"Haja, voor dingstje hé, allez, hoe noemt hij, meneer De Neger!"
Als Ronny het woord ‘neger’ gebruikte, twijfelde ik er nooit aan dat hij het niet racistisch bedoelde. Hij kon trouwens geen enkele naam onthouden en noemde iedereen buiten zijn eigen familie ‘chefke’.
"Hoezo?"
“Ja ja,” zei Ronny, “Je weet, die jongen zocht nog naar een appartement hé?”
“Ja.”
“Awel, Mario heeft een plek voor hem gevonden, maar er was nog geen matras om op te slapen of niets, dus ik heb er maar één meegepakt.”
“Ah bon.”
Intussen kwamen Cheng en Austin de uitgang uit. Ronny boog zich samenzweerderig naar mij.
“En weet je waar hij logeert? Bij de maîtresse van Mario!”
Dat feit zou een nieuwe bron vormen van onuitputtelijke hilariteit. Vanaf toen ging Austin regelmatig met Mario en zijn minnares op café. Op een ochtend, toen ik de taxi enterde, zat Austin weggedoken in een hoek met rooddoorlopen ogen en forse wallen.
“Good morning. You look rough.”
“Yeah,” zei Austin, “That was some night, last night.”
“What happened?”
“We went out again and got completely shit-faced.”
Ronny luisterde met een half oor terwijl de taxi zich in beweging zette.
“I see.”
Het bleef even stil. Er kwam toen een vraag bij me op.
“But, Austin, there’s something I don’t get. You go out from time to time with Mario and his mistress, but as far as I know, they don’t speak English, and you speak neither Dutch nor French.”
Hij lachte zwak.
“That doesn’t matter, man. After enough beer, you all start speaking the language of love.”
Dat verstond Ronny, en ik zag zijn grijns in de achteruitkijkspiegel.

De taxi vervoerde regelmatig ook Amerikaanse collega’s die enkele dagen in België waren. De meest opmerkelijke onder die Amerikanen was een man met een gezicht dat eruit zag als een kippenborst met een zwakke kin. Hij droeg een toupet en had een dikke buik, en zijn naam was Winthorpe III. Winthorpe was een mormoon. De meeste van zijn mededelingen begon hij steevast met “Well, I’ve been in the industry for about twenty years now” als een soort omgekeerd “Ceterum censo Carthaginem delendam esse”, maar zijn grootste autoriteit ontleende hij niet daaraan. Wat hem vooral gevreesd maakte was zijn superkracht: slaap opwekken. Hij praatte iedereen in slaap, inclusief zichzelf. Winthorpe slaagde erin elke vergadering tot een martelgang te maken met zijn trage, meanderende redevoeringen, en deed dat telkens op zulk een beleefde, vriendelijke manier dat je je wel moest gewonnen geven. Als practical joke, het kon haast niet anders, werd Winthorpe ook op elk industrie-evenement uitgenodigd om speeches te geven.
Tijdens de lunch hield ik meermaals mijn hart vast als Winthorpe er bij was en argeloos informeerde naar wat wij dachten over Amerika. Een mormoon uit Utah met een toupet was vast geen persoon die graag ongenuanceerde “Bush sucks!”-uitspraken zou horen, en vermoedelijk dacht dat Europa nog steeds in beate bewondering leefde voor de grote broer aan de andere kant van de Atlantische Oceaan. Gelukkig kwam het niet tot pijnlijke discussies omdat iedereen wel leek te beseffen dat Winthorpe in zijn eigen universum leefde, waar God almachtig was en sliep in een bed met stars and stripes.
De andere Amerikanen waren een stuk vinniger dan Winthorpe. De copywriter van hun team heette Louis en leek als twee druppels water op het typetje Borat Sagdiyev. Hij was een innemende man met een goed gevoel voor humor, en enthousiasme dat zich het best liet vertalen door uitroeptekens, ook aan de telefoon.
“Hi Anton! It’s Louis here! How are you?”
“Oh hi Louis. I’m all right.”
“You’re just all right? Is anything wrong?”
“No, it just means I’m not doing particularly bad, but not particularly great either.”
“I see.”
“And how are you, Louis?”
“I’m great.”

