Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de verhalenafdeling daarvan. In 2016 bundelde en redigeerde ik (streng!) alle tot dan toe geschreven kortverhalen in de antologie 'Recombinant' en in 2023 bracht ik de novelle 'De keizer van Populië' uit - je kan beiden gratis downloaden als je Patron wordt. In 2020 verscheen mijn debuutroman 'Fragmentariërs'. In 2023 bracht ik de opvolger 'Constellatie' uit. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

donderdag 9 juni 2016

Gert wil neuken (III)

Goed voor één consumptie

“Is het hier?” vroeg Gert.
“Waar anders?” antwoordde Yannick, die de auto parkeerde op de grintoprit van een 18de-eeuws kasteel. Er stonden al heel wat auto’s, meestal gewone personenwagens. Gert zag door het passagiersvenster verlichte ramen, maar wat er achter die ramen gebeurde werd aan het zicht onttrokken door gordijnen. De omgeving van het kasteel was een groot grasveld dat in de verte overging in een bos.
“Nerveus?” vroeg Yannick aan Gert.
“Een beetje.”
“Het is ok om dat toe te geven, hoor,” grijnsde Yannick.
Gert zei niets meer. Eén deel van hem wilde zo snel mogelijk wegrennen van deze plaats, een ander deel was zo nieuwsgierig als de pest. Yannick was een vriend waar Gert vroeger wel eens mee uitging en ze deelden een interesse in comics, waardoor ze ook na hun studentenjaren contact waren blijven houden. Yannick was een pleitbezorger van radicale seksuele vrijheid en polyamorie. Momenteel zat hij in een relatie met zowel een man als een vrouw en die bevonden zich allebei al in het kasteel, samen met andere praktiseerders, die regelmatig samenkwamen om iets te drinken en bij te praten. Yannick had er steeds op gestaan dat dit geen verkapte orgieën waren en dat polyamorie niet hetzelfde betekende als een open relatie, hoewel dat in zijn geval wel degelijk zo was.
Ze stapten uit. Terwijl ze zwijgend naar de poort toe wandelden, keek Yannick Gert zijdelings aan. Hij lachte.
“Wat?”
“Vergeef me, het is grappig. Gert, de meest vanilla, conventioneelst mogelijke cishet-man in mijn vriendenkring, en hij is de eerste die het lef heeft om mee te komen naar mijn feestjes.”
“Cis-wat?”
“Cisgender, hetero,” verklaarde Yannick.
“O. Ok.”
Gert haalde zijn schouders op.
“Het is nooit te laat om bij te leren, zeker?”
Yannick, die bijna twee meter lang was en een volle, donkere baard had, klapte Gert op zijn schouder.
“Zo is dat. Kom, we gaan binnen.”

Een half uur later zat Gert in een makkelijke zetel met een prikkertje te spelen voor de schalen kaasjes en mini-augurkjes die al half leeg waren. Er waren zo’n 40 à 50 mensen, de meesten van rond Gerts leeftijd, ongeveer evenveel mannen als vrouwen.
Yannick maakte zich los uit een groep mensen die geanimeerd stond te praten en ging in de zetel tegenover Gert zitten. Op de achtergrond speelde er een soort bossa nova of andere muziek die hij associeerde met cocktailfeestjes.
“En?” vroeg Yannick onmiddellijk, “Wat vind je?”
“Ik heb al met een aantal mensen gesproken maar vooral geobserveerd.”
Zo lang hadden die gesprekjes niet geduurd. Eén was geweest met een man over voetbal, meer bepaald de corruptie binnen de FIFA, een ander gesprek was geweest met een charmante vrouw die Gert gewogen had en te licht bevonden, aan haar blik te zien. Ze stond nu bij haar eigen man en keek niet meer naar Gert.
“Wat observeer je dan vooral?” vroeg Yannick.
“De meeste mensen hier zijn vrij… normaal, bij gebrek aan een beter woord. Maar toch anders.”
Er waren vooral meer dikke mensen dan anders, dacht Gert, maar dat zeggen was een beetje schijten op Yannicks ruimhartigheid dus zei hij dat niet.
“Anders, hoe?”
“Moeilijk te zeggen. Ik weet niet zo goed waar en hoe ik me mag inmengen. Op een gewoon feestje is dat allemaal eenvoudiger.”
“Niemand gaat je doodbliksemen omdat je hun specifieke achtergrond niet kent, hoor.”
“Nee, ok, maar het is wel handig of je weet of iemand in een open of gesloten relatie zit, poly is of kinky, of misschien zelfs allemaal.”
“Wil je dat we naamkaartjes dragen?”
“Deden sommige homobars dat niet?”
“Sommige. Maar ik vind dat zelf nogal onnozel. Ga gewoon met iemand praten.”
Gerts oog viel op een vrouw in een lange, donkergroene jurk en met donkere krullen tot over haar schouders. Ze stond met haar rug naar Gert bij het venster.
“Wie is dat?” vroeg Gert.
Yannick draaide zich om.
“Dat is Olivia. Open, poly.”
“Heb jij… ?”
“Nee. Te intens voor mij,” zei Yannick. Dat prikkelde Gerts nieuwsgierigheid.
“Goed. Hier komt de bruid, dan maar,” zei Gert, terwijl hij opstond. Yannick knipoogde naar hem en dronk van zijn glas.

“Hallo.”
Ze draaide zich naar hem om. Donkere ogen en een haviksneus, een licht vooruitgeschoven kin en wenkbrauwen die leken op twee gestileerde vleugels.
“Ah. Jij bent de nieuwe.”
“Ik word liever Gert genoemd, maar de Nieuwe is ook goed.”
“Ik ben Olivia,” stelde ze zichzelf voor.
“Aangenaam,” zei Gert. Ze glimlachte en keek hem onderzoekend aan.
“Wat doe je in het leven, Gert de Nieuwe?”
“Ik ontwerp verpakkingen.”
“Van?”
“Van vanalles. Het kan zijn dat je thuis een paar van mijn creaties hebt.”
Ze lachte.
“Ik geef zelf dansles,” zei ze, “ben jij een danser?”
“Vroeger meer dan nu.”
Gert vond zichzelf een behoorlijke danser maar wou dat niet zeggen tegen iemand die allicht tientallen malen beter was dan hem.
“En wat heeft je ertoe gebracht hier in het diepe te springen met Yannick?” vroeg ze toen.
“Ik wou het een kans geven. Momenteel heb ik geen tijd voor en geen zin in een exclusieve relatie maar ik ben beginnen geloven dat een simpele one-nightstand misschien ook niet alles is.”
“Slechte ervaringen?”
“Geen, als ik eerlijk ben.”
“Ach zo. Maar je hebt gelijk, vind ik. Veel mensen zitten in ellendige relaties omdat ze denken dat ze niet beter verdienen.”
“Juist. De keerzijde daarvan is dat ik soms denk dat ik te veel denk dat ik recht heb op iets wat mij misschien gewoon niet gegeven is.”
Hij was versteld van zijn eigen eerlijkheid, hoewel hij nog maar twee pintjes had gedronken, waarvan het eerste betaald was met een drankbon. Ergens was het grappig dat een hip en mysterieus polyfeestje nog zoiets oer-Vlaams had als de drankbon. “Goed voor één consumptie” had erop gestaan.
“Dat is een punt waar veel mensen ook niet toe komen,” monkelde Olivia, “En dus jij dacht: waarom niet eens op poly-safari gaan, kijken hoe het daar loopt?”
“Zoiets. Is dat fout?”
“Nee. Het grappige is dat mensen hier veel minder opdringerig zijn dan in gewone clubs.”
“Dat heb ik al gemerkt. De mensen zien er vrij ontspannen uit.”
Olivia knikte, keek naar de groepjes mensen die stonden te praten of in zeteltjes zaten – in een hoek waren drie mensen aan het kussen – en toen weer naar Gert.
“Ik ben hier een tijdlang niet meer geweest,” zei ze toen onaangekondigd, “Ik heb een tijd met drie mensen samengewoond waarvan er twee mijn partner waren, maar dat was op de deur niet meer uit te houden.”
“Waarom?”
“Elk conflict wordt direct veel heftiger omdat er meer mensen in betrokken zijn. De vierde huisgenoot had enkel een relatie met één van de twee anderen en wilde duidelijk meer exclusiviteit.”
Gert trok zijn wenkbrauwen op.
“Mja. Maar je wil het toch nog blijven proberen?”
“Momenteel heb ik niemand,” zei ze, “en misschien dat ik terug poly ga, misschien ook niet.”
“Van wat hangt het af?”
Ze keek hem indringend aan.
“Van jou, Gert.”
Ze lachte hard toen ze zijn verbazing en angst zag.
“Even geloofde ik je,” zei hij toen opgelucht.
“Ik dacht, een beetje creepy doen in ons eerste gesprek, altijd fijn. Maar om je een serieus antwoord te geven: ik weet het niet. Het is in elk geval tijd voor meer klaarheid en meer rust in dit hoofd.”
“Ik wil zelf wat meer uit de rust.”
“En in de seks?”
“Ja. Wil je trouwens een consumptie drinken van me?”
“Wat?”
“Dat staat toch op die oubollige drankbonnen hier?”
Ze viste haar eigen bonnetje uit haar handtas en glimlachte verbaasd toen ze het las.
“Nog niet op gelet. Doet heel hard denken aan parochiezalen en voetbalkantines.”
“Dat vond ik ook. Nu, wil je iets? Een cola of een zakje chips?”
Ze glimlachte nu ook met haar ogen.
“Een gin-gini, liever. En neem zelf ook iets.”
Ze overhandigde hem het bonnetje.

