Over 'Onklare taal'
donderdag 29 juni 2023
De keizer van Populië: Straf (IV)
donderdag 22 juni 2023
De keizer van Populië: Straf (III)
De keizer van Populië, hoofdstuk 4 - Straf (III)
III. Half mens, half machine, volledig Haspelaer
DE KELDERS VAN CABRON SAN TANDER, DISTRICT VOGELARIJE, 10:24PM, +3D
maandag 5 juni 2023
De keizer van Populië: Straf (II)
De keizer van Populië, hoofdstuk 4 - Straf (II)
II. Een ontbijt met Satan
SPECIAAL ZIEKENHUIS ANNEKE LIEVENS, HEGEGRAD, 9:01AM, +3D NA DE MOORD OP LUCAS TER LINDEN
De vogeltjes floten en de ochtend beloofde een zonnige dag. Toch voelde ik me beroerd. De fameuze “revitalisatie” die me door dokter Lievens was beloofd, had al twee dagen voor mist in mijn hoofd gezorgd, en al kon ik me soepel bewegen en had ik zo goed als geen lichamelijke klachten meer buiten nu en dan een kleine tic die wellicht door stress was veroorzaakt, het was alsof mijn gedachten steeds waren gehuld in een mist. Die mist was ’s ochtends vroeg en ’s avonds laat het sterkst. De speciale thee van dokter Lievens hielp me enigszins aan te sterken door de dag, maar ik werd elke ochtend wakker alsof ik onder een tram had gelegen, met prikkende koppijn.
De Paling was al elke middag op bezoek gekomen maar zei niet veel. In het nieuws waren, onder ook buitenlandse persbelangstelling, de staatsbegrafenissen geweest voor consul ter Linden en de vermoorde districtsburgemeesters San Tander, Vitellius en Ranzigbotten. Consul Ultor hield telkens kwade, grimmige toespraken. Close-ups van het pafferige gezicht van Geurt Dickens, die bij elke begrafenis dikke krokodillentranen weende. Bij elk van die uitvaarten en berichtgevingen daarover werd bijna als een soort gebed toegevoegd: “het onderzoek loopt nog”. Dat frustreerde me. Er liep helemaal niets meer. Het geweld was gelukkig weer gaan liggen. Heinz Spritzmann was helemaal volgens Vitellius’ voorspelling aangesteld als districtsburgemeester voor Vogelarije, en de immer afwezige Christa De Hete nam de taken van wijlen Cain Ranzigbotten waar. De waanzinnige debiel Socarus, die wonderwel de slachtpartij en de brand op de Villa Ramona overleefd had, was aangeduid als tijdelijke districtsburgemeester van Uytganck. Live-beelden toonden hem in een rolstoel, omzwachteld als een mummie, mompelend in zijn rare mix van de volkstaal en het Ramoons. Het Purperen Gewei was zwartgeblakerd vastgelijmd aan zijn pokdalige hoofd. Op Twatter waren er geruchten dat Uytganck uiteindelijk mogelijk zou toegevoegd worden aan Withaven of Welkom. Van de Spetskop was nog steeds geen spoor.
Maar ik hoopte dus nu meer te vernemen van mijn overste, hoofdinspecteur Satan, die me had uitgenodigd voor een ontbijt in de binnentuin van het Speciaal Ziekenhuis Anneke Lievens.
“Inspecteur Haspelaer,” begroette Satan mij formeel, toen hij op de tafel waar ik al zat, toe stapte. Hij stak zijn hand uit en ik nam die aan. Satan was begin de vijftig en had een ver teruglopende haarlijn. Hij droeg altijd een bril met de strengst mogelijke montuur en had vandaag een bleekblauw hemd aan boven een donkerbruine broek van velours. Hij was gladgeschoren.
“Hoofdinspecteur Satan,” knikte ik hem toe. Hij keek me onderzoekend aan en ging zitten.
“Hoe voelt u zich?”
“Fysiek helemaal in orde, alleen vrees ik dat deze omgeving me wat suf aan het maken is.”
Een verpleger kwam op een karretje het ontbijt brengen – rozijnenkoeken, koffie, thee en toast. Er was ook een pakketje boter bij. Satan monkelde bij mijn antwoord.
“Dokter Lievens heeft me verzekerd dat dat spoedig voorbij zal gaan. Hoe is het met uw geheugen?”
Ik keek verbaasd terug terwijl de verpleger koffie inschonk voor ons beiden.
“Ik zal ter zake komen: wanneer werd Janus Ultor-Onghenae voor het eerst tot consul gewijd?”
“16 maart 2002,” antwoordde ik direct. Satan knikte: “Wanneer werd de laatste renovatie van de Broekentoren afgerond?”
“7 november 2009.”
“Wat is het smeltpunt van wolfraam?”
“3.422 graden Celsius, bij een luchtdruk van één atmosfeer.”
“Hoe veel kost een BaekelandtBak gemiddeld op de tweedehandsmarkt?”
