Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de verhalenafdeling daarvan. In 2016 bundelde en redigeerde ik (streng!) alle tot dan toe geschreven kortverhalen in de antologie 'Recombinant' en in 2023 bracht ik de novelle 'De keizer van Populië' uit - je kan beiden gratis downloaden als je Patron wordt. In 2020 verscheen mijn debuutroman 'Fragmentariërs'. In 2023 bracht ik de opvolger 'Constellatie' uit. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

donderdag 29 juni 2023

De keizer van Populië: Straf (IV)

De keizer van Populië, hoofdstuk 4 - Straf (IV)

IV. De avondstond heeft zaad in de mond


'HET ROZE BALLET', DISTRICT VOGELARIJE, 11:21PM, +3D

“Daar weet ik het antwoord op,” zei ik, ongemakkelijk, terwijl ik de data van Cain Ranzigbottens AI in me voelde stromen, “Poenie koopt zijn mest bij Dickens aan een goedkoop tarief en kan alleen zo een marge halen op zijn producten. Hij haat Geurt Dickens maar is ook afhankelijk van hem. Als zou uitkomen dat zijn commune producten gebruikt van één van de grootste historische vervuilers en uitbuiters van Populië-Econovina, is het gedaan met Welkom en zijn hele commune.”
“Dat is exact wat Stefanie zei,” zei Heinz Spritzmann, duidelijk verbaasd. Hij likte weer over zijn lippen: “Drinken jullie trouwens wat?”
“Water, graag,” zei De Paling. Ik schudde mijn hoofd.
“Voor mij een vodka-cola zonder ijs,” zei Spritzmann tot Kenny Poephaar, die prompt het vertrek verliet. Hij vertelde toen verder terwijl hij afwezig zijn kruis zat te kneden door zijn latexbroek. 
“Toen Poenie doorhad dat jullie Cabron San Tander terug gingen opzoeken, heeft Poenie zijn mensen uitgestuurd om San Tander te vermoorden. De Roze Coalitie ging akkoord. Om de Schijtende Vrienden een hak te zetten, wilden de kernleden het doen lijken alsof Verpist erachter zat. We wisten dat dat ook het einde ging betekenen van de Roze Coalitie in die vorm. Formeel werd ik nog tot districtsburgemeester verkozen omdat Chrystelle zich bleef uitgeven als minnares van Richard Verpist, Stephanie zich afzijdig hield, Vitellius zich in stand hield als een folkloristische idioot en Boert zijn persona bleef opvoeren als marginale klager.”
“Maar de Schijtende Vrienden sloegen toch al terug om hun visitekaartje af te leveren door de Villa Ramona plat te branden.”
“Exact. Je bent veel slimmer dan ik dacht, Bert,” monkelde Spritzmann. De deur van zijn kitscherige pornosalon ging open en niet Kenny verscheen, maar een vrouw van middelbare leeftijd in een zwart niemendalletje. Ze had duidelijk enorm grote borsten, maar haar gezicht en heupen verrieden naast haar vergevorderde middelbare leeftijd ook een enorme vermoeidheid. 
“Delly?” vroeg ik onwillekeurig. Ze keek me niet eens aan en ging recht op Spritzmann af.
“Van ‘Delly & De Drie Vogels’?” vroeg De Paling. Spritzmann knikte terwijl Delly voor hem neer knielde, zijn intussen harde, bleke lid uit zijn latexbroek viste en hem begon te pijpen.
“Let er maar niet op,” zei Spritzmann, “Als je bewijs wil dat de Schijtende Vrienden verantwoordelijk zijn voor de aanslag op Villa Ramona, ga je best spreken met Sam Hoogmeester. Nu, ik bedoel ‘spreken’. Best ransel je hem af tot hij halfdood is. Hij denkt dat niet meewerken stoer en mannelijk is.”
“Waarom zouden we dat moeten geloven?” vroeg ik, met mijn tanden op elkaar geklemd. Cain roerde zich weer. Kenny Poephaar kwam terug binnen met de drankjes, duidelijk niet verstoord door de scène van Delly van ‘Delly & De Drie Vogels’ die onenthousiast zijn baas aan het pijpen was. Zelfs de zompige geluiden van haar gepijp klonken routineus, alsof het ging om een eenvoudige kantoorjob.
De digitale geest van Cain Ranzigbotten in mij deed me giechelen, en onmiddellijk schaamde ik me daarin.
“Wat is er?” vroegen Spritzmann en De Paling tegelijk. Ranzigbotten had kennelijk altijd al gesympathiseerd met de misogyne ideeën van Hoogmeester, maar had hem tegelijk ook een ongelooflijke loser gevonden. Dat Spritzmann, een man die Ranzigbotten tegelijk had gehaat en bewonderd, nu Hoogmeester aanwees als bron van informatie, kietelde blijkbaar de grappige bits en bytes van de chip.
“Laat maar,” zei ik gesmoord, “Waarom Sam Hoogmeester? En lopen we opnieuw niet vooruit op wat er gebeurde na de aanslag op Villa Ramona?”
“Ja,” zei Spritzmann, die nog een slok nam van zijn drank en gebaarde naar Kenny Poephaar, die zonder verpinken een rietje uit zijn binnenzak haalde en een lijn coke opsnoof. Delly’s trieste gepijp werd trager.
“Eerst Ranzigbotten dan maar,” zuchtte Spritzmann. Ik voelde mijn vuisten zich ballen. De Paling legde een koele hand op mijn arm.
“Via Chrystelle wist ik dat Verpist en Froger Ranzigbotten al lang aan het bewerken waren om bij de Schijtende Vrienden te komen. Theofiel Duck oefende ook druk uit, voor zijn zogezegde onafhankelijke Vrije Democraten. Verpist en Froger kijken neer op Duck, die ze een onnozele hooligan en volksmenner vinden, maar zijn het in de praktijk 99% eens met al de onzin die die man debiteert. Ik weet niet wat er misliep, maar in elk geval werd de BaekelandtBak van Ranzigbotten gesaboteerd – en niet door ons.”
“Herinnert de chip zich nog iets van het ongeval?” vroeg De Paling mij. Intussen loste Spritzmann een kreun. Delly stopte even met haar werk en nam ook een lijntje cocaïne. Voor haar leken we niet te bestaan.
“Niet echt,” zei ik, met een ingespannen frons, “Er blijft een beeld naar boven komen van het logo van De Maakbare Mens op het dashboard, maar om de één of andere reden denk ik dat dat een verzinsel is. Van tot 24u daarvoor heeft de chip geen herinneringen van mij – van Ranzigbotten.”
Het was even stil terwijl Delly weer aan het werk toog. Heinz Spritzmann gebaarde gracieus naar de overgebleven lijntjes cocaïne en toen naar ons. De Paling schudde zijn hoofd.
“Misschien was het gewoon maar een ongeval, Heinz,” suggereerde Kenny Poephaar. Zijn baas keek sceptisch naar hem.
“Met alle respect, maar wie anders dan Stefanie Baekelandt zou een BaeklandtBak kunnen saboteren vanop afstand? De Schijtende Vrienden hebben voor zo ver ik weet geen kaas gegeten van cyberaanslagen, en de enige buiten Baekelandt die dat wel kon, was Ranzigbotten zelf.”
Een golf van pijn en emotie voer door mij lichaam en ik moest mijn hoofd vastgrijpen met beide handen. Ik begon zwaar te ademen en te zweten. Zowel Kenny Poephaar als De Paling roerden zich.
“Het… het gaat wel,” bracht ik uit, waarop ik naar het vieze tapis plein starend hakkelend en met weerzin zei: “Ik – Ranzigbotten – wilde dood. De, eh, de schulden… de schulden van zijn bedrijf waren zo hoog geworden dat zelfs een interventie van Froger, Verpist, Dickens en Baekelandt samen niks zou veranderen. Al… al die bedrijfjes. Al… die VZW’s en al die NV’s en BVBA’s… Dingen die jullie niet zouden geloven. Zomaar verdwenen… als sch-schuldaflossingen binnen belastingen.”
“Ofwel ben je een super-goede acteur, Bert, ofwel wilde Ranzigbotten inderdaad met zijn laatste acties de Roze Coalitie meesleuren in zijn val,” zei Heinz Spritzmann. De Paling was dingen aan het opzoeken.
“Er is inderdaad in de politiedatabank een dossier geopend rond openstaande schulden na de dood van Cain Ranzigbotten,” zei De Paling, “Ik praat morgen wel eens met een aantal collega’s.”
“Geurt Dickens dan,” ging De Paling verder, zijn pad opbergend.
“Dat was een poging van de mensen rond Poenie,” zei Spritzmann met een grimas, “Ze dachten dat het niet ging opvallen in het midden van al dat geweld en dat het Marc terug zou brengen tot de kern van de zaak van Welkom.”
Er was inderdaad een uitgebrande tractor gevonden in het voorportaal van Geurts villa, maar dat wilde nog niets zeggen. Alsof hij dat ook wist, knikte Spritzmann naar Kenny Poephaar, die een vettige USB-stick naar De Paling wierp: “De conversatie is daar op bewaard. Het kan zijn dat er ook nog wat porno op staat. Beschouw het als een teken van mijn vriendschap. Tussen haakjes, heel dat gedoe van “WIE IS JE VADER, GEURT?” dat in bloed op zijn muren geschreven is, is een onnozele complottheorie. Poenie gelooft dat de echte vader van Geurt eigenlijk Marlon Van Vettenberghe is, de vader van Boert.”
“Tussendoor: weten Stefanie, Boert en Poenie dat je met ons zit te praten?” vroeg ik, nog altijd misselijk van de golf van verwarrende emoties die vanuit de Ranzigbotten-chip door me vloeiden.
“Ja. Niet van harte, wel.”
“En dan even terug naar Sam Hoogmeester: hij was volgens jou betrokken bij de aanslag op de Villa Ramona? Waarom denk je dat?”
“Chrystelle vertelde me dat.”
“Zouden we dan niet best met Chrystelle praten?”
Spritzmann grimaste opnieuw: “Nee. Ze blijft undercover bij Verpist. Voor de Schijtende Vrienden is Sam Hoogmeester gewoon de volgende nuttige idioot.”
“Net zoals Marc Priem hun mol blijft bij jullie?” vroeg De Paling scherp.
“Poenie is slim genoeg om Marc zo weinig mogelijk te vertellen, zeker na wat er gebeurd is met consul Ter Linden, en omdat Priem niet bepaald subtiel is, kan je zeggen dat hij meer onze contra-mol is.”
Ik was niet echt overtuigd. Was het niet simpeler om gewoon Marc Priem te arresteren en nadien iedereen die betrokken was geweest bij deze vetberg van een complot vol idioten, onhandigheden en persoonlijke belangen? 
“Maar ja, sinds #MeToo mag je als man niets meer zeggen,” gulpte uit m’n mond.
“Ohh!”
De kreet kwam van Spritzmann maar was geen reactie op het gesprek. Hij was gedeeltelijk klaargekomen in Delly’s mond, maar omdat ze zich halverwege zijn orgasme had teruggetrokken, liepen nog wat vies gelig uitziende draden sperma langs haar kin naar beneden en op het tapis plein. Ik walgde van de aanblik, maar de digitale geest van Ranzigbotten vond het opwindend. Het verschil maakte me misselijk.
“We gaan naar Hoogmeester,” zei De Paling.

