Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de verhalenafdeling daarvan. In 2016 bundelde en redigeerde ik (streng!) alle tot dan toe geschreven kortverhalen in de antologie 'Recombinant' en in 2023 bracht ik de novelle 'De keizer van Populië' uit - je kan beiden gratis downloaden als je Patron wordt. In 2020 verscheen mijn debuutroman 'Fragmentariërs'. In 2023 bracht ik de opvolger 'Constellatie' uit. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

woensdag 21 september 2011

De gehangenen (IV)

4. Runen

4 maart 1943

Het vroor niet meer, en het ijs was weg. Het was een goede dag om te gaan vissen. Angèle heeft dat eigenlijk niet graag, dat ik dikwijls alleen het bos in ga, omdat ze misschien zouden denken dat ik een partizaan ben. Ik keer nochtans altijd terug met minstens één vis, dus ik zie niet in dat ze dat raar zouden vinden. Vanmorgen vroeg Peter mij wel beschaamd of hij “mit mag”. Ik vind het een sympathieke mens, maar ik moet oppassen wat de mensen zeggen.


Ik keek op de klok. Nog drie minuten tot mijn afspraak. Op mijn krukken betekende dat dat ik te laat ging komen. Ik twijfelde even, stak het dagboek van Louis Devilder in mijn jas, en ging toen op weg. Nog een geluk dat het maar tweehonderd meter gaan was, op de hoofdstraat. Het regende lichtjes, en ik was blij dat ik kon binnenstappen in het warme café. Ik was er als kind een paar keer geweest met mijn ouders en had er toen een chocomelk of een cola gedronken. Sindsdien had ik het gekend als een oudeventjescafé, het soort waarvan elk dorp in Vlaanderen er minstens één had. Nooit te marginaal, nooit te chic, met bijna alle dagen dezelfde klanten. Mijn moeder hield er niet van, maar dat was omdat ze dacht dat iedereen die meer dan een keer per maand op café ging, een dronkaard was die niet deugde. Ik bedacht me soms dat als ze de plaatsen gezien had waar ik gezeten had – champagnebar vooraan, coke achteraan, in het midden een massa decadente feesters – dat ze steil achterover zou gevallen zijn, en haar zoon nauwelijks zou herkend hebben. Ze had ook wel de vonnissen en de artikels gelezen, maar ze vroeg er nooit naar. Ze had me eigenlijk zelfs nooit de cruciale vraag gesteld of ik echt schuldig was, en daar was ik trouwens ook blij om.
Toen ik het café binnenhopte op mijn krukken, keken de stamgasten eerst naar mijn gips en mijn metalen krukken, en dan naar mij. Ik herkende, erg vaag, van vroeger nog de oude directeur van de lagere school, meester Roland. Hij zag er erg oud en ontevreden uit. De barvrouw was nog altijd zo rondborstig en zwaar als ik mij herinnerde, maar met meer rimpels rond de ogen.
Sommige mensen herkenden mij allicht wel. Ik knikte iedereen toe, en knipoogde naar Jana, die al aan een tafel bij het venster zat.
“Die pint is voor jou,” zei ze, gebarend naar het tweede, volle glas bier dat naast een halfleeg stond. De aandacht van meester Roland, de barvrouw en de drie andere stamgasten stierf weer weg in het houten gemurmel van het café en zijn verdonkerde vensters. Er was ook een soort muziek, maar God wist welk genre.
“Merci,” zei ik, nadat ik me had laten zakken op mijn stoel. Ik dronk gulzig. Het was mijn eerste pint in dagen.
“Dat doet deugd,” zei ik. Ik keek Jana aan.
“Wat scheelt er?” vroeg ik, toen ik merkte dat ze nogal ontwijkend keek.
“Ben je zeker dat je overgrootvader wel goed bij zijn hoofd was?” vroeg ze aarzelend.
“Ik heb hem nooit gekend. Maar uit zijn dagboek lijkt hij mij een doodnormale mens. Waarom?”
 “Wel,” antwoordde Jana, terwijl ze mij over tafel een opgevouwen vel papier toeschoof, “Ik heb er mijn oude boeken eens bijgehaald, en nadien nog eens gecontroleerd. Het alfabet dat hij gebruikte heeft trouwens maar vierentwintig letters, dus soms moest ik een beetje zoeken om te zien wat hij bedoelde.”
“Maar het is Nederlands?”
“Ja, natuurlijk. Niemand spreekt Oergermaans of de taal van de Vikings of zo,” zei Jana logisch. Ik nam nog een slok bier, slikte een verwensing in voor haar pretentie die ik na al die tijd wat vergeten was, en vouwde het blad papier open.

Ik spreek en ik zie de naam van de ene God met het ene oog Woden die meer ziet dan ons en nog de wouden niet heeft verlaten in onze donkerste dagen.

Ik keek op.
“Wat?”
“Hij gebruikte geen punten of komma’s, dus dat heb ik zo gelaten.”
Ik las verder met toenemende verwarring.

Ik spreek de naam uit van zij die nog moeten komen en onze valse (Waalse?) broeders die ons bezetten ik vervloek hen niet voor het voeren van strijd of het meten van kracht maar voor hun vergieten van bloed van onschuldigen en zinloos vergaren van goud en wapens alles gaat dood en gaat weg en uiteindelijk blijven mannen alleen achter één voor één in hun hoge kastelen infeite zijn zij altijd al alleen geweest maar het is de dood gezonden door Woden de halfblinde die hen de ogen zal openen
Ik vouwde het papier terug dicht en wreef over mijn mond.
“Ok, dit is raar.”
“Ja, ik dacht eerst dat het een soort codetaal was. Je weet nooit dat je overgrootvader in het verzet zat.”
“In zijn eigen dagboek zegt hij van niet.”
“Maar misschien liegt hij,” zeiden Jana en ik tegelijk. Ik moest ongemakkelijk lachen.
“Tja. Het doet er niet toe, neem ik aan. Wie weet was hij inderdaad wel niet helemaal in orde in zijn bovenkamer. Mijn moeder heeft altijd gezegd dat er iets aan hem mankeerde na de oorlog. Mensen aten en dronken toen rare dingen en gebruikten nog DDT en zo.”
Ik nam nog een stevige slok bier.
“Of misschien nam hij zware medicijnen? De geneeskunde was in de jaren ’40 ook nog niet wat ze vandaag is.”
“Hij klaagt nooit over ziekte,” zei ik weifelend, “Maar je weet nooit.”
Ik opende terug het blad papier, en liet mijn ogen over de sierlijke krullen van Jana glijden, die op zich al bijna een soort geheimtaal leken te vormen.
“Alleszins bedankt,” zei ik toen, “Nu weet ik ook dat je niet jarenlang zotte dingen moet gezien hebben om zotte dingen te kunnen schrijven.”
“De Tweede Wereldoorlog was redelijk zot,” zei Jana zuinig.
“’t Is niet alsof hij in de Holocaust zat,” zei ik met een schouderophalen, “En daarmee wil ik nu ook niet zeggen dat wat ik de laatste jaren gezien heb, daarmee te vergelijken valt. Hij is ontsnapt aan de dienstplicht, indertijd, en heeft geen mensen zien doodgaan. Ik... tja. Ik spreek er liever niet over.”
“Het is ok,” zei Jana. Ze leek nieuwsgierig om het verhaal te horen, en ik overwoog even om te vertellen dat ik gezien had hoe iemand die zijn drugs niet meer kon betalen in elkaar werd gemept tot er van zijn gezicht alleen een rode, opgezwollen massa overgebleven was. En hoe ik toen had gewenst dat die gast bewusteloos was gegaan van de pijn, of zelfs dood was, om niet zo vreselijk te moeten lijden, maar hij bleef leven, ademen en spreken. Maar ik heb gezwegen. Ik zweeg tegen de rechter, tegen mijn advocaten, tegen mijn celgenoten. Zwijgen was na een tijdje zo makkelijk.
“Nee,” herhaalde ik, “Het heeft geen zin dat ik er over spreek. Dat deel van mijn leven is voorbij, en ik zit hier nu op mijn gemak.”
Het kwam er ongemakkelijk uit.
“Geen probleem,” zei Jana.
“Nog eens bedankt,” zei ik, terwijl ik het blad in mijn zak stopte, bij het dagboek. Waarom had ik dat ook meegenomen?
“Je hebt me een zondagnamiddag bezigheidstherapie gegeven,” zei Jana, “Dus geen probleem. Bovendien is het niet slecht om nog eens onder de mensen te komen.”
Ik keek voorzichtig op naar de professionele drinkers aan de toog. Meester Roland staarde intens naar een bierviltje. De drie anderen praatten met de barvrouw, en een ervan was voortdurend aan het grinniken. Ik zag hun monden bewegen maar kon niks verstaan van wat ze zeiden.
“Ja. Al is het zo vreemd om te beseffen hoe comateus iedereen hier leeft.”
“Middenbeke is meer dan dit café en een paar geborneerde middenstanders,” verdedigde Jana het dorp, “Maar je moet zoeken naar interessante plaatsen, dat is waar.”
We praatten nog even verder over gemeenschappelijke kennissen, en ik vertelde wat losse anekdotes over het dorp. Over het versgemetste muurtje naast de kerk dat omver was gevallen toen Bleke Frederik er tegen was gaan leunen, of over een vermeende wolf die uiteindelijk een dolle hond bleek te zijn die kippen had doodgebeten, of over die keer dat ik mijn valse snor niet had willen afdoen na een toneeltje op de lagere school. Het was een bitterzoete avond, en ik besloot dat ik voorlopig genoeg had van de omwentelingen rond een al bij al weinig interessant verleden.