“€26,845, maar sinds het ongeluk van… eh, van… is de prijs sterk gedaald.”
Satan knikte gretig en ging door terwijl hij zijn rozijnenkoek opensneed en beboterde.
“Wie was de 17de president van de Verenigde Staten van Amerika?”
“Andrew Johnson.”
“Waarom wordt Algol soms ook de ‘Demonenster’ genoemd?”
“Omdat de naam komt van de Arabische uitdrukking ra’s al-ghoul, dat zo veel betekent als ‘het hoofd van de demon’.”
Satan nam een slok koffie: “Hoe oud is Heinz Spritzmann?”
“36 jaar en 111 dagen.”
“Wie is de bekendste filosoof van Populië-Econovina?”
“Martine Poederdrie.”
Ik zat nu hevig te zweten en Satan zweeg. Hij glimlachte triomfantelijk terwijl ik met natte handpalmen de tafel vastgreep.
“Heel goed, inspecteur. Heel goed. De revitalisatie verricht wonderen met uw geheugen.”
“H-hoe?”
“De wonderen van de wetenschap, denk ik,” zei Satan, die nog een slok koffie nam, “en in elk geval kan u morgen weer uw onderzoek hervatten. We hebben het onderzoek uitgebreid, trouwens.”
Ik haalde diep adem en voelde ver weg in mijn achterhoofd een andere stem – of was het mijn eigen stem, die ik al dagen leek vergeten te zijn?
“We geloven namelijk heel sterk,” vervolgde Satan, alsof hij mijn ongemak niet had gemerkt, “dat de moorden op consul ter Linden en de districtsburgemeesters San Tander, Vitellius en Ranzigbotten, evenals de mislukte aanslag op districtsburgemeester Dickens, allemaal het werk zijn van hetzelfde complot. Ik weet dat u op het spoor zat van de zogenaamde Roze Coalitie, maar die hebben we zo goed als verlaten. De verkiezing van Heinz Spritzmann als vervanger van Cabron San Tander was hun laatste ereronde en het district Uytganck zal afgeschaft worden. Ik ben het eens met uw conclusies dat de moord op San Tander al te geënsceneerd leek om de schuld te zijn van districtsburgemeester Molckx-Verpist, en de piste van de nagemaakte Mr. Priester leek bewust geklungel om districtsburgemeester Ranzigbotten in een slecht daglicht te stellen.”
Telkens als ik Ranzigbottens naam hoorde, wrong er iets in mij, maar ik wist niet wat.
“Ik… met alle respect,” zei ik, “ik heb nergens geconcludeerd dat districtsburgemeester Molckx-Verpist niet betrokken was geweest bij de moord op San Tander. Alleen dat het orgie aan bewijs wellicht vervalst was.”
“Uw rapport zegt nochtans iets anders,” zei Satan, en daarbij schoof hij me een dun mapje over tafel met een grijze cover. Ik nam het aan met zwetende vingertoppen en opende het. Inderdaad stond zwart op wit wat Satan mij zonet had gezegd, ondertekend met mijn handtekening en mijn biometrische print. Ik zweeg.
Satan at een stuk van zijn rozijnenkoek en keek de hemel in, naar de vierkante muren van Ziekenhuis Anneke Lievens die de binnentuin omgaven. Als was de binnentuin een gigantisch compluvium. Voordat ik ervan schrok hoe helder ik wist wat dat was, dacht ik aan de geweerschoten en de rookontwikkeling in de Villa Romana de avond van de raid op Vitellius en zijn getrouwen. Vitellius zelf had misschien wel boter op het hoofd (en elders) gehad, zijn disgenoten hadden toch zo’n gruwelijke dood niet verdiend? Of die sul van een San Tander? En de allerergste van de doelwitten, die kleptocraat van een Geurt Dickens, die bij wijze van spreken zijn eigen scheten verkocht als groene stroom maar zijn rijkdom had van eeuwenlange vervuiling en uitbuiting, die was de dans natuurlijk ontsprongen.
“Heeft u geen honger, inspecteur?” vroeg Satan belangstellend.
“Het is gewoon nogal een schok, allemaal,” zei ik. Satan knikte gemoedelijk.
“Daar heb ik alle begrip voor.”
Ik probeerde voorzichtig te nippen van de thee, uiteraard weer de speciale thee van dokter Lievens zelf.
“Word ik dan vandaag ontslagen uit het ziekenhuis?” vroeg ik toen.
“Ja. Na dit ontbijt zelfs, maar u moet eerst nog even op exit-interview bij dokter Lievens. Ze is op u gesteld geraakt.”
Vreemd genoeg kon ik me geen enkel lang gesprek herinneren tussen mezelf en Lief Anneke, en voelde ik me eerder ambigu over haar schemerige aanwezigheid en haar wee taalgebruik, dat steeds leek over te hellen naar praatjes over kristallen en wichelroedes, maar toch nooit op dat punt kwamen. Het was meer een soort vibratie, om het in haar termen te zeggen.
