Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de verhalenafdeling daarvan. In 2016 bundelde en redigeerde ik (streng!) alle tot dan toe geschreven kortverhalen in de antologie 'Recombinant' en in 2023 bracht ik de novelle 'De keizer van Populië' uit - je kan beiden gratis downloaden als je Patron wordt. In 2020 verscheen mijn debuutroman 'Fragmentariërs'. In 2023 bracht ik de opvolger 'Constellatie' uit. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.
Posts tonen met het label revalidatie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label revalidatie. Alle posts tonen

zondag 25 september 2011

De gehangenen (VII)

7. Bolhoed

De volgende dagen probeerde ik alles zo rustig en beheerst mogelijk te doen. Ik sliep niet meer zonder slaappillen, omdat ik wist dat ik dan niets zou dromen. Ik bekeek actiefilms, maar die hielpen niet bepaald om mij te kalmeren (ze deden me voor het eerst mijn oude leven missen). Ik kwam het huis niet uit, tenzij om te proberen rondstappen in de tuin, en noch ik, noch mijn moeder kwamen nog terug op mijn kortstondige zinsverbijstering. Het waren verdomd saaie dagen. Dagen vol frustratie ook. Tot overmaat van ramp was het bijna onophoudelijk aan het regenen.
Ik zat aan tafel en at een boterham met choco. Mijn moeder was gaan werken. We verwachtten eigenlijk elk moment een brief of een telefoon van het gerecht, dat ik mij weer kon gaan melden op het politiekantoor of in de gevangenis (die grijnzen, die domme, idiote lach van de agenten, of die oudere cipiers met hun snorren en hun valse vadermanieren), maar ik kon niet zeggen dat ik er op zat te wachten.
Ik nam een slok cola en keek voor de zoveelste keer het venster uit. Met mijn andere hand zat ik te prutsen aan het plastieken tafellaken. Regen vormde dikke stralen en strepen, en ik kon de wind horen tot binnen. Aan de overkant stond een beige Mercedes uit de jaren ’80 geparkeerd. De bejaarde overburen waren thuis. Voorts was Opperbeke door God verlaten, zoals ik het altijd al had geweten. Terwijl ik nog een stuk uit mijn boterham beet, dacht ik aan de dokter met zijn vriendelijke nietszeggendheid, en kon ik mij niet inbeelden dat hij ooit iets anders deed dan in zijn kabinet zitten en mensen ontvangen. Ik moest ook denken aan de apotheker en zijn hese stem, en hoe die man zelf uit medicijnen leek te bestaan. Zou die ooit nog seks hebben? Ik dacht, terwijl ik een grote hap nam uit de korst van de boterham en zowel boter als choco proefde, aan de professionele dronkaards in het cafe. Die mensen hadden niks beters te doen. Ze hadden
nochtans alle vrijheden.
“Kalm, Kris,” zei ik tegen mijzelf, toen ik me voelde kwaad worden omdat ik binnenkort terug de bak in moest als mijn benen beter waren. Ik probeerde mij terug te herinneren waarom ik ervoor gekozen had mijn straf uit te zitten en niemand te verraden. Mijn blik dreef weer af naar buiten.
Mijn hart sloeg een slag over toen ik een seconde dacht dat er een man met een bolhoed en een lange zwarte jas met dikke knopen voor het venster stond en recht naar binnen keek. Het was maar inbeelding – een plotse schaduw van een regenwolk misschien, of de telefoonpaal in de buurt die ik verkeerd gezien had voor een figuur. Ik zag gewoon te weinig mensen, ook. Met twee slokken leegde ik het glas cola en zette ik het luid terug op tafel. Lawaai deed deugd. Ik had het gevoel dat ik weer toe was aan frisse lucht.
Een kwartier later zat ik op de drempel van de voordeur, uit de regen, met mijn krukken naast mij, en mijn jas aan. Toen ik als bekroning van dat karwei zocht naar een sigaret in mijn jas, voelde ik de kaft van Louis’ dagboek. Ik bleef steken in mijn handeling.
“Niet flauw doen,” zei ik tegen mezelf, waarop ik het dagboek uit mijn binnenzak nam, mijn sigaretten er mee uit haalde, en het boekje opensloeg terwijl ik mijn aansteker er bij nam.
Rook vloog snel weg over de vergeelde bladzijden, de plenzende regen in.

11 november 1943

Natuurlijk mochten we Wapenstilstand niet vieren van de Duitsers, maar in ’t geniep hebben Angèle en ik toch een kaars kunnen branden op zolder, bij ons beeldje van de IJzertoren. Alles Voor Vlaanderen, Vlaanderen voor Kristus. Al vragen wij ons soms af wat de Lieve Heer bezielt om ons dit aan te doen. Ze zeiden trouwens vandaag dat we een moeilijke winter gaan hebben. De boeren zijn niet content geweest van de zomer ook.


Ik moest glimlachen en bladerde zelfverzekerd door het dagboek. Niks mee aan de hand.
Misschien was ik te moe geweest, onlangs. Nog een rookpluim haastte zich weg door de regen. Er waren een paar regendruppels op mijn gips terechtgekomen, maar dat was niet erg. Binnenkort mocht het er toch af, en ging het gips vervangen worden door braces. De krukken was ik nog niet vanaf, maar dat was ook niet erg, want geen krukken betekende ook terug definitief de gevangenis in, dat wist ik zeker.
Ik dacht eraan dat ik misschien Jana nog eens wilde zien en pakte mijn gsm, tot ik besefte dat ik haar nummer niet had. Daardoor stond ik een moment stil bij hoe leeg mijn gsm-geheugen momenteel was. Ik probeerde mij de namen te herinneren van mijn maten van toen. Xavier, die gladde macho met zijn tien lieven die een keer te veel speed genomen had en een student bijna doodgeslagen had. Tanya, zijn halfzuster waar ik nog mee geneukt had en die al even geschift was als hijzelf. Cedric, hun vader, waarvan zijn eigen zoon en dochter niet eens wisten dat hij klant was bij mij. Chance dat hij geen magistraat meer was, anders had ik hem serieus kunnen kloten – of ook weer niet, dan was ik nu misschien vrij en had ik geen twee gebroken benen. Ik gooide de sigaret weg. Ze siste weg in een plas bij de goot. Goed gemikt. Ik was daar altijd wel goed in, in mikken. Met proppen papier in de prullenmand, met balletjes gooien naar leerkrachten, en met darts op cafe. Of met geweren.
Ik schudde met mijn hoofd en voelde mij daarbij oud. Het dagboek viel weer open, tegen het einde van het ding, waar de bladzijden niet zo dicht meer op elkaar zaten.

