Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de verhalenafdeling daarvan. In 2016 bundelde en redigeerde ik (streng!) alle tot dan toe geschreven kortverhalen in de antologie 'Recombinant' en in 2023 bracht ik de novelle 'De keizer van Populië' uit - je kan beiden gratis downloaden als je Patron wordt. In 2020 verscheen mijn debuutroman 'Fragmentariërs'. In 2023 bracht ik de opvolger 'Constellatie' uit. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.
Posts tonen met het label complot. Alle posts tonen
Posts tonen met het label complot. Alle posts tonen

donderdag 30 januari 2014

Het Arcturus-project (VIII)

Uit: “Databank AntPol, gezochte personen

Locusta (echte naam onbekend, vermoedelijk van Mediterrane afkomst) is van gemiddelde lengte (ca. 1m75), ongeveer 35 jaar oud, atletisch gebouwd d, met zwart haar en donkere ogen. Ze is een meester in de vermomming en bijzonder gevaarlijk. Locusta wordt verdacht van minstens 17 huurmoorden in opdracht van misdaadyndicaten en corrupte overheden. Het arrestatiebevel tegen haar heeft prioriteit A.

Update 26.07.2129: Zou zich volgens de laatste bronnen bevinden op Mars. Verlaagd naar prioriteit B.
Update 04.02.2130: Elk spoor verloren.
Update 16.02.2132: Zou op Antarcitca zijn (link). Prioriteit A.


8. Magische Tunnel en IJsgrotten, Hubert, Transantarctica

Jemma had er niets beter op gevonden dan Walther Ernst mee te nemen naar het hoofdkwartier in Getz, om hem daar mee met de politie-experts te laten werken aan een kritische doorlichting van zijn eigen analyse. Ze twijfelde er niet aan dat Ernst gelijk had. Ze kon alleen niet doorgaan op één mening, vooral omdat de implicaties zo zwaar waren. Een andere reden voor haar voorzichtigheid zat nu naast haar in de dienstwagen, en heette Logan Herschel. Ze hadden een tip gekregen over waar Locusta zich ophield, en raasden nu op volle snelheid door de Magische Tunnel. Kleuren van in de wanden uitgehakte woonwijken en bubbelhuizen, met alle sponsoring en datavervuiling vandien, waaierden over het glas van de wagen. Politie-auto's hadden de bijnaam 'kogels' omwille van hun vorm en snelheid. Er was veel verkeer, maar voor een zwaailicht werd er nog steeds opzij gegaan. Het was Jemma die stuurde.
"Ik heb nog wat meer opgezocht over Walther Ernst," zei Logan, terwijl hij uit het venster keek, onverstoord door de halsbrekende snelheid waarmee Jemma de kogel bestuurde.
"Ja, en?"
"Wel," zei Logan, die even van zijn koffie nipte, "weinig spectaculairs buiten wat we al wisten en wat hij ons zelf verteld heeft, maar blijkbaar hadden hij en Henry nog een oudere broer, die zeven jaar geleden overleden is."
"O."
Jemma fronste en vroeg zich af waarom het niet in het dossier had gestaan.
"Ja, hij heette Konrad en was lid van een transrode beweging. Hij stierf aan zijn verwondingen na een schermutseling in Orcada, tijdens de Walvisrellen. Zijn testament wiste hem uit."
"Hm."
"Daarom staat het niet in het dossier van Ernst," zei Logan.
"Je hoeft m'n gevoelens niet te sparen over die info. Wat maakt het ook uit voor deze zaak?"
"Ik wil maar zeggen dat het kan dat Walther Ernst en Henry Bei een politieke agenda hebben los van waar we Osvald van verdenken."
De wagen blokkeerde de toegang van enkele datazwermen die in oranje en blauw langs de autostrades wemelden als sterrenstof. Industriėle ritmes aan de rechterkant van de enorme tunnel gaven aan dat ze intussen voorbij de woonwijken waren. Het verkeer werd minder druk.
"Wel, en ik vind het een onnozel detail. Als Ernst politieke motivaties had, waarom heeft hij dan al met alle grote firma's van Antarctica samengewerkt?"
"Ik zeg niet dat hij het is. Het kan zijn dat zijn andere broer hem op het idee gebracht heeft."
"Hij en Henry zijn niet eens zulke goede vrienden."
"Goed genoeg dat Ernst Bei en zijn vriendin opdroeg om te vluchten. We kunnen hen nergens vinden."
"Dat kan ik alleen maar beschouwen als positief."
Logan zuchtte en liet zijn koffiebeker disintegreren. Hij zat zich nu zelf ook te ergeren, en dat stemde Jemma gunstiger. Het  typeerde hem dat hij vaak kwam aandraven met vage kritiek, of opmerkingen die daarvoor moesten doorgaan, maar uiteindelijk enkel de zaken vertraagden. Het ergste was dat hij niet altijd ongelijk had, maar Logan was er een meester in van de dingen vaag genoeg te zeggen zodat hij achteraf altijd het tegendeel kon beweren.
De auto spoedde zich verder, voorbij de grote afrit aan McMurdo-Noord, waar in het stuk van de tunnel dat bijna boven de grond kwam, tegen het plafond de Hangende Tuinen zichtbaar werden, een commune van superrijken die genoten van het uitzicht over kilometers diepte in de Magische Tunnel.
"Zwaai even naar de president," zei Logan terwijl ze er onder de commune door zoefden en er even een pauze was in het data-bombardement.
Jemma grimaste.
"Zo'n uitspraak ben ik niet van jou gewoon."
"Ik bedoel er niets mee. We weten allemaal dat president Wedell er haar buitenverblijf heeft. Ik zou er ook wel één willen, daar, en m'n eigen serre hebben met een boomgaard."
Jemma had daar een opmerking over klaar, maar een lichtje op het dashboard van de wagen eiste haar aandacht op. Een kaart werd zichtbaar van een randstad van McMurdo.
"Hubert," zei Jemma.
"Aan het strand?"
"Het lijkt erop."
Hubert had enkele kunstmatige ijsgrotten die uitmondden in een baai die beschermd natuurgebied was, en lag op een steenworp van McMurdo, zowel boven- als ondergronds.
"Dat heeft de AusPol weer mooi uitgevist," zei Logan, alsof het zijn eigen verdienste was.
"Eerst zien en dan geloven."
De voorbije twee dagen waren er nog twee doden gevallen, en begon ook de media langzamerhand de verbanden te leggen, aangezien bijna elke dode een hoogopgeleide man was. Elk overlijden was anders geweest van aard, maar telkens was het gegaan om een plotse dood.
"Ik krijg trouwens juist binnen dat ze de patentaanvragen geblokkeerd hebben. Norkjell wordt in de gaten gehouden en als hij probeert om Antarctica te verlaten, houden ze hem wel even tegen met één of ander excuus," zei Logan.
Jemma knikte en beet op haar lip. Ze wist dat ze die truc maximaal drie uur konden rekken. Ze had het gevoel dat er iets was dat ze over het hoofd zagen. Er was iets in het plan dat niet klopte, maar ze kon er de vinger niet op leggen.