15 april 1943

Peter is meegeweest om te vissen. Hij hield zich kalm en zei niet veel. Alleen dat hij thuis ook vaak ging “fischen”. We hebben wel niets gevangen, maar het was niet slecht om eens niet alleen te zijn ook. En ik denk dat hij er zelf ook deugd van had. De Duitsers zijn dan wel mijn vrienden niet, maar die jongens die hier zitten kunnen er ook niet aan doen. Ze hebben erover gesproken dat er misschien SS’ers naar het dorp gingen komen. Nochtans zitten hier geen Joden. Ze zijn zelf bang van de SS. Wat moeten wij dan denken? Ik heb goesting in vis. Spijtig genoeg hebben we niets gevangen.

Verder naar deel vijf.

maandag 19 september 2011

De gehangenen (III)

3. Terugweg

Ik stond erop om alleen terug te wandelen van bij de dokter, op mijn krukken. Het was al goed en wel dat mijn moeder voor mij wilde zorgen, maar voordat ik in het gevang moest, had ik ook voor mijzelf gezorgd en had ik mijn eigen was en strijk gedaan. Het was een onverschillige dag buiten, te koud om lang buiten te zijn, te warm voor een warme vest. Ik deed er zeker een uur over om de heuvel op te raken van bij de dokter tot het centrum. Het gaf niet – ik voelde mijn spieren terug werken, en het verzette mijn gedachten van dat constante thuis zitten met water, fruitsap en saaie programma’s op tv. Elke metalen klikstap van de krukken bracht mij verder, beetje bij beetje. Ik dacht aan mijn moeder, die het niet gezegd had maar wel weer gezegd had op haar eigen manier, dat ze vreesde dat mensen in Noorderbeke mij gingen herkennen. Dat ze. Alsof ze mij gingen aanspreken op mijn verleden. Ja, het is waar dat ik in de gazet gestaan heb en dat ik bleef zwijgen op het proces. Het is ook waar dat ik geen contact meer had met mijn maten van vroeger, en verdomme, ik miste die maten ook niet eens. Het was genoeg geweest, om eerlijk te zijn. Maar wat zou ik daarover te vertellen hebben tegen de beenhouwer en de schoenmaker, en de leraar van de lagere school die mij toch altijd maar een stuk crapuul gevonden had omdat ik veel vocht en raar haar had?
De hemel zat potdicht. Hier in dit dorp leek alles onwerkelijk, hoe onwerkelijk mijn leven voor hen ook moet geleken hebben. Alleen een snelle, gladde auto die door de straat raasde herinnerde nog aan de voorbije jaren. Ik had er ook zo een gehad. Ik had er in gesnoven en ik had me laten pijpen door een zangeres. Toen was ik thuisgekomen, had ik overgegeven in mijn wc.
Ik stond even stil en probeerde mij, zo goed en zo kwaad als ik kon, uit te rekken. In het boek dat de geschiedenis beschreef van Noorderbeke, en waar ik nu en dan in zat te bladeren, had er een foto gezeten van de hoofdstraat zoals die geweest was in 1935. Ze was nauwelijks herkenbaar in haar vorm van vandaag. Alleen twee huizen op de hoek en het pad naar het kerkhof waren nog hetzelfde. Al de rest was nieuwbouw of renovatie. En natuurlijk ook overal auto’s.
“Het verleden weegt zwaar in mijn kop,” had een vriend van mij ooit gezegd. Al begon het dankzij het wandelen en de fysieke inspanning lichter te wegen, toch moest ik hem eindelijk gelijk geven. En ik besefte dat de gast die dat gezegd was, intussen al dood was ook. Motorongeluk twee jaar geleden in Brugge, op slag dood tegen een boom. Ik had zin om te roken. Net toen ik een sigaret aan had kunnen steken, leunend tegen een verkeersbord aan een zijstraat, hoorde ik een stem naast mij.
“Kris! Dat is lang geleden!”
Ik keek verstoord opzij. Het duurde enkele seconden voor ik me kon herinneren wie er op de fiets zat die naast mij gestopt was. Het was een lang, mager meisje met zwart haar en grote grijze ogen. Ze had een piercing aan beide kanten van haar mond, waardoor het leek alsof ze altijd moest lachen.
“Jana? Ik wist niet dat jij hier woonde.”
Ze keek ongegeneerd naar mijn krukken en stukken grijswit plaaster.
“Al twee jaar, met Michel.”
“Wie is Michel? Wacht, ja, ik weet het weer. Die gast die in dat groepje speelde. Een maat van Dries.”
“Maten zijn ze niet meer,” zei Jana. Dries was de voorganger van Michel geweest, dus ik hoefde daar geen vragen bij te stellen.
“Wat is er met je gebeurd?”
“Lees je af en toe eens geen krant?”
“Ik hoor dingen,” zei ze met een schouderophalen, “Ze zeiden dat je in de gevangenis zat.”
“Een beetje. Ik heb mijn benen gebroken toen ik eruit probeerde te raken.”
Ik besefte dat dat stoerder klonk dan ik het bedoelde, en dat dat op mensen als Jana altijd indruk maakte. Ze was helemaal anders dan de andere, burgerlijke jeugd van Noorderbeke. Het voelde wat desoriënterend van haar hier te zien.
“Ik moest trouwens denken aan Dries, onlangs,” zei ik, om geen ruimte te laten voor vragen die ik niet wilde beantwoorden, “Ik heb hier toch niks te doen, dus ben ik beginnen lezen in een oud dagboek van mijn overgrootvader.”
“Was je overgrootvader een nazi dan?” vroeg ze werktuiglijk. Ik moest lachen om die vraag. Louis Devilder had er op foto allesbehalve een nazi uitgezien, en ook uit zijn teksten sprak een simpel boerenverstand dat zich niet inliet met rare politieke opvattingen.
“Nee. Maar blijkbaar zaten er Duitsers bij hem thuis in de Tweede Wereldoorlog.”
“Ach zo. Mja, ik ben daar al lang niet meer mee bezig,” zei Jana, “Dries was een klare zot. Het laatste wat ik van hem hoorde was dat hij weer ergens een Turk in elkaar geslagen heeft. Zomaar.”
Ik had overtuigde racisten nooit goed begrepen. Meestal waren het ook enorme losers.
“Tja. Goed dat je van ‘m af bent, zeker?
Ondertussen had ik onwillekeurig in m’n binnenzak gezocht naar het dagboek, dat ik bij mij hield voor dode momenten (en dat waren er vrij veel).
“Kijk, dat is het dagboek,” zei ik overbodig, terwijl ik het voor haar uit hield. Ze keek even naar de kaft, en toen naar mij.
“Wel, ik hoop in elk geval dat het beter met je gaat,” zei Jana, “Misschien doet lezen deugd. Het is saai leven hier, maar ’t is beter dan bij die zotten zitten in Gent. Ik ben hier zelf erg content met Michel.”
Ik liet het boek zakken.
“Wel,” zei ik met een zucht, maar mijn zin werd afgebroken toen er iets uit het dagboek viel. Een opgevouwen stuk papier dat ik nog niet eerder gezien had. Omdat ik er niet bij kon, stapte Jana af en raapte ze het op voor mij. Het vloog vanzelf open in de milde wind.
“He wacht,” zei Jana, die het blad bekeek met belangstelling, “Dat zijn runen.”
Ze gaf me het papier terug. Voor mij leek het een soort geheimschrift of iets dat je bij de scouts leert.
“Runen?”
“Ben je zeker dat je overgrootvader geen nazi was? Die mannen waren daar dol op.”
“Ik ben het vrij zeker, ja,” antwoordde ik, “Misschien heeft hij het niet geschreven?”
“Mag ik?” vroeg Jana. Ik gaf haar het blad terug.
“Ik wist niet dat jij runen kon lezen.”
Ze haalde haar schouders op terwijl ze probeerde te lezen.
“Het is lang geleden,” zei ze toen, “Dus het gaat traag. Het ding is ondertekend met ‘L.D.’
Initialen?”
“Eh, ja,” antwoordde ik schaapachtig, “Dat zijn zijn initialen.”
“Enfin, het is van jou, natuurlijk,” zei Jana, “Maar als je wil, kan ik het meenemen naar huis en kan ik je morgen vertellen wat er in staat.”
“Ok,” zei ik, “Laat ons ergens afspreken. Niet bij mijn ma thuis.”
Ze lachte vreugdeloos.
“Goed. In het café dan?”
Ik had onmiddellijk een beeld voor ogen van het oude café, vol oude mensen, met halfgeblindeerde vensters en licht vijandige dorpsdikzakken. Het was nu mijn beurt om vreugdeloos te glimlachen.
“Wel, goed dan.”
Jana had het papier in haar zak gestoken en was terug op haar fiets gekropen.
“Wel,” zei ze, “Het is dat, of afspreken op het kerkhof. En ’t is niet dat ik dat niet zou doen, maar dat lijkt me niets voor jou.”
“Daar ben ik inderdaad niet gothic genoeg voor.”
“Zo is dat.”
Met die woorden nam ze afscheid, en reed ze weg. En ondanks het feit dat ik er tegen op zag om terug te komen in dat bittere dorpscafé, was ik ook blij dat ik morgenavond niet opnieuw thuis voor tv ging moeten zitten.