9 december 1943

Ze brengen mij weg naar Duitsland. Ze brengen u weg naar ’t gevang. Het is allemaal hetzelfde. Wat hebben mensen als wij misdaan? Ik ben alleen maar gaan vissen met Peter en voor de rest weet ik niets meer. En gij zijt alleen maar om boodschappen geweest voor uw maten en blijkbaar had ge de verkeerde dingen mee. Een mens kan zich vergissen, zeg ik altijd. Maar niet iedereen kan daar mee lachen. Wat doen we daaraan, Kris?


Alle bloed trok weg uit mijn gezicht, en ik kreeg kippenvel op mijn armen. Mijn ogen waren vastgelijmd aan de bladzijde. De tekst scheen zichzelf verder te vormen in Louis’ propere handschrift terwijl ik nog aan het lezen was.

10 december 1943

Het regent zo hard. Ik wou dat het sneeuwde, dat is tenminste een stuk zachter en ge voelt er u niet zo ziek door ook. De mensen zeggen zo veel over mij, en mijn Duits is niet goed genoeg om alles te verstaan wat ze zeggen. Misschien gaan ze mij naar één van die kampen sturen. En wat gaan ze met u doen? Ik heb ook het gedacht dat ge niet verstaat waarom ge daar nu infeite zit en waarom ge gezwegen hebt. Maar ik versta dat.


Ik klapte het dagboek dicht en toen weer open. De paragrafen waren weg. De hele bladzijde was weg, en het eindigde nog steeds op 8 december 1943. Ik probeerde mijn ademhaling te controleren en overliep in mijn hoofd welke medicijnen ik had genomen. Het moesten bijwerkingen zijn. Ik moest naar de dokter. Mijn nek en spieren deden plots pijn, maar mijn handen beefden te veel om naar mijn krukken te grijpen en zomaar op te staan. Voelde dat dan zo, zot worden? Ik had het genoeg gezien bij anderen, maar had nooit kunnen weten dat mij dat zoveel angst ging bezorgen.
“Fuck,” mompelde ik, “fuck,” nog een keer, langgerekter. Nog een sigaret dan maar. Traag roken, dat hielp misschien. En hopen dat het niet zo lang meer ging duren eer mijn moeder thuiskwam, maar het was nog altijd licht achter de regenwolken, dus het was nog even op de tanden bijten. Ik kon de ambulance bellen, maar dat zou alleen maar tonen aan Opperbeke hoe slecht het met mij ging. Wat moest ik doen?
Mijn sigaret werd aangestoken met een steekvlam.
“Fuck,” zei ik opnieuw, deze keer als spontane reactie.
Uit de beige Mercedes aan de overkant van de straat kwam een man gestapt. Het was een oudere man, met een zwart kostuum, dikke knopen en een bolhoed. In de auto zaten een paar mensen die allemaal naar mij keken en geen ogen hadden.
De man met de bolhoed kwam door de regen naar mij toe. Zijn schoenen maakten een kletterend geluid in de zware regen, en ik kon geen kant op. Ik voelde mij alleen zo koud als steen.
“Kris De Geest?” vroeg de man. Zijn gezicht zag er asgrauw uit, met een sepiarand.
“Ja,” hoorde ik mijzelf zeggen, ergens heel, heel ver weg, “Wat is er?”
“Ik ben Louis Devilder. Ik kom u halen.”
Mijn moeder vond mij op de drempel van het huis in mijn eigen kots, natgeregend en ziek.

Verder naar deel acht.

zaterdag 24 september 2011

De gehangenen (VI)

6. Stap voor stap

Het lopen ging beter. “Stap voor stap!” had de dokter gezegd, en hij had dat enorm grappig gevonden. Ik wandelde terug moeizaam de heuvel op naar huis, langs het voetpad. Af en toe reed er een auto voorbij. Het zag eruit alsof het opnieuw zou gaan regenen, maar erg koud was het niet. In het begin had ik elke auto die te traag was voorbijgereden, bespied met samengetrokken ogen. Je wist nooit dat oude vrienden het idiote plan opgevat hadden om mij te komen bezoeken, of erger, mij te komen bezichtigen alsof ik een aap in een kot was.
Tik, stap, tik, tik, stap, tik. Het ging. Binnenkort kon ik terug naar het ziekenhuis om te beginnen met de verdere revalidatie. ik vroeg me af wanneer er een brief in de bus ging zitten van het gerecht. Ze hadden mij toegestaan thuis te revalideren en zo’n enkelband te dragen, maar dat ging maar duren tot ik weer kon lopen.
Stap, tik, tik, stap, tik.
Het was belachelijk eigenlijk – ik ging dan wel weer kunnen lopen, maar zou er niks aan hebben, want het was dan weer alle dagen celregime. Ik had het er met niemand over gehad, maar verdomme, in zo’n cel zitten was geen grap. Toen ik nog dealde, had ik erover gesproken met Nico. We vonden allebei dat zware criminelen er te makkelijk van af kwamen en dat tien jaar cel voor doodslag niets was. Ik vond twee maanden al ondraaglijk.
Tik, stap, stap, tik, tik.
Ik keek op. Was het mogelijk dat ik Voorbeke al ging missen nog voor ik er goed en wel weg was? Deze saaie, burgerlijke gemeente waar elk dak oranjerood was en mannen zelf hadden mee helpen metselen? Ik had zin in bier, maar weerstond de verleiding nog door te stappen tot het cafe. Ik ging er ook te moe voor zijn, en bovendien had ik beloofd aan mijn moeder dat ik rechtstreeks naar huis ging komen van bij de dokter.
Stap, stap, tik, tik, tik, stap.
Een auto passeerde traag. Ik weerstond de neiging opzij te kijken. Niks verdacht doen, Kris. Dat gebruiken ze toch alleen maar tegen jou. Ik moest denken aan mijn celgenoot, een oude, onverstaanbare vent. Een kleine crimineel, een inbreker die al te vaak gepakt was door zijn eigen domheid. Ze hadden ook van mij gezegd dat ik niet slim was.
Tik, tik, stap.
Ik was intussen boven op de heuvel. Nog een auto kwam langs. Per toeval keek ik opzij, omdat het hetzelfde model was als de auto die ik ooit gehad had. Er zaten vijf mensen in. Ze hadden alle vijf schotwonden, en keken me aan met ogen zonder pupillen of irissen. Ik schreeuwde. Het volgende moment reed de auto door en bleek er maar een chauffeur in te zitten – een verwarde nouveau riche, een advocaat die een paar straten verder woonde.
Tik.
Ik bleef staan en kwam op adem. Ik overliep de medicatie die ik moest nemen en of er bijwerkingen bij waren. Toch eens vragen aan mijn moeder.