Een kwartier later stond de kogel geparkeerd op het einde van de weg, een honderdtal meter van de klif, waar enkele ladders trekkers toegang gaven tot de ijsgrotten. Logan en Jemma stonden met hun wapens in de aanslag onderaan één van die ladders. De ijskoude zee klotste tegen de ijsschotsen, en de zon stond laag aan de horizon.
Logan ging voorop langs het semi-natuurlijke ijspad. Jemma vond dat ze te veel lawaai maakten, maar als Locusta zich echt in de grotten ophield, was er geen uitweg voor haar, behalve langs deze route. De wind trok hard en ruw aan hun kleren, en blies zelfs door de microscopisch kleine openingen in haar politie-harnas.
"Ik heb een gloedhekel aan de zee," mompelde ze.
"Ik zie ze ook liever achter glas zitten, geloof me," zei Logan.
De klif begon langzaam over te hellen en strekte zijn schaduw over hen uit, wat ook het gebulder van de zee en het gekraak van de ijsschotsen een andere kwaliteit leek te geven. Logan stak zijn zoeklicht aan op zijn rechterarm.
"Ik wist niet dat jij linkshandig was," merkte Jemma op.
"Ik ben tweehandig," zei Logan eigenwijs, en gebaarde toen dat ze moesten overschakelen op de comlijn.
Jemma's oogdisplay gaf niks in het bijzonder weer dat wees op ander complex leven buiten henzelf. Ze dacht nog steeds na over de lacune die ze aanvoelde in de theorie van Walther Ernst. Als het waar was dat Omn¡tek zich voorbereidde op de vernietiging van miljarden mannen, waarom hadden ze dan in de eerste plaats de aandacht getrokken met hun verdachte patentplannen? Wat als Nørkjell wilde gevangen worden? Maar hoe zou dat goed zijn? Indien Ernst gelijk had, was Nørkjell niet immuun voor zijn eigen virus en zou gevangenschap hem niet redden.
"Nog niks te bespeuren," gaf Logan door over de lijn.
Ze kwamen nu aan de gapende opening van Grot Eén, die 's nachts verlicht werd. Ook nu, in de oneigenlijke avond, werden de ijsstructuren spectaculair verlicht in blauw en wit en groen. Alles leek kalm.
De twee officieren wandelden over het pad naar binnen. Logan checkte de rechterkant en keek voor hem uit, Jemma deed het tegengestelde. Hun netwerken waren met elkaar verbonden. Terwijl ze behoedzaam verder hun weg baanden door Grot Eén was het moeilijk om niet onder de indruk te raken van de onaardse schoonheid van het verlichte ijs. De hallen leken op een feestzaal van een mythisch ras van reuzen of halfgoden, met dikke witte tafels die uit de vloer oprezen, en briljante lusters van bevroren stalactieten.
Toen ze halverwege Grot Eén waren en de nauwe doorgang naar Grot Twee, met zijn bekende aquarium, al in zicht kwam, zei Logan plots vocaal "Daar!".
Jemma en Logan richtten tegelijk hun wapen op een figuur die op een steen zat, met opgetrokken knieėn, helemaal in het zwart, en haar dat alle kanten uit stak.
"Blijf waar je zit," zei Logan zelfverzekerd.
Jemma ontspande haar houding.
"Ze is dood, Logan," zei ze.
Er zat al rijp op haar gezicht.
"Laten we even kijken, toch," zei hij overbodig. Het ijs kraakte weerbarstig onder hun laarzen toen ze het pad verlieten, en naarmate ze naderden, werd het akelige gevoel dat Jemma al de hele tijd gehad had, enkel sterker.
"Dit is niet Locusta," zei ze.
Logan deed zijn helm uit.
"Godverdomme."
Ze beseften dat ze keken naar het bevroren gezicht van Charis.
Tezelfdertijd rolde een bericht binnen over hun oogdisplays: 'Nørkjell onvindbaar'.