Verder naar deel vier.

Gert wil neuken (II)

Palen en waardigheid

Een disco-outfit had Gert niet en dat was maar best ook. Hij had zich op voorhand met twee pintjes ingedronken voor hij naar de uitgaansbuurt trok. Het was al enkele maanden geleden sinds hij er nog geweest was en hij was eigenlijk nooit echt uitgegaan om vrouwen te leren kennen, laat staan om te zoeken naar seks. Daardoor voelde hij zich in alle betekenissen van het woord lullig, maar hij had nu eenmaal de opdracht gekregen van Clara en Quint en hij wilde zich niet laten kennen. Dat was zijn stijl niet.
Hij had al even staan praten met een kennis van vroeger, een promotor van kleine rockoptredens die elk café van de stad van binnen en buiten kende en altijd wel goed was voor amusante anekdotes, maar al snel vervelend werd. Gert stond nu buiten en rookte een sigaret. Hij rookte enkel als hij uitging en binnen was het daar toch weer een zweetkeet van jewelste. Onwillekeurig volgde hij een conversatie mee. Aan een krakkemikkig tafeltje buiten zat een jonge vrouw met een hipsterbril en rood haar duidelijk te maken aan een man voor haar dat hij moest oprotten.
“… en nee, ik ben echt niet onder de indruk dat je Spaans spreekt,” zei ze.
Gert moest lachen. De vrouw en de man keken naar hem.
“Sorry,” zei Gert, “ze heeft wel een beetje gelijk. Spaans is lelijk.”
“Allez,” zei de man welgemutst. Hij trok Gert dichter en fezelde iets onverstaanbaars in zijn oor.
“Wat?” herhaalde Gert.
“Zo denkt ze dat we over haar praten en daar wordt ze onzeker van,” fluisterde de kerel.
Gert trok zich terug en trok een gezicht.
“Is dat zo geen tip van van die seminaries om vrouwen in bed te lullen?”
“Ja!” glunderde de man, die meende een broeder gevonden te hebben.
“Gast, komaan.”
Gert draaide zich naar de vrouw.
“Sorry voor het storen.”
“Je stoort niet,” zei ze, “Hij wel.”
Nog steeds glunderend zette de andere man een paar passen achteruit en knikte hij Gert toe alsof hij wilde zeggen: “ze is van jou nu.”
Gert zei niets tot de man weer binnen was.
“Wel, dat was een rare vogel.”
“Wat een idioot,” zei de vrouw laatdunkend, “Heb je vuur?”
Gert haalde zijn aansteker boven.
“Mja,” zei hij slechts. Hij keek haar aan. Ze had een expressief gezicht en haar haar stond wild. Ze was een klein beetje aan de zware kant, maar ze had uitstraling. Zou dit het kunnen zijn?
“Wat is jouw verhaal, vriend?” vroeg ze aan hem.
“Mijn verhaal? Wel, wat is je naam?”
“Patsy.”
Gert glimlachte en opende zijn mond om iets te zeggen, maar ze was hem voor.
“Maak geen ‘Ab Fab’-grapjes alsjeblieft.”
“Sorry. Het is een naam die je niet vaak hoort.”
“En hoe heet jij?”
“Gert. Niet van Samson. Dat heb ik ook al vaak gehoord.”
Dat was niet helemaal waar, maar hij wilde toch iets meer een band scheppen dan het afschepen van een opdringerige versierder.
“En wat heb je te vertellen?”
Gert nam een slok van zijn glas wijn en een trek van zijn sigaret.
“Te weinig,” zei hij naar waarheid. Ze lachte.
“Eerlijk. Maar een beetje zielig.”
“Het is moeilijk om op zo’n vraag te antwoorden, weet je. Dat is zoals iemand je vraagt om eens iets grappigs te vertellen. Kan jij dat dan wel?”
“Meestal. Maar het is inderdaad geen makkelijke vraag. Ik ben geen makkelijk persoon.”
“Ik ook niet.”
“Je bent single?”
“Ja, maar niet specifiek op zoek.”
“Dat is goed, want hier ga je niet veel vinden,” voorspelde ze.
“Waarom denk je dat?”
“Gewoon, het is niet het soort avond. Tenzij misschien binnen een paar uur als iedereen zat is.”
“Maar dan ben ik ook zat en dan kan ik helemaal niets meer.”
“Moeilijke keuzes!” zei ze dramatisch, “Maar ik geef je een goeie kans. Je lijkt me een leuke gast.”
“Dat is lief,” zei Gert. Bedoelde ze nu een kans bij haar? Voordat hij die gedachte helemaal kon laten afwerken, dook er een nieuwe man op tussen hen in, een boomlange zwarte gast die uitstekend gekleed was.
“Weer vrienden aan het maken, Patsy?” vroeg hij.
“Dat is Gert. Hij redde mij van een opdringerige lul terwijl jij binnen was en je meisje achterliet.”
“Dank u, Gert,” zei de man, waarop hij een wat verbouwereerde Gert een hand gaf, “En doe niet zo. Je kan zelf van je afbijten.”
“Ik denk ook dat ze mij niet nodig had,” zei Gert. Was hij nu zijn own-goal nog erger aan het maken?
“Wij gaan eens terug naar binnen,” zei Patsy  toen, “Tot later, Gert!”
En toen verdwenen ze in de massa.

Enkele uren later was er gewisseld van DJ en Gert stond in de menigte mee te deinen. Er werd al binnen gerookt en de vloer plakte. Hij kruiste enkele keren de blik van een vrouw. Hij schatte dat ze een paar jaar ouder was dan hem. Ze had mooie ogen. Toen ze vlak bij elkaar stonden sprak zij hem eerst aan. Gert was al wat boven zijn theewater maar nog solide genoeg.
“Ik ga graag alleen uit. Om te dansen!” zei ze in zijn oor, en ze glimlachte. Hij knikte.
“Ik ook,” zei hij, niet helemaal naar waarheid.
“Ik heb een man, weet je,” zei ze na enkele tellen.
“Aha.”
Even verderop slingerde een dronken man zonder hemd aan zich rond één van de palen op de dansvloer. Zijn vrienden oehden en aahden en enkelen floten.
De vrouw tikte terug op zijn schouder.
“En ik ben trouw aan hem!”
“Ok,” zei Gert, die zijn interesse in haar eigenlijk al na twee zinnen verloren had. Waarom zei ze dit soort dingen ook? Hij begreep het niet echt.
“Kan jij dat ook?” vroeg ze aan hem, gebarend naar de paal. Gert lachte.
“Beslist niet. Ik heb geen zin om mezelf belachelijk te maken.”
“Als jij het probeert, dan ik ook!”
Gert leegde zijn glas en overwoog het.
“Komaan! Het is mijn verjaardag!” zei de vrouw.
“Dat geloof je toch zelf niet,” riep hij terug in haar oor.
Ze prutste in haar handtas en haalde er na wat gevis, gebots en ritmisch gebaren dat door moest gaan voor iets halverwege tussen dansen en pantomime, haar identiteitskaart uit.
“Godverdomme,” zei Gert toen ze de kaart in zijn gezicht drukte. Het was inderdaad haar verjaardag.
“En jij gaat alleen uit op je verjaardag?” vroeg hij toen.
“Mag ik niet misschien?”
“Ik… het is gewoon een beetje bizar, maar als het je blij maakt…”
Weer enkele tellen de muziek die de overhand nam.
“Ga je nu nog aan die paal hangen of niet?” schreeuwde ze toen in zijn oor.
Fuck, waarom niet, dacht Gert toen. Hij knikte en zwom door de dansende, joelende massa naar de paal, waar nu niemand rond hing. De vrouw volgde hem.
“Hier gaan we dan,” dacht hij, terwijl hij met zijn linkerhand de paal vastgreep, er een half rondje rond slingerde, veranderde van hand en zich toen zo goed en zo kwaad als hij kon voorstelde dat het een persoon was waar hij zich om heen moest krullen. De vrouw applaudisseerde, duidelijk geamuseerd, en liet hem een slok nemen van haar wijn. Wat was dit voor een vreemd wezen?
Hij draaide nog een rondje, trok zichzelf dicht bij de paal, hing errond als een slang en herhaalde toen het omgekeerde. Toen liet hij los.
“Nu jij,” zei hij, een beetje hijgend.
“Ok, ok,” zei ze, aangevuurd, “hou jij m’n handtas vast.”
Ze deed een gek soort opstapje, greep naar de paal en zat er tien centimeter naast. Ze viel met een smak op de grond. Gert sloot zijn ogen.