Toen ik thuis kwam, was mijn moeder er nog niet. Ik was haar voor geweest, blijkbaar. Mijn benen deden pijn. Het deed deugd toen ik mij terug in de zetel bij het venster kon laten vallen. Ik probeerde mijn gedachten te verzetten van wat ik daarjuist gezien had, of beter, niet gezien had. Ik schonk mij een glas water in van de fles die op de vensterbank stond. Naast de fles lag ‘De Geschiedenis van Voorbeke’ omgekeerd, met de pagina’s die ik had zitten lezen voor ik naar de dokter had gemoeten, open. Ik nam het boek terug op om het vooral van daarnet te vergeten. Ik zat opnieuw in het hoofdstuk over Wereldoorlog II omdat ik het nauwkeuriger wilde lezen. Op de rechterpagina stond het krantenbericht van vlak na de oorlog, met een oplijsting van de Voorbeekse slachtoffers, waar ze ook de mysterieuze Peter Schutze in vermeld hadden. Er was een paragraaf over het Belgische leger dat zich had teruggetrokken en enkele hoger gelegen torens had in brand gestoken, om de Duitsers vanaf de heuvels het uitzicht te ontzeggen over de vallei. Slim bekeken. Ook een stukje over de rantsoenering, en dat boeren hier niet zo’n woekerwinsten hadden gemaakt als elders in Vlaanderen. De Devilders waren geen boeren geweest, al hadden ze er op foto wel zo uitgezien. Angele en Louis hadden samen een winkel gehad, maar Louis had geschreven dat ze die dichtgedaan hadden in 1941. Niet alleen was er niet veel vraag meer naar ‘koloniale waren’, maar de voorraden kwamen ook niet meer binnen omdat Belgie bezet was en Congo niet. Mijn ogen gingen opnieuw over de zinnen waarin Peter Schutze vermeld was. Hoe meer ik het las, hoe zekerder ik werd dat dat diezelfde Peter was waar Louis over geschreven had. Ik sloeg de bladzijde om en zag iets dat ik nog niet eerder gezien had. Er was een kolom in fijne drukinkt, geschreven in dezelfde runen die ik had laten ontcijferen door Jana.
“Raar,” zei ik luidop. Ik bladerde naar voor en naar achter, en nergens kwamen de tekens terug. De kolom tekst leek gewoon deel uit te maken van het boek. Daarna ging het over de bevrijding, de Amerikanen, enzovoort. Een foto van grijnzende jonge Amerikanen, en nieuwsgierige mensen op straat die rond vrachtwagens verzameld stonden. Erg veel brillantine.
Ik hield mijn vinger tussen de pagina en zocht in het stapeltje papieren en boeken dat op de vensterbank lag, naar een dun boekje dat Jana in de bus had gestoken een paar dagen terug, zodat ik zelf de runen kon ontcijferen.
“Weer aan het lezen?”
Het klonk als een beschuldiging.
“Ook een goeiedag, ma.”
“Jij bent nu al terug?”
“Goed doorgestapt he.”
Mijn moeder knikte slechts en hing haar jas aan de kapstok. Intussen richtte ik mij op, pakte ik mijn krukken en ging ik met beide boeken aan tafel zitten.
“Is er papier?”
Ze haalde een cursusblok die nauwelijks beschreven was van bij de telefoon. Ik wilde bijna vragen waarom wij eigenlijk nog een vaste telefoon hadden, maar zei niks. Mijn moeder had duidelijk geen zin in een discussie. Mijn aanwezigheid leek haar op de zenuwen te werken, al verstond ik niet goed waarom. En ik ging het ook niet vragen.
Een uur later had ik de kolom tekst overgeschreven en daarna proberen lezen met de runen erbij. Ik deed het daarna nog een keer, toen mijn moeder al bezig was met het eten en ze de radio aangezet had. Ik beefde, en had zin om overeind te springen, de deur achter mij dicht te slaan en oneindig ver weg te lopen. Maar ik kon niet.

De Germaanse god Woden nam het leven van soldaat Peter Schutze. Bij het vissen samen met dorpeling Louis Devilder was het zwaar beginnen onweren. De god was aan hen verschenen in het moeras. Hij had de Duitser overmeesterd, opgehangen en daarna met een speer doorboord. Bij zijn thuiskomst werd Devilder gearresteerd en weggevoerd.