“Zijn er in mijn afwezigheid nog mensen ondervraagd?” vroeg ik toen.
“Nee. Enkel die zonderlinge Socarus bood zich aan bij uw assistent, adjudant Paelinck, maar we hebben meneer Socarus jammer genoeg waanzinnig moeten laten verklaren.”
“Hij is toch benoemd tot waarnemend districtsburgemeester?”
“U zou toch geen man met een mentale beperking willen discrimineren?” monkelde Satan, “En trouwens, het is een ceremoniële en tijdelijke functie terwijl meneer Poenie en mevrouw Froger bestuderen hoe ze best de bevolking van Uytganck kunnen helpen.”
Helpen? dacht ik, niet zeker met welke stem. Poenie en Froger willen 300% zeker zijn dat er zelfs geen byte meer over blijft van de opnames op het kantoor van consul ter Linden.
Hij nam nog een slok koffie en stond op.
“Betere tijden breken weer aan, inspecteur Haspelaer,” concludeerde Satan, die me weer zijn hand aanbood. Ik nam ze aan en verbaasde me erover hoe zijn eens stevige handdruk nu een soort pariteit had verkregen met de mijne. Beeldde ik me dit in?
“Aan de uitgang wacht adjudant Paelinck overigens op u,” zei Satan nog terwijl hij weg stapte, “aan hem hebt u een uitzonderlijk loyale ondergeschikte, inspecteur. Die man is goud waard.”
maandag 22 mei 2023
De keizer van Populië: Straf (I)
De keizer van Populië, hoofdstuk 4 - Straf (I)
I. Lief Anneke
SPECIAAL ZIEKENHUIS ANNEKE LIEVENS, HEGEGRAD, 8:13PM
Mijn ziekenhuiskamer was momenteel wellicht één van de rustigste plaatsen in heel Populië-Econovina. Hoewel ik buiten een kwalijke hoest en wat roetvlekken ongedeerd was, moest ik op bevel van hoofdinspecteur Satan minstens één nacht verblijven in het Speciaal Ziekenhuis Anneke Lievens “om zeker te zijn”. Buiten aan de deur stonden twee gewapende agenten en binnen bij mij zat De Paling, zoals gewoonlijk in één van zijn legendarische coltruien en met een gezicht dat zo weinig emotie verried dat het wel van plasticine gemaakt leek. Toch was ik blij dat De Paling bij mij was.
Villa Romana was afgebrand tot op haar – scheve – fundamenten. Mijn getuigenis zat al in het dossier. Over de raid op de Villa, het korte vuurgevecht, de stroomonderbreking en de zich daaropvolgende razendsnel ontwikkelende brand. Gaius Vitellius was niet de enige districtsburgemeester waarop een aanslag gepleegd was. De zelfrijdende BaekelandtBak van Caïn Ranzigbotten was volgens ooggetuigen “plots” een open riool in gereden op de grens met Vogelarije en de excentrieke tech-mogul, digitale volksmenner en eigenaar van Twatter was verdronken in de fecale smurrie. Daardoor waren ook alle sociale media tijdelijk offline gegaan, omdat de man blijkbaar een ‘dead man’s switch’ had verborgen in zijn Geegle Glass. Een aanslag op Geurt Dickens was mislukt. Hij had zich nog net kunnen verschansen in zijn paniekkamer, maar zijn harem was vermoord en op de muren van zijn zwembad was in hun bloed “WIE IS JE VADER, GEURT?” geklad. Districtsburgemeester Sam Hoogmeester had beweerd aangevallen te worden in zijn beruchte Mannengrotten door “hordes feministen”, maar dat bleek algauw in scène gezet en de “feministen” waren marginale oproerkraaiers uit de hordes van Theofiel Duck met slechte pruiken op.
Omdat zowat alle politie-eenheden nu ofwel de nog levende districtsburgemeesters bewaakten ofwel deelonderzoeken uitvoerden en ik onvrijwillig buiten strijd zou zijn tot morgenochtend, was ik “tijdelijk” van het dossier gehaald.
Ik had alles verteld aan De Paling wat Vitellius aan mij had verteld voor zijn dood. Hij had onbewogen mijn relaas aangehoord. Nadat ik uitverteld was, onderbroken door meerdere hoestbuien, knikte hij en haalde hij een tablet-pc boven.
“Ik ben gaan praten met Delly,” zei hij.
“Delly van Delly & De Drie Vogels?”
“Ja, Delly van Delly & De Drie Vogels,” bevestigde De Paling, “omdat er iets niet klopte met dat aspect van het verhaal. Het onderzoek insinueert dat Lucas Ter Linden in het geheim seks had met mannen. Froger, Dickens en Spritzmann zagen Ter Linden allemaal in ‘Het roze ballet’ naar een darkroom gaan, en zijn Mr. Priester werd kennelijk niet enkel gebruikt om de mis op te dragen. Ter Lindens echtgenote is al jaren vervreemd van hem. En dan duikt die blauwdruk op voor een seksrobot gebaseerd op Delly van Delly & De Drie Vogels.”