donderdag 22 juni 2023

De keizer van Populië: Straf (III)

De keizer van Populië, hoofdstuk 4 - Straf (III)

III. Half mens, half machine, volledig Haspelaer


DE KELDERS VAN CABRON SAN TANDER, DISTRICT VOGELARIJE, 10:24PM, +3D

De Paling zuchtte en keek me recht aan.
“Zelfs met de beste wil van de wereld ga ik aan uw conditie niets kunnen veranderen, tenzij ik u hier ter plekke dood. Wat ik niet ga doen, uiteraard.”
Ik zuchtte ook en keek naar de grond. Ik zat op een stenen tafel in de kelder van het verzegelde, smoezelige krot van wijlen Cabron San Tander. San Tander had deze tafel voor God wist welke reden gebruikt. Er liepen elektroden van mijn schedel naar allerlei apparaten die De Paling in de kelder had opgesteld.
“Maar zo kan ik toch niet aanblijven bij de politie, laat staan het onderzoek leiden?”
“Misschien. Maar als u de politie verlaat, tekent u uw eigen doodsvonnis.”
Mijn vreemde gewaarwordingen tijdens het gesprek met Satan waren nog sterker geworden toen ik bij De Paling in de auto was gestapt en die bijna de hele rit gezwegen had, tot ik eruit gegooid had dat ik ofwel schizofreen aan het worden was, ofwel dat Lief Anneke een chip in mijn hoofd had ingeplant die me probeerde te sturen. De Paling had me onmiddellijk een volgeschreven notebloc toegeworpen uit zijn binnenzak. Daarin legde hij in kleine blokletters uit dat hij te weten was gekomen dat Lief Anneke onder impuls van Rita Dorfs en Satan inderdaad een chip had ingeplant in mij met de gedigitaliseerde persoonlijkheid van Cain Ranzigbotten, de inhoud van de Pipipedia en me enkele experimentele cocktails had toegediend. De Paling had de voorbije dagen in vermomming rondgehangen aan en in het ziekenhuis, gepraat met personeel en kleine hoeveelheden documenten gestolen die dat bewezen. Zijn informatie was onvolledig, maar zijn hypothese was dat de chip me zou verhinderen om de waarheid uit te brengen over de Roze Coalitie en de moord op consul Ter Linden en dat bepaalde augmentaties er ook voor zouden zorgen dat ik “actiever” kon ingezet worden in de ordehandhaving van de toekomst die professor Dorfs en Satan voor ogen hadden. Die visie lag uiteraard stilzwijgend in lijn met de para-fascistische ideeën van consul Ultor-Onghenae.
“Is er een alternatief?” vroeg ik.
De Paling haalde zijn schouders op.
“Er zijn meerdere alternatieven.”
“Vertel.”
“Ik kan de waarheid uitbrengen over uw toestand. Maar dan ben ik binnen enkele uren of misschien dagen dood of gevangen gezet, en u ook – of erger. U kan vluchten naar het buitenland, maar al onze buurlanden hebben uitleveringsverdragen met Populië-Econovina. U kan direct de wapens opnemen tegen de Broekentoren, met wellicht hetzelfde gevolg als de eerste optie. U kan ook doen alsof u het onderzoek verderzet en intussen de staatsapparaten ondermijnen.”
“Maar hoe?”
“De chip van Cain Ranzigbotten duwt u naar een conclusie dat we het nooit echt gaan weten wie consul Ter Linden vermoordde, buiten een vaag-linkse groep, nee?”
Ik knikte.
“En momenteel is de Roze Coalitie fragiel en bang, denk ik. Bent u het eens met mij?”
Ik knikte opnieuw.
“Dat betekent dat we moeten praten met de overgebleven kern van de Coalitie: Heinz Spritzmann, Stefanie Baekelandt, Boert Van Vettenberghe, Poenie, Richard Molckx-Verpist en misschien Wanda Froger?”
“Niet Christa De Hete?”
“Die al in 10 jaar niet meer gezien is? Denkt u toch eens na, inspecteur.”
Ik voelde koude, oneigenlijke informatie binnenstromen in mijn geest en greep naar mijn slapen. Het was de stem van Cain Ranzigbotten die sprak.
“Christa is een alter ego van Baekelandt of Verpist.”
“Dat denk ik inderdaad ook.”
Ik wil naar de hoeren gaan.”
“Inspecteur?”
“Dat was de stem van Ranzigbotten,” zei ik, misselijk.
De Paling keek me aan en dacht na.
“Ik denk dat we eerst naar Spritzmann moeten.”
Ik herinnerde me zijn rokerige kantoor, bleke huid en de stuwende erectie in zijn latex-onderbroek.
“W- laat maar.”
Mijn verhoogde datacapaciteit vertelde me dat een pervert als Spritzmann wellicht vele geheimen kende en hoewel zijn profiel nu machtiger was dan ooit, hij ook vele vijanden had, misschien zelfs binnen de Roze Coalitie.