Ik sloot mijn ogen en rook het sissende vlees. Bloemkool.
“Ma?” vroeg ik. Ze kwam uit de keuken.
“Wat is er. Kris, jij ziet plots bleek.”
Ik toonde haar de runenpassage in ‘De geschiedenis van Voorbeke’.
“Kan jij dit zien?”
Ze knikte.
“Dat is... het boek over Voorbeke. Wat is er mee?”
“Nee, dat weet ik ook,” zei ik, “Maar dit?”
Ik legde mijn vinger op de runetekens.
“Er staat iets over een Duitse soldaat die stierf. Is het dat?”
“Nee! Zie je ’t niet? Die tekens?”
Mijn moeder legde haar hand op mijn schouder en keek mij lang aan.
“Jongen, ik zie niks. Ben je zeker dat je je wel goed voelt?”
Ik klapte het boek dicht en voelde mij leeglopen als een ballon.
“Laat maar zitten.”
Ik wilde niet dat ze dacht dat ik gek was. Ik had al mensen gek zien worden door drugs, maar had mijn eigen spul nooit veel genomen. De knalrode auto van de advocaat kwam ook terug in mijn geheugen.
“Wat eten we?” vroeg ik toen. Ik klonk te agressief.
“Worst en bloemkool.”
Ik knikte. Het allersimpelste van simpele Vlaamse kost. Het maakte mij rustiger.
“Ok. Dat is goed. Lekker.”
Mijn moeder ging traag terug de keuken in.
“Misschien moet je morgens eens terug naar dokter De Padt,” zei ze nog.
Ik schudde nee, maar dat kon ze niet meer zien.

Verder naar deel zeven.

woensdag 21 september 2011

De gehangenen (IV)

4. Runen

4 maart 1943

Het vroor niet meer, en het ijs was weg. Het was een goede dag om te gaan vissen. Angèle heeft dat eigenlijk niet graag, dat ik dikwijls alleen het bos in ga, omdat ze misschien zouden denken dat ik een partizaan ben. Ik keer nochtans altijd terug met minstens één vis, dus ik zie niet in dat ze dat raar zouden vinden. Vanmorgen vroeg Peter mij wel beschaamd of hij “mit mag”. Ik vind het een sympathieke mens, maar ik moet oppassen wat de mensen zeggen.


Ik keek op de klok. Nog drie minuten tot mijn afspraak. Op mijn krukken betekende dat dat ik te laat ging komen. Ik twijfelde even, stak het dagboek van Louis Devilder in mijn jas, en ging toen op weg. Nog een geluk dat het maar tweehonderd meter gaan was, op de hoofdstraat. Het regende lichtjes, en ik was blij dat ik kon binnenstappen in het warme café. Ik was er als kind een paar keer geweest met mijn ouders en had er toen een chocomelk of een cola gedronken. Sindsdien had ik het gekend als een oudeventjescafé, het soort waarvan elk dorp in Vlaanderen er minstens één had. Nooit te marginaal, nooit te chic, met bijna alle dagen dezelfde klanten. Mijn moeder hield er niet van, maar dat was omdat ze dacht dat iedereen die meer dan een keer per maand op café ging, een dronkaard was die niet deugde. Ik bedacht me soms dat als ze de plaatsen gezien had waar ik gezeten had – champagnebar vooraan, coke achteraan, in het midden een massa decadente feesters – dat ze steil achterover zou gevallen zijn, en haar zoon nauwelijks zou herkend hebben. Ze had ook wel de vonnissen en de artikels gelezen, maar ze vroeg er nooit naar. Ze had me eigenlijk zelfs nooit de cruciale vraag gesteld of ik echt schuldig was, en daar was ik trouwens ook blij om.
Toen ik het café binnenhopte op mijn krukken, keken de stamgasten eerst naar mijn gips en mijn metalen krukken, en dan naar mij. Ik herkende, erg vaag, van vroeger nog de oude directeur van de lagere school, meester Roland. Hij zag er erg oud en ontevreden uit. De barvrouw was nog altijd zo rondborstig en zwaar als ik mij herinnerde, maar met meer rimpels rond de ogen.
Sommige mensen herkenden mij allicht wel. Ik knikte iedereen toe, en knipoogde naar Jana, die al aan een tafel bij het venster zat.
“Die pint is voor jou,” zei ze, gebarend naar het tweede, volle glas bier dat naast een halfleeg stond. De aandacht van meester Roland, de barvrouw en de drie andere stamgasten stierf weer weg in het houten gemurmel van het café en zijn verdonkerde vensters. Er was ook een soort muziek, maar God wist welk genre.
“Merci,” zei ik, nadat ik me had laten zakken op mijn stoel. Ik dronk gulzig. Het was mijn eerste pint in dagen.
“Dat doet deugd,” zei ik. Ik keek Jana aan.
“Wat scheelt er?” vroeg ik, toen ik merkte dat ze nogal ontwijkend keek.
“Ben je zeker dat je overgrootvader wel goed bij zijn hoofd was?” vroeg ze aarzelend.
“Ik heb hem nooit gekend. Maar uit zijn dagboek lijkt hij mij een doodnormale mens. Waarom?”
 “Wel,” antwoordde Jana, terwijl ze mij over tafel een opgevouwen vel papier toeschoof, “Ik heb er mijn oude boeken eens bijgehaald, en nadien nog eens gecontroleerd. Het alfabet dat hij gebruikte heeft trouwens maar vierentwintig letters, dus soms moest ik een beetje zoeken om te zien wat hij bedoelde.”
“Maar het is Nederlands?”
“Ja, natuurlijk. Niemand spreekt Oergermaans of de taal van de Vikings of zo,” zei Jana logisch. Ik nam nog een slok bier, slikte een verwensing in voor haar pretentie die ik na al die tijd wat vergeten was, en vouwde het blad papier open.

Ik spreek en ik zie de naam van de ene God met het ene oog Woden die meer ziet dan ons en nog de wouden niet heeft verlaten in onze donkerste dagen.