Verder naar deel vier.

zondag 18 september 2011

De gehangenen (II)

2. Duitsers in huis

21 februari 1943

Het is koud. Ik ben gisteren proberen gaan vissen, maar ’t was al vroeg donker en het ijs was te dik. Er was niemand anders. Dat viel wel mee, die rust. Het deed even vergeten dat er twee jaar geleden nog tanks aan het meer hadden gestaan, en dat we ons huis niet uit mochten van de Duitsers omdat ze dachten dat er zich zotten hadden weggestoken in het bos om aan de arbeid te ontsnappen.


Met een schok trof het mij dat ik zat te lezen in de dagboeken van een voorvader die de Tweede Wereldoorlog had meegemaakt. Daar was nooit veel over gezegd geweest in de familie. Mijn grootouders waren te jong geweest om zich veel te kunnen herinneren, en Oosterbeke was nooit van belang geweest in de geschiedenis. Ik nam een slok van het water dat mijn moeder me was komen brengen, en bladerde een paar bladzijden terug.

25 mei 1941

Dat de mensen maar klappen. Ja, we hebben Duitsers in huis. Het is niet dat wij daarom gevraagd hebben, maar ik voel dat ze ons met een scheef oog bekijken. Of nog erger, dat ze te veel compassie met ons hebben. Zolang ze zich gedragen en niet te veel last geven en mijn vrouw met rust laten, is het al goed voor mij en meer kan ik niet vragen. Bovendien denk ik niet dat mijn vrouw hun type is. Niet blond genoeg, en ze kan geen Duits.


“Ma? Is dat waar? Hebben mijn overgrootouders nog Duitsers in huis gehad?”
Geen antwoord. Mijn moeder was ongemerkt weer verdwenen. Ik zuchtte en opende het dagboek opnieuw. Ik probeerde mij voor te stellen hoe Louis Devilder geklonken moet hebben. Op een bepaalde manier verwonderde het mij dat hij zo proper en regelmatig kon schrijven, hoewel niemand in onze familie ooit gestudeerd had.

3 juli 1939

Ze hebben weer gezegd dat er oorlog komt. Wel, ik hoop dat ’t niet waar is. Wij verdienen dat niet. Dat al die generaals onder elkaar eens een oorlog gaan uitvechten zonder dat de gewone mensen er miserie mee hebben.

 
Bladzijden verder terug naar het begin werden afgewisseld met kleine en grote berichten. Soms waren het korte stukjes over dat het goed weer was of dat er onlangs een plechtige communie geweest was. Er zat een zin bij uit 1934 waarin Louis zei dat de pastoor “veel te lang en ingewikkeld” had staan preken op de paasmis. Ook twee keer iets over de “Franskiljons” en de “socialisten” die hem het leven zuur maakten, maar dat was nogal vaag.

30 april 1937

Mijn eerste kind is vandaag geboren. Dat ga ik nooit meer vergeten. Angèle stelt het wel, en ons meiske ook. Cecile, ge zijt welkom bij ons, en ik hoop dat ge een groot en schoon kind wordt. Een man is maar een man als hij vader wordt.


Die passage raakte op een eenvoudige manier, en ik legde het dagboek weer neer. Ik had altijd wel gedacht dat ik zou eindigen als vader, maar de laatste jaren was dat niets meer geweest dan een idee over hoe de zaken moesten zijn – geen enkele vrouw had ik gezien als iemand waarmee ik kinderen zou hebben. Ik dacht eraan dat Louis het simpel had gehad. Hij had geen verleiding gekend van drugs of van dure auto’s en gsm’s die letterlijk alles konden. Zijn wereld was beperkt geweest. En ik had altijd een hekel gehad aan die beperkte mentaliteit van Oosterbeke, waar, toen ik klein was, de scheiding van de slager de mensen wekenlang had bezig gehouden. Maar op een bepaalde manier had ik het gevoel dat mijn overgrootvader sprak als een echte mens, niet tegengehouden door wat in de smaak viel of niet. Was ik ook zo geworden, was ik toen geboren? Mijn hoofd begon pijn te doen, maar ik besloot het dagboek nog een keer te openen op een willekeurige plaats.

13 januari 1942

“We moeten het soms zeggen gelijk het is,” zeg ik soms tegen Angèle, en dan moet ze mij gelijk geven. Ze heeft mij gezegd dat ze schrik heeft dat ze mijn dagboek gaan vinden en gaan lezen, en dan gaan verstaan dat ik soms lelijke dingen over hen gezegd heb – over de mensen, over de Duitsers. Maar ik de mensen hier zijn niet geïnteresseerd in wat ik hier zit op te schrijven, en die Duitsers verstaan niet genoeg Vlaams. ’t Is anders wel goed, wat ik voor één keer moet zeggen. En dat is dat ze niet allemaal hetzelfde zijn. Het is waar dat H. een varken is, en ik ben blij dat mijn dochters nog kindjes zijn. En D. maakt altijd zo veel lawaai. Maar Peter is niet de kwaadste. “Krieg is nicht goet” zei hij. En die mens had gelijk. En we moeten het ook durven zeggen als den Duits gelijk heeft.