Verder naar deel drie.

Gert wil neuken (I)

Een enorme worst

“Ik wel echt nog eens goed neuken,” zei Gert.
Quint en Clara keken allebei tegelijk op van hun frietjes en Gert lachte.
“Ja? Verstaan jullie dat niet?” herhaalde Gert, waarop hij met zijn ellebogen achterwaarts stootte en tegelijk met zijn heupen voorwaarts.
“Als dat je O-face is dan is zonet m’n eetlust voorbij gegaan,” zei Clara. Gert stopte en lachte opnieuw.
“We vallen hier weer in schaamte met jou,” zei Quint.
Gert haalde zijn schouders op en depte een verloren zoutkorrel in zijn lege bakje frietjes op met z’n vinger.
“Niemand kent ons hier,” zei hij.
“Maar goed, je wil dus nog eens seks,” zei Clara toen, na een slok frisdrank.
“Ja. Niet met jullie, wel.”
“Daar ben ik dankbaar om,” zei Quint.
Quint en Clara waren al vijf jaar samen waarvan het voorbije jaar verloofd. Gert was oorspronkelijk een vriend geweest van Clara maar over de jaren was ook Quint een vriend geworden. Fysiek leken beide mannen niet op elkaar. Quint had de schouders van een bokser en een open gezicht dat iedereen onmiddellijk sympathiek vond. Toch was hij eerder aan de stille kant. Gert was pezig en druk, iemand die altijd leek alsof hij zich haastte naar zijn volgende afspraak of evenement. Clara was bleek en blond, waardoor het soms leek alsof ze geen wenkbrauwen had. Ze had mollige handen en een voor haar anders vrij meisjesachtige uiterlijk een diepe stem.
“En waarom zeg je dat nu tegen ons?” vroeg Clara, “Wij kennen geen single vrouwen meer.”
“Dat weet ik. Maar misschien hebben jullie advies.”
“Sinds wanneer heb jij advies nodig in vrouwenzaken, Gert?” vroeg Clara, “Zit je zo diep, dan?”
Gert trommelde met zijn vingers op het tafelblad en keek over de schouder van Clara hoe een bouwwerknemer een obsceen grote worst verorberde in luttele ogenblikken.
“Nee, dat niet. Ik ga af en toe eens op date, ik heb de voorbije jaren genoeg afwisseling gehad. Maar ik wil gewoon nog eens neuken. Zo echt primitief, plat, hevig.”
“Ik vind dat eigenlijk een smerig woord hoor,” zei Clara.
“Dat is het ook,” zei Quint, die bedachtzaam kauwde op zijn laatste frietjes, “en dat is ook de bedoeling, toch?”
“Je begint op m’n golflengte te komen, Quint,” zei Gert, “Dat is wat ik bedoel. Niet van die aarzelende, klungelige seks met iemand die misschien een partner gaat worden of misschien ook niet. Geen friends with benefits, dat is onzin die niet werkt.”
“Als het echt zo pornoseks is die je wil, ga dan naar de hoeren,” opperde Clara.
“Ik wil er geen geld voor betalen,” zei Gert.
“Zet een zoekertje. Of er zal wel een datingsite voor bestaan, zeker?” probeerde Clara.
“Een datingsite voor neuken?” monkelde Quint, “Hoe heet die dan, neuken.be?”
Gert krabde in zijn hals.
“Ik heb m’n research al gedaan. Er bestaan daar wel sites voor, maar dat zijn louche ondernemingen waar nauwelijks echte vrouwen zitten, tenzij je bereid bent genoegen te nemen met een verlaging in standaarden.”
“Beggars can’t be choosers,” zei Clara wijsneuzerig.
“En waarom eens niet, Clara?” reageerde Gert, “Want dat lijkt het probleem. Als ik compromisloze, ruige seks wil, heb ik dat liefst met iemand die ik ontzettend aantrekkelijk vind.”
“Allez, niet om je te kwetsen Gert, maar een jaar geleden kloeg je al dat op normale datingsites van die erg sexy vrouwen nooit oog voor jou hadden.”
“Behalve die Spaanse,” zei Quint.
“Ja, die ik beter verstond in het Spaans dan in haar vreselijke Engels,” zei Gert, “Maar –”
“Wacht even Gert,” zei Clara, die haar hand ophield, en haar mond afveegde met een servet, “Ik was nog niet klaar. Je weet toch ook wel dat het niet is omdat zo’n vrouw bij wijze van spreken voorover buigt in fuck-mebotjes, dat ze daarom in is voor een ritje met kleine Meneer Gert hé?”
Gert rolde met zijn ogen maar moest tegelijk lachen.
“Ja, ja,” zei hij toen, “Sexy is niet gelijk aan gewillig, dat weet ik.”
“En ik wou niet impliceren dat je een monster bent, maar je hebt zelf gezegd dat de vrouwen die je 9/10 zou geven voor uiterlijk, wellicht zelf niet zitten te wachten, als ze net als jij willen “neuken”, op een persoon die ook niet een 9/10 is.”
“Bedankt voor de nadrukkelijke “aanhalingstekens”, Clara, dat waardeer ik,” grijnsde Gert, “Maar daar raak je de kern aan van mijn probleem. Ik wil goede, stevige seks, niets meer, niets minder. Voor een mogelijke relatie mag iemand uiterlijk imperfecties hebben of afwijkingen, dat kan zelfs karakter geven. Dan zoek ik sowieso naar iemand met wie ik ook kan praten.”
“Is goede seks ook niet het gevolg van goed kunnen praten?” vroeg Quint.
Nu was het Clara’s beurt om te lachen.
“Zie, ik dacht dat vroeger ook,” zei Gert, “maar veel mensen hebben me al verteld van niet. Lees de vakliteratuur er op na. Er staan in vrouwenbladen om de haverklap verhalen van vrouwen die zich ruig laten nemen door een tuinman of een bouwvakker die nog niet eens zijn eigen naam kan schrijven.”
Gert blikte weer naar de bouwvakker met de worst, die nu tevreden door het venster zat te kijken terwijl zijn handen rustten op zijn royale buik.
“Zijn die verhalen niet dikwijls verzonnen door de redactie van die bladen?” vroeg Quint.
“Soms wel, denk ik,” zei Clara, “maar ik hoor ook wat vriendinnen mij vertellen.”
“Juist. En dus mij maak je niet wijs dat het niet zou kunnen dat er ergens, ik zeg maar iets, een winkeljuffrouw bestaat die enkel kijkt naar reality-tv maar wel erg goed is in bed,” zei Gert. Hij pikte zijn plastic vorkje op van tafel en prikte er lichtjes mee in zijn handpalm.
“Ok,” zei Quint, wiens gedachten duidelijk op volle toeren draaiden, “maar hier is het verschil. Zo’n hete tuinman neemt allicht zelf initiatief. Ben jij ooit al op een bloedmooie vrouw afgestapt die je niet kende?”
“Zelden.”
“Met zo’n ingesteldheid zal het ook niet lukken,” zei Clara.
Gert fronste.
“Misschien wilde ik te realistisch zijn over mijn kansen,” zei hij. Hij plooide het vorkje.
“Het is vrijdag vandaag,” zei Clara, “En je zei daarnet zelf dat je nog niets te doen hebt. Ga uit, spreek mensen aan en amuseer je. Zelfs al vind je niemand die kleine Meneer Gert wil bezoeken, hou je er misschien leuke contacten aan over.”
“Wil je m’n lul niet zo noemen?” vroeg Gert.
“Ik vind het ook maar raar,” zei Quint ernstig.
“Sorry, het is gewoon een grappig beeld,” zei Clara.
“Ik noem jouw foef toch ook niet Clara Junior of zo?” vroeg Quint.
“Eh, bah.”
Iedereen lachte.
“Kom, we gaan betalen,” zei Gert toen, “En ’t is goed, ik ben in een wilde bui die misschien tragisch misleid zal lijken morgen, maar ik zal jullie raad opvolgen.”
Ze stonden op.
“Ga je je dansschoenen aantrekken en je Saturday Night Fever-jasje afstoffen?” vroeg Clara.