“Ter Linden kon toch ook biseksueel zijn?”
“Dat dacht ik eerst ook, maar toen dacht ik aan de korzelige reactie van Stefanie Baekelandt op de blauwdruk van Delly. Stefanie was niet nijdig omdat we een geheim ontdekt hadden. Ze was nijdig omdat het ontwerp plagiaat was.”
De Paling toonde nog eens de blauwdruk en wees op enkele inconsistenties.
“Als het inderdaad plagiaat is, wie heeft het dan gemaakt? Er is toch geen wetenschapper zo goed in robotica als Baekelandt?”
“Dat hoeft ook niet. Je kan meerdere mensen tegelijk laten bijdragen en een beetje hulp krijgen van AI-toepassingen als je wil. En wie van de districtsburgemeesters heeft een grote poel aan online talent en brengt AI-apps uit?”
“Cain Ranzigbotten.”
“Maar waarom dan een Mr. willen maken van Delly, of suggereren dat Ter Linden er één wilde bestellen?” vroeg ik me luidop af.
Ik voelde me alsof mijn geest uit mij was gevaren. Dit ging over zo veel meer dan de moord op Lucas ter Linden. De Paling haalde zijn schouders op.
“Delly wist het ook niet. Ze zei enkel dat Roodborstje een keer had gesuggereerd om op te treden voor de consul toen ze op bezoek was bij haar en Van Vettenberghe. Ranzigbotten was daar ook aanwezig en had apart een meeting met Van Vettenberghe, volgens Delly voor een gezondheids- en voedselleveringsapp.”
“Dan niet zo slim om nog in een BaekelandtBak te rijden, als Ranzigbotten ergens Baekelandt probeerde in diskrediet te brengen,” zei ik. Ik keek weer uit het venster. Vanaf hier leek alles kalm maar ook donker door de avondklok die was ingevoerd.
“Ranzigbotten was ook niet het genie die hij beweerde te zijn op Twatter,” zei De Paling zuinig. Het was een tel stil.
“En wat doet Ultor?”
“Die zit hoog in zijn Broekentoren en roept morgenochtend een uitgestelde speciale sessie samen van de Staten-Generaal onder grote militaire bescherming. Men vermoedt dat hij gaat proberen de noodtoestand af te kondigen en zichzelf ‘tijdelijk’ dictator zal laten maken. Zijn medeconsul is dood en minder dan 24 uur later worden drie districtsburgemeesters vermoord en hebben we een mislukte poging op één andere.”
“Wist Geurt iets te zeggen over wie hem aanviel?”
“Mannen in het zwart met maskers. Sommigen hadden een Luxemburgs accent. Ze vluchtten al vrij snel. Een team ter plekke onderzoekt zijn paleis en kantoor. Geurt zelf wees niemand met de vinger maar vroeg om toch Heinz Spritzmann wat dichterbij in de gaten te houden.”
“Zou de Spetskop betrokken zijn?”
“Dat zou wel heel snel zijn. In elk geval: het lab is ook nog bezig de restanten van de namaak-Mr. Priester die we bij San Tander hebben gevonden te onderzoeken en daarvan verwacht ik morgen resultaten. De kans lijkt me reëel dat die ook door één van Ranzigbottens AI-aangedreven teams van vrijwilligers is gemaakt.”
De Paling keek op zijn horloge: “Ik moet eigenlijk weg, inspecteur. Met uw permissie?”
Ik knikte. Hij knikte mij terug toe en borg zijn spullen op. Geruisloos verliet hij mijn ziekenhuiskamer. Ik sukkelde in een droomloze slaap en ontwaakte enkele uren later bij het beeld van twee mensen die aan mijn bed stonden. De ene persoon was professor Rita Dorfs, die me als een lijkbidder aankeek, met haar dunne, grijsbruine haar dat delen van haar schedel toonde en zo nog meer op een doodskop leek, en haar eveneens bruine, diepe wallen onder haar ogen. Ze was gekleed in een donkergrijs, wollen pak als van een pastoor. Naast haar stond Anneke Lievens, die haar naam aan het ziekenhuis had gegeven. Lievens was een dame van in de vijftig met vettig zwart haar in een pony en ze droeg diverse new age-sieraden op een wijd vallende jurk van zwart fluweel.
“Inspecteur,” groette professor Dorfs mij.
“Professor Dorfs?” vroeg ik. Mijn stem voelde als schuurpapier.
“Ik kwam even persoonlijk kijken hoe het met u ging. U was er bijna geweest.”
“Ik heb geluk gehad.”
“Uw bescheidenheid siert u,” vond professor Dorfs, “net als uw werkethiek. Uw baan vereist van u dat u mogelijk uw leven kan geven voor de veiligheid van Populië-Econovina, en u heeft niet geaarzeld om die plicht uit te voeren. Verschillen van mening en levenskeuze mag, maar velen zouden in uw plaats niet hetzelfde hebben gedaan.”