Verder naar deel drie.

zaterdag 17 september 2011

De gehangenen (I)

1. Dagboek

Enkele weken voor ik 30 werd, was ik terug bij mijn moeder gaan wonen. Het was de enige optie die ik had, want ik had te weinig geld om ook nog maar een maand van te kunnen leven, en mijn benen waren nog altijd traag aan het herstellen. Het eerste deel van de herstelperiode had ik half in ziekenhuizen, half in de gevangenis doorgebracht. Ik had uit de gevangenis proberen ontsnappen door uit een venster te springen.
Ik lag naar het plafond te staren in de living. Uit de keuken klonk gedempte, slechte muziek van een of andere Vlaamse schlagerzanger. Op de vensterbank naast de zetel lag een stapel boeken en stond een glas half-opgedronken sinaasappelsap. Mijn gsm was God wist waar, en ik droeg slechts een trainingsbroek en een goedkoop, proper t-shirt. Mijn blik wendde zich van het plafond naar de venster. Ik was meer dan een jaar uit roulatie geweest, en als ik alles wel beschouwde, waren het vijf jaren geweest. Vijf jaren van feesten, geweld, chantage, grootspraak en seks. Om eerlijk te zijn had ik er ook geen spijt van. In die periode had ik altijd gelachen met mensen die er een gewone weekjob op na hadden gehouden, elke dag thuis waren gekomen in een kneuterig Vlaams huis met een doodbraaf gezin waar niets te beleven was geweest buiten tv kijken. Wel, de sterren die zij op tv hadden gezien, daar had ik nachtenlang mee gefeest. De babes die de programma’s hadden gepresenteerd waar zij naar hadden gekeken, hadden in mijn gsm-geheugen gestaan, en de meest uiteenlopende politici waren klanten van mij geweest.
Nu was ik al een hele tijd niemand. Een schuldige, in de ogen van het gerecht. Een verloren zoon volgens mijn moeder. Een man met potentieel, had de gerechtspsychiater gezegd. En verbrand voor mijn oude vrienden, waarvan sommigen me allerlei beloftes hadden gedaan om me terug aan boord te hijsen eens ik beter was, en anderen deden alsof ik niet bestond. Maar ik had gezwegen, en zelfs in mijn plantaardige, lethargische toestand gaf me dat een zeker eergevoel.
“Meine Ehre heißt Treue,” had een kennis van me ooit gezegd, een gestoorde neonazi die, de dagen dat hij niet tot aan zijn oogbollen vol drugs had gezeten, soms interessante dingen te zeggen had gehad. Ik moest terugdenken aan die uitspraak, die volgens hem het motto geweest was van de SS.
Op straat gebeurde er niks. Dit was nog steeds hetzelfde Oost-Vlaamse boerengat tussen Schelde en Leie zoals ik het gekend had 20 jaar geleden. Het was een plek om kind te zijn of een plek om oud te zijn, maar geen plaats voor mensen die wilden weten wat het betekende om voluit te leven. Ik herinnerde me nog mijn eerste scoutsfuiven hier, de eerste keer dat ik een sigaret rookte om de hoek van het voetbalcafé, en dikke Leslie, mijn eerste liefje. Ik moest onwillekeurig het hoofd schudden en voelde dat ik zin had in een sigaret. Ik onderdrukte de gedachte en richtte mijn aandacht op de stapel boeken. Het waren stoffige, oude boeken. Lezen had me nooit erg geïnteresseerd. Ik had in mijn jaren van waanzin wel schrijvers ontmoet, en ik had graag naar hen geluisterd, maar aan een boek beginnen had me steeds een onbegonnen opdracht geleken, een compleet tijdverlies zelfs. Ik haalde het eerste boek van de stapel.
“Ontdekkingsreizigers uit de 19e eeuw,” las ik de titel hardop voor. Ik bladerde erdoor. Enkele tekeningen, landkaarten en oude foto’s van mannen in kaki, omringd door negers. Niet interessant. Ik legde het weg en nam het volgende boek, “Het verdriet van België”. Ik opende het zelfs niet eens omdat de titel me al zo deprimerend leek. Dat was ook het probleem altijd met die schrijvers – interessante mensen, daar niet van, maar altijd zo godallemachtig depressief en altijd dat piekeren over andere mensen en de wereld. Ja, de wereld was natuurlijk een plaats vol idioten en vol geweld, maar ofwel stortte je je erin, ofwel hield je je afzijdig. Erover schrijven
leek me opnieuw zo’n verspilling van tijd en energie. Het volgende boek klonk al interessanter: “De geschiedenis van Westerbeke”. Westerbeke was de gemeente waar ik was opgegroeid. Het boek voelde ook oud aan. Ik bladerde er even door. Opnieuw die landkaarten. Wapenschilden. Foto’s en doodsbrieven van ex-burgemeesters. Hier en daar las ik een kop of een artikel. In de kaft zaten er ook krantenknipsels. Op een oude foto herkende ik de Langestraat, waar ik zeven jaar gewoond had. Ik legde het gewichtige boek, dat naar leder rook, op het bijzettafeltje naast de zetel, om me er aan te herinneren dat ik het later nog eens moest bekijken. De volgende twee boeken legde ik onmiddellijk terug weg – van het ene stond de kaft me niet aan, en het andere was een boek over tuinieren, wat me mogelijk nog minder kon boeien dan voor mijn plezier lezen.
Het laatste boek leek meer op een schrift, en voelde oud aan. De kaft had een onaangename, halfvochtige aanraking, en deed me denken aan vuile vellen vloeipapier die ooit waren achtergebleven in mijn boekentas toen ik dertien was.  Ik nam een slok sinaasappelsap. Het deed mijn verhemelte nog droger voelen dan het al deed.
“Verdomme,” vloekte ik. Ik zou moeten wachten tot mijn moeder thuis kwam om te vragen om water, want ik was bovendien ook zo stom geweest mijn krukken tegen de tafel te zetten, waar ik er niet bij kon. Ik opende het schrift.
“Louis Devilder,” stond er in keurige letters in geschreven. De naam zei me niks. Het papier kraakte wat toen ik verder probeerde te bladeren, en er vielen twee foto’s uit. Een van beide foto’s herkende ik, omdat er een grotere versie van had gehangen in het huis van mijn grootouders. Het was een streng portret van mijn overgrootouders geweest langs grootmoederzijde. Mijn overgrootmoeder was gestorven toen ik nog in de lagere school zat, maar ik herinnerde me dat die dood me niet erg veel gezegd had. Ze was toen al meer een soort spook geweest dan wat anders, even verstoft als die onmogelijk zware meubels die mijn grootouders gehad hadden.
Door te kijken naar de foto drong het tot me door dat Louis Devilder mijn overgrootvader moest geweest zijn, de vader van mijn grootmoeder, en dus de grootvader van mijn eigen moeder. Ik wist van mijn moeder dat ze haar grootvader nooit gekend had. Op dat ogenblik hoorde ik de sleutel in het sleutelgat van de voordeur draaien. Om de een of andere reden begon ik ook plots terug de muziek te horen die al de hele tijd uit de keuken was gekomen.
Ik zat nog steeds met het schrift in mijn handen toen mijn moeder de woonkamer binnenkwam.
“Ah, Kris, aan het lezen?” vroeg mijn moeder. Ze zette enkele tassen vol boodschappen met veel gedruis op tafel.
“Niet echt,” zei ik loom.
“Zeg,” vroeg ik haar toen, “Dit is een schrift van ons overgrootvader, nee?”
Mijn moeder fronste en keek naar het ding dat ik omhoog hield.
“Ja. God, ja. Dat lag onderaan die stapel boeken die ik van zolder heb gehaald deze morgen. Ik wist niet dat dat ding nog bestond. Het is zijn dagboek.”
Ik opende de eerste bladzijde. Het geschrift was erg keurig, en goed leesbaar.
“In den hoogen zomer is het meestal warm te lande, doch niet vandaag,” las ik voor, waarop ik moest lachen.
“Zo zot,” zei ik, “spraken mensen vroeger echt zo of wat?”
“Ach. Dat was een manier van schrijven,” zei mijn moeder, die intussen de boodschappen op tafel aan het sorteren was naargelang de kast waarin ze zouden verdwijnen. Ik knikte.
“Ja, ik heb mijn grootvader nooit gekend,” zei ze, “Hij is gestorven in ’47.”
“In de oorlog?”
“Die was al gedaan in ’45 hé.”
“Ah ja, juist. Wat is er met hem gebeurd?”
Mijn moeder haalde de schouders op.
“Tijdens de oorlog moest hij gaan werken in Duitsland. Toen hij terugkwam, was hij zot geworden. ’t Staat ook in zijn dagboek, denk ik. ’t Is misschien daarom dat ik het bewaard heb, want mijn eigen moeder vond het maar griezelig om dat te lezen.”
Ik bekeek het schrift met hernieuwde belangstelling.
“Tiens. Waarom wist ik dat niet?”
“Je vroeg er nooit naar.”
Ik ging iets zeggen, maar hield mijn mond.
“Zeg, ma,” riep ik haar tenslotte na, toen ze al in de keuken was, “Kan je mij een glas water brengen?”