Verder naar deel negen.

woensdag 29 januari 2014

Het Arcturus-project (VII)

Uit: “De nieuwe ijstijd!”, Soraya Gold (2126, Extron Publishing, Federale Staten) 

[…] naar de reden voor het overaanbod aan complottheorieën over Antarctica is het koffiedik kijken. De afgelegen locatie van het continent speelt een rol in de populaire verbeelding, net als de extreme weersomstandigheden en haar relatieve jeugd in het historisch bewustzijn – het is dan ook nog maar nauwelijks drie eeuwen geleden dat men niet eens zeker was of het bevroren continent wel bestond! Maar […] de eindeloze stroom aan hedendaagse mythes over levensvatbare dinosauruseieren of verlaten horrorlabo’s van het Derde Rijk zijn ook een manier om greep te krijgen op deze […] jonge wereldmacht. Door Antarctica te verplaatsen naar een schemerzone, en haar macht te linken aan het tegennatuurlijke, kunnen inwoners van de Oudere Wereld zichzelf beter voelen over hun relatieve verlies aan status.

7. Sushi Boss, McMurdo, Transantarctica 

Uiterlijk gaf hij geen krimp, maar hij voelde zich vanbinnen een horzelnest aan emoties die allemaal vochten voor zijn aandacht. Walther zat tegenover AntPol-officier Jemma Paxton-Rügen, die er in het echt en in burger op een bepaalde manier nog intimiderender uit zag dan ze was overgekomen over de telefoon, nu al anderhalve week geleden.
“Ik hoop dat u goede informatie voor me heeft,” zei ze. Ze zag er zelf opgejaagd uit.
“Ik ben vrij zeker van wel.”
“Vrij zeker? Of zeker?”
Walther herinnerde zich eraan dat hij niet zo wetenschappelijk moest praten. Hij was het zeker, hoewel niet in absolute termen.
“Wel… Zeker.”
“Vertel.”
Walther had gedacht dat het gesprek zou plaatsvinden met meer geheimdoenerij, en ergerde zich aan de openheid waarmee Jemma sprak, vooral omdat het druk was in de ‘Sushi Boss’, maar hij besloot die ergernis te laten varen – ze zou immers wel weten wat ze aan het doen was. Bovendien moest hij zich ook concentreren op tal van andere dingen die hij nu al drie dagen aan een stuk voelde. Hij keek even in zijn onaangeroerde bakje sushi, haalde adem, en stak van wal.
“Mijn excuses dat ik u helemaal van Getz naar hier gehaald heb. Ik wilde kunnen praten in een omgeving die ik zelf comfortabel vind, en niet in één of ander donker politiekantoor.”
Jemma grimaste maar zei niets.
“Ik heb ook voorzorgen genomen. M’n veiligheidsinstellingen van alle apparaten en implantaten die ik heb, heb ik een paar dagen geleden zelf aangepast, en zouden de komende week nog moeten kunnen meegaan. Het enige wat me kan weggeven, is als er onzorgvuldig wordt omgesprongen met m’n informatie.”
Hij zag Jemma’s uitdrukking verder betrekken.
“Dat is geen beschuldiging, overigens.”
“Ik weet het,” zei ze. Ze nam een slok koffie, en de gedachte kwam op bij Walther dat ze misschien slecht gehumeurd was om een andere reden dan dat ze zonet een paar uur op de TT had doorgebracht naar McMurdo. Het was namiddag, maar de zon was al druk bezig aan het zakken. Op straat wierpen de lichtblauwe lampen al overal schaduwen over de mensen die net van hun werk kwamen.
“De voorbije week heb ik gelogeerd bij Henry Bei, mijn stiefbroer. Die is kunstenaar. Toevallig was hij ook aan het werk voor Omn¡tek, of beter, Osvald Nørkjell persoonlijk. Nørkjell had een reeks grote tekeningen besteld rond de thema’s gevaar, kwetsbaarheid en mannelijkheid. Het was toen dat ik op het idee kwam de data die ik aan het controleren was, anders te gaan bekijken.”