Verder naar deel twee.

vrijdag 8 januari 2016

Absolutie

Over waarom ik enkele maanden stilte inlas.

Ik ben een zoeker. Aan de binnenkant van mijn schedel tast ik voorzichtig naar nieuwe gedachten, indrukken en vonken. In een mentale ruimte die zo groot kan zijn als het universum zelf, kan ik wandelen over uitgestrekte heuvels waar het enige wat het wit van de sneeuw het wit van de mist onderscheidt, mijn zelfschets is. Het verlangen om de wereld in me op te nemen is nooit groter geweest dan het verlangen om zelf een wereld te maken en daarin weg te zinken. Vandaar dat ik als kind gefascineerd voor tv zat voor de reeks 'Odyssey', waar een jongen in coma door zijn eigen droomwereld wandelde, of hoe 'The Cell' de binnenwereld van de geest in hevige kleuren en met symbolisch spektakel tot leven bracht.

En nu, nu het jaar al een paar dagen oud is, zit ik opnieuw neer in de zetel en denk ik na. In de beste traditie van het boeddhisme probeer ik bewust om geen demarcatielijnen te trekken over datums en gebeurtenissen. Ik hoef geen synthese te puren uit de opeenstapeling van feiten die ik geleefd heb en de daden die ik gesteld heb. Want niet alles daarvan is fraai, laat staan dat het dingen waren waar ik naar uitgekeken had. Maar dat is niet per se slecht. Ik had ook niet gedacht dat ik in 2015 zo veel ging lezen of dat ik tegen het einde van het jaar mijn liefde voor film zou herontdekken. Dat mooie muziek me dieper kan beroeren dan ooit en dat ik het minder belangrijk vind dan ik gedacht had om op weinig podia te staan.

M'n ogen glijden af naar de kleine kerstboom op de salontafel, die verstikt is in slingers licht, compacte kerstballen en nepvogels. Hij is lelijk maar hij is prachtig, dat trots stuk kitsch temidden van m'n tijdelijke woonkamer waar de meubels te dicht op elkaar staan, de vloer een vuilmagneet van vinyl is en één van m'n gordijnen permanent scheef hangt. Maar het is de kamer die ik nu bewoon waar het lichaam in zit dat zichzelf bewoont en dat is belangrijk om geen enkele andere reden dan dat het er voor niemand meer zal toe doen dan voor mij.

Bij de kerstboom staan twee ruw-porseleinen ijsberen, een geschenk van mijn ouders toen ik begon te avonturieren in bijberoep en die nu goed passen bij de stilte die hier heerst. Die stilte mag nog even aanhouden. Voor het jaar dat voor de deur staat, ben ik van plan niet te veel woorden te verspillen op papier of wat daar digitaal voor doorgaat. Dat is niet omdat ik niets te zeggen heb, maar omdat ik me wil kunnen focussen op wat er nog meer toe doet.

Het is geen geheim dat ik een warme fascinatie koester voor oorden als Antarctica, de Sahara, Groenland, Mars en de ruimte. Misschien is het een chronisch geval van het gras dat groener is aan de overkant. Als ik daar had gezeten, dan zou het drukbevolkte België me misschien veel meer aanspreken. Maar opnieuw: het draait om ruimte, of beter, om vorm en leegte. Ik wil de komende maanden niet de druk voelen om toch maar weer iets online te zetten, gedachten te delen met de wereld of om mee te racen voor aandacht.

Ik sluit niet uit dat ik zo nu en dan de digitale stilte doorbreek maar ik blijf hier voorlopig nog even zitten in deze zetel, terwijl dag langzaam avond wordt, de lichtjes van de kerstboom feller worden en m'n gordijnen nog altijd scheef hangen.

zaterdag 15 augustus 2015

Hoofd geflankeerd door vlees (III)