Een half uur later zaten we niet in het rokerige, enge kantoor van Heinz Spritzmann, maar zat de pornocraat in een badjas voor ons in een zwarte chesterfield-zetel in zijn living, die net onder de dansvloer van ‘Het roze ballet’ gebouwd was en een glazen plafond had, waardoor Spritzmann en zijn gasten ten allen tijde mogelijk ondergoed en genitaliën konden aanschouwen van de bezoekers. De dansvloer was nu leeg want de club was deze avond gesloten. De Paling en ik zaten in de zetel tegenover hem, met tussen ons in een glazen tafel waar duidelijk zichtbaar enkele lijntjes cocaïne onaangeroerd lagen. Spritzmann at een ijsje terwijl hij ons zo goed als onbewogen aanhoorde. Ik moest alles in het werk stellen hem niet ter plekke op zijn gezicht te timmeren en hem te arresteren voor druggebruik en voyeurisme en ik wist niet hoe veel dat het gevolg was van mijn persoonlijke walging voor Spritzmann of de directieven van professor Dorfs, Satan en Lief Anneke. Of een vorm van jaloezie van wijlen Ranzigbotten?
“Goed,” zei Spritzmann, toen de Paling uitverteld was, “eerst dit,” waarop hij een app activeerde en er enkele seconden later een deur open vloog en uit die deur Kenny Poephaar in een strakke pas naar buiten wandelde, gekleed in een butleruniform.
“Kenny Poephaar?” zei ik tot mijn eigen verbazing. Poephaar keek al even verbaasd naar me terug en hield zijn pas in: “Inspecteur?”
“Jullie kennen elkaar?” vroeg Spritzmann, geïntrigeerd, alvorens naar Poephaar te gebaren: “fouilleer de heren politiemannen, alsjeblieft.”
De Paling onderging de fouille zonder mopperen. Ik voelde bij mezelf terug weerstand.
“Ik heb de recorderfunctie op de chip van de inspecteur uitgeschakeld en al vervangen door opnames van het politiebureau, de refter en een avondje Warhammer 40K,” zei de Paling.
“Mijn excuses, inspecteur,” mompelde Poephaar. Hij betastte me niet al te hard. Heinz Spritzmann lachte.
Warhammer 40K? Je bent nog een grotere dork dan ik dacht, Bert.”
“Niks gevonden, Heinz,” concludeerde Kenny. Ik wilde Spritzmann terugbeledigen, maar hield me opnieuw in. Die gebaarde van zijn kant dat Poephaar mocht blijven en knikte. Hij legde het stokje van zijn nu opgegeten ijsje in de asbak en likte even over zijn iets te volle lippen voor hij begon te praten.
“Goed,” zei hij opnieuw, “ik ben blij dat jullie naar mij zijn gekomen. Laten we frank en vrij zijn tegen elkaar: het idee om een aanslag te plegen op één van de consuls ontstond inderdaad bij de Roze Coalitie, misschien zelfs in deze salon, terwijl Boert zich zat af te trekken terwijl ik zijn vrouw neukte.”
Hij lachte vuil om zijn eigen exploot, maar werd direct weer ernstiger: “Het probleem was dat we met een mol zaten. Meerdere mollen, zelfs. Het eerste plan was eigenlijk om Lucas ter Linden te chanteren met de Mr. naar de beeltenis van Delly. Wanda Froger had die ontworpen, wat Stefanie redelijk pissig maakte.”
Ik dacht aan hoe de Paling correct had geraden dat het ontwerp van de Mr. Delly plagiaat was geweest.
“U bedoelt Delly van ‘Delly & de Drie Vogels’?” vroeg de Paling.
“Ja, die. Dat was voordat ter Linden de eerste keer een uitnodiging had aanvaard om naar mijn club te komen. Dat hij kwam opdagen was überhaupt al een verrassing, en al helemaal toen bleek dat hij stiekem de herenliefde kwam opzoeken. Rond die tijd ontdekte Locatus – de klusjesman van Vitellius – dat ter Linden in het geheim zijn Mr. Priester neukte. Ik hoorde dan weer van Chrystelle dat Wanda Froger via via Cabron San Tander aan het bewerken was en suggereerde dat hij lid kon worden van de Schijtende Vrienden.”
“Wie was die via via?” vroeg ik, maar ik wist het antwoord eigenlijk zelf al.
“Marc Priem. Marc en Cabron spraken een plan af dat zo ontzettend dom was dat ik dacht dat het ging mislukken op het moment dat ze de echte Mr. Priester van ter Linden kapot gingen slaan en gingen vervangen door het, nu ja, maaksel van Cabron, maar ter Linden trapte erin. Marc en Cabron brachten de turbine naar de parking hier op die fatale nacht, en de fake Mr. Priester duwde ter Linden erin toen hij buiten stapte. Daarna hebben Marc en Cabron de turbine naar Geurt Dickens gebracht om te laten demonteren.”
“Wacht: Geurt Dickens zat ook in het complot?”
“Hij wilde de Grote Jan uithangen als altijd door als geldschieter op te treden. Ik had hem al gezegd dat het een slecht idee was, maar dat leek hem nog meer te overtuigen.”
“Dus Froger en Verpist waren de mollen in de Roze Coalitie?” vroeg ik, niet enorm onder de indruk, “Dat had je toch kunnen voorspellen op voorhand. Het zijn altijd fascisten gebleven.”
Heinz Spritzmann haalde zijn schouders op.
“We hadden zelf ook onze joker,” zei hij toen, “Vitellius had een broche laten maken met een recordertje in, dat als geschenk eerder aan Ter Linden was gegeven. We hoopten daar bezwarend materiaal mee op te nemen, los van dat enorm domme moordplan.”
“En waar is die broche nu?”
“In jullie labo’s, naar ik vermoed,” zei Spritzmann.
“De opnames zelf zijn vernietigd of verdwenen in de brand van de Villa Ramona,” zei De Paling. Spritzmann kreunde. Voor één keer leek het niet op een kreun van pervers plezier.
“Dan zijn we fucked. En niet op de goeie manier.”
“Met permissie, maar we zijn vooruit aan het lopen op de feiten,” zei De Paling koel, “Waarom beschermde Poenie Marc Priem? Poenie is een bio-boer die de greenwashing van Dickens haat en voor zo ver we weten geen affiniteit heeft met de Schijtende Vrienden.”

maandag 5 juni 2023

De keizer van Populië: Straf (II)

De keizer van Populië, hoofdstuk 4 - Straf (II)

II. Een ontbijt met Satan


SPECIAAL ZIEKENHUIS ANNEKE LIEVENS, HEGEGRAD, 9:01AM, +3D NA DE MOORD OP LUCAS TER LINDEN

De vogeltjes floten en de ochtend beloofde een zonnige dag. Toch voelde ik me beroerd. De fameuze “revitalisatie” die me door dokter Lievens was beloofd, had al twee dagen voor mist in mijn hoofd gezorgd, en al kon ik me soepel bewegen en had ik zo goed als geen lichamelijke klachten meer buiten nu en dan een kleine tic die wellicht door stress was veroorzaakt, het was alsof mijn gedachten steeds waren gehuld in een mist. Die mist was ’s ochtends vroeg en ’s avonds laat het sterkst. De speciale thee van dokter Lievens hielp me enigszins aan te sterken door de dag, maar ik werd elke ochtend wakker alsof ik onder een tram had gelegen, met prikkende koppijn.

De Paling was al elke middag op bezoek gekomen maar zei niet veel. In het nieuws waren, onder ook buitenlandse persbelangstelling, de staatsbegrafenissen geweest voor consul ter Linden en de vermoorde districtsburgemeesters San Tander, Vitellius en Ranzigbotten. Consul Ultor hield telkens kwade, grimmige toespraken. Close-ups van het pafferige gezicht van Geurt Dickens, die bij elke begrafenis dikke krokodillentranen weende. Bij elk van die uitvaarten en berichtgevingen daarover werd bijna als een soort gebed toegevoegd: “het onderzoek loopt nog”. Dat frustreerde me. Er liep helemaal niets meer. Het geweld was gelukkig weer gaan liggen. Heinz Spritzmann was helemaal volgens Vitellius’ voorspelling aangesteld als districtsburgemeester voor Vogelarije, en de immer afwezige Christa De Hete nam de taken van wijlen Cain Ranzigbotten waar. De waanzinnige debiel Socarus, die wonderwel de slachtpartij en de brand op de Villa Ramona overleefd had, was aangeduid als tijdelijke districtsburgemeester van Uytganck. Live-beelden toonden hem in een rolstoel, omzwachteld als een mummie, mompelend in zijn rare mix van de volkstaal en het Ramoons. Het Purperen Gewei was zwartgeblakerd vastgelijmd aan zijn pokdalige hoofd. Op Twatter waren er geruchten dat Uytganck uiteindelijk mogelijk zou toegevoegd worden aan Withaven of Welkom. Van de Spetskop was nog steeds geen spoor.

Maar ik hoopte dus nu meer te vernemen van mijn overste, hoofdinspecteur Satan, die me had uitgenodigd voor een ontbijt in de binnentuin van het Speciaal Ziekenhuis Anneke Lievens.

“Inspecteur Haspelaer,” begroette Satan mij formeel, toen hij op de tafel waar ik al zat, toe stapte. Hij stak zijn hand uit en ik nam die aan. Satan was begin de vijftig en had een ver teruglopende haarlijn. Hij droeg altijd een bril met de strengst mogelijke montuur en had vandaag een bleekblauw hemd aan boven een donkerbruine broek van velours. Hij was gladgeschoren.

“Hoofdinspecteur Satan,” knikte ik hem toe. Hij keek me onderzoekend aan en ging zitten.

“Hoe voelt u zich?”

“Fysiek helemaal in orde, alleen vrees ik dat deze omgeving me wat suf aan het maken is.”

Een verpleger kwam op een karretje het ontbijt brengen – rozijnenkoeken, koffie, thee en toast. Er was ook een pakketje boter bij. Satan monkelde bij mijn antwoord.

“Dokter Lievens heeft me verzekerd dat dat spoedig voorbij zal gaan. Hoe is het met uw geheugen?”

Ik keek verbaasd terug terwijl de verpleger koffie inschonk voor ons beiden.

“Ik zal ter zake komen: wanneer werd Janus Ultor-Onghenae voor het eerst tot consul gewijd?”

“16 maart 2002,” antwoordde ik direct. Satan knikte: “Wanneer werd de laatste renovatie van de Broekentoren afgerond?”