Walther dacht aan hoe vreemd het was dat hij hier de laatste keer geweest was met Lucia en gesproken had over de Mannenvrienden. Wat zijn onderzoek onthuld had, zouden die zelfs in hun ergste nachtmerries niet vermoed hebben.
“De volgende dagen moest ik besteden aan onderzoek, om zeker te zijn. Daardoor zijn we nu al een pak dichter bij de deadline van mijn opdracht voor Omn¡tek en dringt de tijd, waarvoor ik me ook verontschuldig, maar u weet, ik ben een wetenschapper.”
Het klonk klungelig, vond hij van zichzelf, maar Jemma’s ogen waren van samengetrokken veranderd naar geboeid. Ze dronk nog koffie, maar bleef Walther aankijken. Nee, helemaal geen lelijke vrouw, stelde hij opnieuw vast.
“De details kan u zelf nagaan in het bestand dat ik u zal geven, of laten onderzoeken door de mensen die voor u werken, maar de conclusie van mijn analyse is dat Omn¡tek werkt aan een nepgeneesmiddel dat niet alleen niet zal doen wat het beweert te doen, maar dat het ontworpen is om elke menselijke drager van een Y-chromosoom binnen de maand te doden.”
“Dat klinkt zeer… wild,” zei Jemma.
“Daarom dat ik des te grondiger de data bekeken heb,” zei Walther.
Jemma zei niets en leek verzonken in gedachten. Walther gebruikte die stilte om haar over tafel een stick aan te reiken.
“Harde dragers?” vroeg Jemma enigszins geamuseerd, uit haar overpeinzingen gehaald door het kleine, grijze object dat nu naast haar bakje sushi lag.
“Veiligheid voor alles,” zei Walther.
“Natuurlijk.”
Ze stopte de stick weg, en een vingerbeweging verried dat ze de data al aan het binnenhalen was. Ze keek nu Walther opnieuw strak aan.
“Als het waar is, wat u zegt, dan spreken we hier over een geplande genocide. Hoe werkt het geneesmiddel precies?”
“Ik ben geen biomedicus, maar de data wijst in de richting van een virus dat geactiveerd wordt na inname, en alleen zijn ding doet als de drager een Y-chromosoom heeft. Aan de structuur te zien, neem ik aan dat ze het zullen aanprijzen als een vruchtbaarheidsmiddel.”
“Ken je de werknaam?”
“Nee. Ik weet wel dat er een patentaanvraag loopt voor zo’n middel met de naam Arcturus.”
Jemma knikte.
“Dat waren we ook op het spoor. Het zijn er zelfs drie. Maar hoe zou het middel in staat zijn alle mannen uit te roeien? Bovendien komen de meeste mannen niet in aanmerking voor het middel omwille van Resolutie 806.”
“Het reist zowel via lucht, water als fysiek contact, en slaapt drie maand voordat het geactiveerd wordt. Er is maar een toplaag van mannen voor nodig om het in te nemen. Bovendien kunnen vrouwen ook drager zijn, al doet het niks met hen.”
Jemma leunde achterover in haar stoel alsof ze zonet iets onaangenaam geroken had. Het deed hem denken aan de reactie die veel Antarcticanen hadden als de de zoveelste complottheorie te horen kregen over buitenaardse basissen, ruïnes van vermeende pre-paleolithische beschavingen of hoe de grote concerns van het continent leden waren van de Illuminati.
“Maar wat denkt u dan dat Nørkjells motivatie is?”
“Ik heb me daar ook het hoofd over gebroken. Ik weet het niet,” zei Walther in alle eerlijkheid. Alle conflicterende gevoelens die hij voor het begin van het gesprek hadden gehad, waren nu opgelost in een algemene misselijkheid, waardoor hij zich voelde leeglopen als een kapotte ballon. Hij probeerde een hap te eten terwijl Jemma nu praatte, maar dat ging moeizaam.