Er werd goedkeurend geproefd, genipt en gemompeld. William vond dat altijd vermakelijk aan mensen die aan hun maaltijd begonnen. Dan vielen alle gesprekken even stil en concentreerde men zich op het eten en het drinken, omdat dat zo hoorde uit beleefdheid, want de meeste mensen gaven uiteindelijk veel minder om wat ze aan het eten waren dan ze van zichzelf dachten. Hij vond al die kookprogramma’s verdacht. Nu was hij zelf niet onaardig in de keuken, maar die race om om ter fijnst afgestelde experimenten uit de oven te toveren of om doordeweekse schotels bereiden een exacte wetenschap te maken, dat vond hij belachelijk. Het draaide meer om het ego van de kok en het gevoel dat mensen daar aan konden deelnemen door zijn eten op te eten, dan dat het iets te maken had met genot. Jana dacht soms dat William cynisch was geworden door zijn sociologie maar het omgekeerde was eerder waar: hij was socioloog geworden omdat dat paste bij zijn cynisme. Wat op zich bekeken een cynische gedachte was.
“Waarom zit je zo stom te lachen?” vroeg Fin hem. Zijn oudere broer zat tegenover hem. Die had toch ook altijd alles in de gaten.
“Niets, Fin,” zei William, waarna hij een slok water nam.
“Er overigens straks nog dessert,” zei Paul van de andere hoek van de tafel.
“Paul, lieve schat, we zijn nog maar net begonnen aan de hoofdmaaltijd,” zei Kelly.
“Ik kon het maar meegeven,” zei Paul praktisch.
“Wat voor dessert is het?” vroeg William.
“Chocolademousse,” antwoordde Paul.
“Lekker lekker lekker,” zei Fin erg snel na elkaar. William en Kelly lachten.
“Fi-hin,” zei Budur.
“Sorry. Insider van toen we klein waren,“ verklaarde Fin.
“Voor de chocolademousse hebben we trouwens stukjes van Sinterklaas-chocolade gesmolten,” zei Paul, “Want die is goedkoper dan dezelfde hoeveelheid in pakjes kopen, en nog zo lekker. Hollandse koopmansgeest, al zeg ik het zelf.”
“Fondant of melkchocolade?” vroeg William.
“Van beide een beetje,” antwoordde Paul.
Er werd even verder gegeten.
“Kwam Sinterklaas ooit bij jullie thuis langs?” vroeg Fin toen aan Budur.
“Nee. We wisten wel wat het was en kregen snoep op school, maar toen ik thuis vroeg of de Sint ook bij ons kwam, legde mijn vader uit dat die niet bestond.”
“Da’s ook sneu,” vond Jana.
“Ik vond het niet zo erg,” zei Budur.
“Ik herinner me de lokale Sint die naar onze school kwam,” zei William.
“Ja, die foute Sint met die pedobril,” zei Fin.
“Wat is een pedobril nu weer?” vroeg Paul.
“Je kent dat toch, zo’n zonnebril uit de jaren ’70 die verkleurt in het zonlicht, met veel te grote glazen,” legde Fin uit, “ook wel bekend als een Freddy Horion-bril.”
“Is dat de ontwerper?” vroeg Paul.
“Nee, Freddy Horion was een crimineel die een heel gezin uitmoordde bij een roofmoord, ergens eind de jaren ’70. Hij droeg ook zo’n bril,” zei William.
“Gezellig onderwerp voor aan tafel,” zei Jana.
“Laten we het terug over vrolijkere dingen hebben, inderdaad,” zei Kelly, “Zoals de Sint.”
“Zo vrolijk maakt de Sint me niet, anders,” zei William. Zijn vrouw keek hem scheef aan.
“Waarom niet? Is de Sint weer een symptoom van onze neoliberale strafmaatschappij en het ééndimensionaal consumerisme?” vroeg ze.
William moest lachen door haar geslaagde imitatie van zijn jargon.
“Nee, ik bedoelde het racisme.”
“O, dat,” klonk het uit verschillende monden.
“Die discussie is veel heviger in Nederland dan hier,” zei Paul, “Hier heb ik er nog niet veel van gemerkt.”
“Dat is waar,” zei William, “maar het komt wel. Ik begrijp vooral niet dat mensen er zo lastig over doen om Zwarte Piet gewoon wat roetvegen te geven en geen afro-pruik en dikke rode lippen meer. Tradities veranderen toch constant?”
“Dat is niet wat veel mensen geloven,” zei Budur.
“Dat is waar, William, veel mensen houden vast aan het idee dat sommige dingen onveranderlijk zijn,” zei Jana.
“Zoals FC De Kampioenen,” schertste Fin.
“En daar worden mensen dan boos over. Ik vind dat moeilijk om te verstaan. Wat voor impact heeft dat nu op hen?” vroeg William zich af.
“Ze voelen zich bedreigd, Will,” zei Kelly, die tegenover haar man zat op de hoek.
“Door wie dan? Door een paar progressieven en Afrikanen die willen dat een traditie afstand neemt van een racistische karikatuur?” vroeg William.
“Ik vind het raar dat je je zoiets afvraagt als socioloog,” zei Fin, “je weet toch dat mensen vandaag in het Westen zich om het minste al bedreigd voelen?”
“Omdat ze bang gemaakt worden,” zei William, “door de media en door politici. Dat gaat dan over misdaad en terrorisme. Maar wat heeft Zwarte Piet daar mee te maken? Ik heb beelden gezien – uit Nederland, inderdaad Paul – waar mensen echt woest waren door het idee dat Piet niet meer in blackface en met dikke lippen ging optreden.”
“Die woede kan een kanalisering zijn van een andere drift,” zei Budur. Ze had nog niet veel gegeten.
“Hoe bedoel je?” vroeg Jana.
“Ik doe niet aan psychoanalyse,” zei Budur, “dus dat kan ik je niet zeggen. Om eerlijk te zijn verdiep ik me ook niet graag in de psychologie van racisten.”
“Maar niet iedereen die Zwarte Piet verdedigt is een racist, toch?” wierp Jana op.
“Ja, maar alle racisten verdedigen wel Zwarte Piet,” zei Budur.
Er viel een bedachtzame stilte. Bestek tikte. Voedsel werd aangesneden.
“Het is trouwens bijzonder lekker, Paul,” zei Fin.
“Dank je,” mompelde die met z’n mond vol, z’n duim omhoog stekend.
William dacht nog na over wat Budur gezegd had. Er was natuurlijk het weid verspreide idee dat de Europese cultuur op de helling stond. Dat idee was niet nieuw. Het werd al gezegd in het interbellum en het werd gebruikt om de Holocaust te rechtvaardigen. Ook hedendaagse racisten grepen dat idee aan om hun haat te rechtvaardigen. Misschien werd die primaire reactie verder versterkt doordat het iets aanraakte uit mensen hun kindertijd. Voor William was die nostalgie afwezig. Hij was per ongeluk te weten gekomen dat de Sint niet echt was toen hij vier was en zijn ouders had betrapt die speelgoed naar beneden aan het brengen waren. Fin geloofde toen zelf al niet meer in de Sint en was verbannen bij het familiale gezang van Sinterklaasliedjes omdat hij altijd schunnige parodieën zat te verzinnen op de teksten. In feite was hij nog niet zo veel veranderd. Kelly had nog lang geloofd in de Sint.
“Mag ik nog eens de kroketten?” vroeg Fin, die ze dan ook kreeg via Kelly.
“Enfin, het is goed dat er een debat over is, over die hele kwestie. 30 jaar geleden was dat ondenkbaar,” zei Fin toen, de discussie weer oprakelend.
“Het is waar. Allochtone gemeenschappen zijn mondiger geworden,” zei Jana, en toen tot Budur, “of wacht, mag ik dat woord eigenlijk nog gebruiken?”
Budur haalde haar schouders op.
“Het woord zelf wordt natuurlijk in stigmatiserende zin gebruikt, maar welk woord je ook kiest, het stigma gaat niet weg. Er zijn mensen die vallen over woordkeuze, maar ik niet zo erg. Onze buurjongens indertijd waren zwart en verwezen naar zichzelf als negers. En ik moet zeggen dat de mensen die de grofste moppen kenden over Marokkanen, meestal Marokkanen zelf waren.”
“Met jezelf lachen is één ding. Ik heb William vaak uitgemaakt voor debiel toen we klein waren, maar hij wist dat ik dat niet meende. Ik zou zoiets nooit gezegd hebben tegen iemand die ik niet kende.”
“Ja, als je op dezelfde hoogte staat, sociaal, kan zoiets acceptabel zijn,” zei William, “maar dat is iets wat veel mensen niet begrijpen aan discriminatie: dat het een systeem is, geen verzameling losse incidenten.”
“Ik ga eerlijk zijn en toegeven dat ik er niet zo veel last van heb als anderen,” zei Budur, “maar dat komt omdat ik mij kleed zoals jullie en praat zoals jullie. Mijn nicht, die een hoofddoek draagt, wordt op straat soms zomaar uitgescholden. Ze is nochtans hier geboren.”
“Dat is erg,” vond Kelly.
“Ja, en het is ook niet omdat je niet hier geboren bent, dat je mag uitgescholden worden,” zei Paul.
“Heb jij vaak te maken met anti-Nederlandse gevoelens?” vroeg Fin niet helemaal ernstig.
“Wel,” zei Paul, die z’n mond afveegde met een servet, “het zal wel niet zo erg zijn als een Afrikaan die oerwoudgeluiden moet horen, maar soms worden die clichés over Nederlanders me ook te veel hoor.”
“Ik erger me daar zelfs meer aan dan hem,” zei Kelly.
“Meestal is het niet slecht bedoeld,” zei Paul, “zo’n grap over kaas of gierigheid gaat er nog wel in. Maar ergens binnenkomen en onmiddellijk begroet worden met “oei, dienen arroganten Ollander is daar!”, dat is niet prettig. Vooral omdat ik niet denk dat ik arrogant ben.”
“Nee, maar wel luid. Dat is al voldoende voor sommige mensen,” zei Kelly.
“Ik vind het juist fijn dat Paul leven in de brouwerij brengt,” zei Fin.
Paul glimlachte beminnelijk. In het gedimde licht van de tafel leek hij plots op een Nederlandse charmezanger. Jana kneep in Williams hand, zomaar. Hij glimlachte naar haar. Het was een gezellige avond.
“Ik weet trouwens niet of jullie nog een theorie willen horen,” zei Fin toen, “maar deze discussie doet me denken aan een idee waar ik al lang mee rondloop. Wie hier onder jullie heeft er ooit gekeken naar Transformers? Ik bedoel de oude cartoon uit de jaren ’80, niet de films van Michael Bay.”
William, Kelly en Paul staken hun handen omhoog.
“Ik heb er wel eens eentje gezien, denk ik,” zei Budur, “mijn oudste broer keek ernaar.”
“Dat is helemaal aan mij voorbij gegaan,” zei Jana, “Ik vond robots stom. Dat zijn toch die robots die in auto’s en zo veranderen, hé?”
“Inderdaad,” zei Fin.
“Laat je theorie eens horen,” zuchtte William, die zich voorbereidde op een nieuwe reis in het absurde.
“Mijn theorie is dat de Transformers een propaganda-allegorie zijn voor Amerikaans conservatisme.”
“O? Dat is toch zo vergezocht niet?” reageerde William, “De cartoon was gemaakt om speelgoed te verkopen.”
“Ja, maar toch zitten er ideologische elementen in verweven,” zei Fin, “Begin bijvoorbeeld bij de leider van de goeden, Optimus Prime. Optimus voert enkel oorlog als hij moet en enkel voor nobele zaken. Zo ziet Amerika zichzelf ook graag. Bovendien zijn zijn kleuren rood, blauw en wit, met kleine gele accenten: de Amerikaanse vlag. Hij verandert in een grote truck: een symbool voor de Amerikaanse werker die onvermoeibaar lange afstanden aflegt door het grote land. Kijk naar de andere Autobots: die veranderen in sportwagens, ziekenwagens, brandweerauto’s en gewone personenauto’s, een paar uitzonderingen niet te na gesproken. Hun kleuren zijn helder en eenvoudig.”
“Wacht, wacht,” zei Kelly, “Bij de Autobots zaten er toch ook militaire voertuigen?”
“Amerikaanse militaire voertuigen, ja,” zei Fin, “En dan hebben we de Decepticons, de slechteriken. Hun leider, Megatron, is volledig wit met een paar metaalaccenten. Zijn helm lijkt met een beetje fantasie op een kap en hij heeft rode ogen.”
“Mijn God,” lachte William, “ga je nu zeggen dat Megatron een symbool is voor de Ku Klux Klan?”
“Precies,” zei Fin, met zijn vinger op tafel tikkend, “Daar komt nog bij dat Megatron verandert in een pistool. Hij kan zelf niet bewegen in zijn alternatieve vorm. Als dat geen allegorie is voor impotentie, weet ik het ook niet. Daar komt bij dat zijn luitenant, Starscream, een karikatuur is van een homo en meestal met Megatron mag schieten. Schieten.”
“Mijn God Fin, ik wist niet dat jij zo’n nerd was,” zei Jana.
Fin nam een slok.
“Er is nog meer, hoor.”
“Fin, laat het maar zitten,” zei Kelly gemoedelijk. William lachte nog wat na.
“Ik zou nog wat wijn willen,” zei Budur.
“Daar ben ik ook wel aan toe,” zei Paul dankbaar.