Ik keek op.
“Wat?”
“Hij gebruikte geen punten of komma’s, dus dat heb ik zo gelaten.”
Ik las verder met toenemende verwarring.

Ik spreek de naam uit van zij die nog moeten komen en onze valse (Waalse?) broeders die ons bezetten ik vervloek hen niet voor het voeren van strijd of het meten van kracht maar voor hun vergieten van bloed van onschuldigen en zinloos vergaren van goud en wapens alles gaat dood en gaat weg en uiteindelijk blijven mannen alleen achter één voor één in hun hoge kastelen infeite zijn zij altijd al alleen geweest maar het is de dood gezonden door Woden de halfblinde die hen de ogen zal openen
Ik vouwde het papier terug dicht en wreef over mijn mond.
“Ok, dit is raar.”
“Ja, ik dacht eerst dat het een soort codetaal was. Je weet nooit dat je overgrootvader in het verzet zat.”
“In zijn eigen dagboek zegt hij van niet.”
“Maar misschien liegt hij,” zeiden Jana en ik tegelijk. Ik moest ongemakkelijk lachen.
“Tja. Het doet er niet toe, neem ik aan. Wie weet was hij inderdaad wel niet helemaal in orde in zijn bovenkamer. Mijn moeder heeft altijd gezegd dat er iets aan hem mankeerde na de oorlog. Mensen aten en dronken toen rare dingen en gebruikten nog DDT en zo.”
Ik nam nog een stevige slok bier.
“Of misschien nam hij zware medicijnen? De geneeskunde was in de jaren ’40 ook nog niet wat ze vandaag is.”
“Hij klaagt nooit over ziekte,” zei ik weifelend, “Maar je weet nooit.”
Ik opende terug het blad papier, en liet mijn ogen over de sierlijke krullen van Jana glijden, die op zich al bijna een soort geheimtaal leken te vormen.
“Alleszins bedankt,” zei ik toen, “Nu weet ik ook dat je niet jarenlang zotte dingen moet gezien hebben om zotte dingen te kunnen schrijven.”
“De Tweede Wereldoorlog was redelijk zot,” zei Jana zuinig.
“’t Is niet alsof hij in de Holocaust zat,” zei ik met een schouderophalen, “En daarmee wil ik nu ook niet zeggen dat wat ik de laatste jaren gezien heb, daarmee te vergelijken valt. Hij is ontsnapt aan de dienstplicht, indertijd, en heeft geen mensen zien doodgaan. Ik... tja. Ik spreek er liever niet over.”
“Het is ok,” zei Jana. Ze leek nieuwsgierig om het verhaal te horen, en ik overwoog even om te vertellen dat ik gezien had hoe iemand die zijn drugs niet meer kon betalen in elkaar werd gemept tot er van zijn gezicht alleen een rode, opgezwollen massa overgebleven was. En hoe ik toen had gewenst dat die gast bewusteloos was gegaan van de pijn, of zelfs dood was, om niet zo vreselijk te moeten lijden, maar hij bleef leven, ademen en spreken. Maar ik heb gezwegen. Ik zweeg tegen de rechter, tegen mijn advocaten, tegen mijn celgenoten. Zwijgen was na een tijdje zo makkelijk.
“Nee,” herhaalde ik, “Het heeft geen zin dat ik er over spreek. Dat deel van mijn leven is voorbij, en ik zit hier nu op mijn gemak.”
Het kwam er ongemakkelijk uit.
“Geen probleem,” zei Jana.
“Nog eens bedankt,” zei ik, terwijl ik het blad in mijn zak stopte, bij het dagboek. Waarom had ik dat ook meegenomen?
“Je hebt me een zondagnamiddag bezigheidstherapie gegeven,” zei Jana, “Dus geen probleem. Bovendien is het niet slecht om nog eens onder de mensen te komen.”
Ik keek voorzichtig op naar de professionele drinkers aan de toog. Meester Roland staarde intens naar een bierviltje. De drie anderen praatten met de barvrouw, en een ervan was voortdurend aan het grinniken. Ik zag hun monden bewegen maar kon niks verstaan van wat ze zeiden.
“Ja. Al is het zo vreemd om te beseffen hoe comateus iedereen hier leeft.”
“Middenbeke is meer dan dit café en een paar geborneerde middenstanders,” verdedigde Jana het dorp, “Maar je moet zoeken naar interessante plaatsen, dat is waar.”
We praatten nog even verder over gemeenschappelijke kennissen, en ik vertelde wat losse anekdotes over het dorp. Over het versgemetste muurtje naast de kerk dat omver was gevallen toen Bleke Frederik er tegen was gaan leunen, of over een vermeende wolf die uiteindelijk een dolle hond bleek te zijn die kippen had doodgebeten, of over die keer dat ik mijn valse snor niet had willen afdoen na een toneeltje op de lagere school. Het was een bitterzoete avond, en ik besloot dat ik voorlopig genoeg had van de omwentelingen rond een al bij al weinig interessant verleden.

15 april 1943

Peter is meegeweest om te vissen. Hij hield zich kalm en zei niet veel. Alleen dat hij thuis ook vaak ging “fischen”. We hebben wel niets gevangen, maar het was niet slecht om eens niet alleen te zijn ook. En ik denk dat hij er zelf ook deugd van had. De Duitsers zijn dan wel mijn vrienden niet, maar die jongens die hier zitten kunnen er ook niet aan doen. Ze hebben erover gesproken dat er misschien SS’ers naar het dorp gingen komen. Nochtans zitten hier geen Joden. Ze zijn zelf bang van de SS. Wat moeten wij dan denken? Ik heb goesting in vis. Spijtig genoeg hebben we niets gevangen.