Verder naar deel twee.

dinsdag 15 maart 2011

Desert of the real (V)

5. Landing

Sara had maar een vaag besef van wat er gebeurde. Ze was nog te veel gegrepen door de doffe teleurstelling dat er helemaal niks gebeurd was en ook niks zou gebeuren, toen ze overeind gesleurd werd door Berk. Aan de andere kant van Berks pezige lichaam hield hij Xerox in een houdgreep, en dreef hij hen beiden terug naar de auto. Greet en Tom volgden al roepend – tegen elkaar en tegen Berk, en op de achtergrond werd ook onderling getierd en gescholden.
“Maar hij is gek!”
“Zeg hem dat hij gek is!”
“Hou je mond!”
“You crazy motherfuckers!”
“Get lost!”
“Waar wat laat ...”
“Zwijg!”
“Stop! Stop!”
Op ongeveer tien meter van de auto, waar bij hun aankomst nog enkele andere auto’s rond hadden gestaan, en aan de achterkant van een rotspartij die een eind verwijderd was van het plateau waar ze kwamen, liet Berk Sara en Xerox los.
“Waar was dat voor nodig?” vroeg Xerox, terwijl hij over zijn pijnlijke arm wreef. Zijn ogen stonden vol tranen. Sara deinsde terug. Berks ogen waren erg klein geworden, en zijn handen trilden.
“Godverdomme!” riep hij eerst naar de hemel, en toen keek hij de anderen beurtelings aan.
“We zijn hier voor niets gekomen! Helemaal niets!”
“Moest je daarvoor nu die man in elkaar slaan?” verweet Greet hem. Sara herinnerde zich een kort gevecht, met een oude man die neergeslagen werd.
“Jij moet vooral je mond houden,” siste Berk tegen Greet, “Je bent blij zeker? Je vindt het zeker leuk dat we belogen zijn? Je had wel wat anders gedaan als het allemaal echt geweest was. Als we vannacht contact gemaakt hadden met een beschaving van een andere wereld. Weet je eigenlijk wel wat dat betekent? Een andere wereld? Maar jij moest hier zonodig oppas komen spelen op je lief.”
Greet was nu zelf helemaal rood aangelopen.
“Moet het mij spijten dat ik niet in jullie fantasiewereld geloof? Ik kwam mee om eindelijk eens dit land te zien. Ik heb geen seconde geloofd dat er aliens zouden landen,” zei ze laatdunkend, “Waarom in godsnaam zouden ze, als ze al bestonden, contact zoeken met zo’n hoop losers als die mensen.”
“Als ons, bedoel je,” mengde Xerox zich in de ruzie, “Want dat is wat je vindt van ons, is het niet?”
“Misschien niet,” snauwde Greet terug, “Als jij niet elke dag in Sara’s broek had proberen raken.”
Sara’s ogen verwijdden zich. Ze wist wel al de hele reis dat Xerox op een meer dan vriendschappelijke manier interesse in haar getoond had, maar ze vond hem tegelijk ook zo schadeloos als wat.
“Laat mij hierbuiten,” zei ze, gegêneerd.
“Het is anders wel door jou dat we verjaagd waren uit die bar,” zei Tom, met zijn armen gekruist, maar op een afstand van zijn vriendin, alsof zij de Atlantikwall was en hij het mitrailleurgeschut erachter.
“Dat is niet waar!” zei Sara, die nu pas de enorme vermoeidheid van de voorbije weken tot zich door voelde dringen, “We zijn weggejaagd omdat we ons verdedigden!”
“Het was mijn schuld, ok?” zei Xerox, “Ik neem de verantwoordelijkheid op mij. Ja Sara, ik kon niet verdragen hoe die gluiperige venten je al de hele tijd aan het uitkleden waren met hun ogen, en geen respect voor jou hadden. En Berk heeft de schuld op zich genomen. Sorry, goed? Het spijt me dat ik geloofde in de verhalen van Jim en dat hij ons belogen heeft. En sorry, Tom, dat ik je hierin moest meeslepen.”
Tom liet wat van zijn defensieve houding varen.
“Je bent een enorme idioot, Xerox. Maar deze reis heeft mij doen inzien dat ik tien keer liever op een onbewoond eiland zou zitten met jou,” en hierna draaide hij zich naar Greet, “dan met jou.”
Berk had al een sigaret opgestoken, en grinnikte. Sara voelde zich erg ongemakkelijk.
“O, is dit de afrekening dan? Gaan we het failliet van de reis op mij afschuiven? Ik moet al de hele reis luisteren naar je stomme meningen over Amerikanen en over Amerika. Dat het een dom land is, dat de mensen dom zijn, en dat ze dik zijn, en geen cultuur hebben. Kijk eens naar jezelf. Je verkleedt je in je weekends als trol –“
“Noldorin,” onderbrak Tom haar geërgerd.
“– het maakt niet uit. Je verkleedt je als trol en werkt de ene hamburger na de andere binnen. Je bent zelf dik!”
“Het is anders ook lang geleden dat een weegschaal jou eens de waarheid verteld heeft,”
schampte Tom.
“Dat is anders! Dat is medisch!”
“Jullie zijn echt gênant,” zei Sara. Het was eruit voor ze het wist. Greet en Tom leken bevroren.
Berk haalde diep adem en blies een rookpluim uit.
“Goed,” zei hij, na nog een ademtocht, “Hiermee lossen we niks op.”
“Met geweld ook niet,” vond Sara, “Berk, ik mag je echt graag, maar dat was nergens voor nodig. Ik ben ook teleurgesteld. Ik had ook gehoopt dat het allemaal echt was. Dat ik terug iets kon vinden om in te geloven.”
Berk keek onthutst.
“Tom, Greet – kunnen jullie alsjeblieft wachten met ruziemaken of uit elkaar gaan tot we terug zijn? Het kan me niet schelen dat jullie elkaar niet meer graag zien, maar ik hoef daar geen getuige van te zijn. Ik heb zelf wel iets gehad aan deze reis. Ik vond de autoritten leuk, ik vond het weer aangenaam, ik vond de meeste mensen vriendelijk en ik vond het zelfs leuk toen we panne kregen.”
Sara voelde zich koud.
“Ik vond de Amerikanen erg goed meevallen. We kunnen iets leren van hun vriendelijkheid.”
Tom wou iets zeggen maar schudde zijn hoofd. Sara kon dat echter niet zien, want ze keek naar de rossige ondergrond nu, naar haar bleke schoenen en haast even bleke schenen in het sterrenlicht.
“En nee, Xerox, jij bent niks voor mij. En ik ben niks voor jou. Goed?”
“Waar is Xerox?” vroeg Greet. Haar stem klonk onvast. Sara keek terug op. Xerox was inderdaad verdwenen.
“Hij is toch niet weggelopen?” mompelde Tom.
“Daar is hij,” zei Berk. In de verte kwam Xerox afgerend. Hij zag er volledig afgepeigerd uit. Het licht van zijn smartphone maakte een vaag schijnsel over zijn borst. Toen hij terug bij de groep kwam, leek hij echter herboren.
“We moeten naar huis,” zei hij tussen twee happen adem door.
“Wat is er?” vroeg Berk.
Xerox draaide het scherm van de smartphone naar de groep, die dichter kwam om te kunnen zien wat hij hen wilde tonen.
“Dit zijn beelden van Brussel.”
Het duurde een volle seconden voor iedereen doorhad wat er te zien was.
“Wat is dat?”
“O God. O God,” zei Sara slechts.

maandag 14 maart 2011

Desert of the real (IV)