De pret met de taxi was geen lang leven beschoren. De regelmatige taxigangers werden op een dag in een vergaderzaaltje opgetrommeld, waar de gewichtige, puddingvormige HR-overste ons vertelde dat er “verschillende klachten” waren gekomen dat wij te laat op het werk waren en te vroeg vertrokken. Dat ging weliswaar over tien minuten per dag, maar blijkbaar was dat voldoende om mensen te ergeren. Omdat dat zou betekenen dat ik echter elke dag meer dan een uur aan m’n pendeltocht zou breien, probeerde ik aan te bieden om onze middagpauze in te korten, of om één dag in de week een uur over te werken, maar het mocht niet baten. De HR-verantwoordelijke werd steeds grimmiger en dieper ingegraven in haar eigen fox hole naarmate ik – constructief! – tegenvoorstellen maakte. Austin stond duidelijk aan mijn kant, maar ik zag aan zijn gezicht dat hij er voor zichzelf al een kruis over gemaakt had, en Cheng zag er uit alsof hij het liefst van al onder tafel gekropen was. De vooropgezette uren in het contract bleken echter plots heiliger dan de dogma’s van de Katholieke Kerk. Geen minuut mocht er nog van afgeweken worden. Dat dat een fijn staaltje hypocrisie was, bleek ook uit de eindeloze uren overwerk die heel veel collega’s onbetaald maakten.
De HR-pudding eindigde de discussie door simpelweg te verklaren dat het niet het probleem was van Dunning & Kruger hoe vroeg ik moest opstaan en hoe ik naar het werk kwam. Bij dat ultieme argument deed ik er ook het zwijgen toe, maar maakte ik een aantekening dat ze dan voor en na de werkuren ook niets meer van mij moesten verwachten.
Ilse kwam nauwelijks voor me op toen ik het probleem bij haar aankaartte. Die vond dat vast vreemd dat ik niet zoals zij ook nog aan mijn bureau vergroeid zat om zeven uur ’s avonds, en probeerde me te troosten door te wijzen op een collega die elke dag helemaal van Leuven moest komen. Ze vertelde er niet bij dat die collega vijf keer zo veel verdiende als mij ook.
Vanaf toen ging ik de hort op met de fiets van en naar het station, om de onmogelijke uren van de nieuwe taxiregeling te ontwijken. Fietsen verbeterde mijn conditie en leerde me opnieuw de hevige Vlaamse wind en de vele stukken vals plat appreciëren als meedogenloze tegenstanders. 's Ochtends ging alles altijd sneller dan 's avonds. Lokale chauffeurs waren hondsbrutaal en leken er zich helemaal niet van bewust dat ze het wegdek deelden met fietsers. Het dichtste bij de dood kwam ik nog door toedoen van Ronny, die me vanuit zijn taxi herkende en zo dicht langs me heen raasde, luid en enthousiast brullend als een hond, dat hij er bijna mijn linkerarm af reed.

Verder naar deel drie.

zondag 4 december 2011

Dunning & Kruger (I)

Niet iedereen weet dat ik met schrijven effectief een maandloon verdien, maar jammer genoeg is dat niet met Nederlandstalige fictie, versregels of columns, maar met commerciële teksten in het Engels. “De best betaalde dichters,” noemde Herman De Coninck dit soort tekstenboeren, die in vaktermen bekend staan als copywriters (“Nee, nee,” heb ik al meermaals moeten zeggen boven de luide muziek van een café, “niets met rechten, geen copyrighting, copywriting). Copywriting is een essentieel onderdeel van marketing en communicatie, een beroepsklasse die buiten bij gehaaide liberalen met dollartekens in de ogen ten hoogste op een knarsetandend respect kan rekenen. Het cliché wil dat marketingmensen net slim genoeg zijn om mooie praat te verkopen en wat te layouten, maar niet genoeg om iets nuttigs te verrichten als verkoopwerk, installatie, service of design. Na human resources en incompetente managers behoren ze tot de meest geminachte werknemers binnen een bedrijf. Is daar nu echt reden toe? Misschien. Ik ben nooit gaan werken voor de waardering van de goegemeente. Maar weet dat ik even medeplichtig ben aan de toestanden die ik zo dadelijk zal beschrijven, dan dat ik me er van afkeer.