“De professor betaalt voor uw revitalisatie,” zei Anneke Lievens met een weeïge glimlach.
“Bedoelt u niet mijn revalidatie?”
“Nee, nee,” zei ze zachtjes, hoofdschuddend, “uw revitalisatie. Uw pad terug naar wat meer geluk en comfort.”
Rita Dorfs keek me aan met haar hand tegen haar kin, alsof ik een studieobject was.
“Dokter Lievens biedt naast de zorg in haar ziekenhuis ook een pad aan in positieve geneeskunde,” vertelde ze, “Zieken en gewonden moeten natuurlijk altijd op zorg kunnen rekenen, maar ook wie gezond is, moet de keuze kunnen krijgen om meer levenskwaliteit te genieten. Zeker op basis van verdienste.”
“Wat houdt zo’n revitalisatie allemaal in?” vroeg ik, nu op mijn hoede. Professor Dorfs leek mijn argwaan door te hebben en glimlachte nu zelf.
“Maakt u zich geen zorgen, inspecteur. Dokter Lievens zal u hier niet langer houden dan nodig en dit is geen vreemde manier om u van uw werk te houden eens u ontslagen wordt uit het ziekenhuis. Waarom zou ik dat ook doen? De moord op consul Ter Linden moet immers nog opgehelderd worden, en zeker nu hebben we alle capabele mensen nodig die we kunnen gebruiken om deze zeg maar dionysische uitbraak van politiek geweld tegen te gaan. Vergeef me de ongelukkige metafoor in het licht van waar u aan bent ontsnapt, maar als we moeten geven aan Caesar wat aan Caesar toekomt, geldt dan niet hetzelfde voor Brutus?”
Ik was met verstomming geslagen, te meer omdat ik er geen snars van begreep.
“Alleszins,” zei dokter Lievens, die schijnbaar uit het niets een klein dienblad tevoorschijn toverde waarop een dampende kop thee stond die heerlijk rook, “kunnen we beginnen met een verse perenthee.”
“Thee is nooit een slecht begin van iets,” monkelde professor Dorfs minzaam. Ze glimlachte naar dokter Lievens alsof hij zonet iets oneindig wijs had gezegd, groette mij en vertrok op knerpende, lederen schoenen. Dokter Lievens zette het dienblaadje met thee op mijn nachtkastje en haalde vanonder haar me nu bijna interdimensionaal lijkende fluweelzwarte jurk een clipboard.
“Als u het goed vindt, zou ik u ook enkele vragen willen stellen over uw medische voorgeschiedenis.”
Ik knikte verbouwereerd.
“Dank u, inspecteur,” zei ze, waarop ze een beringde vinger bovenaan haar clipboard hield: “Eerste vraag: welke vaccins hebt u ooit allemaal gekregen?”
woensdag 10 mei 2023
De keizer van Populië: Misdaad (IV)
De keizer van Populië, hoofdstuk 3 - Misdaad (IV)
IV. De bonen van Vitellius
VILLA RAMONA, UYTGANCK, 7:02PM
Vitellius liet zich niet vermurwen en wilde niet verder praten vooraleer hij het avondeten zou laten opdienen. “Een heer is aan zijn dignitas verplicht om eerst te eten,” had hij gezegd, vooraleer me door Locatus te laten begeleiden naar de grote eetkamer, vanwaar eerder de geluiden waren gekomen door de muren terwijl ik had gesproken met Vitellius. Ik besloot dat ik nog een uur kon wachten tot Vitellius gedineerd had en dat het de moeite niet was om eerst nog terug te rijden naar het hoofdkantoor in Hegegrad, maar om onpartijdig te blijven zou ik geen kruimel mee-eten en geen druppel meedrinken.
In de eetzaal, de centrale kamer van de Villa Ramona, was het creatuur dat Socarus genoemd werd, bezig om schalen, kruiken en borden op de vierkante, lage bankettafels aan het zetten, die allemaal een laag smoezelig papier hadden gekregen. Tegen de muren stonden lelijke standbeelden van papier-maché. Diverse andere bewoners lagen al in de verstelde zetels in hun toga’s fruit te eten en dronken wijn uit plastic bekers. Ze leken niet echt aandacht aan mij te besteden.
“Zij weten van niets,” zei Locatus naast mij, terwijl hij me een bank aanwees in een hoek, en daar ook op ging liggen, met zijn voeten naar mij gericht. Hij trok een blik bier open en dronk. Ik knikte. Onder de aanwezigen herkende ik een ex-professor die indertijd het startschot had gegeven voor de ‘Ramoonse revival’, een zekere Bradius, die had moeten opstappen omwille van een affaire met een studente. Zij waren nu nog steeds getrouwd en zijn veel jongere vrouw zat naast hem op een bijzetstoeltje. Ze keuvelden in vloeiend Ramoons met andere figuren, waarvan er één een wolfskop droeg en een andere een revolver bij zich had. Nog verderop zat een gul lachende dame die een zuster van Boert Van Vettenberghe had kunnen zijn, en een oude man in een meer Gruks aandoende outfit, met erg lange vieze tenen die uit zijn versleten sandalen staken.