“7 november 2009.”

“Wat is het smeltpunt van wolfraam?”

“3.422 graden Celsius, bij een luchtdruk van één atmosfeer.”

“Hoe veel kost een BaekelandtBak gemiddeld op de tweedehandsmarkt?”

“€26,845, maar sinds het ongeluk van… eh, van… is de prijs sterk gedaald.”

Satan knikte gretig en ging door terwijl hij zijn rozijnenkoek opensneed en beboterde.

“Wie was de 17de president van de Verenigde Staten van Amerika?”

“Andrew Johnson.”

“Waarom wordt Algol soms ook de ‘Demonenster’ genoemd?”

“Omdat de naam komt van de Arabische uitdrukking ra’s al-ghoul, dat zo veel betekent als ‘het hoofd van de demon’.”

Satan nam een slok koffie: “Hoe oud is Heinz Spritzmann?”

“36 jaar en 111 dagen.”

“Wie is de bekendste filosoof van Populië-Econovina?”

“Martine Poederdrie.”

Ik zat nu hevig te zweten en Satan zweeg. Hij glimlachte triomfantelijk terwijl ik met natte handpalmen de tafel vastgreep.

“Heel goed, inspecteur. Heel goed. De revitalisatie verricht wonderen met uw geheugen.”

“H-hoe?”

“De wonderen van de wetenschap, denk ik,” zei Satan, die nog een slok koffie nam, “en in elk geval kan u morgen weer uw onderzoek hervatten. We hebben het onderzoek uitgebreid, trouwens.”

Ik haalde diep adem en voelde ver weg in mijn achterhoofd een andere stem – of was het mijn eigen stem, die ik al dagen leek vergeten te zijn?

“We geloven namelijk heel sterk,” vervolgde Satan, alsof hij mijn ongemak niet had gemerkt, “dat de moorden op consul ter Linden en de districtsburgemeesters San Tander, Vitellius en Ranzigbotten, evenals de mislukte aanslag op districtsburgemeester Dickens, allemaal het werk zijn van hetzelfde complot. Ik weet dat u op het spoor zat van de zogenaamde Roze Coalitie, maar die hebben we zo goed als verlaten. De verkiezing van Heinz Spritzmann als vervanger van Cabron San Tander was hun laatste ereronde en het district Uytganck zal afgeschaft worden. Ik ben het eens met uw conclusies dat de moord op San Tander al te geënsceneerd leek om de schuld te zijn van districtsburgemeester Molckx-Verpist, en de piste van de nagemaakte Mr. Priester leek bewust geklungel om districtsburgemeester Ranzigbotten in een slecht daglicht te stellen.”

Telkens als ik Ranzigbottens naam hoorde, wrong er iets in mij, maar ik wist niet wat.

“Ik… met alle respect,” zei ik, “ik heb nergens geconcludeerd dat districtsburgemeester Molckx-Verpist niet betrokken was geweest bij de moord op San Tander. Alleen dat het orgie aan bewijs wellicht vervalst was.”

“Uw rapport zegt nochtans iets anders,” zei Satan, en daarbij schoof hij me een dun mapje over tafel met een grijze cover. Ik nam het aan met zwetende vingertoppen en opende het. Inderdaad stond zwart op wit wat Satan mij zonet had gezegd, ondertekend met mijn handtekening en mijn biometrische print. Ik zweeg.

Satan at een stuk van zijn rozijnenkoek en keek de hemel in, naar de vierkante muren van Ziekenhuis Anneke Lievens die de binnentuin omgaven. Als was de binnentuin een gigantisch compluvium. Voordat ik ervan schrok hoe helder ik wist wat dat was, dacht ik aan de geweerschoten en de rookontwikkeling in de Villa Romana de avond van de raid op Vitellius en zijn getrouwen. Vitellius zelf had misschien wel boter op het hoofd (en elders) gehad, zijn disgenoten hadden toch zo’n gruwelijke dood niet verdiend? Of die sul van een San Tander? En de allerergste van de doelwitten, die kleptocraat van een Geurt Dickens, die bij wijze van spreken zijn eigen scheten verkocht als groene stroom maar zijn rijkdom had van eeuwenlange vervuiling en uitbuiting, die was de dans natuurlijk ontsprongen.

“Heeft u geen honger, inspecteur?” vroeg Satan belangstellend.

“Het is gewoon nogal een schok, allemaal,” zei ik. Satan knikte gemoedelijk.

“Daar heb ik alle begrip voor.”

Ik probeerde voorzichtig te nippen van de thee, uiteraard weer de speciale thee van dokter Lievens zelf.

“Word ik dan vandaag ontslagen uit het ziekenhuis?” vroeg ik toen.

“Ja. Na dit ontbijt zelfs, maar u moet eerst nog even op exit-interview bij dokter Lievens. Ze is op u gesteld geraakt.”

Vreemd genoeg kon ik me geen enkel lang gesprek herinneren tussen mezelf en Lief Anneke, en voelde ik me eerder ambigu over haar schemerige aanwezigheid en haar wee taalgebruik, dat steeds leek over te hellen naar praatjes over kristallen en wichelroedes, maar toch nooit op dat punt kwamen. Het was meer een soort vibratie, om het in haar termen te zeggen.

“Zijn er in mijn afwezigheid nog mensen ondervraagd?” vroeg ik toen. 

“Nee. Enkel die zonderlinge Socarus bood zich aan bij uw assistent, adjudant Paelinck, maar we hebben meneer Socarus jammer genoeg waanzinnig moeten laten verklaren.”

“Hij is toch benoemd tot waarnemend districtsburgemeester?”

“U zou toch geen man met een mentale beperking willen discrimineren?” monkelde Satan, “En trouwens, het is een ceremoniële en tijdelijke functie terwijl meneer Poenie en mevrouw Froger bestuderen hoe ze best de bevolking van Uytganck kunnen helpen.”

Helpen? dacht ik, niet zeker met welke stem. Poenie en Froger willen 300% zeker zijn dat er zelfs geen byte meer over blijft van de opnames op het kantoor van consul ter Linden. 

Hij nam nog een slok koffie en stond op.

“Betere tijden breken weer aan, inspecteur Haspelaer,” concludeerde Satan, die me weer zijn hand aanbood. Ik nam ze aan en verbaasde me erover hoe zijn eens stevige handdruk nu een soort pariteit had verkregen met de mijne. Beeldde ik me dit in?

“Aan de uitgang wacht adjudant Paelinck overigens op u,” zei Satan nog terwijl hij weg stapte, “aan hem hebt u een uitzonderlijk loyale ondergeschikte, inspecteur. Die man is goud waard.”

maandag 22 mei 2023

De keizer van Populië: Straf (I)

De keizer van Populië, hoofdstuk 4 - Straf (I)

I. Lief Anneke


SPECIAAL ZIEKENHUIS ANNEKE LIEVENS, HEGEGRAD, 8:13PM

Mijn ziekenhuiskamer was momenteel wellicht één van de rustigste plaatsen in heel Populië-Econovina. Hoewel ik buiten een kwalijke hoest en wat roetvlekken ongedeerd was, moest ik op bevel van hoofdinspecteur Satan minstens één nacht verblijven in het Speciaal Ziekenhuis Anneke Lievens “om zeker te zijn”. Buiten aan de deur stonden twee gewapende agenten en binnen bij mij zat De Paling, zoals gewoonlijk in één van zijn legendarische coltruien en met een gezicht dat zo weinig emotie verried dat het wel van plasticine gemaakt leek. Toch was ik blij dat De Paling bij mij was.

Villa Romana was afgebrand tot op haar – scheve – fundamenten. Mijn getuigenis zat al in het dossier. Over de raid op de Villa, het korte vuurgevecht, de stroomonderbreking en de zich daaropvolgende razendsnel ontwikkelende brand. Gaius Vitellius was niet de enige districtsburgemeester waarop een aanslag gepleegd was. De zelfrijdende BaekelandtBak van Caïn Ranzigbotten was volgens ooggetuigen “plots” een open riool in gereden op de grens met Vogelarije en de excentrieke tech-mogul, digitale volksmenner en eigenaar van Twatter was verdronken in de fecale smurrie. Daardoor waren ook alle sociale media tijdelijk offline gegaan, omdat de man blijkbaar een ‘dead man’s switch’ had verborgen in zijn Geegle Glass. Een aanslag op Geurt Dickens was mislukt. Hij had zich nog net kunnen verschansen in zijn paniekkamer, maar zijn harem was vermoord en op de muren van zijn zwembad was in hun bloed “WIE IS JE VADER, GEURT?” geklad. Districtsburgemeester Sam Hoogmeester had beweerd aangevallen te worden in zijn beruchte Mannengrotten door “hordes feministen”, maar dat bleek algauw in scène gezet en de “feministen” waren marginale oproerkraaiers uit de hordes van Theofiel Duck met slechte pruiken op.