1. Brood bestellen op z’n Vlaams

Zelfs mensen met een slecht geheugen herinneren zich nog hun eerste schooldag, hun huwelijksdag, of de dag dat ze voor het eerst beseften dat hun leven een totale mislukking was. Met de eerste werkdag is dat niet anders. Mijn eerste werkdag bij het Belgische technologiebedrijf Dunning & Kruger viel samen met de eerste werkdag van 2007. Van die dag, buiten de saaie rondleiding door allerlei witte gangen en grote landschapsbureaus met lage vensters, herinner ik me twee zaken haarscherp: sales director Bernd Aatz, die volledig opgetrokken leek uit het op de tabel van Mendeljev vooralsnog afwezige element corporate (Cp), en Lutgard, die een bureau had dat omgeven werd door afschuwelijke kamerplanten en weggelopen leek uit ‘In de gloria’.

Mijn eerste chef, en tevens de vrouw die me mee had aangeworven, was Ilse. Men kon haar altijd van ver horen komen omdat ze door de lange gangen van Dunning & Kruger stapte alsof ze meedeed aan een wedstrijd snelwandelen op hakken. Ze praatte erg snel en sprak bijzonder vloeiend verschillende varianten op het West-Vlaams om zich verstaanbaar te maken bij Amerikanen, Fransen, Duitsers en Spanjaarden. Ilse rook sterk naar mandarijnen, en was een pezige vrouw met een hese stem. Tevens had ze ook een poedelkapsel dat permanent in brand leek te staan.
Andere collega’s die onder Ilses hoede vielen waren Elien (evenementen), Hendrik (grafiek en wat web) en Alfred (niet nader gespecificeerde bezigheidstherapie). Elien was van m’n eigen leeftijd en was een maand voor bij beginnen werken bij Dunning & Kruger, terwijl Hendrik al een decennium op de teller had staan in actieve dienst. Alfred, tenslotte, was zelf ooit manager geweest, maar was gedegradeerd tot kobold in dienst van Ilse omdat zijn werkmethodes sinds 1975 al niet meer aangepast waren geweest, en hij slecht meedraaide in de geavanceerde kenniseconomie van 2007. Alfred leek op professor Gobelijn en had een probleem met zijn heup. De eerste dagen slaagde hij er al in zo hard op mijn zenuwen te werken dat ik me inbeeldde dat ik hem van de trap duwde.

Ik leerde snel dat Ilse in constante staat van agitatie verkeerde. Ilse was een perfectioniste van zulk een orde dat ze niets voor elkaar kreeg. Daar kwam bij dat haar bekwaamheden op veel vlakken buiten marketing lagen. Cijfers en rapporten waren meer haar ding dan het uitvoeren van een visie. Hendrik vertelde me bijvoorbeeld dat Ilses eigen baas ooit aan het venster van zijn kantoor, dat uitkeek op het eiland van marketing, de boodschap ‘Feel the heat’ had gehangen, als corporate aanmoediging dat we de concurrentie een stap voor moesten blijven. Ilse had die handschoen opgenomen door Hendrik de boodschap ‘We warm the globe’ te laten maken, met voor elke letter één A4. Waarom had deze divisie van Dunning & Kruger in godsnaam nog een copywriter nodig met zulke briljante slagzinnen.