Hoofd geflankeerd door vlees (II)

Kelly vond het op een manier vervelend dat Fin niet was meegegaan om te roken. Voorgaande jaren hadden ze nu samen in de rook gestaan om de hoek van het huis, keuvelend over kleine en minder kleine zaken die niet voor de oren bestemd waren van hun wederhelften of van broer William. Het stak des te harder dat het Fin was die zeven jaar geleden Kelly haar eerste sigaret had aangeboden op een feestje bij hem thuis, toen hij nog volop de bon vivant was voor wie geen vloer te stevig was om door te zakken, geen plafond te hoog om door te knallen.
Niet dat Kelly iets had tegen Budur. Ze mocht haar rust en evenwicht. Fin, William en Kelly waren op hun manier alle drie onrustig, een trekje dat ze van hun moeder hadden. Bij Kelly zat die onrust het diepst en kwam hij ook het minst vaak naar boven.
“Hoe is het nog met jou?” vroeg Kelly aan Budur, nadat ze haar sigaret aangestoken had. Budur keek naar de vlam en de gloeiende askegel alsof er een diepere waarheid in besloten lag, maar misschien was dat gewoon omdat ze een hoofd kleiner was dan Kelly en geen zin had om op te kijken.
“Goed,” zei Budur. Nu sloeg ze haar ogen wel op naar Kelly. Ze waren diepbruin, bijna zwart. Kelly herinnerde zich dat Budur een postgraduaat deed in filosofie.
“Is Fin soms niet wat te druk voor jou?”
“Hij is enkel zo in gezelschap. Thuis is hij kalmer,” glimlachte ze. Kelly glimlachte ook.
“Dat is zo. Paul zegt soms dat Fin Nederlander had moeten zijn, voor hoe exuberant hij is.”
“Fin zou het niet graag horen.”
“Heeft hij iets tegen Nederlanders?”
“O nee, dat is het niet. Ik denk gewoon niet dat hij zichzelf ziet als exuberant.”
Ze haalde haar schouders op.
“We zien onszelf vaak niet zoals we werkelijk zijn. Als we al iets zijn.”
Kelly nam een trek van haar sigaret. Van binnen klonk lawaai van Paul die vrolijk tekeer ging in de keuken.
“Als we niets zijn, wat zijn we dan wel? We kunnen niet niets zijn, toch?” vroeg Kelly.
Budur glimlachte. Haar glimlach had iets ongepast guitigs.
“In figuurlijk zin zijn we natuurlijk altijd iets. Maar niet iets dat vaststaat. Dat denk ik toch. We hebben onze gewoontes, onze opvattingen… maar die veranderen.”
“Ze veranderen moeilijk,” zei Kelly.
“Of plots.”
Kelly vroeg zich af wat Budur daarmee bedoelde maar ze stelde die vraag niet luidop. Ze stelde zelden luidop vragen of probeerde niet vaak te peilen naar diepere bedoelingen zolang zijzelf niet in het vizier kwam. Mensen hielden daarvan bij haar. Ze konden het gevoel krijgen gewoon “te zijn” – opnieuw dat zijn – bij haar, en niet dat ze zich moesten uitleggen of verantwoorden.
“Hoe lang duurt je postgraduaat nog, eigenlijk?”
“Nog twee jaar, normaal. Het is langer dan ik verwacht had.”
“Waarover gaat het? Ik weet dat je me dat al eens hebt proberen uitleggen, maar het is al een tijd geleden dat ik je gezien had en ik had toen net gegeten.”
Opnieuw die guitige glimlach.
“Dat is ok. Het was toen ook maar de eerste keer dat je me zag, denk ik.”
Kelly blies een rookpluim uit, weg van Budur.
“Ik probeer een link te leggen dus de opvattingen over moraliteit en persoonlijke plicht van Nietzsche en die van het boeddhisme.”
“Is die er dan?”
Kelly had in haar kunstopleiding kort Nietzsche gezien maar kon zich nu enkel zijn woest besnorde kop herinneren en zijn op de spits gedreven uitspraken over een amoreel leven. Van het boeddhisme wist ze zo goed als niets. Monniken die beaat stonden te glimlachen in saffranen gewaden. De dalai lama met zijn zonnebril die verkleurde in het zonlicht.
“Min of meer. Nietzsche had het één en ander gelezen over het boeddhisme via Schopenhauer. Zijn begrip was zeker niet perfect, maar hij had wel een positieve waardering voor het nuchtere pessimisme van het boeddhisme.”
“Pessimisme? Die boeddhisten staan er altijd zo vrolijk bij.”
“Dat is het net. Door te zien dat alles voorbij gaat en alles maar schijn is, vinden veel boeddhisten humor in het absurde van waar de meeste mensen bezig mee zijn. Nietzsche zag daar trouwens zelf ook de grap van in.”
“Zeer geestig leek hij me niet.”
“Zijn humor was zeker een stuk boosaardiger, dat is waar. Ook dat had hij van Schopenhauer. En een grote vrouwenvriend was hij zeker ook al niet.”
Kelly hield haar hoofd scheef.
“Da’s toch wel zo’n ding hé, niet? Die filosofen waren vaak nogal raar met vrouwen.”
Budur lachte nu voluit.
“De geschiedenis van de wereld zit vergeven van de grote mannen die bij vrouwen huilende kleine jongens of gefrustreerde pubers werden. Niet alleen filosofen. Ook staatsmannen, wetenschappers, militaire leiders…”
“… en kunstenaars,” zei Kelly. Ze dacht aan de kwasten die ze was tegengekomen tijdens haar opleiding of nu nog, op bijeenkomsten van illustratoren. De gevoeligste types bleken vaak nog de lompste boeren als het aankwam op vrouwen.
“Het is dus niet eigen aan filosofen,” zei Budur. Kelly dacht plots aan Budurs afkomst, wat ze zelden deed. De vraag rees in haar op of zij zich had moeten vrijvechten om geen hoofddoek te dragen maar wel een zwarte jeans, maar opnieuw besloot ze dat niet te doen. Waarschijnlijk kreeg ze er al zo vaak vervelende vragen over.
“Enfin, succes met je postgraduaat, alleszins.”
“Dank je.”
Kelly’s sigaret was bijna op.
“Heb jij ooit gerookt?”
“Nee. Ik vind het wel fascinerend dat mensen dat doen. Gelijk welk roesmiddel, eigenlijk.”
“Hebben filosofen daar ook theorieën over?”
“Hoe meer ze er zelf gebruikten, ja.”
Kelly lachte, nam een laatste trek en trapte toen haar peuk plat op het terras.
“Kom, we gaan terug naar binnen.”