Omdat zowat alle politie-eenheden nu ofwel de nog levende districtsburgemeesters bewaakten ofwel deelonderzoeken uitvoerden en ik onvrijwillig buiten strijd zou zijn tot morgenochtend, was ik “tijdelijk” van het dossier gehaald.

Ik had alles verteld aan De Paling wat Vitellius aan mij had verteld voor zijn dood. Hij had onbewogen mijn relaas aangehoord. Nadat ik uitverteld was, onderbroken door meerdere hoestbuien, knikte hij en haalde hij een tablet-pc boven.

“Ik ben gaan praten met Delly,” zei hij.

“Delly van Delly & De Drie Vogels?”

“Ja, Delly van Delly & De Drie Vogels,” bevestigde De Paling, “omdat er iets niet klopte met dat aspect van het verhaal. Het onderzoek insinueert dat Lucas Ter Linden in het geheim seks had met mannen. Froger, Dickens en Spritzmann zagen Ter Linden allemaal in ‘Het roze ballet’ naar een darkroom gaan, en zijn Mr. Priester werd kennelijk niet enkel gebruikt om de mis op te dragen. Ter Lindens echtgenote is al jaren vervreemd van hem. En dan duikt die blauwdruk op voor een seksrobot gebaseerd op Delly van Delly & De Drie Vogels.”

“Ter Linden kon toch ook biseksueel zijn?”

“Dat dacht ik eerst ook, maar toen dacht ik aan de korzelige reactie van Stefanie Baekelandt op de blauwdruk van Delly. Stefanie was niet nijdig omdat we een geheim ontdekt hadden. Ze was nijdig omdat het ontwerp plagiaat was.”

De Paling toonde nog eens de blauwdruk en wees op enkele inconsistenties.

“Als het inderdaad plagiaat is, wie heeft het dan gemaakt? Er is toch geen wetenschapper zo goed in robotica als Baekelandt?”

“Dat hoeft ook niet. Je kan meerdere mensen tegelijk laten bijdragen en een beetje hulp krijgen van AI-toepassingen als je wil. En wie van de districtsburgemeesters heeft een grote poel aan online talent en brengt AI-apps uit?”

“Cain Ranzigbotten.”

“Maar waarom dan een Mr. willen maken van Delly, of suggereren dat Ter Linden er één wilde bestellen?” vroeg ik me luidop af.

Ik voelde me alsof mijn geest uit mij was gevaren. Dit ging over zo veel meer dan de moord op Lucas ter Linden. De Paling haalde zijn schouders op.

“Delly wist het ook niet. Ze zei enkel dat Roodborstje een keer had gesuggereerd om op te treden voor de consul toen ze op bezoek was bij haar en Van Vettenberghe. Ranzigbotten was daar ook aanwezig en had apart een meeting met Van Vettenberghe, volgens Delly voor een gezondheids- en voedselleveringsapp.”

“Dan niet zo slim om nog in een BaekelandtBak te rijden, als Ranzigbotten ergens Baekelandt probeerde in diskrediet te brengen,” zei ik. Ik keek weer uit het venster. Vanaf hier leek alles kalm maar ook donker door de avondklok die was ingevoerd.

“Ranzigbotten was ook niet het genie die hij beweerde te zijn op Twatter,” zei De Paling zuinig. Het was een tel stil.

“En wat doet Ultor?”

“Die zit hoog in zijn Broekentoren en roept morgenochtend een uitgestelde speciale sessie samen van de Staten-Generaal onder grote militaire bescherming. Men vermoedt dat hij gaat proberen de noodtoestand af te kondigen en zichzelf ‘tijdelijk’ dictator zal laten maken. Zijn medeconsul is dood en minder dan 24 uur later worden drie districtsburgemeesters vermoord en hebben we een mislukte poging op één andere.”

“Wist Geurt iets te zeggen over wie hem aanviel?”

“Mannen in het zwart met maskers. Sommigen hadden een Luxemburgs accent. Ze vluchtten al vrij snel. Een team ter plekke onderzoekt zijn paleis en kantoor. Geurt zelf wees niemand met de vinger maar vroeg om toch Heinz Spritzmann wat dichterbij in de gaten te houden.”

“Zou de Spetskop betrokken zijn?”

“Dat zou wel heel snel zijn. In elk geval: het lab is ook nog bezig de restanten van de namaak-Mr. Priester die we bij San Tander hebben gevonden te onderzoeken en daarvan verwacht ik morgen resultaten. De kans lijkt me reëel dat die ook door één van Ranzigbottens AI-aangedreven teams van vrijwilligers is gemaakt.”

De Paling keek op zijn horloge: “Ik moet eigenlijk weg, inspecteur. Met uw permissie?”

Ik knikte. Hij knikte mij terug toe en borg zijn spullen op. Geruisloos verliet hij mijn ziekenhuiskamer. Ik sukkelde in een droomloze slaap en ontwaakte enkele uren later bij het beeld van twee mensen die aan mijn bed stonden. De ene persoon was professor Rita Dorfs, die me als een lijkbidder aankeek, met haar dunne, grijsbruine haar dat delen van haar schedel toonde en zo nog meer op een doodskop leek, en haar eveneens bruine, diepe wallen onder haar ogen. Ze was gekleed in een donkergrijs, wollen pak als van een pastoor. Naast haar stond Anneke Lievens, die haar naam aan het ziekenhuis had gegeven. Lievens was een dame van in de vijftig met vettig zwart haar in een pony en ze droeg diverse new age-sieraden op een wijd vallende jurk van zwart fluweel.

“Inspecteur,” groette professor Dorfs mij.

“Professor Dorfs?” vroeg ik. Mijn stem voelde als schuurpapier.

“Ik kwam even persoonlijk kijken hoe het met u ging. U was er bijna geweest.”

“Ik heb geluk gehad.”

“Uw bescheidenheid siert u,” vond professor Dorfs, “net als uw werkethiek. Uw baan vereist van u dat u mogelijk uw leven kan geven voor de veiligheid van Populië-Econovina, en u heeft niet geaarzeld om die plicht uit te voeren. Verschillen van mening en levenskeuze mag, maar velen zouden in uw plaats niet hetzelfde hebben gedaan.”

“De professor betaalt voor uw revitalisatie,” zei Anneke Lievens met een weeïge glimlach.

“Bedoelt u niet mijn revalidatie?”

“Nee, nee,” zei ze zachtjes, hoofdschuddend, “uw revitalisatie. Uw pad terug naar wat meer geluk en comfort.”

Rita Dorfs keek me aan met haar hand tegen haar kin, alsof ik een studieobject was.

“Dokter Lievens biedt naast de zorg in haar ziekenhuis ook een pad aan in positieve geneeskunde,” vertelde ze, “Zieken en gewonden moeten natuurlijk altijd op zorg kunnen rekenen, maar ook wie gezond is, moet de keuze kunnen krijgen om meer levenskwaliteit te genieten. Zeker op basis van verdienste.”

“Wat houdt zo’n revitalisatie allemaal in?” vroeg ik, nu op mijn hoede. Professor Dorfs leek mijn argwaan door te hebben en glimlachte nu zelf.

“Maakt u zich geen zorgen, inspecteur. Dokter Lievens zal u hier niet langer houden dan nodig en dit is geen vreemde manier om u van uw werk te houden eens u ontslagen wordt uit het ziekenhuis. Waarom zou ik dat ook doen? De moord op consul Ter Linden moet immers nog opgehelderd worden, en zeker nu hebben we alle capabele mensen nodig die we kunnen gebruiken om deze zeg maar dionysische uitbraak van politiek geweld tegen te gaan. Vergeef me de ongelukkige metafoor in het licht van waar u aan bent ontsnapt, maar als we moeten geven aan Caesar wat aan Caesar toekomt, geldt dan niet hetzelfde voor Brutus?”

Ik was met verstomming geslagen, te meer omdat ik er geen snars van begreep.

“Alleszins,” zei dokter Lievens, die schijnbaar uit het niets een klein dienblad tevoorschijn toverde waarop een dampende kop thee stond die heerlijk rook, “kunnen we beginnen met een verse perenthee.”

“Thee is nooit een slecht begin van iets,” monkelde professor Dorfs minzaam. Ze glimlachte naar dokter Lievens alsof hij zonet iets oneindig wijs had gezegd, groette mij en vertrok op knerpende, lederen schoenen. Dokter Lievens zette het dienblaadje met thee op mijn nachtkastje en haalde vanonder haar me nu bijna interdimensionaal lijkende fluweelzwarte jurk een clipboard.

“Als u het goed vindt, zou ik u ook enkele vragen willen stellen over uw medische voorgeschiedenis.”

Ik knikte verbouwereerd.