“Als het al waar is, wat u en Vitellius beweren, meneer Locatus,” zei ik. Locatus grimaste en nam nog een grote gulp bier. Socarus kroop op handen en voeten over de mozaïekvloer (ook vinyl) en zijn adem raspte. Ik trok een bedenkelijk gezicht.
“Socarus is een raar geval,” gaf Locatus toe toen hij mijn blik zag, “Hij is een fanatieke aanbidder van de Oude Goden en meldde zich 6 jaar geleden als slaaf aan bij ons. We probeerden hem dat uit zijn hoofd te praten maar hij stond erop. Bovendien gedroegen slaven bij de Ramonen zich nooit op die manier.”
“Slavernij is illegaal, ook.”
“Dat ook,” zei Locatus, waarop hij luid boerde en een sigaret opstak, “hij is in loondienst bij ons.”
Ik had het gevoel dat ik in een soort gekkenhuis was beland. Socarus was naar mij toe gegleden en keek mij hoopvol aan: “Domine mi velitne bibere vino vel birum?”
“Wat?”
“Of u wijn of bier wil drinken,” zei Locatus, waarop hij zich tot Socarus richtte en zijn Ramoons verbeterde: “Est ‘vinum’ et ‘siceram’.” Socarus grimaste en bood zich aan om zich te laten tuchtigen, maar Locatus weerde dat af met een handgebaar.
“Ik hoef niets, dank u.”
“Je zou denken dat hij opzettelijk fouten maakt,” grijnsde Locatus. Socarus kroop weer weg naar wat vermoedelijk de keuken was waar Vitellius zelf aan het werk was.
“Wat hadden jullie gehoopt te bereiken?” vroeg ik toen, stil genoeg dat enkel Locatus het kon horen, “dat één van jullie zogezegde Roze Coalitie het consulschap zou overnemen?”
“Dat de stellingen op scherp zouden staan zonder de zogezegd gematigde Ter Linden. Chaos creëren. Froger had ons geld beloofd om de Villa Ramona te laten opknappen en Ranzigbotten ging eindelijk een versie maken van Twatter in het Ramoons. Maar Froger liet ons direct vallen als een steen en Ranzigbotten zegt nu dat hij “geen tijd” heeft voor ons. Ik geef u op een papyrusje dat wij ook op de lijst staan van mensen die moeten verdwijnen, net als Cabron San Tander.”
“Wisten de anderen dat jullie opnames hadden van de gesprekken van Ter Linden en Ultor?”
Locatus haalde zijn schouders op en krabde in zijn stoppelbaard. Intussen waren nog bewoners gearriveerd: een nerveus, sprieterig vrouwtje van tegen de 40, een dandy met wallen onder zijn ogen en ingenaaide badges van Britse rockbands in zijn toga, en drie vrouwen die duidelijk zusters waren en onder elkaar luid lachten om een Ramoonse mop.
“Ranzigbotten en Baekelandt weten alles. Het zou me niet verbazen als hier ook ergens apparatuur was om ons af te luisteren, of dat één van onze medebewoners in het geheim spioneert voor Geurt Dickens of voor Verpist.”
De gelatenheid waarmee Locatus dit zei vond ik schokkender dan wat hij precies zei. Voor ik nog een vraag kon stellen, kwam Vitellius, voorafgegaan door een schor schreeuwende Socarus, de eetkamer binnen met een grote schotel, meer dan mansbreed, hoog opgetast met een stomende, groene en brokkelige pureepap.
“Fabae! Fabae omnibus!” riep Vitellius, en zijn gasten juichten.
“Wat mag dat zijn?” vroeg ik verbaasd aan Locatus.
“Bonen op Vitellius’ wijze, natuurlijk,” zei Locatus verlekkerd. Terwijl Vitellius rondging en bij éénieder een grote kwak bonenpap in de eetschotels mikte, volgde Socarus hem met de wijn. Twee amforen zaten op zijn kromme rug gebonden alsof het zuurstofflessen waren van een duikpak. De bitterzoete geur van bonen walmde door het vertrek. Ik hoopte dat de toiletten van de Villa Ramona voorzien waren op de ravage die Vitellius hier zou aanrichten bij zijn gasten. Iedereen leek echter in vrolijke vervoering.
Als laatste, met de serene minzaamheid van een grote vorst, liet Vitellius brokken dikke bonenpap in Locatus’ schotel terechtkomen, waarop hij de enorme pollepel ook op mij richtte.
“Bent u zeker, praetor Haspelaer?”
“Echt. Dank u.”