“Dat is allemaal aan ons om uit te zoeken. We zullen eerst zien wat een analyse van uw analyse zegt, maar zelfs in het geval dat de gevolgen van het Arcturus-project niet zo vreselijk zijn als u denkt, is dit nog altijd een zeer ernstige zaak. Erger dan ik gedacht had. Uw deadline is 25 februari, niet?”
“Ja. Die van Henry overigens ook.”
“Juist. Dat is binnen zes dagen. We weten dat er bij Omn¡tek intern een campagne voorbereid wordt voor de farmatak, en dat ze het middel snel willen lanceren. Toevallig zijn er ook al vijf onderzoekers van die afdeling verdwenen, waarvan er twee soms informatie met ons deelden.”
Walther voelde zich eerst alsof hij ter plekke uit zijn lichaam ging ontsnappen, maar hervond zijn kalmte.
“Toevallig?”
“Bij wijze van spreken,” zei Jemma, “Er is een officieel onderzoek naar gestart, en dat dossier staat onder supervisie van mijn eigen baas, adjudant Herschel. Als u gelijk hebt, lijkt het erop dat Nørkjell bezig is om iedereen die mogelijk de waarheid zou kunnen samen puzzelen, uit de weg te ruimen.”
“Waarom is hij dan nog niet gearresteerd?”
Jemma’s mond maakte een vorm die leek op een glimlach.
“Laat maar zitten,” zei Walther toen, “Resolutie 979.”
“Precies. Maar als uw analyse juist is, kunnen we hem arresteren met man en macht. U had wel gelijk dat u ons weinig tijd heeft om dat te controleren, en binnen die tijd kunnen er nog lijken uit de kast vallen.”
“Het mijne, bijvoorbeeld,” verwoordde hij een gedachte die hem al de hele tijd bezig hield. Hij had Henry en Selene er na een intense ruzie van overtuigd om enkele dagen in een anonieme maanpod door te brengen terwijl hij zelf Jemma zou contacteren.
“Of dat van uw naasten,” voegde Jemma er aan toe, “Ik ga eerlijk met u zijn: de verdwijningen van de wetenschappers zijn het topje van de ijsberg. Er zit een patroon in de moord- en verdwijningszaken van de laatste weken, en al onze zenuwen bij AntPol staan gespannen. Als u nu het definitieve bewijs heeft geleverd waardoor we dit kunnen stoppen, zullen we u zeer dankbaar zijn.”
“En… hoe zit het dan met mijn…”
“Uw beloning? Die –”
“Ik bedoelde mijn bescherming.”
Voor het eerst kon hij niet anders dan tonen dat hij doodsbang was. Jemma lachte hem niet uit, maar keek hem intens aan.
“U moet blijven doorwerken aan uw analyse voor Nørkjell. De tweedelijnscontrole is het laatste wat hij nodig heeft vooraleer hij Arcturus kan lanceren, en uitstel zal u alleen verdacht maken, net als de aanwezigheid van AntPol-mensen in uw buurt.”
“Maar wat als ze besluiten om me te vermoorden of te doen verdwijnen?”
“Dat zal pas gebeuren op 25 februari of daarna.”
Walther was daar nog niet zo van overtuigd.
“Ik heb dus geen enkele garantie?”
Jemma perste haar vingers samen en beet op haar bovenlip.
“Ik zal mijn best doen. In tussentijd verlaat u best uw appartement niet.”
“Ik moet soms reizen voor andere jobs.”
“Verzin iets.”
Walther zuchtte en schoof het bakje nauwelijks aangeraakte sushi terzijde.
“Alsjeblieft. Ik wil hier geen spijt van krijgen.”
Zijn openheid leek eindelijk een barst te slaan in het politiepantser van Jemma, die hem nu terug lang aankeek, tenslotte haar vingers uit elkaar haalde en haar handen plat op tafel legde.
“Wat weet je over Locusta?”