“Dank u, inspecteur,” zei ze, waarop ze een beringde vinger bovenaan haar clipboard hield: “Eerste vraag: welke vaccins hebt u ooit allemaal gekregen?”


woensdag 10 mei 2023

De keizer van Populië: Misdaad (IV)

De keizer van Populië, hoofdstuk 3 - Misdaad (IV)

IV. De bonen van Vitellius


VILLA RAMONA, UYTGANCK, 7:02PM

Vitellius liet zich niet vermurwen en wilde niet verder praten vooraleer hij het avondeten zou laten opdienen. “Een heer is aan zijn dignitas verplicht om eerst te eten,” had hij gezegd, vooraleer me door Locatus te laten begeleiden naar de grote eetkamer, vanwaar eerder de geluiden waren gekomen door de muren terwijl ik had gesproken met Vitellius. Ik besloot dat ik nog een uur kon wachten tot Vitellius gedineerd had en dat het de moeite niet was om eerst nog terug te rijden naar het hoofdkantoor in Hegegrad, maar om onpartijdig te blijven zou ik geen kruimel mee-eten en geen druppel meedrinken.

In de eetzaal, de centrale kamer van de Villa Ramona, was het creatuur dat Socarus genoemd werd, bezig om schalen, kruiken en borden op de vierkante, lage bankettafels aan het zetten, die allemaal een laag smoezelig papier hadden gekregen. Tegen de muren stonden lelijke standbeelden van papier-maché. Diverse andere bewoners lagen al in de verstelde zetels in hun toga’s fruit te eten en dronken wijn uit plastic bekers. Ze leken niet echt aandacht aan mij te besteden.

“Zij weten van niets,” zei Locatus naast mij, terwijl hij me een bank aanwees in een hoek, en daar ook op ging liggen, met zijn voeten naar mij gericht. Hij trok een blik bier open en dronk. Ik knikte. Onder de aanwezigen herkende ik een ex-professor die indertijd het startschot had gegeven voor de ‘Ramoonse revival’, een zekere Bradius, die had moeten opstappen omwille van een affaire met een studente. Zij waren nu nog steeds getrouwd en zijn veel jongere vrouw zat naast hem op een bijzetstoeltje. Ze keuvelden in vloeiend Ramoons met andere figuren, waarvan er één een wolfskop droeg en een andere een revolver bij zich had. Nog verderop zat een gul lachende dame die een zuster van Boert Van Vettenberghe had kunnen zijn, en een oude man in een meer Gruks aandoende outfit, met erg lange vieze tenen die uit zijn versleten sandalen staken.

“Als het al waar is, wat u en Vitellius beweren, meneer Locatus,” zei ik. Locatus grimaste en nam nog een grote gulp bier. Socarus kroop op handen en voeten over de mozaïekvloer (ook vinyl) en zijn adem raspte. Ik trok een bedenkelijk gezicht.

“Socarus is een raar geval,” gaf Locatus toe toen hij mijn blik zag, “Hij is een fanatieke aanbidder van de Oude Goden en meldde zich 6 jaar geleden als slaaf aan bij ons. We probeerden hem dat uit zijn hoofd te praten maar hij stond erop. Bovendien gedroegen slaven bij de Ramonen zich nooit op die manier.”

“Slavernij is illegaal, ook.”

“Dat ook,” zei Locatus, waarop hij luid boerde en een sigaret opstak, “hij is in loondienst bij ons.”

Ik had het gevoel dat ik in een soort gekkenhuis was beland. Socarus was naar mij toe gegleden en keek mij hoopvol aan: “Domine mi velitne bibere vino vel birum?”

“Wat?”

“Of u wijn of bier wil drinken,” zei Locatus, waarop hij zich tot Socarus richtte en zijn Ramoons verbeterde: “Est ‘vinum’ et ‘siceram’.” Socarus grimaste en bood zich aan om zich te laten tuchtigen, maar Locatus weerde dat af met een handgebaar.

“Ik hoef niets, dank u.”

“Je zou denken dat hij opzettelijk fouten maakt,” grijnsde Locatus. Socarus kroop weer weg naar wat vermoedelijk de keuken was waar Vitellius zelf aan het werk was.

“Wat hadden jullie gehoopt te bereiken?” vroeg ik toen, stil genoeg dat enkel Locatus het kon horen, “dat één van jullie zogezegde Roze Coalitie het consulschap zou overnemen?”

“Dat de stellingen op scherp zouden staan zonder de zogezegd gematigde Ter Linden. Chaos creëren. Froger had ons geld beloofd om de Villa Ramona te laten opknappen en Ranzigbotten ging eindelijk een versie maken van Twatter in het Ramoons. Maar Froger liet ons direct vallen als een steen en Ranzigbotten zegt nu dat hij “geen tijd” heeft voor ons. Ik geef u op een papyrusje dat wij ook op de lijst staan van mensen die moeten verdwijnen, net als Cabron San Tander.”

“Wisten de anderen dat jullie opnames hadden van de gesprekken van Ter Linden en Ultor?”

Locatus haalde zijn schouders op en krabde in zijn stoppelbaard. Intussen waren nog bewoners gearriveerd: een nerveus, sprieterig vrouwtje van tegen de 40, een dandy met wallen onder zijn ogen en ingenaaide badges van Britse rockbands in zijn toga, en drie vrouwen die duidelijk zusters waren en onder elkaar luid lachten om een Ramoonse mop.

“Ranzigbotten en Baekelandt weten alles. Het zou me niet verbazen als hier ook ergens apparatuur was om ons af te luisteren, of dat één van onze medebewoners in het geheim spioneert voor Geurt Dickens of voor Verpist.”

De gelatenheid waarmee Locatus dit zei vond ik schokkender dan wat hij precies zei. Voor ik nog een vraag kon stellen, kwam Vitellius, voorafgegaan door een schor schreeuwende Socarus, de eetkamer binnen met een grote schotel, meer dan mansbreed, hoog opgetast met een stomende, groene en brokkelige pureepap.

“Fabae! Fabae omnibus!” riep Vitellius, en zijn gasten juichten.

“Wat mag dat zijn?” vroeg ik verbaasd aan Locatus.

“Bonen op Vitellius’ wijze, natuurlijk,” zei Locatus verlekkerd. Terwijl Vitellius rondging en bij éénieder een grote kwak bonenpap in de eetschotels mikte, volgde Socarus hem met de wijn. Twee amforen zaten op zijn kromme rug gebonden alsof het zuurstofflessen waren van een duikpak. De bitterzoete geur van bonen walmde door het vertrek. Ik hoopte dat de toiletten van de Villa Ramona voorzien waren op de ravage die Vitellius hier zou aanrichten bij zijn gasten. Iedereen leek echter in vrolijke vervoering.

Als laatste, met de serene minzaamheid van een grote vorst, liet Vitellius brokken dikke bonenpap in Locatus’ schotel terechtkomen, waarop hij de enorme pollepel ook op mij richtte.

“Bent u zeker, praetor Haspelaer?”

“Echt. Dank u.”

Vitellius zette de dampende ketel neer en nam in zijn eigen eenpersoonsbank plaats. Hij hield een doorzichtige plastic drinkbeker hoog die Socarus zonet had bijgevuld.

“Di omnes ament! Nunc edemus!”

“Edemus!” antwoordden de gasten enthousiast, en als uitgehongerd vielen ze aan op de bonen. Er werd geschrokt, geschransd en gebrast dat het een lieve lust was. Ik keek op m’n telefoon. Op de politie-app was er een rode notificatie verschenen en ik voelde een klomp in mijn maag ontstaan, al kon dat ook aan de weeïge bonendamp liggen in de eetzaal. Ik tikte het bericht aan: “DE SPETSKOP ONTSNAPT. DETAILS VOLGEN.” De Spetskop was een notoire psychopathische huurmoordenaar die indertijd was geklist door hoofdinspecteur Satan zelf en zijn definitieve proces afwachtte in de zwaarbewaakte gevangenis van De Nieuwe Wankeling. Ik probeerde dit sensationele nieuws niet te verbinden met de moorden op consul Ter Linden en districtsburgemeester San Tander, noch met de complottheorieën die Vitellius en Locatus me hadden geserveerd, maar het ging niet. 

In een opwelling stond ik op, excuseerde ik me bij Locatus en Vitellius, en ging ik de gang op met m’n telefoon. Ik belde De Paling. Die nam bijna onmiddellijk op.

“Inspecteur?”

“Sorry als ik stoor, het is avond.”

“Nee inspecteur, u stoort niet,” zei hij formeel, “u hebt vast ook de rode notificatie gekregen.”

“Inderdaad,” zei ik, opgelucht dat mijn trouwe Paling alert was als altijd.

“Waar bent u nu? Nog altijd bij Vitellius?”

“Ja, hij beweerde dat hij grote onthullingen had, en bewijzen ervoor, die eigenlijk oplijnen met jouw theorie. Maar momenteel is het avondmaal hier gaande in de Villa Ramona, en hij wilde enkel verder praten na de maaltijd. De ontsnapping van de Spetskop stoort me, zeker nu. Hoe zit het met de beveiliging van de districtsburgemeesters?”