Verder naar deel vijf.

maandag 19 september 2011

De gehangenen (III)

3. Terugweg

Ik stond erop om alleen terug te wandelen van bij de dokter, op mijn krukken. Het was al goed en wel dat mijn moeder voor mij wilde zorgen, maar voordat ik in het gevang moest, had ik ook voor mijzelf gezorgd en had ik mijn eigen was en strijk gedaan. Het was een onverschillige dag buiten, te koud om lang buiten te zijn, te warm voor een warme vest. Ik deed er zeker een uur over om de heuvel op te raken van bij de dokter tot het centrum. Het gaf niet – ik voelde mijn spieren terug werken, en het verzette mijn gedachten van dat constante thuis zitten met water, fruitsap en saaie programma’s op tv. Elke metalen klikstap van de krukken bracht mij verder, beetje bij beetje. Ik dacht aan mijn moeder, die het niet gezegd had maar wel weer gezegd had op haar eigen manier, dat ze vreesde dat mensen in Noorderbeke mij gingen herkennen. Dat ze. Alsof ze mij gingen aanspreken op mijn verleden. Ja, het is waar dat ik in de gazet gestaan heb en dat ik bleef zwijgen op het proces. Het is ook waar dat ik geen contact meer had met mijn maten van vroeger, en verdomme, ik miste die maten ook niet eens. Het was genoeg geweest, om eerlijk te zijn. Maar wat zou ik daarover te vertellen hebben tegen de beenhouwer en de schoenmaker, en de leraar van de lagere school die mij toch altijd maar een stuk crapuul gevonden had omdat ik veel vocht en raar haar had?
De hemel zat potdicht. Hier in dit dorp leek alles onwerkelijk, hoe onwerkelijk mijn leven voor hen ook moet geleken hebben. Alleen een snelle, gladde auto die door de straat raasde herinnerde nog aan de voorbije jaren. Ik had er ook zo een gehad. Ik had er in gesnoven en ik had me laten pijpen door een zangeres. Toen was ik thuisgekomen, had ik overgegeven in mijn wc.
Ik stond even stil en probeerde mij, zo goed en zo kwaad als ik kon, uit te rekken. In het boek dat de geschiedenis beschreef van Noorderbeke, en waar ik nu en dan in zat te bladeren, had er een foto gezeten van de hoofdstraat zoals die geweest was in 1935. Ze was nauwelijks herkenbaar in haar vorm van vandaag. Alleen twee huizen op de hoek en het pad naar het kerkhof waren nog hetzelfde. Al de rest was nieuwbouw of renovatie. En natuurlijk ook overal auto’s.
“Het verleden weegt zwaar in mijn kop,” had een vriend van mij ooit gezegd. Al begon het dankzij het wandelen en de fysieke inspanning lichter te wegen, toch moest ik hem eindelijk gelijk geven. En ik besefte dat de gast die dat gezegd was, intussen al dood was ook. Motorongeluk twee jaar geleden in Brugge, op slag dood tegen een boom. Ik had zin om te roken. Net toen ik een sigaret aan had kunnen steken, leunend tegen een verkeersbord aan een zijstraat, hoorde ik een stem naast mij.
“Kris! Dat is lang geleden!”
Ik keek verstoord opzij. Het duurde enkele seconden voor ik me kon herinneren wie er op de fiets zat die naast mij gestopt was. Het was een lang, mager meisje met zwart haar en grote grijze ogen. Ze had een piercing aan beide kanten van haar mond, waardoor het leek alsof ze altijd moest lachen.
“Jana? Ik wist niet dat jij hier woonde.”
Ze keek ongegeneerd naar mijn krukken en stukken grijswit plaaster.
“Al twee jaar, met Michel.”
“Wie is Michel? Wacht, ja, ik weet het weer. Die gast die in dat groepje speelde. Een maat van Dries.”
“Maten zijn ze niet meer,” zei Jana. Dries was de voorganger van Michel geweest, dus ik hoefde daar geen vragen bij te stellen.
“Wat is er met je gebeurd?”
“Lees je af en toe eens geen krant?”
“Ik hoor dingen,” zei ze met een schouderophalen, “Ze zeiden dat je in de gevangenis zat.”
“Een beetje. Ik heb mijn benen gebroken toen ik eruit probeerde te raken.”
Ik besefte dat dat stoerder klonk dan ik het bedoelde, en dat dat op mensen als Jana altijd indruk maakte. Ze was helemaal anders dan de andere, burgerlijke jeugd van Noorderbeke. Het voelde wat desoriënterend van haar hier te zien.
“Ik moest trouwens denken aan Dries, onlangs,” zei ik, om geen ruimte te laten voor vragen die ik niet wilde beantwoorden, “Ik heb hier toch niks te doen, dus ben ik beginnen lezen in een oud dagboek van mijn overgrootvader.”
“Was je overgrootvader een nazi dan?” vroeg ze werktuiglijk. Ik moest lachen om die vraag. Louis Devilder had er op foto allesbehalve een nazi uitgezien, en ook uit zijn teksten sprak een simpel boerenverstand dat zich niet inliet met rare politieke opvattingen.
“Nee. Maar blijkbaar zaten er Duitsers bij hem thuis in de Tweede Wereldoorlog.”
“Ach zo. Mja, ik ben daar al lang niet meer mee bezig,” zei Jana, “Dries was een klare zot. Het laatste wat ik van hem hoorde was dat hij weer ergens een Turk in elkaar geslagen heeft. Zomaar.”
Ik had overtuigde racisten nooit goed begrepen. Meestal waren het ook enorme losers.
“Tja. Goed dat je van ‘m af bent, zeker?
Ondertussen had ik onwillekeurig in m’n binnenzak gezocht naar het dagboek, dat ik bij mij hield voor dode momenten (en dat waren er vrij veel).
“Kijk, dat is het dagboek,” zei ik overbodig, terwijl ik het voor haar uit hield. Ze keek even naar de kaft, en toen naar mij.
“Wel, ik hoop in elk geval dat het beter met je gaat,” zei Jana, “Misschien doet lezen deugd. Het is saai leven hier, maar ’t is beter dan bij die zotten zitten in Gent. Ik ben hier zelf erg content met Michel.”
Ik liet het boek zakken.
“Wel,” zei ik met een zucht, maar mijn zin werd afgebroken toen er iets uit het dagboek viel. Een opgevouwen stuk papier dat ik nog niet eerder gezien had. Omdat ik er niet bij kon, stapte Jana af en raapte ze het op voor mij. Het vloog vanzelf open in de milde wind.
“He wacht,” zei Jana, die het blad bekeek met belangstelling, “Dat zijn runen.”
Ze gaf me het papier terug. Voor mij leek het een soort geheimschrift of iets dat je bij de scouts leert.
“Runen?”
“Ben je zeker dat je overgrootvader geen nazi was? Die mannen waren daar dol op.”
“Ik ben het vrij zeker, ja,” antwoordde ik, “Misschien heeft hij het niet geschreven?”
“Mag ik?” vroeg Jana. Ik gaf haar het blad terug.
“Ik wist niet dat jij runen kon lezen.”
Ze haalde haar schouders op terwijl ze probeerde te lezen.
“Het is lang geleden,” zei ze toen, “Dus het gaat traag. Het ding is ondertekend met ‘L.D.’
Initialen?”
“Eh, ja,” antwoordde ik schaapachtig, “Dat zijn zijn initialen.”
“Enfin, het is van jou, natuurlijk,” zei Jana, “Maar als je wil, kan ik het meenemen naar huis en kan ik je morgen vertellen wat er in staat.”
“Ok,” zei ik, “Laat ons ergens afspreken. Niet bij mijn ma thuis.”
Ze lachte vreugdeloos.
“Goed. In het café dan?”
Ik had onmiddellijk een beeld voor ogen van het oude café, vol oude mensen, met halfgeblindeerde vensters en licht vijandige dorpsdikzakken. Het was nu mijn beurt om vreugdeloos te glimlachen.
“Wel, goed dan.”
Jana had het papier in haar zak gestoken en was terug op haar fiets gekropen.
“Wel,” zei ze, “Het is dat, of afspreken op het kerkhof. En ’t is niet dat ik dat niet zou doen, maar dat lijkt me niets voor jou.”
“Daar ben ik inderdaad niet gothic genoeg voor.”
“Zo is dat.”
Met die woorden nam ze afscheid, en reed ze weg. En ondanks het feit dat ik er tegen op zag om terug te komen in dat bittere dorpscafé, was ik ook blij dat ik morgenavond niet opnieuw thuis voor tv ging moeten zitten.