Verder naar deel acht.

dinsdag 28 januari 2014

Het Arcturus-project (VI)

Uit: “Lessen voor een multipolair zonnestelsel”, door Prince Freeman (2127, Liberian Publishing, LUN)

Verschillende historici hebben parallellen getrokken tussen de positie van de Verenigde Staten van Amerika in het begin van de 19de eeuw en die van het Antarcticaanse Gemenebest in het begin van de 22ste, maar die vergelijking loopt mank. Men vergelijkt de beloftes van de liberale democratie van toen met die van het ecologisch-progressief denken van nu, maar in de praktijk blijkt de macht van de traditionele corporatieven over Antarctica groter dan die van het ancien régime-denken over de Verenigde Staten. Als men dan toch een beroep doet op idealisme, kan men wel zeggen dat het Antarcticaanse Gemenebest nog geen enkel… […]

6. Planetenpagode, Shackleton, Amundsenfederatie

Henry had er een aangename voormiddag op zitten. Zijn tekeningen waren elk zichtbaar wat gevorderd, en daardoor was hij weer op schema gekomen, en dat nog voor de aankomst van Walther. Ondanks Walthers sombere stemming was dat aangename gevoel nog altijd niet verdwenen. De hemel boven de Planetenpagode was kristalblauw en zo smetteloos als een leeg doek, en vele dik ingeduffelde wandelaars die langs de banen van de planeten in het park gingen, dampten van de meegebrachte thermossen koffie, chocolademelk of likeur.
De Planetenpagode was één van de hoogste punten van Shackleton, gebouwd op een heuvel die ijsvrij gehouden werd en waar de wind in convexe banen moest omgeleid worden om geen schade aan het broze, hoge bouwwerk te veroorzaken. De rest van Shackleton was zoals de meeste Antarcticaanse steden laag gebouwd, met dicht opeengepakte huizen, brede straten met obstakels en verwarmingseenheden, en vele kleuren die alleen in de zomer zichtbaar waren. Als Henry achterom zou kijken, zou hij het waaierpatroon van de straten netjes kunnen volgen, en de indruk krijgen dat hij en zijn halfbroer zich bevonden in het centrum van een ingeslapen gemeente aan de rand van een oude gletsjer, met de zee en haar koud schuim steeds binnen handbereik, en waar nooit iets meer gebeurde dan iemand die er pittoreske foto’s wou komen schieten of alleen op expeditie wilde gaan langs de lage, brokkelige kusten eens die ijsvrij waren.
Niets was minder waar. Shackleton was ondergronds vier keer zo groot en reikte tot bijna een halve kilometer in het permafrost, met bubbelflats, schachten, tunnels, musea, kantoorgebouwen en fabrieken die uitmondden in onderzeese afleverhavens.
“… vond ik ook wel dat ze een betere acteur hadden kunnen kiezen. Is Taglieri intussen niet te oud voor dit soort rollen?” kwam Walther aan het einde van een betoog over een film die ze onlangs allebei gezien hadden.
“Goh, dat stoorde me niet zo,” zei Henry.
Ze hadden allebei een donkerblauwe jas aan, en hun neuzen waren rood van de kou. Ze waren net de baan overgestoken van Neptunus, maar de planeet bevond zich aan de andere kant van de Pagode. Kinderen renden voor hen uit en eentje struikelde bijna.
“Je kan maar zo lang een geloofwaardige arbeider spelen, vind ik, en Taglieri is met ouder worden te deftig geworden voor dat soort drama’s,” zei Walther.
“Wie was dan beter geweest?”
“Boerhaave misschien, die heeft er wel de juiste kop voor,” zei Walther.
“Zijn laatste werk vond ik er nogal over.”
“Dat is gewoon zijn stijl.”
“Niet m’n ding.”
Henry had op een blauwe maandag zelf nog in een paar kleinschalige theatervoorstellingen geacteerd voordat hij zich definitief op de tekenkunst gestort had, en had zich altijd gestoord aan acteurs als Jan Boerhaave, die gewoon van hun uiterlijk hun carrière gemaakt hadden, met slechts een minimum aan talent.
“Het kan niet altijd super-artistiek zijn,” zei Walther.
Henry haalde z’n schouders op, en er viel een stilte terwij beide mannen verder wandelden over de aangegeven paden. Ze naderden de baan van Uranus. De planeet kwam van links naar hen toe en zette de omgeving in een groene gloed. Ze bleven staan en keken naar boven.