4. Plateau

De volgende dagen werd er weinig gesproken buiten het hoogst minimale. Iedereen leek bezig met zijn eigen zaken en deed zijn best om er een neutraal soort beleefdheid op na te houden, maar tegelijk wist iedereen ook dat de sfeer in de groep onder het nulpunt was gezakt door de schermutseling in de motelbar. Er waren stille verwijten, schaamte en schuld. Berk vermoedde dat hem ook wat van die schuld hoorde te treffen, maar dat was al na een half uur van hem afgegleden. In het verleden had hij al ergere dingen gedaan, en al veel ergere zaken gezien ook. Het vertelde hem iets over de milieus waar zijn jongere vrienden vandaan kwamen – normale middenklassegezinnen waar geweld een uitzondering was, en waar ze vooral ook omgang hadden met andere mensen uit de middenklasse die op vergelijkbare manieren opgevoed waren geweest. Snel geschokt door hoe dicht de meeste mensen nog stonden bij primitieve emoties.
De banen en autostrades weerspiegelden de emotionele eentonigheid van de laatste dagen. Stukken lijnrechte weg werden alleen maar onderbroken door wat flauwe bochten, verkleuringen in de roodzanderige grond, of hier en daar een bord dat wees op een afslag naar deze of gene gemeente. Er was ook af en toe een verkleurd bord dat de Grand Canyon aanprees, die honderden kilometers verwijderd lag van het ontmoetingspunt dat Xerox meegekregen had van zijn contacten.
Het was duidelijk dat Xerox, Tom en Berk de enigen waren die nog echt geloofden in het doel van de reis. God wist wat Sara dacht, en Greet had zich al lang naar huis geteleporteerd, mocht dat een mogelijkheid geweest zijn. Berk dacht daarentegen vaak terug aan de catastrofale ochtend dat hij zowel voor het eerst contact gemaakt had, hoe onbenullig ook, met een hogere levensvorm, en dat zijn leven zoals hij dat tot dan toe geleid had, beëindigd was geweest. Hier was niemand om aan te rijden.
“Nog minder dan 24 uur,” zei Xerox. Het was het eerste dat er gezegd werd in uren. In de achteruitkijkspiegel zaten Sara, Tom en Greet er bij als wassen poppen die half aan het smelten waren.
“Nog maar zo weinig?” vroeg Berk.
“Ja. We hebben de laatste dagen goed doorgereden. We gaan er op tijd zijn.”
“Je hebt toch de precieze coördinaten nog, hoop ik?” vroeg Tom oprecht hoopvol.
“Natuurlijk,” zuchtte Xerox, “Ik heb alles.”
Xerox’ neus was intussen grotendeels genezen. Hij stond alleen nog wat dik aan de neusbrug, maar dat viel eigenlijk niet op omdat hij van nature al een grote vogelverschrikkersneus had.
“Laat ons hopen dat zij ook op tijd zijn,” zei Tom.
“Ik weet niet of ze op een uur kijken,” zei Xerox plompverloren, terwijl hij papieren en kaarten in een map heen en weer schoof. Berk had een amusant beeld voor ogen van een buitenaards wezen met een goedkoop Chinees polshorloge.
“Wel, de tijdsaanduiding had te maken met de stand van de sterren, de maan en de zon. Dus dat is wel exact, neem ik aan?” vroeg Tom.
“Nogal,” zei Xerox afwezig, waarop hij zich tot Berk richtte: “Volgende afslag richting Limerence, dan daarna naar Hands’ Hope en Charity.”
Greet moest plots lachen. Berk keek haar aan via de achteruitkijkspiegel en trok een wenkbrauw op.
“Wat is er?” vroeg Tom, met de preventieve geamuseerdheid van iemand die zich vol overgave stort op een terminale kankerpatiënt die een slechte mop vertelt.
“Niks,” zei ze met een zucht, “Taalmopje.”
“O.”
Xerox legde de stift in zijn hand neer, leek iets te willen zeggen, maar bedacht zich toen. Er was iets dat boven Berks hoofd ging, maar hij besloot er zich niet druk in te maken.
“Hoeveel mensen gingen er ook alweer zijn?” vroeg Tom.
“Als we mogen afgaan op wat Colonel Jim zei, een honderdvijftigtal,” antwoordde Xerox, “Maar ik denk dat wij de enige buitenlanders zullen zijn. In principe was het ook alleen voor Amerikanen.”
“En dat zeg je nu. Gaat dat geen problemen opleveren?” vroeg Greet. Xerox zuchtte.
“Nee. Ik ken Jim vrij goed.”
“Is hij echt een kolonel?” vroeg Berk. Colonel Jim was een opgemerkt figuur in de internetgemeenschap die zich bezighield met UFO’s. Bovendien straalde hij in zijn posts een pragmatische betrouwbaarheid uit, niet het manische enthousiasme dat eigen was aan veel andere UFO-spotters.
“Hij heeft nog in de luchtmacht gediend,” zei Xerox, “Maar meer weet ik niet.”
“Het kan zijn dat hij een kolonel was,” kwam Tom tussenbeide, “Ik bedoel – hij had toegang tot een pak dossiers van de Amerikaanse regering waar anderen moeilijk aan konden raken.”
Xerox knikte.
“Er gaat een kolonel zijn, daar?” vroeg Sara. Niemand ging er op in.
“Hij zal wel niet echt Jim heten, dan,” zei Tom, “Als hij zo veel weet, moet hij zijn identiteit geheim houden.”
“Dat spreekt voor zich in zo’n gevallen. Hij is twee jaar geleden al eens lastiggevallen,” zei Xerox, wiens ogen glazig werden, alsof hij over een oude vriend sprak.
“Heeft hij je dat zelf verteld?” vroeg Berk.
“Ik heb het gehoord van anderen.”
Het werd even stil. Berk had ook verhalen gelezen over bekende ufologen die systematisch belachelijk gemaakt werden, mensen ook die buitenaardsen hadden ontmoet maar werden weggehoond door de politie of psychiaters, of de gevreesde mannen in het zwart, die in niks leken op de personages uit de film.
“Voor jullie is dit echt, hé?” vroeg Greet. Voor één keer klonk er geen scepsis door in haar stem.
“Absoluut,” zei Xerox zelfverzekerd. Berk moest bijna onmerkbaar glimlachen, en gaf nog wat gas bij.

Ze aten nog twee keer voor ze aankwamen op de plek waar ze moesten zijn. Xerox had iedereen een kopie gegeven van de e-mails, blogposts en documenten die hij verzameld had, en had die met overdreven veel ernst behandeld alsof het staatsgeheimen waren. Berk had er even door gebladerd, maar was te moe geweest van het constante rijden om ze echt aandachtig te lezen.
Drie uur voor de afspraak, toen het al bijna middernacht was (“Waarom spelen al die verhalen zich ’s nachts af?” had Greet in het begin van de reis met veel voldoening gevraagd, omdat ze wist dat daar geen zinnig antwoord op te geven was), begon op de anders allicht rustige, zich zacht slingerende landweg, hier en daar verkeer in te voegen dat daar normaal zeker niet thuishoorde. Telkens drie, vier mensen per auto. Twee keer een beschilderd busje vol vredestekens, oproepen tot het legaliseren van softdrugs en visuele moppen die Berk niet begreep. Xerox en Tom waren opgewonden als schoolkinderen, en ook Sara deelde de vreugde. Voor het eerst leek het allemaal veel concreter dan toen ze waren aangekomen en voor het eerst de lucht hadden opgesnoven van het ijzingwekkend hete Phoenix.