Verder naar deel vier.

zaterdag 17 september 2011

De gehangenen (I)

1. Dagboek

Enkele weken voor ik 30 werd, was ik terug bij mijn moeder gaan wonen. Het was de enige optie die ik had, want ik had te weinig geld om ook nog maar een maand van te kunnen leven, en mijn benen waren nog altijd traag aan het herstellen. Het eerste deel van de herstelperiode had ik half in ziekenhuizen, half in de gevangenis doorgebracht. Ik had uit de gevangenis proberen ontsnappen door uit een venster te springen.
Ik lag naar het plafond te staren in de living. Uit de keuken klonk gedempte, slechte muziek van een of andere Vlaamse schlagerzanger. Op de vensterbank naast de zetel lag een stapel boeken en stond een glas half-opgedronken sinaasappelsap. Mijn gsm was God wist waar, en ik droeg slechts een trainingsbroek en een goedkoop, proper t-shirt. Mijn blik wendde zich van het plafond naar de venster. Ik was meer dan een jaar uit roulatie geweest, en als ik alles wel beschouwde, waren het vijf jaren geweest. Vijf jaren van feesten, geweld, chantage, grootspraak en seks. Om eerlijk te zijn had ik er ook geen spijt van. In die periode had ik altijd gelachen met mensen die er een gewone weekjob op na hadden gehouden, elke dag thuis waren gekomen in een kneuterig Vlaams huis met een doodbraaf gezin waar niets te beleven was geweest buiten tv kijken. Wel, de sterren die zij op tv hadden gezien, daar had ik nachtenlang mee gefeest. De babes die de programma’s hadden gepresenteerd waar zij naar hadden gekeken, hadden in mijn gsm-geheugen gestaan, en de meest uiteenlopende politici waren klanten van mij geweest.
Nu was ik al een hele tijd niemand. Een schuldige, in de ogen van het gerecht. Een verloren zoon volgens mijn moeder. Een man met potentieel, had de gerechtspsychiater gezegd. En verbrand voor mijn oude vrienden, waarvan sommigen me allerlei beloftes hadden gedaan om me terug aan boord te hijsen eens ik beter was, en anderen deden alsof ik niet bestond. Maar ik had gezwegen, en zelfs in mijn plantaardige, lethargische toestand gaf me dat een zeker eergevoel.
“Meine Ehre heißt Treue,” had een kennis van me ooit gezegd, een gestoorde neonazi die, de dagen dat hij niet tot aan zijn oogbollen vol drugs had gezeten, soms interessante dingen te zeggen had gehad. Ik moest terugdenken aan die uitspraak, die volgens hem het motto geweest was van de SS.
Op straat gebeurde er niks. Dit was nog steeds hetzelfde Oost-Vlaamse boerengat tussen Schelde en Leie zoals ik het gekend had 20 jaar geleden. Het was een plek om kind te zijn of een plek om oud te zijn, maar geen plaats voor mensen die wilden weten wat het betekende om voluit te leven. Ik herinnerde me nog mijn eerste scoutsfuiven hier, de eerste keer dat ik een sigaret rookte om de hoek van het voetbalcafé, en dikke Leslie, mijn eerste liefje. Ik moest onwillekeurig het hoofd schudden en voelde dat ik zin had in een sigaret. Ik onderdrukte de gedachte en richtte mijn aandacht op de stapel boeken. Het waren stoffige, oude boeken. Lezen had me nooit erg geïnteresseerd. Ik had in mijn jaren van waanzin wel schrijvers ontmoet, en ik had graag naar hen geluisterd, maar aan een boek beginnen had me steeds een onbegonnen opdracht geleken, een compleet tijdverlies zelfs. Ik haalde het eerste boek van de stapel.
“Ontdekkingsreizigers uit de 19e eeuw,” las ik de titel hardop voor. Ik bladerde erdoor. Enkele tekeningen, landkaarten en oude foto’s van mannen in kaki, omringd door negers. Niet interessant. Ik legde het weg en nam het volgende boek, “Het verdriet van België”. Ik opende het zelfs niet eens omdat de titel me al zo deprimerend leek. Dat was ook het probleem altijd met die schrijvers – interessante mensen, daar niet van, maar altijd zo godallemachtig depressief en altijd dat piekeren over andere mensen en de wereld. Ja, de wereld was natuurlijk een plaats vol idioten en vol geweld, maar ofwel stortte je je erin, ofwel hield je je afzijdig. Erover schrijven