“Daar had ik al aan gedacht,” antwoordde De Paling, “en momenteel zijn de eenheden die we kunnen sparen onderweg naar de meeste districtsburgemeesters die ik kon lokaliseren, maar –”

En toen viel hij weg en gingen de fake toortsen aan de muren uit. Ook mijn telefoonverbinding was abrupt uitgevallen. Uit de eetzaal klonken kreten van verbazing. Per ongeluk liet ik mijn telefoon vallen en ik vloekte. Toen ik hem weer vond op de vloer en de toortsfunctie aanzette – er zat gelukkig geen barst in het scherm, hoorde ik een enorme knal, gekrijs en toen nog enkele knallen. Geweerschoten. Ik maakte me klein tegen de muur en zocht naar mijn dienstwapen. De adrenaline gierde door mijn lichaam. Nog een knal terwijl ik voorzichtig de deur opende op een kier. De walm van de bonenpap en kruit sloeg me in het gezicht. Er kwam zwak licht uit de keuken dat snel verdween, samen met haastige voetstappen en gefluister van een hoge stem. Er weerklonk uit het duister gekreun en ik hoorde iemand zwaar ademen. Verderop, uit de richting van de keuken of een kamer die er aan grensde, klonk een nieuwe knal, maar dit keer geen geweerschot. Een bom? Een gloed rees op en werd feller. Direct werd ik een brandgeur gewaar. Ik zag ook de contouren van enkele tafelgasten, zwaargewond of dood, en vlak bij me lag onmiskenbaar het lijk van Vitellius zelf, in elkaar gezakt als een mislukte slagroomtaart. Voor hem lagen Locatus en Socarus, die hun heer met hun laatste snik hadden willen beschermen. Socarus’ ogen waren wijd opengesperd en hij zag er dood nog waanzinniger uit dan levend. Locatus had zijn handwapen nog vast. Ik moest maken dat ik weg kwam.

vrijdag 5 mei 2023

De keizer van Populië: Misdaad (III)

De keizer van Populië, hoofdstuk 3 - Misdaad (III)


III. Hoe schoon toch de wereld, het purperen gewei


VILLA RAMONA, UYTGANCK, 6:06PM


Het was moeilijk om mijn gedachten bij het heden te houden terwijl ik een lang tuinpad op wandelde naar de Villa Ramona, het alleenstaande en diep liggende huis van Gaius Vitellius – geboren als Gert Vijtinck – de districtsburgemeester van Uytganck. De reden voor mijn gebrek aan concentratie was dat de recherche een uur geleden in Cabron San Tanders verkrotte rijhuisje een geheime, smoezelige kelder had ontdekt waarin de Mr. Priester was gevonden die vrijwel zeker Lucas Ter Linden had begeleid op zijn laatste avond. De Mr. Priester was een Frankenstein-achtig amalgaam van andere kapotte Mr.’s en had geen serienummer en geen tracker. De ‘FrankenMr.’ was onderweg naar het labo en De Paling had de andere ploeg die nog op de Plastifische Oceaan was bevolen om op zoek te gaan naar kapotte Mr. Priesters die bepaalde onderdelen misten.
‘Villa Ramona’ was een grootse naam voor een potsierlijke, schots en scheef gebouwde imitatie van een klassieke Ramoonse villa. De zuilen stonden ongelijk, de dakpannen zagen eruit alsof ze willekeurig over het dakgebinte uitgestort waren vanaf vier meter hoogte de tuin stond vol onregelmatige, woeste bonen en moerassige plasjes die vijvertjes moesten voorstellen. Ik moest denken aan het erf van Poenie in Welkom, maar Poenie’s erf was tenminste functioneel – er zat geen baksteen te veel in, en zelfs de vuiligheid waarin de kinderen speelden had een doel. Dit leek gewoon op een uit de hand gelopen hobbyproject.
Gaius Vitellius liet zich graag aanspreken met “tribuun” en was in de media meestal als een goedlachs fait divers aanwezig. Ik was hier op zijn eigen expliciete uitnodiging, ofschoon hij al op mijn lijst had gestaan om te ondervragen. Een goed teken vond ik dat niet, zeker na wat er nauwelijks een dag na de moord op Ter Linden allemaal al naar boven was gekomen.
“Inspectorus Haspalaerus!” hoorde ik een grafstem zeggen. Uit een luik in de enorme voordeuren (ongeveer 5 meter hoog bij 3 meter breed) kwam een creatuur gekropen met een vettige bril, kwijlend en in een ongewassen toga. 
“Wat?”
“Beneventus es, inspectorus!” kraste de man, die als een slang uit het luik gleed en zijn tocht voortzette op handen en voeten. Voorbij de deur hoorde ik een kom vallen, een stem vloeken en met een schok gingen de grote deuren helemaal open.
“Socare, vade retro, amice mi. Tuum Ramonum vere, vere emendare debes."
Het was Gaius Vitellius die sprak. Hij kwam naar buiten en stapte over de vreemde dienaar heen, die zich rond de voeten van zijn meester probeerde te werpen. Vitellius zelf droeg een klassiek paars gewei, zoals de Ramoonse keizers van weleer.
“Sorry! Sorry! Ik doe mijn best. Ramoons is erg moeilijk, meester!”
Gaius Vitellius zuchtte gelaten. De man die hij had bestempeld als ‘Socarus’ kroop terug naar binnen, in zichzelf een soort macaroni-Ramoons mompelend.
“Mijn excuses, inspecteur,” zei Vitellius, terwijl hij mij een hand gaf, “Socarus doet erg zijn best en hij heeft de spirit, maar er is werk aan.”
Gaius Vitellius was, om het ongenadig te zeggen, een ongelooflijke dikzak. Maar in tegenstelling tot Boert Van Vettenberghe droeg hij zijn zware gestalte met een onvermoede waardigheid, en sprak uit zijn bewegingen een actieve vitaliteit. Hij had een bemoedigende glimlach, droeg een keurige blonde baard en eveneens keurig blond haar. Aan zijn handen had hij glimmende Ramoonse ringen, en hij ging gekleed in een hagelwitte toga met een purperen zoom, ook al kon ik zien dat de toga oorspronkelijk een beddenlaken geweest was.
Terwijl Socarus voor ons uit gleed, de deur in en dan een belendend vertrek naar binnen, in zichzelf een rare mix van Ramoons en Nederlands mompelend, legde Gaius Vitellius broederlijk een dikke arm om mijn schouder en maakte met zijn vrije arm een weids gebaar naar zijn inkomhal toe, die we spoedig betraden. De vloer zag er uit als marmer maar was duidelijk vinyl, en een centraal beeld van een Ramoonse godheid, mogelijk Zaturnus, zag eruit alsof het in een IKEA-winkel gekocht was. De trap was een decorstuk uit een amateurtheater en de overloop zag eruit alsof Gaius Vitellius er zelf al te vaak had over gewandeld. Diverse oneffen deurbogen en deuren leidden naar diverse vertrekken.
“Nogmaals welkom in dit kleine stukje Tuin der Lusten, deze laatste buitenpost van het Ramoonse Rijk, inspecteur!” zei Vitellius gloedvol.
“Dank u, meneer Vitellius,” zei ik schaapachtig. Ik hoorde achter een gesloten deur Socarus raaskallen en dan iemand anders naar hem roepen.
“Noem me gerust Gaius,” zei hij gemoedelijk.
De districtsburgemeester van Uytganck liet me los en ging me via een nauwe, vochtige gang met fresco’s uit stoepkrijt voor naar een zitplek die vol lag met veelkleurige, grote kussens en versleten tapijten. In de hoek van die raamloze kamer (één muur verbeeldde een Ramoonse tuin maar was een decorstuk uit een restaurant) zat als een sinistere suppoost een bros geschoren man in een toga (eveneens een beddenlaken) met een zonnebril op wijdbeens een sigaret te roken. Hij droeg combats onder zijn toga.
“Ecce Locatus,” zei Vitellius in het Ramoons, wijzend op de man. Locatus knikte mij traag toe.
“Locatus is mijn bodyguard,” verklaarde Vitellius, waarop hij mij een zitplek aanwees tussen de kussens en van onder een ander kussen een plastic amfoor haalde.
“Drinkt u iets?” vroeg hij. Ik schudde mijn hoofd, en Vitellius zonk neer in zijn kussens met de amfoor in zijn hand. Hij haalde elders een drinkbeker tevoorschijn, schonk zichzelf uit en nam met veel genoegen een grote slok wijn. Aldoor was hij ook blijven wegzinken in zijn kussens, tot hij er bijna in verdween, op zijn armen, buik en hoofd na.
“U heeft mij naar hier laten komen in verband met de moord op consul Ter Linden,” zei ik, na nog enkele tellen te wachten. Vitellius vouwde zijn vlezige handen over zijn buik en keek naar Locatus. Ik haalde mijn notitieboekje boven.
“Het was een complot,” zei Locatus.
“Dat denken wij inderdaad,” bevestigde Vitellius. Van dieper in wat voor een villa moest doorgaan klonken weer stemmen en feestlawaai.
“En heeft u daar ook aanwijzingen voor?” vroeg ik. Vitellius keek me recht aan, met zijn heldere blauwe ogen. Zijn purperen gewei was lichtjes naar beneden geschoven en gaf hem de aanblik van een in witte doeken gewikkeld vleesbrood met een kroon.
“Ja. Voor mijn hortus was ik op zoek naar een groenten- en fruitturbine en had er één tweedehands gezien in het online-emporium van Punus. Ik was jammer genoeg te laat en hoorde op de ontvangstdag van de consuls dat Punus de turbine zou verkopen aan confrater Cabronus Sanctustander. Een dag later is de consul dood – door een turbine gedraaid en enkele uren later is confrater Cabronus ook dood.”
Ik was misnoegd dat Gaius Vitellius die allemaal al wist, in zijn uithoek van Populië, waar alles meer leek op een uit de hand gelopen kinderfeest dan de ambtswoning van een man die je serieus kon nemen. Toch was Vitellius bloedernstig, en de lugubere aanwezigheid van die Locatus maakte het niet beter.
“Met alle respect, maar dat is giswerk,” zei ik droog. Locatus grinnikte terwijl een rookpluim zijn neusgaten verliet.
“Care amice,” zei Vitellius, “ik begrijp dat u dat hoort te zeggen in het belang van het onderzoeksgeheim, dus ik zal doen alsof ik giswerk maak. Ik zal verder gissen dat deze avond rond het horum decimum post meridiem een convocatio volgt van de Staten-Generaal, en dat met een passend quorum Haenusus Spiritor zal verkozen worden tot nieuwe tribunus van Vogelaria.”
“U bedoelt Heinz Spritzmann.”
“Ita est. Dit is onderdeel van een laatste poging om consul Ultor tegen te werken om dictator te worden, onder het vexilium van de Coalitio Rosa, die bestaat uit – en ik zal maar hun nomina civilia gebruiken – Heinz Spritzmann, Boert Van Vettenberghe, Richard Molckx-Verpist, Wanda Froger, Poenie, Stefanie Baekelandt en bij volmacht Christa De Hete. Audi bene, ik zeg hiermee niet dat één van beide opties goed is voor Populië. Het is gewoon hoe de zaken staan na de mislukte aanslag op consul Ter Linden.”
“Mislukt? Hij is dood.”
“De aanslag mislukte niet omdat consul Ter Linden werd vermoord, maar omdat de res publica werd vermoord. Op Geurt Dickens na was elke districtsburgemeester akkoord om Ter Linden uit de weg te ruimen omdat nos omnes allemaal hadden gehoopt er wel bij te varen. De geschiedenis herhaalt zich en consul Ter Linden werd de nieuwe Caesar, met wij allemaal als Iunii en Bruti.”
Ik had zelfs nog geen letter opgeschreven omdat dit allemaal wel erg fantastisch klonk.
“Maar zijn daar bewijzen van?”
“Ik vermoed dat uw praefecti de manchetknopen hebben gevonden in het bureel van consul Ter Linden?”
Ik knikte.
“Daar zaten uiterst gevoelige microfoons in waarmee we beide consules konden bespioneren. Non licet, dat weten wij ook, maar daarmee weten wij dit allemaal, en u kan de opnames straks zelf beluisteren.”
“Als dat waar is, waarom bent u pas deze namiddag tot het besluit gekomen deze informatie te delen?”
Vitellius keek naar het plafond en hefte zijn handen dramatisch op.
“Omdat wij deel waren van het complot,” zei Locatus vanuit zijn hoek.
“Ja. Maar eerst: de cena,” zei Vitellius, die als een vorst verrees uit zijn kussens.