Berk keek op een afstand toe hoe enthousiasme en vreugde als een vuurwerk ontploften op het stuk woestijnplateau waar de buitenaardse bezoekers zouden landen. Xerox rende van hot naar her, schudde handen en stelde zichzelf en iedereen voor aan elkaar. Het waren voor het overgrote deel leden van hetzelfde forum. Colonel Jim was er ook, en had de buitenlandse bezoekers kort begroet. Berk was een beetje teleurgesteld in de ‘kolonel’, die er eerder uitzag als een diabeticus met een voortdurend afzakkende bril, en vet grijs haar. Terwijl Xerox zich gedroeg alsof hij terug een kleuter was die beland was op de grootste speeltuin ter wereld, gingen de vier anderen zitten. Voor de gelegenheid hadden ze een fles champagne meegenomen, die al snel afkoelde in de kou van het woestijnplateau. Berk dwong zichzelf met alle macht om zich bij zijn frisdrank te houden.
Het was een erg heldere nacht, zoals gewoonlijk hier. Berk had vanuit motelkamers of vanuit de auto bijna altijd nog vijf minuten gekeken naar de vertrouwde constellaties vooraleer hij in slaap was gevallen. Elke nacht had hij diep vanbinnen gehoopt dat hij iets zou kunnen zien – een teken dat ze wel degelijk zouden komen. Vandaag had hij daar geen seconde meer aan getwijfeld. Alle documenten wezen erop. Ze wilden komen. Ze wilden contact maken met de mensheid, maar ze vertrouwden de regeringen van de wereld niet. Wie zou ze ook kunnen vertrouwen, na alles wat regeringen, legers en economen de mensheid aangedaan hadden? Dat was oneindig veel erger dan een gevecht in een bar, of Berk zelf die per ongeluk en uit domheid een vrouw had doodgereden. Dat besef maakte hem rustig. En nu zat hij in die rust al een uur naar de hemel te staren, in de kou. Veel anderen deden hetzelfde.
De uren kwamen en gingen. Ze waren te laat. Tien minuten werden er twintig, twintig minuten werden één zenuwslopend uur, en een uur werd twee uur. Sommigen begonnen moe te worden. In de verte discussieerde Colonel Jim met zijn internetluitenanten, waaronder Xerox. Berk besloot een sigaret op te steken.
“Wat is er toch aan de hand?” mompelde Tom voor de zoveelste keer. Hij zat helemaal opgerold in slaapzakstof.
“Ze komen misschien niet meer,” zei Sara argeloos, zonder een spoor van genoegen of teleurstelling.
“Shit zeg,” zei Tom, “Ik hoop echt... Fuck. En wat gebeurt daar?”
Hij doelde op de discussie die Colonel Jim aan het voeren was. De groepjes mensen zaten er wat verslagen bij.
Drie en een half uur na het oorspronkelijke landingstijdstip vertrok de eerste auto terug waar hij vandaan gekomen was. Greet was in slaap gevallen. Tom was gaan ijsberen, en Xerox discussieerde nu alleen met Colonel Jim. Beiden werden steeds bozer. Woorden als “genuine”, “assurance” en “coordinates” bereikten Berks oren.
Vijf uur later was het geduld op. Berk had zijn hoop voelen omslaan in teleurstelling, in vermoeidheid, verslagenheid, en tenslotte, woede. Greet was terug wakker maar zei niks. Zij had gewonnen, en zat gespeeld geïnteresseerd rond te kijken. Tom leek zich te willen ingraven in de woestijn.

Verder naar deel vijf.

zondag 13 maart 2011

Desert of the real (III)