leek me opnieuw zo’n verspilling van tijd en energie. Het volgende boek klonk al interessanter: “De geschiedenis van Westerbeke”. Westerbeke was de gemeente waar ik was opgegroeid. Het boek voelde ook oud aan. Ik bladerde er even door. Opnieuw die landkaarten. Wapenschilden. Foto’s en doodsbrieven van ex-burgemeesters. Hier en daar las ik een kop of een artikel. In de kaft zaten er ook krantenknipsels. Op een oude foto herkende ik de Langestraat, waar ik zeven jaar gewoond had. Ik legde het gewichtige boek, dat naar leder rook, op het bijzettafeltje naast de zetel, om me er aan te herinneren dat ik het later nog eens moest bekijken. De volgende twee boeken legde ik onmiddellijk terug weg – van het ene stond de kaft me niet aan, en het andere was een boek over tuinieren, wat me mogelijk nog minder kon boeien dan voor mijn plezier lezen.
Het laatste boek leek meer op een schrift, en voelde oud aan. De kaft had een onaangename, halfvochtige aanraking, en deed me denken aan vuile vellen vloeipapier die ooit waren achtergebleven in mijn boekentas toen ik dertien was.  Ik nam een slok sinaasappelsap. Het deed mijn verhemelte nog droger voelen dan het al deed.
“Verdomme,” vloekte ik. Ik zou moeten wachten tot mijn moeder thuis kwam om te vragen om water, want ik was bovendien ook zo stom geweest mijn krukken tegen de tafel te zetten, waar ik er niet bij kon. Ik opende het schrift.
“Louis Devilder,” stond er in keurige letters in geschreven. De naam zei me niks. Het papier kraakte wat toen ik verder probeerde te bladeren, en er vielen twee foto’s uit. Een van beide foto’s herkende ik, omdat er een grotere versie van had gehangen in het huis van mijn grootouders. Het was een streng portret van mijn overgrootouders geweest langs grootmoederzijde. Mijn overgrootmoeder was gestorven toen ik nog in de lagere school zat, maar ik herinnerde me dat die dood me niet erg veel gezegd had. Ze was toen al meer een soort spook geweest dan wat anders, even verstoft als die onmogelijk zware meubels die mijn grootouders gehad hadden.
Door te kijken naar de foto drong het tot me door dat Louis Devilder mijn overgrootvader moest geweest zijn, de vader van mijn grootmoeder, en dus de grootvader van mijn eigen moeder. Ik wist van mijn moeder dat ze haar grootvader nooit gekend had. Op dat ogenblik hoorde ik de sleutel in het sleutelgat van de voordeur draaien. Om de een of andere reden begon ik ook plots terug de muziek te horen die al de hele tijd uit de keuken was gekomen.
Ik zat nog steeds met het schrift in mijn handen toen mijn moeder de woonkamer binnenkwam.
“Ah, Kris, aan het lezen?” vroeg mijn moeder. Ze zette enkele tassen vol boodschappen met veel gedruis op tafel.
“Niet echt,” zei ik loom.
“Zeg,” vroeg ik haar toen, “Dit is een schrift van ons overgrootvader, nee?”
Mijn moeder fronste en keek naar het ding dat ik omhoog hield.
“Ja. God, ja. Dat lag onderaan die stapel boeken die ik van zolder heb gehaald deze morgen. Ik wist niet dat dat ding nog bestond. Het is zijn dagboek.”
Ik opende de eerste bladzijde. Het geschrift was erg keurig, en goed leesbaar.
“In den hoogen zomer is het meestal warm te lande, doch niet vandaag,” las ik voor, waarop ik moest lachen.
“Zo zot,” zei ik, “spraken mensen vroeger echt zo of wat?”
“Ach. Dat was een manier van schrijven,” zei mijn moeder, die intussen de boodschappen op tafel aan het sorteren was naargelang de kast waarin ze zouden verdwijnen. Ik knikte.
“Ja, ik heb mijn grootvader nooit gekend,” zei ze, “Hij is gestorven in ’47.”
“In de oorlog?”
“Die was al gedaan in ’45 hé.”
“Ah ja, juist. Wat is er met hem gebeurd?”
Mijn moeder haalde de schouders op.
“Tijdens de oorlog moest hij gaan werken in Duitsland. Toen hij terugkwam, was hij zot geworden. ’t Staat ook in zijn dagboek, denk ik. ’t Is misschien daarom dat ik het bewaard heb, want mijn eigen moeder vond het maar griezelig om dat te lezen.”
Ik bekeek het schrift met hernieuwde belangstelling.
“Tiens. Waarom wist ik dat niet?”
“Je vroeg er nooit naar.”
Ik ging iets zeggen, maar hield mijn mond.
“Zeg, ma,” riep ik haar tenslotte na, toen ze al in de keuken was, “Kan je mij een glas water brengen?”

Verder naar deel twee.