“Fantastische kleur, niet?” vroeg Henry.
Walther knikte afwezig. De holo’s van de planeten en hun koninkrijken aan manen waren gebaseerd op live-opnames van sattelieten. Henry en Walther keken in stilte toe hoe Uranus, met zijn karakteristieke, loodrecht staande ringen, voorbij kwam. De grootste manen waren eveneens duidelijk zichtbaar. Geen van hen raadpleegde de databanken.
“Je hoeft het niet te zeggen,” zei Henry toen voorzichtig, nadat Uranus weg was, “maar waarom ben je me eigenlijk komen opzoeken?”
Walther kreeg een verveelde trek om z’n anders onexpressieve mond. Hij draaide zijn hoofd en tuurde naar een punt in de verte, waar het lawaai van de spelende kinderen nog net hun oren bereikte.
“Werkstress,” zei hij, “ik… werk mogelijk indirect mee aan een misdaad.”
“Voor Omn¡tek?”
Walther knikte.
“Waarom denk je dat?”
Hij trok z’n wenkbrauwen op en keek Henry aan.
“Ze hebben me gebeld van de AntPol of ik wilde meewerken. Het moet belangrijk zijn, want in ruil beloofden ze me om m’n steriliteit ongedaan te maken.”
“Hm. Ga je het doen?”
“Omn¡tek is een belangrijke klant voor data. Toen ik Nanxiang verklikte voor hun onethische praktijken, heb ik lang moeten zoeken naar een nieuwe klant die zo veel wilde betalen. Ok, ze zeggen wel dat ik een goeie analist ben, maar bedrijven willen liever geen analist die deeltijds als spion werkt voor de AntPol. En eerlijk is eerlijk, Henry: als het mij niet direct aangaat, waarom zou ik de brave burger uithangen?”
Nu was het Henry’s beurt om z’n wenkbrauwen terug op te trekken.
“Kom, we wandelen verder,” zei Walther, en ze zetten hun wandeling voort naar de baan van Saturnus. Ver boven hun hoofden krulde de excentrische baan van Sedna als een rood puntje.
“Als de AntPol dat aanbod gedaan hebben,” zei Henry, “moet het een zeer gewichtige zaak zijn.”
“Allicht,” zei Walther laconiek.
“Ik bedoel: dit kan wel eens ernstig zijn, ook voor jou.”
“Ja, maar ik weet niet eens wat voor data het is. Geneesmiddelen, dat wist ik ongeveer.”
Henry dacht aan zijn ontmoeting met Osvald Nørkjell.
“Ik heb Nørkjell vorige week ontmoet.”
“Echt?” vroeg Walther onenthousiast.
“Ik moet op persoonlijke commissie een paar kunstwerken voor hem maken.”
“Dat zal ook niet slecht betalen.”
“Nee. Mijn deadline is dezelfde als de jouwe: 25 februari. Ik vond dat… opmerkelijk.”
Walther ging weer stilstaan en keek Henry met intense concentratie aan. Henry kende die blik goed genoeg, en wist dat die betekende dat zijn halfbroer in een soort versnelde tijd aan het nadenken was.
“Wat moet je precies maken?”
“Tekeningen rond kwetsbaarheid en gevaar. Er mochten alleen mannen in voorkomen.”
Walther maakte een gebaar met zijn vinger en haalde datavoorstellingen boven die alleen hij kon zien. Henry bleef geduldig staan terwijl Walther de data deed cascaderen en ook met zijn andere hand dingen begon samen te stellen.
“Heb je thuis een atox-verbinding?” vroeg hij toen aan Henry.
“Nee, maar ik stel me voor dat jij er een kan instellen.”
“Ja.”
“Zal Selene straks thuis zijn?”
“Misschien. Is het zo’n groot geheim, misschien?” vroeg Henry, “Je kan Selene vertrouwen, hoor.”
Walther wuifde zijn data weg, en daarmee ook Henry’s opmerking.
“Neem het niet persoonlijk. Hoe minder mensen hiervan weten, hoe beter. Het is een vermoeden, niets meer, maar ik moet het controleren.”
Henry voelde zijn hart wat zinken omdat hij had gehoopt nog tot het centrum van de pagode de wandelen. Saturnus zweefde op enkele meters afstand voorbij.
“Je wil naar huis dan, zeker?” vroeg hij.
“Ik betaal je eten wel,” zei Walther, toen hij Henry’s teleurstelling gemerkt had, “En Selene is ook welkom, trouwens.”
Henry sloeg hem op de schouder, en ze begonnen richting Shackleton terug te wandelen.
“Laat maar zitten. We zetten onze wandeling een andere keer verder.”
“Bedankt.”

Verder naar deel zeven.

zondag 26 januari 2014

Het Arcturus-project (V)

Uit: "Meest gedeelde artikels van 2131!"