Mijn eerste grote vuurdoop kwam al na nauwelijks een maand. Om me persoonlijk op de hoogte te stellen van wat de concurrentie zoal uitvoerde, werd ik naar Amsterdam gesommeerd naar de grootste Europese beurs voor onze industrie. De eerder vermelde hoofdhoncho van de marketingafdeling, Joop (geen Nederlander), was zo vriendelijk om me daarvoor een lift aan te bieden.
Op die beurs zelf, een luide affaire die vooral bezocht werd door insiders, en waar een warmte heerste die gradueel alle plezier uit een mensenlichaam drukte, had ik het na een halve dag al wel gezien. Omdat ik verder weinig van nut kon zijn, had marketing-manager Ehud een opdracht voor me bedacht. Als expert inzake de olie- en de auto-industrie, stuurde hij me naar de stand van een concurrent om prijzen van een bepaald systeem te ontfutselen. Dat was een firma uit Noorwegen, en aangezien ik een beetje Noors sprak, was dat een kolfje naar mijn hand. Ik loog dat ik zwart zag en kreeg de prijzen. Probleem: de sales die me te woord had gestaan, stalkte de dagen nadien onophoudelijk de stand van Dunning & Kruger, en ik zou nooit zijn brandende blik vergeten toen hij doorhad dat ik helemaal geen medewerker was de Universiteit van Gent. Grootmoedig beloofde Ehud dan ook me niet meer op industriële spionage-opdrachten te sturen.
In Amsterdam maakte ik ook kennis met de hoofddirecteur van onze divisie, Didier Verbruggen. Didier was een humorloze, saaie man en als hij al eens glimlachte, leek hem dat zichtbaar pijn te doen. Hij was in mijn ogen het schoolvoorbeeld van een corporate monnik – een man die leefde voor zijn werk en door zijn werk geleefd werd. Zijn communicatie liet hij dan ook meestal over aan Joop, een man die qua modebesef ergens in 1997 was achtergebleven. Het moet gezegd worden dat Joop een publiek kon toespreken en niet geheel ongrappig was, maar voorts was onze grote chef marketing een gigantische windbuil die weinig te vertellen had. Bij korte, algemene mededelingen hoopte ik steeds dat Didier plots ging zeggen: "ok mannen... ik ken een mopje" maar dat gebeurde natuurlijk nooit. Het was meestal Joop die de show stal.
Op een bijeenkomst van alle sales- en marketingmensen wereldwijd, was hij als een trouwfeesten-dj die net een nieuwe variant op de polonaise ontdekt had. In dit geval was dat een mechanische stier, waar iedereen op moest kruipen om zich belachelijk te maken. De oude Alfred werd gelukkig ontzien. Ik lag er na minder dan zeven seconden en een enorm dwaze foto af.