Vitellius zette de dampende ketel neer en nam in zijn eigen eenpersoonsbank plaats. Hij hield een doorzichtige plastic drinkbeker hoog die Socarus zonet had bijgevuld.
“Di omnes ament! Nunc edemus!”
“Edemus!” antwoordden de gasten enthousiast, en als uitgehongerd vielen ze aan op de bonen. Er werd geschrokt, geschransd en gebrast dat het een lieve lust was. Ik keek op m’n telefoon. Op de politie-app was er een rode notificatie verschenen en ik voelde een klomp in mijn maag ontstaan, al kon dat ook aan de weeïge bonendamp liggen in de eetzaal. Ik tikte het bericht aan: “DE SPETSKOP ONTSNAPT. DETAILS VOLGEN.” De Spetskop was een notoire psychopathische huurmoordenaar die indertijd was geklist door hoofdinspecteur Satan zelf en zijn definitieve proces afwachtte in de zwaarbewaakte gevangenis van De Nieuwe Wankeling. Ik probeerde dit sensationele nieuws niet te verbinden met de moorden op consul Ter Linden en districtsburgemeester San Tander, noch met de complottheorieën die Vitellius en Locatus me hadden geserveerd, maar het ging niet.
In een opwelling stond ik op, excuseerde ik me bij Locatus en Vitellius, en ging ik de gang op met m’n telefoon. Ik belde De Paling. Die nam bijna onmiddellijk op.
“Inspecteur?”
“Sorry als ik stoor, het is avond.”
“Nee inspecteur, u stoort niet,” zei hij formeel, “u hebt vast ook de rode notificatie gekregen.”
“Inderdaad,” zei ik, opgelucht dat mijn trouwe Paling alert was als altijd.
“Waar bent u nu? Nog altijd bij Vitellius?”
“Ja, hij beweerde dat hij grote onthullingen had, en bewijzen ervoor, die eigenlijk oplijnen met jouw theorie. Maar momenteel is het avondmaal hier gaande in de Villa Ramona, en hij wilde enkel verder praten na de maaltijd. De ontsnapping van de Spetskop stoort me, zeker nu. Hoe zit het met de beveiliging van de districtsburgemeesters?”
“Daar had ik al aan gedacht,” antwoordde De Paling, “en momenteel zijn de eenheden die we kunnen sparen onderweg naar de meeste districtsburgemeesters die ik kon lokaliseren, maar –”
En toen viel hij weg en gingen de fake toortsen aan de muren uit. Ook mijn telefoonverbinding was abrupt uitgevallen. Uit de eetzaal klonken kreten van verbazing. Per ongeluk liet ik mijn telefoon vallen en ik vloekte. Toen ik hem weer vond op de vloer en de toortsfunctie aanzette – er zat gelukkig geen barst in het scherm, hoorde ik een enorme knal, gekrijs en toen nog enkele knallen. Geweerschoten. Ik maakte me klein tegen de muur en zocht naar mijn dienstwapen. De adrenaline gierde door mijn lichaam. Nog een knal terwijl ik voorzichtig de deur opende op een kier. De walm van de bonenpap en kruit sloeg me in het gezicht. Er kwam zwak licht uit de keuken dat snel verdween, samen met haastige voetstappen en gefluister van een hoge stem. Er weerklonk uit het duister gekreun en ik hoorde iemand zwaar ademen. Verderop, uit de richting van de keuken of een kamer die er aan grensde, klonk een nieuwe knal, maar dit keer geen geweerschot. Een bom? Een gloed rees op en werd feller. Direct werd ik een brandgeur gewaar. Ik zag ook de contouren van enkele tafelgasten, zwaargewond of dood, en vlak bij me lag onmiskenbaar het lijk van Vitellius zelf, in elkaar gezakt als een mislukte slagroomtaart. Voor hem lagen Locatus en Socarus, die hun heer met hun laatste snik hadden willen beschermen. Socarus’ ogen waren wijd opengesperd en hij zag er dood nog waanzinniger uit dan levend. Locatus had zijn handwapen nog vast. Ik moest maken dat ik weg kwam.
vrijdag 5 mei 2023
De keizer van Populië: Misdaad (III)
De keizer van Populië, hoofdstuk 3 - Misdaad (III)
III. Hoe schoon toch de wereld, het purperen gewei
VILLA RAMONA, UYTGANCK, 6:06PM
zondag 2 april 2023
Constellatie: Horum Piscium
HORUM PISCIUM
(7:58-9:00)
DRIFT
Have you seen the sky
today?
The rain is coming and the
clouds are moving in the strangest way.
Can you hear what I say?
Where did all the people go? I can’t hear a sound.
It’s so funny that there’s
no one on the streets today. Have they all moved away?
It’s like I’m floating,
floating away.
It’s like I’m leaving, and
I don’t care.
There’s not a bird in sky.
I didn’t believe it when
people told me a storm was coming in from the East.
I’m not scared in the
least. Did you hear the rain last night?