3. Motel

Met hun vijven stonden ze in de gang van de derde en hoogste verdieping van het motel. Het zachtgele licht dat in grillige intervallen de donkere gang bescheen, zorgde ervoor dat iedereen eruit zag als een spook op een foto uit 1974.
“Gaan we nu nog naar beneden, of niet?” vroeg Xerox opgeruimd. Iedereen had net z’n bagage in de kamers achtergelaten. Voordien hadden ze gediscussieerd over het plan om nog iets te gaan drinken in de bar die naast het motel lag. Ze hadden er bij hun aankomst hamburgers gegeten. Xerox, Tom en Sara waren op het idee gekomen.
“Voor mijn part doen jullie maar, maar vergeet niet wat Mack gezegd heeft,” zei Greet.
“Over die rare mensen?” vroeg Sara verbaasd, “Daarnet waren we de enige mensen die er zaten.”
“Ik heb auto’s horen aankomen,” zei Berk met een schouderophalen. Hij zag er gevaarlijk uit in het halfduister, met zijn sekteleiderskop en zijn tatoeages.
“Ik vind dat we allemaal moeten gaan, of niemand,” vond Tom. Greet keek Tom scherp aan. Aan de ene kant wist ze dat ze blij moest zijn dat hij haar kant toch een beetje koos, maar aan de andere kant was het weer zo’n typisch slap Tom-voorstel. Ze wilde iets zeggen, slikte haar woede in en zweeg toen Xerox het woord nam.
“Ik vind van niet,” zei Xerox, “Het is dagen geleden dat we nog eens echt onder de mensen gekomen zijn. We moeten toch niet alles per se samen doen?”
“Maar er zat niemand, daarnet,” herhaalde Greet Sara’s woorden.
“Ik heb gewoon geen zin om te kijken naar een onnozel tv-programma,” zei Xerox met een onwillekeurig overslaande stem. Niemand lachte, wat het nog gênanter maakte. Greet besefte dat Xerox boos aan het worden was, en voelde tegelijk ook dat zij alleen zou achterblijven.
“Goed, ik ga mee. Als ik mag, tenminste.”
“Natuurlijk,” glimlachte Tom. Greet wist dat het een onoprechte glimlach was.
“Vooruit dan!” zei Sara monter. Haar lange, dunne benen zagen er in de gang als asperges uit. Als een enthousiaste hond flankeerde Xerox haar.
“Je hoeft geen schrik te hebben,” zei Tom stil genoeg, dat alleen Greet het kon horen.
Waar het diner van daarnet nog een verzameling lege houten tafels geweest was, leek de toog plots dubbel zo groot, en de schaduwen dieper. Er speelde rock uit de jaren ’80, en ook wat aan de toog en de tafels zat, leek recht uit dat decennium gestapt. Enkelen keken op toen het vijftal binnenkwam, en Greet moest opnieuw een intens negatieve emotie inslikken. Aan de toog was nog een plek vrij waar ze met enige moeite allemaal konden staan of zitten.
“Wat gaan we bestellen?” vroeg Xerox vrolijk. Hij had een blos op zijn wangen, en zijn ogen stonden nog boller dan gewoonlijk. Het leek wel alsof hij preventief dronken was.
“Een pintje kennen ze hier zeker niet?” vroeg Tom.
“O, zo’n coole fles tequila,” kirde Sara, gebarend naar het grote rek dranken achter de toog. De barman keek sceptisch. Tom, Xerox en Sara discussieerden over wat ze zouden nemen. Berk stak een sigaret op.
“You can’t smoke in here,” zei een tooghanger naast Berk. Greet vond dat het vijandig klonk. Berk knikte slechts en drukte de sigaret uit met zijn voet.
“Wat wil jij?” vroeg Tom aan Greet. Hier weg, dacht ze, zo ver mogelijk van de woestijnen, de stinkende huurauto en dat domme idee van jagen op aliens. In de plaats van die gedachte uit te spreken, vroeg ze een cola light, een diet coke, zoals ze het hier noemden.
“Where are you from?” vroeg de man die zonet Berk had aangemaand. Twee van zijn maats keken aandachtig toe.
“Belgium,” zei hij, waarop hij aan Xerox een cola vroeg. Iedereen buiten Berk moest zijn paspoort laten zien, en in ratelend Engels bestelde Xerox tequila, een lokaal bier en twee cola’s, vergetend dat die voor Greet light had moeten zijn.
“Where the hell is that?” vroeg de Amerikaan aan Berk, alsof zonet zijn intelligentie beledigd geweest was. Hij had een snor en een kapsel dat eruit zag alsof het mee met de hete woestijnwind over de jaren uitgedund was.
“It’s in Europe,” zei Greet, die haar cola aangereikt kreeg.
“You mean like France and Germany?”
“Not at all,” zei Xerox behulpzaam, na een eerste slok van zijn bier, “Belgium is more like in between France and Germany, and the Netherlands to the north.”
De man draaide zich naar zijn vrienden.
“Sympathieke mens,” zei Greet. Berk haalde zijn schouders op en nam een slok cola.
“Provincialen, wat wil je,” zei Tom. Sara leegde in één keer haar tequilashot en vroeg er nog één.
“Ach, je kan het hen soms niet kwalijk nemen,” zei Xerox, “Hun onderwijs is echt hopeloos. Bovendien is het ook een enorm land hé. Er zijn denk ik meer Amerikaanse staten dan dat er landen in Europa zijn.”
“Ja, maar iedereen spreekt hier wel Engels. Enorm makkelijk,” vond Tom.
“Dat is ook aan het gebeuren in Europa,” meende Xerox.
“Ik voel nog helemaal niks van die tequila,” zei Sara sip.
“Misschien best,” sneerde Greet, die zich voor de zoveelste keer met een inwendige zucht bedacht dat Sara en slechte beslissingen evenveel samen gingen als deze bar en de verwaaide rednecks die er zaten.
“’t Is niet dat ik moet rijden,” zei Sara, en ze bestelde zich nog één.
“Ze heeft een punt,” vond Xerox.
“Ik ben ook blij dat hier overal waar je binnen komt, airco is,” zei Tom, die nu behaaglijk tegen de toog leunde. Greet moest dat beamen, en dacht met een steen in haar buik aan de gevlekte Buick waarvan de airco altijd ofwel te hard ofwel te zacht stond. En Berks lijfgeur.
“Waar is Berk?” vroeg Greet toen. Sara klapte het shotglas neer op de bar.
“You sure can drink, Belgian girl,” merkte de besnorde Amerikaan van daarnet op tegen Sara.
“I drink a lot more when I go out,” zei ze. Xerox leek iets te willen zeggen, maar hield zijn mond. Berk kwam terug.
“Waar was jij?” vroeg Greet.
“WC,” antwoordde hij kort, waarop hij zijn glas leeg dronk.
“Wil je nog iets drinken?” vroeg Tom.
Berk gromde en keek even naar de drie lege shotglazen tequila op de toog.
“Doe maar nog een cola,” besloot hij toen. Het had Greet op een positieve manier verwonderd dat Berk op de bijna twee weken reis nog geen druppel alcohol gedronken had, hoewel hij het uiterlijk had van een stevige drinker.
“Is that your boyfriend?” vroeg de Amerikaan, gebarend naar Xerox.
“Oh no. But he’s really sweet.”
De aandoenlijke en tegelijk gênante eerlijkheid van Sara deed Xerox diep in zijn glas staren. Zelfs Greet voelde een opstoot van medelijden. De snor moest lachen, waarbij zijn mond helemaal scheef trok in één richting. Tom deelde nog een rondje uit.
“Ik had niks gevraagd,” zei Greet koel. Tom maakte een verontschuldigend gebaar en zette het glas terug. Greet voelde ondanks de airco het zweet tussen haar billen kleven, en wist dat ze weer uitslag had.
“Drink jij ooit alcohol?” vroeg ze aan Berk, die er maar wat verloren bij stond.
Xerox volgde het
gesprek tussen Sara en de Amerikaan vol aandacht. Tom legde zijn hand op Greets schouder en kneep erin. Ze was ooit onder andere op die zachte, rustige handen van Tom gevallen, en op zijn al even minzame manier van tegen de zaken aan te kijken. Waar was dat gevoel naartoe?
“Nee,” zei Berk slechts.
“Waarom?” drong Greet aan. Berk draaide het koele glas cola rond in zijn handen en keek van Tom naar Greet, en dan weer terug.
“Ik heb jarenlang hard gefeest, zoals Sara dat nu doet. Ik was bijna elke avond dronken. Ik ben ooit dronken in mijn auto gestapt, om zeven uur ’s ochtends, en ik heb toen een moeder en een kind omvergereden.”
“Was het... een dodelijk ongeval?” vroeg Tom.
“Het kind overleefde het,” zei Berk, waarop hij een slok cola nam, “Sindsdien drink ik niet meer. Het brengt die vrouw natuurlijk nooit meer terug, maar ik zal mij alleszins niet meer moeten voelen hoe ik mij toen voelde.”
“Hoe lang is het geleden?” wilde Greet weten.
“Elf jaar geleden,” antwoordde Berk, “En weet je wat het idiote is? Het is ook sinds die ochtend dat ik ben gaan geloven in buitenaards leven. Vlak voor ik vertrok van het café, zag ik langs mij, heel laag over een landweg, een zilveren, ovalen ding zweven. Even snel als ik, hoe snel of hoe traag ik ook reed. Ik had het gevoel dat ik bekeken werd, toen.”
“Denk je dat ze je een teken wilden geven?” vroeg Greet sceptisch.
“Ik weet het niet,” zei Berk naar waarheid, “En je kan wel zeggen dat ik toen dronken was, maar ik hallucineerde zeker niet. Ik wist dat er een verschil was.”
Er viel even een stilte. De Amerikaan en zijn vrienden amuseerden zich kostelijk met Sara. Xerox’ gezicht zag eruit als opgefrommeld krantenpapier.
“Waardoor ben jij beginnen geloven?” vroeg Berk aan Tom. Hij leek aan te voelen dat Greet er eigenlijk erg weinig geloof aan hechtte.
“Door Xerox, denk ik,” zei Tom, die zijn bril even terug op zijn neus schoof, “Ik moest eerst lachen met al zijn verhalen, maar hij heeft me enkele boeken laten lezen die me toch van mening hebben doen veranderen. Het bewijsmateriaal is zo overweldigend dat het eigenlijk een schande is dat er zoveel geheim wordt gehouden.”
“Het is ook een bewuste strategie om UFO-waarnemingen belachelijk te maken,” zei Berk met een grote vanzelfsprekendheid, “En Xerox weet ook veel. Hij kent bijna alle belangrijke waarnemingen en gevallen uit zijn hoofd.”
Greet vond het bizar dat er in de laatste woorden van Berk een zeker respect voor Xerox
doorklonk.
“Van vrouwen weet hij echter weinig,” voegde Berk eraan toe met een korte glimlach. De
Amerikanen kraaiden intussen van plezier. Er waren meer mannen bijgekomen.
“Vertrouw jij dat wel?” vroeg Greet aan Tom. Samen met Berk sloegen ze het tafereel nu gade.
“Ze weet wel iets van uitgaan en cafés, denk ik,” zei Tom vals monter.
Later leek het allemaal kristalhelder, maar toen gebeurde alles zo aaneensluitend dat er geen tijd was om veel emoties te voelen of complexe redeneringen op te bouwen. Eén van de Amerikanen sloeg op Sara’s kont, waarop Xerox onmiddellijk uitviel en zei dat ze haar met rust moesten laten. Een tot hier toe onopgemerkte blok van een man, die rechtstreeks uit woestijnrots gehouwen leek, sloeg Xerox daarop vol in het gezicht, waarop Berk zich ogenblikkelijk omdraaide en zijn glas in diens gezicht gooide. Het glas brak pas toen het op de grond viel.
Het was niet als in de films, waar de muziek plots stopte met spelen – ze werd gewoon overstemd door het geluid van een tiental mannen dat zich naar de toog haastte en toen eensklaps, ijzingwekkend, als een muur voor het vijftal ging staan. De man die het glas in zijn gezicht gekregen had, bloedde uit zijn wenkbrauw en neus. Xerox ook. Tom was voor Greet gaan staan, met zijn rug naar haar.
“Leave us alone,” riep Berk, met zijn hand op zijn riem.
“Get your fucking Belgian asses out of here,” zei de snor, die zoëven Sara nog had aangemoedigd meer tequila te drinken, “Unless y’all want to get seriously hurt.”
De barman zei niks. Hij stond met zijn armen over zijn borst gevouwen te kijken wat de reactie van de vijf Belgen zou zijn. Berk gebaarde met een hoofdknik dat de rest eerst moest verdwijnen. Als ratten stormden ze uit de bar, en achterwaarts volgde Berk hen.
Toen ze uit de bar waren, zetten ze het op een lopen.

Een kwartier later raasden ze over de nachtelijke, kaarsrechte weg. Sara weende en zat opgekruld tegen de linkerdeur op de achterbank. Xerox zat in de passagierszetel en zei niks. Hij keek uit het venster. Zijn ogen en zijn al formidabele neus waren komisch gezwollen, maar er was niemand die er mee lachte.
“Misschien kunnen we de volgende keer luisteren als iemand van de streek ons advies geeft,” zei Greet, die aan de rechterdeur zat.
“Je had gelijk,” mompelde Tom.
“Shit happens,” zei Berk. Het was een domme uitspraak, maar door de vreemde kwaliteit van de nacht in Arizona klonk het als een diepfilosofisch statement.
“Wel, alles in acht genomen hebben we geluk gehad,” zei Tom met een zucht.
Xerox keek even op en schudde toen zijn hoofd. Berk keek vermanend in de achteruitkijkspiegel en schudde eveneens zijn hoofd.
“Ik ga proberen slapen,” zei Greet, waarop ze zich oprolde als een egel.
“Fuck you,” hoorde ze iemand zeggen, maar ze wist niet wie.

Verder naar deel vier.