zondag 2 april 2023

Constellatie: Horum Piscium

HORUM PISCIUM (7:58-9:00)

DRIFT

 

Have you seen the sky today?
The rain is coming and the clouds are moving in the strangest way.
Can you hear what I say? Where did all the people go? I can’t hear a sound.
It’s so funny that there’s no one on the streets today. Have they all moved away?
It’s like I’m floating, floating away.
It’s like I’m leaving, and I don’t care.
There’s not a bird in sky.
I didn’t believe it when people told me a storm was coming in from the East.
I’m not scared in the least. Did you hear the rain last night?
Beating down on the window, it kept me awake but I liked the sound.
Did I ever hear a sound?


Ooit bracht ik een nacht door aan boord van een lijnschip aan de achtersteven, kijkend naar het golvende obsidiaan dat achter de boot even opschuimde in wit maar na enkele meters door het alomtegenwoordige zwart-op-zwart werd opgeslokt. Het idee om over de reling van de achtersteven in het water te vallen was zo angstaanjagend dat ik uren bleef staan, in worsteling met de existentiële angst om voorgoed te verdwijnen in een koud, onverschillig en chaotisch niets, ten langen leste eindelijk gereduceerd tot mijn eigen pathetische onbenulligheid.

Met schrijven heb ik mezelf weten op te vijzelen tot het niveau waarin ik er soms in slaag me aan mijn eigen haar uit het moeras naar boven kan trekken. Het lukt niet altijd. Soms blijft het bij zuchten terwijl ik de drek uit mijn neus probeer te houden.

Ik lig aangespoeld in mijn bed.

Kom bij me. Leg je neer in m’n zetel, dicht bij mij, lijf aan lijf, warm tegen warm, met de stoffen van onze kleren die onze lichaamswarmte zacht scheiden en tegelijk hard schaven.”

Ik weet niet wie mijn verklaringen hoort te horen of maar kan zien dat ze zien. Misschien is het wel de befaamde Sloterdijkse auto-chirurgie, maar dan voor de geest. Misschien ben ik een optie aan het nemen op wat ooit zou kunnen zijn met Alessia.

“Leg je zodanig dat je hoofd rust op m’n schouder en ik nog je shampoo van gisteren kan ruiken, je ademhaling kan voelen tegen mijn buik en jij m’n hart kan voelen kloppen tegen je rug.”

Ik ben moe maar helder.

“Ja,” zeg ik keer op keer tegen die goede vrienden die hier ook al jaren stukjes van hun hart en ziel hebben gedeponeerd.

“Ja,” zeg ik tegen mijn dichtste familie, die mensen die nooit voor elkaar hebben gekozen maar er toch het beste van hebben weten te maken.

Ik duik onder mijn dekens en vind mezelf daar terug, wind m’n veel te lange armen om mijn lichaam als de mouwen van een zachte dwangbuis. Wat een nacht is dit toch alweer geweest, vervuld van gesprekken met de doden en de levenden, in zwart wachtend op wit, naakt en gekleed zijn, leven in literatuur en woede, doen aan hedonistische zelfkastijding en de wereld uit elkaar vijzen in de hangars van de geest – en dat allemaal op nauwelijks meer dan 60 vierkante meter. Wat een ongehoorde luxe.

“Ik heb veel te geven. Dat klinkt goed maar is het niet altijd, want niet iedereen zit te wachten op zo veel geschenken.”

Het is erg stil buiten het miniversum van mijn bed en ik probeer het microversum onder mijn zelfgetrepaneerde schedeldak eveneens tot die stilte te leiden. Mijn hartslag vertraagt onregelmatig, maar hij vertraagt. Dat arme hart van me heeft het toch weer te verduren gehad en ik zou er medelijden van krijgen met m’n lichaam, ware het niet dat ik in dit lichaam zit en daar nu ook niet enthousiast voor gekozen heb (als je bang bent van skeletten, wat doe je met de wetenschap dat er zich op dit ogenblik een skelet in jou schuil houdt?). Bloed ruist door mijn oren. Met elke seconde groeit er ergens een haartje aan uit een huidporie, is er ergens een streng DNA weer defect geraakt en verzinken etensresten in de maagsoep.  Ik voel handen (die van mezelf) en ik verlang naar handen (die van een ander). Ik proef de sedimenten van zout van het weggespoelde water, het ijzer van de gedronken alcohol, het bittere aroma van de cocaïne en hoor de echo’s van Tyrs kleine pootjes, de hakjes van Alessia en de stem van Azure.

Ik draai me ineen als een Mandelbrot-diagram. Mijn allerkleinste vertegenwoordigt ook mijn allergrootste, mijn meest doortrapte gedachte mijn meest verhevene en in die uitspiralende dialogen wist alles zich tot een ruisbeeld. Waaraan zou ik nog moeten ontsnappen als de ultieme ontsnapping niet eens mogelijk is? Ik ben met bed, dekens, kamer en muren en al immers deel van alles en alles is helaas ook deel van mij. Dat ik daarover kan denken is misschien nog de grootste kosmische grap van allemaal.

“Ja.”

Dit is maar een extract van het dertiende en laatste hoofdstuk van 'Constellatie', dat je vanaf 15 april digitaal kan kopen op Boekjeswebshop. Enkel Patreon-abonnees hebben toegang tot de volledige hoofdstukken en kunnen het boek later ook gratis krijgen.