In die dagen had ik nog geen rijbewijs, en treinde ik naar het werk. Het eerste jaar legde Dunning & Kruger voor het groepje pendelaars ook een taxidienst in van het station naar het bedrijf zelf. Alleen al daarover zou ik een boek kunnen schrijven. De baas van die kleine firma heette Mario, en was alles wat je van een man zou vermoeden die Mario heet. Hij was een goed geklede veertiger met een krullend nekmatje, rook altijd naar de deodorant en had een zwarte maîtresse. Zijn lakei die ons het vaakst vervoerde, Ronny, zei hoofdschuddend over Mario dat die "een echte vedette" was “als die een stapje in de wereld” zette.
Ronny zelf was bijna even breed als kort en moest niet onderdoen voor zijn baas als het op karakter aankwam. Hij liep al tegen de zestig, en werkte in het zwart voor Mario. In alle dimensies was Ronny luid en duidelijk aanwezig, als een volksmens pur sang. Soms bracht hij ook zijn dochter mee, die nog naar de middelbare school ging en wier voorhoofd en kin naar elkaar toegroeiden. Ronny kwam van Menen (“Miènde”) en leerde me de vele verschillende betekenissen appreciëren van het woord "godverdomme". Hij gebruikte het als hij moest remmen voor een onoplettende voetganger, als krachtterm om zijn eigen woorden extra waarheid te verlenen, of als hij een mooie vrouw zag.
De voertaal aan boord van de taxi was Steenkolenengels omdat de twee andere frequente medepassagiers Cheng uit Beijing en Austin uit Londen – oorspronkelijk uit de Caraïben – waren. Austin werd consequent ‘Houston’ genoemd door Mario, die geen woord Engels sprak.
“I don’t mind. I know what he means,” zei Austin toen ik hem daar ooit op wees.
Maar Ronny was dus een volksmens. Hij was ooit dronken met zijn auto op een politiekantoor ingereden, had een verleden als gewichtheffer en rallypiloot, en had in verschillende episodes verteld over hoe zijn beste vriend ("een advocaat!") er vandoor was gegaan met zijn vrouw, hoe hij toen met een achttien jaar jonger meisje begonnen was en hoe dit ruzie in de familie had veroorzaakt, met een uiteindelijke verzoening toen zijn moeder kanker had gekregen.
Ronny's Engels was schabouwelijk, maar Austins Nederlands was onbestaande. Ronny vertelde uitvoerig over zijn luxevakanties aan de Turkse rivièra, en dat hij om de vier maand van auto veranderde. Zijn favoriete merk was ‘Mutsibutsi’.
"How do you order bread in Flemish?" vroeg Austin op een keer.
"You just walk into a bakery and choose the type of bread you want. Something like "een groot wit brood alsjeblieft" should do the trick."
"So… “a big white bread,” is that right? Is it that simple? You don't actually say you're ordering it or that you’re buying it?"
"Why would you? Since you're already inside the bakery, they're pretty much assuming you're not going to steal it."
"Makes sense."
Austin was maar voor zes maand in België, en pendelde op weekends naar de Britse hoofdstad terug. Intussen zocht hij naar een tijdelijk onderkomen in de buurt van Kortrijk, wat hem niet makkelijk viel. Niemand wilde een appartement maar voor een half jaar verhuren. Maar Austin kloeg niet. Hij was een onverwoestbare optimist, en bovendien ook een zelfverklaarde ladies’ man, waarin hij steeds ongevraagd advies kreeg van Ronny, die zichzelf ook daarin erg deskundig achtte. Op enkele maanden tijd bestond Austins Nederlandse woordenschat uit enkele West-Vlaamse telwoorden, "godverdomme" en "poeze". Hij gaf wel toe dat een vrouw met een kat vergelijken logischer was dan hoe men het deed in het Engels, waar men bijvoorbeeld "a fit bird" kon gebruiken.
Hoe vermakelijk de taxiritten soms waren, des te deprimerender waren de treinreizen, vooral ’s ochtends, als ik probeerde om te lezen of een dutje te doen en die rust constant verstoord werd door luidruchtige ambtenaren van middelbare leeftijd.

Er waren ook dagen dat ik mee mocht rijden met Elien, die net als ik in Gent woonde. Daarvoor was ik enorm dankbaar. Ik deed ook mijn best om geen onaangename passagier te zijn. Als vanzelfsprekend werd er dan vooral gelachen met andere collega's in de auto: de onmogelijkheid van Bernds doorgedreven, messcherpe corporate persoonlijkheid, Ilses voortdurende verwarring, de aandoenlijke traagheid van Alfred, en ook wel het seksisme op de werkvloer bij Dunning & Kruger. Dunning & Kruger was namelijk overwegend een mannenbedrijf. Alfred, onze gevallen oude man, kon men nog enigszins knarsetandend ontslaan van de zwaarste verwijten, want die man kwam effectief uit een soort pregeïnformatiseerd Bakelieten Tijdperk, maar de ranzigheid van sommige andere mannen was toch iets dat veel vragen opriep. Mopjes die net iets te aangebrand roken, getrouwde mannen die suggestieve mailtjes stuurden, bazen die vrouwelijke collega’s stonden uit te kleden met hun ogen – het waren dan geen toestanden uit vieze sketches van Benny Hill, maar het was wel een van de vele kleine dingen die me aandachtiger zouden maken voor dit soort achtergrondseksisme.
Natuurlijk had ik als man van seksisme persoonlijk weinig last, en bovendien was ik ook niet populair bij de kleine minderheid homo’s die Dunning & Kruger telde. Hendrik daarentegen was een charmante grijze vos, en had af en toe wel eens last van de lokale is-hij-het-nu-of-is-hij-het-niet die rond hem drentelde. Al bij al was de aandacht voor Elien een tweesnijdend zwaard. De meeste mannelijke collega's waren de 30 al voorbij en hadden er zich bij neergelegd dat ze een groot deel van hun leven nog zouden doorbrengen aan de lichtgrijze bureaus tussen Lutgards kamerplanten. Of dat nu latente ranzigheid met zich meebracht of niet, Elien stond meer in de spotlight en kon ook meer op schouderklopjes rekenen voor haar werk (wat ze overigens uitstekend deed), terwijl ik met m’n esoterische kennis van de fijnere grammaticale punten van het Engels net zo goed een vogelwichelaar had kunnen zijn die men af en toe opzocht voor een negeerbare profetie. Dat stak wel eens.
Dit was des te duidelijker door hoe de sales & marketingafdeling van onze divisie fysiek georganiseerd was, met eiland na eiland in één groot landschapsbureau, en mensen die voortdurend af en aan liepen. Mijn bureau werd weinig bezocht, terwijl dat van Elien een hotspot was van activiteit. Dat had ook voordelen. Ik kon me daardoor meer aan één stuk concentreren op het schrijven van marketingproza per lopende meter. Onze buren waren minder fortuinlijk. De project managers zaten voortdurend tussen de hamer van de sales, die onrealistische beloftes hadden gemaakt, en het aambeeld van klanten, die het onmogelijke wilden. Twee onder hen hadden de gewoonte opgepikt enorm luid te praten aan de telefoon, waardoor het soms meer leek op een improvisatietheater dan een bureau. Verder waren het kamerplanten van Lutgard die ons scheidden van de service managers aan de ene kant, en de Europese vliegende sales aan de andere kant.