Binnen was het behaaglijk warm. Ze kwamen net aan het einde van Fin die William en Jana weer op een anekdote zat te vergasten. Jana lachte en William schudde grijnzend zijn hoofd.
“Goed dat je terug bent, Kell, Fin begint hier aan onze controle te ontsnappen,” zei William.
Fin knipoogde naar Budur maar zei niets meer. Kelly ging door naar de keuken.
“Alles onder controle, lief?” vroeg ze aan Paul, die fluitend in de weer was met drie potten tegelijk alsof het niets was.
“Maak je geen zorgen!” zei hij tussen het roeren en het schudden met een pan door, “Alles komt hier prima in orde!”
Ze gaf hem vlug een kus op zijn stoppelige wang en ging terug de woonkamer in.
“… maar kan je iemand graag zien als je die persoon ook bedriegt?” vroeg Jana net.
“Hola. Zware onderwerpen,” zei Kelly, die terug ging zitten, “mag jullie kleine zusje ook meedoen.”
“Hay guyz, what’s going on in this thread?” zei Fin met een stomme gelaatsuitdrukking.
“Fin, serieus,” zei William, waarop hij zich tot Kelly richtte: “We kwamen van het één en het ander op de aard van liefde en graag zien. Fin houdt vol dat als je iemand echt graag ziet en je de afspraak hebt elkaar niet te bedriegen, dat als je dat wel doet, dat je liegt dat je je partner graag ziet. Juist?”
Fin knikte en leunde achterover. Hij maakte een breed handgebaar.
“Ongeveer. Eén van de twee is fake. Of het bedrog is fake, of de liefde.”
“Hoe kan bedrog nu fake zijn?” vroeg Jana, “Je doet het of je doet het niet.”
“Je motivatie kan fake zijn. Je kan het doen onder dwang.”
“Dan is het geen bedrog,” vond Budur, “dat is aanranding.”
“Maar fysiek kan de daad precies hetzelfde lijken. Niemand weet wat er in je hoofd omgaat.”
“Intentie speelt een rol hé Fin,” zei William gestoord, “als je die redenering doortrekt dan zijn er heel wat dingen die raar zijn. Dan zijn moord en doodslag ook precies hetzelfde.”
“Sommige mensen denken dat.”
“Denk jij dat?”
“Wel, nee. Je hebt een punt,” gaf hij toe.
“Ik geloof wel dat sommige mensen een oprechte misstap kunnen begaan en toch hun partner graag zien,” zei Jana. Kelly dronk van haar glas.
“Hoeveel misstappen moet iemand begaan tegen dat het er te veel zijn en de liefde niet meer oprecht is?” vroeg Kelly, “Voor mij is het simpel: één keer is één keer te veel.”
“Wat is bedrog dan voor jou?” vroeg Fin.
“Alles wat je met je partner doet maar normaal niet zou doen met vrienden.”
“Hm,” zei William. Ook Jana keek bedachtzaam.
“Sommige mensen vinden iemand anders knuffelen al bedrog,” zei Budur, “Ik had ooit een vriend die daar erg kwaad om werd. Maar ik knuffelde al mijn vrienden. Hij deed dat zelf nooit.”
“Wat jammer. Knuffelen kan zo fijn zijn,” zei Fin.
“Da’s gewoon onredelijke jaloezie,” zei Kelly.
“Is jaloezie niet altijd onredelijk?” vroeg Budur.
“Niet als je redelijke aannames hebt dat je echt bedrogen wordt,” vond Jana.
“Zou jij kijken naar m’n gsm of m’n e-mails?” vroeg William zijdelings aan zijn vrouw. Jana aarzelde en draaide met haar glas in haar hand.
“Uitzonderlijk, ja. Ook al weet ik dat dat niet netjes is.”
“Ik zou dat nooit doen,” zei William ernstig.
Kelly kon zich niet voorstellen dat Paul of zij dat ooit bij elkaar zouden doen. Paul was sociaal en opgewekt en hij was fysiek met mensen, maar hij had zich nog nooit laten gaan op wilde feestjes zoals die soms voorkwamen in het theatermilieu. “Ik heb m’n part gehad,” had hij ooit tegen Kelly gezegd, en haar daarna tegen zijn borst aangedrukt. Ze herinnerde zich dat hij toen een zacht prikkende, wollen trui had gedragen. Geen van hen was een jaloers type.
“Ja? Ik wel,” zei Budur rustig. Fin trok een wenkbrauw op.
“Ja? Heb ik je daar ooit reden toe gegeven?”
“Nee,” antwoordde ze nog altijd even rustig, “maar ik stop m’n irrationele kanten niet weg. Waarom zou ik?”
“Uit respect voor m’n privacy?” suggereerde Fin.
“Wat voor privacy, Fin?” vroeg William met lood in z’n stem, “Denk je dat Budur je ondergoed met vieze strepen in nog nooit gezien heeft? Dan heb je geen recht meer op privacy.”
Kelly lachte. Budur reageerde er niet op en keek Fin gewoon aan met die enorme zwarte ogen van haar. Fin schudde langzaam z’n hoofd.
“Jij bent… een bijzondere vrouw,” zei hij stil.
“We zijn aan het afdwalen,” zei Jana, zoals altijd bij de les, “Ik vind: bedrog komt in gradaties. Je kan er niet absoluut over zijn. Je bepaalt dat zelf als koppel. Als je daar al niet uitkomt, zit het fout.”
“Daar kan ik me in vinden,” zei Kelly.
“Hebben wij daar ooit over gesproken?” vroeg William aan zijn vrouw. Zijn zware brilmontuur en frons leken één. Jana glimlachte als een wolvin.
“Is dat ooit nodig geweest?”
Op dat moment stak Paul z’n rood aangelopen, met elektrische krullen omlijste hoofd door de deur.
“Heren en dames, het eten is bijna klaar! Jullie mogen aan tafel!”

Hoofd geflankeerd door vlees (I)