Beating down on the
window, it kept me awake but I liked the sound.
Did I ever hear a sound?
Ooit bracht ik een nacht door aan boord van een
lijnschip aan de achtersteven, kijkend naar het golvende obsidiaan dat achter
de boot even opschuimde in wit maar na enkele meters door het alomtegenwoordige
zwart-op-zwart werd opgeslokt. Het idee om over de reling van de achtersteven
in het water te vallen was zo angstaanjagend dat ik uren bleef staan, in
worsteling met de existentiële angst om voorgoed te verdwijnen in een koud,
onverschillig en chaotisch niets, ten langen leste eindelijk gereduceerd tot mijn
eigen pathetische onbenulligheid.
Met schrijven heb ik mezelf weten op te vijzelen
tot het niveau waarin ik er soms in slaag me aan mijn eigen haar uit het moeras
naar boven kan trekken. Het lukt niet altijd. Soms blijft het bij zuchten
terwijl ik de drek uit mijn neus probeer te houden.
Ik lig aangespoeld in mijn bed.
“Kom bij me. Leg je neer in m’n zetel, dicht
bij mij, lijf aan lijf, warm tegen warm, met de stoffen van onze kleren die
onze lichaamswarmte zacht scheiden en tegelijk hard schaven.”
Ik weet
niet wie mijn verklaringen hoort te horen of maar kan zien dat ze zien.
Misschien is het wel de befaamde Sloterdijkse auto-chirurgie, maar dan voor de
geest. Misschien ben ik een optie aan het nemen op wat ooit zou kunnen zijn met
Alessia.
“Leg je
zodanig dat je hoofd rust op m’n schouder en ik nog je shampoo van gisteren kan
ruiken, je ademhaling kan voelen tegen mijn buik en jij m’n hart kan voelen
kloppen tegen je rug.”
Ik ben
moe maar helder.
“Ja,” zeg
ik keer op keer tegen die goede vrienden die hier ook al jaren stukjes van hun
hart en ziel hebben gedeponeerd.
“Ja,” zeg
ik tegen mijn dichtste familie, die mensen die nooit voor elkaar hebben gekozen
maar er toch het beste van hebben weten te maken.
Ik duik
onder mijn dekens en vind mezelf daar terug, wind m’n veel te lange armen om
mijn lichaam als de mouwen van een zachte dwangbuis. Wat een nacht is dit toch
alweer geweest, vervuld van gesprekken met de doden en de levenden, in zwart
wachtend op wit, naakt en gekleed zijn, leven in literatuur en woede, doen aan
hedonistische zelfkastijding en de wereld uit elkaar vijzen in de hangars van
de geest – en dat allemaal op nauwelijks meer dan 60 vierkante meter. Wat een
ongehoorde luxe.
“Ik heb
veel te geven. Dat klinkt goed maar is het niet altijd, want niet iedereen zit
te wachten op zo veel geschenken.”
Het is
erg stil buiten het miniversum van mijn bed en ik probeer het microversum onder
mijn zelfgetrepaneerde schedeldak eveneens tot die stilte te leiden. Mijn
hartslag vertraagt onregelmatig, maar hij vertraagt. Dat arme hart van me heeft
het toch weer te verduren gehad en ik zou er medelijden van krijgen met m’n
lichaam, ware het niet dat ik in dit lichaam zit en daar nu ook niet
enthousiast voor gekozen heb (als je bang bent van skeletten, wat doe je met de
wetenschap dat er zich op dit ogenblik een skelet in jou schuil houdt?).
Bloed ruist door mijn oren. Met elke seconde groeit er ergens een haartje aan
uit een huidporie, is er ergens een streng DNA weer defect geraakt en verzinken
etensresten in de maagsoep. Ik voel
handen (die van mezelf) en ik verlang naar handen (die van een ander). Ik proef
de sedimenten van zout van het weggespoelde water, het ijzer van de gedronken
alcohol, het bittere aroma van de cocaïne en hoor de echo’s van Tyrs kleine
pootjes, de hakjes van Alessia en de stem van Azure.
Ik draai me ineen als een Mandelbrot-diagram. Mijn
allerkleinste vertegenwoordigt ook mijn allergrootste, mijn meest doortrapte
gedachte mijn meest verhevene en in die uitspiralende dialogen wist alles zich
tot een ruisbeeld. Waaraan zou ik nog moeten ontsnappen als de ultieme
ontsnapping niet eens mogelijk is? Ik ben met bed, dekens, kamer en muren en al
immers deel van alles en alles is helaas ook deel van mij. Dat ik daarover kan
denken is misschien nog de grootste kosmische grap van allemaal.
“Ja.”
Dit is maar een extract van het dertiende en laatste hoofdstuk van 'Constellatie', dat je vanaf 15 april digitaal kan kopen op Boekjeswebshop. Enkel Patreon-abonnees hebben toegang tot de volledige hoofdstukken en kunnen het boek later ook gratis krijgen.