Na een paar maand klikten de zaken min of meer in een vaste routine. Ik at mijn brood met Hendrik, leurde met mijn teksten bij overkritische sales, market managers met hun eigen fetisjvocabularium ("scalability!", "leveraging!", "total cost of ownership!"), productmanagers met arendsblikken, en uiteraard Ilse. Alfred, die maar om de andere week nog kwam werken met het bravado van een geschopte hond, veroorzaakte ook nog maar weinig overlast.
Een opvallende vaststelling was dat er bij Dunning & Kruger, toch een bedrijf van meer dan 3.000 werknemers, massaal werd overgewerkt tot ’s avonds laat. Toen ik mijn contract had getekend, had men mij gezegd dat de meeste mensen “op tijd” naar huis gingen. Het waarheidsgehalte daarvan was vergelijkbaar met artikels in de Pravda in de hoogdagen van de Sovjetunie. Mensen die “op tijd” haar huis gingen, waren een zeldzaamheid, en niet vaak stamelden ze daar een halfbakken excuus bij, alsof ze zich moesten verantwoorden voor het feit dat ze niet nog een extra uur onbetaald aan hun bureau te vinden waren.
Al van in het begin had ik een hekel aan die cultuur van overwerk. Men beschouwde het als volkomen normaal dat werknemers nog bereikbaar waren tot 21u en soms later. Ik begreep dat toen niet en begrijp dat nu nog altijd niet. Een man met een interne prikklok was ik niet, en bij belangrijke projecten vond ik het aanvaardbaar om een extra inspanning te leveren, maar de overuren die bij Dunning & Kruger gedraaid werden, deden soms eerder denken aan een bedrijf in Japan in plaats van een firma in België.
Ook Ilse deed elke dag zware overuren, hoewel ze zelden wat voor elkaar kreeg, en meer tegen- dan meewerkte. Nog goed te keuren brochures, persberichten of teksten voor de website bleven zich opstapelen in haar mailbox, of ze had de neiging om vlak voor de voltooiing te veranderen van idee over hoe het moest. Die koerswijziging deelde ze dan mee op zo’n manier dat het leek alsof Hendrik, Elien, Alfred en ik een team imbecielen waren. Ilse vergat ook voortdurend belangrijke details over de diensten en goederen die Dunning & Kruger aanbood. Dat deed argumenteren met haar deed lijken op een redelijke discussie proberen voeren met een malevolente kleuter die als ultiem argument nog altijd even vlug in z’n broek kon kakken. Alleen: wij waren altijd de broek.

Verder naar deel twee.