Kelly vulde zes glazen cava en het gezelschap was een moment stil, wat het bruisen van de bubbels een sacrale kracht leek te geven. Fin glimlachte toen hij zag hoe ernstig en gefocust Kelly keek. Ze was zijn jongste en enige zus, een slanke vrouw met blond haar en lieve blauwe ogen, een opgeschoten type girl next door. Fin had ook haar ogen maar was grover gebouwd, wat zwaarder rond de buik en had een onregelmatige rosse baard.
“Ah, de glazen zijn vol, zie ik!” verstoorde Paul de stilte. Paul, Kelly’s man, kwam met een dienblad warme hapjes uit de keuken. Hij was een energieke en altijd goed geluimde Nederlander, waarbij zijn springerige bos krullen een pars pro toto leek voor de man zelf.
“Dat ruikt lekker!” zei Budur, Fins vrouw.
Fin moest toegeven dat het waar was. Een hint van bladerdeeg en zalm. Paul zette het dienblad op de salontafel en Kelly gaf iedereen zijn of haar eigen fluit.
“Zullen we dan maar toasten?” vroeg Paul. Hij gebaarde dat iedereen moest rechtstaan. Fin, Budur en Kelly stonden overeind, en toen ook William en Jana. William rolde met zijn ogen. Hij was de jongere broer van Fin, maar ouder dan Kelly. Hij had een ernstig, onveranderlijk gezicht en droeg een zware bril.
“Waarop toasten we dan?” vroeg Fin praktisch.
“Op ons, toch?” zei Paul. Fin glimlachte.
“Op ons, dan!” zei hij. De rest herhaalde de zin en er werd links en rechts en dwars geklinkt met de glazen. Er werd genipt, goedkeurend gemompeld. De prik van de cava was een beetje te hard naar Fins smaak.
Het was niet evident voor de twee broers en hun zuster om allemaal samen te kunnen komen, en dan nog met hun partners. Fin woonde aan de kust, Kelly in een Gentse randgemeente en William zat voortdurend in het buitenland op allerlei congressen. Paul reisde ook veel.
“Zie ons hier zitten als petits bourgeois,” grimaste William toen ze weer zaten. Hij nam een hapje.
“Dat moet kunnen. Je kan niet altijd de hemel bestormen,” vond Fin. William was docent in de sociologie en stond bekend als een strenge adept van linkse standpunten.
“Ik vind ook niet dat het bijzonder bourgeois is om hapjes te eten en cava te drinken. Het is niet alsof ik Vivaldi heb opgezet en seizoensgebonden servetten op tafel heb gelegd,” zei Kelly.
“Ik zou niets tegen Vivaldi hebben,” zei William met z’n mond vol.
“Ach komaan,” zei Jana, “Vivaldi is één van de meest clichématige componisten ooit. Er zijn zeker duizenden mémé-en-pépé-tavernes in Vlaanderen die Vivaldi heten.”
William lachte, nog steeds met zijn mond vol. Jana was enkele jaren ouder dan William en had permanent één lok wild donker haar voor haar ogen en een mond die aan één kant een beetje scheef stond, alsof ze alles bekeek met preventief sarcasme.
“Vivaldi, ja,” zei Fin, “of Richelieu.”
“Misschien zijn het ketens?” opperde Paul.
“Ik vrees dat het gewoon een gebrek aan originaliteit is bij de Vlaamse middenstand,” zei Fin.
“Moet alles ook echt origineel zijn?” vroeg Budur zacht. Fins vrouw was niet groot maar imponeerde altijd door haar geruisloze, elegante aanwezigheid. Het was alsof ze enkele centimeters van haar huid een onzichtbaar krachtveld had dat te harde, lelijke of irrelevante zaken deed afketsen.
“Daar heb je een punt,” zei Paul om onverklaarbare redenen enthousiast, “Ik bedoel, niemand klaagt toch ook dat al die Chinese restaurants Ocean Palace, Jade Garden of New Dragon heten of zo?”
“Onoriginaliteit is geen unieke Vlaamse eigenschap,” zei Jana zuinig.
Kelly zette haar glas op tafel.
“Uiteindelijk is niets volledig origineel. Alles is altijd gebaseerd op iets anders,” zei ze. Kelly was illustrator van kinderboeken. De muren van de woonkamer hingen dan ook vol prints van haar eigen werk en reproducties van artiesten die ze zelf bewonderde.
“Ok, maar er is toch een groot verschil tussen, ik zeg maar iets, een stationsromannetje dat volgens een bepaald sjabloon geschreven is, dan een roman die conventies uitdaagt en verweeft?” vond Jana.
“Is er echt een verschil, ja? Is dat niet gewoon allemaal snobisme?” hield Kelly vol.
“Snobisme is ook maar een stok om een hond mee te slaan,” zei Fin. Kelly hield haar hoofd scheef.
“Niet weer die discussie, graag,” zei William.
“Jij moet spreken, jij bent hier de übersnob,” zei Fin vurig. William lachte betrapt.
“Ik vind jou soms erger, hoor,” zei Kelly, “William komt er tenminste voor uit dat hij neerkijkt op populaire cultuur.”
“Dat is niet helemaal waar,” protesteerde hij zwak.
“Je kan toch wel moeilijk ontkennen, Kell, dat sommige dingen echt wel voor idioten zijn,” zei Paul.
Kelly zette zich schrap.
“Foute opmerking, Paul,” lachte Fin.
“Maar idioot volgens wie? Volgens hun IQ-testen of zo? Wat zegt dat echt over menselijke intelligentie?”
“Meer dan je denkt, eigenlijk,” zei William, die nog een hapje at. Fin en Budur namen er tegelijk ook eentje.
“Het zit zo,” zei William, “als een IQ-test voldoet aan de juiste wetenschappelijke normen en test op de drie klassieke domeinen – logica, wiskunde en ruimtelijk inzicht – dan krijg je al een vrij goede indicatie of iemand intelligent is of niet. Ze hebben in de jaren ’90 geprobeerd om meer intelligenties te introduceren, zoals interpersoonlijke of muzikale, maar het bleek dat mensen die zwak scoren op een traditionele IQ-test, even zwak scoren op een test die meer domeinen test.”
Hij haalde zijn schouders op.
“Sommige mensen zijn helaas minder intelligent.”
“Ja, maar dat is volgens de logica van zo’n test,” zei Kelly, “Er zijn een pak mensen die uit zo’n test kunnen komen als slim, maar bijvoorbeeld dronken worden en zich te pletter rijden tegen een boom.”
“De domste dingen worden meestal ook gedaan door de slimste mensen,” zei Jana cryptisch.
Paul, Budur en Fin lachten.
“Hoe bedoel je?” vroeg Paul, die een hapje doorspoelde met een fikse teug cava.
“Jullie kennen misschien de Darwin Awards wel,” zei Jana.
Fin en Paul knikten. Budur trok een wenkbrauw op.
“Dat waren een soort postume internetonderscheidingen voor mensen die zichzelf uit de genenpoel hadden verwijderd op een spectaculair domme manier,” legde Jana uit, “en wat me daarbij opviel was dat veel van die mensen in feite precies omwille van hun intelligentie in de problemen waren gekomen. Er was bijvoorbeeld het verhaal van een Serviër die zijn schoorsteen wilde schoonmaken door er een granaat in te droppen. Maar omdat hij besefte dat de explosie moest gebeuren in de schoorsteen zelf, wilde hij de granaat laten zakken aan een ketting. Zijn fatale fout was dat hij die ketting aan de granaat probeerde te lassen.”
Algemeen gelach.
“Goed, maar denk hier eens over na,” zei Jana, “een aap zal nooit op dat idee komen, weet niet wat een granaat is, kan niet lassen, heeft geen concept van wat een schoorsteen is, en zo verder.”
“Dat is me toch wat te algemeen,” zei Fin, “op die manier is elke persoon ter wereld een wonder.”
“We zijn allemaal winnaars,” zei William sarcastisch.
“Ik heb een veel betere lakmoesproef voor intelligentie,” bood Fin aan.
Kelly en William keken sceptisch. Ze herkenden de uitdrukking van hun broer al als hij van plan was iets volstrekt onnozels te zeggen. Jana en Paul keken verwachtingsvol. Budur hield haar gedachten in beraad.
“Of iemand fan is van FC De Kampioenen of niet,” zei hij.
“Wat?” reageerde Jana.
“Wat zegt dat dan, volgens jou?” vroeg Kelly.
Fin keek eerst naar Paul.
“Paul, ik hoop dat jij niet kijkt naar FC De Kampioenen omdat je hoopt dat je dichter kan komen tot de Vlaamse cultuur op die manier.”
“Nou, ik heb wel al eens een fragment meegepikt, maar ik vond het niets bijzonders.”
“Goed. FC De Kampioenen speelt zich af in een provinciaal universum waar niets ooit echt verandert. Elk personage heeft bepaalde, zeer beperkte dromen: de vrouwelijke personages willen in het algemeen een soort status bereiken en de mannelijke personages willen zich gewoon amuseren. Niemand staat ooit stil bij de ellendige existentiële horror waar ze zich in bevinden. Alles wat ze ondernemen, is tot mislukken gedoemd en hun posities zijn het resultaat van een vastgeklonken sociale hiërarchie waar niets enige echte consequentie blijkt te hebben. Boma blijft een rijke vetzak, Pascalleke blijft in haar café staan, Xavier blijft pintjes lekken en Doortje blijft een seut. Dat is eigenlijk alles behalve grappig. De komedie, zo moeten we geloven, vloeit voort uit simpele misverstanden die een kind uit de lagere school kan oplossen op vijf minuten. Primitieve maar oppervlakkige emoties houden de personages in een eeuwige deining maar niemand beseft in wat voor miserie ze eigenlijk verkeren. Kijk naar het huwelijk van Xavier en Carmen. Carmen is duidelijk seksueel extreem gefrustreerd en allebei zijn ze sluimerende alcoholici. Ze zouden beter uit elkaar gaan maar hebben het gevoel dat ze eigenlijk niet beter kunnen krijgen. Of kijk naar Bieke, die tot diep in de 30 wordt neergezet als één of andere hippe vrouw.”
“Of dat ze een tiener moest spelen met dat onnozele kapsel,” grijnst William.
“Precies. Uiteindelijk komt ze terecht bij een loser als Marcske die we allemaal zogezegd sympathiek moeten vinden, maar wat heeft die te bieden? Hij is een brave jongen en hij drinkt niet, maar hij heeft nul ruggengraat, is ontzettend dom en nauwelijks sociaal aangepast. Dan is er Boma. Geef zo’n Boma drie minuten in een modern industrieel, internationaal bedrijf, en hij wordt vierkant uitgelachen. Ik snap wel dat hij een soort oude franskiljon moet vertegenwoordigen, maar zijn vleesfabriek produceert duidelijk minderwaardige kwaliteit en zijn seksuele wandaden zijn allesbehalve grappig. Hij teert enkel op kapitaal en vergane glorie.”
“Jij hebt daar veel te hard over nagedacht,” oordeelde Jana.
Fin leunde achterover.
“Is dat zo? Zuslief Kelly brak daarnet een lans om populaire cultuur serieus te nemen. Dat heb ik zonet gedaan. En de existentiële horror blootgelegd van wat zichzelf voordoet als komedie. De kijker wordt uitgenodigd om te lachen met een destillaat van zijn eigen wanhopige positie.”
Paul lachte luid en gretig.
“Man. Dat heb ik nog nooit van m’n leven gehoord. Heb je ooit overwogen om theaterkritiek te schrijven?”
Paul werkte als producer voor een theaterhuis.
“Wat verdient dat?” vroeg Fin.
“Niet veel,” gaf Paul toe, “maar ik zou het toch overwegen.”
“Wat wil je nu eigenlijk zeggen?” vroeg Budur, “Dat als we niet inzien dat FC De Kampioenen niet grappig is, dat we dan dom zijn?”
“Misschien niet dom. Wel oppervlakkig.”
Kelly at een hapje en keek Fin hoofdschuddend aan.
“Vel jij dan nooit een waardeoordeel, Kell?” vroeg Fin.
“Binnen een bepaalde context. Ik vind de schilderijen van Francis Bacon geweldig, maar voor een kinderboek helemaal ongeschikt,” antwoordde ze.
“Ik zie het al voor me. ‘Hoofd geflankeerd door vlees’ voor de allerkleinsten,” grinnikte William.
“Over vlees gesproken,” pikte Paul daar vlotjes op in, “Zal ik beginnen aan de maaltijd?”
Op één hapje na was het volledige dienblad leeg.
“Prima idee, Paul,” glimlachte Kelly, “Ik kom je zo helpen maar ik ga eerst even een rookpauze houden. Wie gaat er mee?”
“Ik probeer te stoppen,” zei Fin.
“Ik hou je wel gezelschap,” zei Budur.
Beide vrouwen vertrokken naar het terras achter het huis.

Verder naar deel twee.