 •Toch bewijs van leven op Europa?
 •25 dingen die u moet weten over werken voor de concerns.
 •De fusieramp van Lyon: wat iedereen fout deed.
 •Virtuele kloon van Quasa gebruikt voor 'seksuele doeleinden'
 •Ultropiaten legaal op de Maan

5. Hoofdkwartier Antarcticaanse politie, Dralnau, Getz

“Ben je hier nog altijd?”
Jemma schoof het scherm in haar oogdisplay weg met een knippering en zag in het tegenlicht Charis Morrigan staan.
“Jij ook, blijkbaar.”
“Uitzonderlijk,” zei Charis, die er in het zwarte kantooruniform van de AntPol altijd uitzag als een strenge onderwijzeres uit een ander tijdperk. Alleen haar ronde gezicht gaf een hint prijs dat ze niet zo hard was als ze zichzelf presenteerde, maar haar specialisatie vereiste dan ook een zekere hardheid.
“Weer veel doden?”
Charis trok een gezicht.
“Valt mee. Je hebt er misschien over gehoord. Een jong koppel.”
“Ah. Het koppeltje dat ze dood terugvonden in de Magische Tunnel?”
Charis knikte. Jemma nam een moment om achterover te leunen in haar stoel, en strekte haar armen uit.
“Tragisch.”
De Magische Tunnel was een afgedankte ondergrondse militaire baan die Getz en McMurdo met elkaar verbonden had, maar nu allerlei obscure subculturen huisvestte. Criminaliteit had er vroeger welig getierd. Nu was het er al een decennium rustiger, sinds de komst van veel studenten die niet moesten weten van de donkere appartementen in McMurdo of zich de atox-studio’s niet konden permitteren. Jemma gaf hen geen ongelijk.
“Tja. Veel verdachten om te ondervragen.”
Charis en Jemma waren tegelijk bij de AntPol aan hun opleiding begonnen, nu 16 jaar geleden, en waren altijd contact blijven houden, hoewel ze zich in andere takken gespecialiseerd had.
“En jij? Nog altijd aan het werken aan dat dossier over Omn¡tek?”
Nu was het Jemma’s beurt om te knikken, en daarbij zuchtte ze onwillekeurig.
“Zin om erover te praten?”
“Ik kan je niet te veel vertellen.”
“Dat weet ik.”
“Ga zitten, dan. Koffie?”
Jemma was eigenlijk dankbaar dat Charis even was komen praten, en was er zich nu pas bewust van geworden hoe akelig stil en donker het op het bureau was. De dagen van licht slonken zienderogen. Ze nam een mentale nota om volgende week haar vitaminenkuur te starten.
“Doe maar.”
Jemma liet het apparaat op haar bureau twee tassen koffie inschenken.
“Wel,” zei ze toen, terwijl Charis was gaan zitten en haar beringde handen over haar gekruiste benen gelegd had, en zoals altijd Jemma aandachtig in zich opnam, “We weten van twee informanten dat Omn¡tek bezig is met een project waar we alleen van weten dat het ‘Arcturus’ heet, en dat het onder een geheime dochterfirma uitgevoerd word die banden heeft met de biotech-afdeling van Omn¡tek. Er zijn ook drie patentaanvragen voor uiteenlopende farmaproducten, ogenschijnlijk vruchtbaarheidsmiddelen.”
“En scheelt er iets aan die patenten?”
“Ze doen niet wat ze horen te doen. Het is te zeggen, ze doen niets. Dat is niet alleen Omn¡teks gewoonte niet, om placebo’s op de markt te brengen, maar ze hebben ook nergens commerciële plannen neergelegd bij de Commissie om iets met de patenten te gaan doen.”
“Dat is zo ongewoon niet,” zei Charis met een frons.
“Nee, maar onze beide informanten zijn drie weken geleden verdwenen. Het laatste dat we weten, is dat één van hen onderweg was naar Johannesburg. De andere is laatst thuis gesignaleerd. Geen spoor van inbraak.”
“Bedrijfsspionage?”
“Farma-ingenieurs vermoorden is niet de stijl van de grote concerns. Die gaan subtieler te werk.”
“Solkova zou het durven.”
“Solkova doet metaal en elektronica, geen farma.”
“Wat denk je dan dat er aan de hand is?”
“Ik weet het niet. We hebben mogelijk een andere informant, een data-analist die een reeks data gekregen heeft die te maken heeft met het Arcturus-project, maar hij wil voorlopig niet meewerken.”
“Vervelend,” gaf Charis toe, “en met onze beperkte middelen…”
“De dingen zijn wat ze zijn. Herschel ziet er streng op toe,” zei Jemma met een zure glimlach, “dat we netjes binnen de lijntjes kleuren. Lijntjes die mee bedacht zijn door concerns als Omn¡tek, trouwens.”
Charis haalde de schouders op.
“Goed. Wat is het ergste dat het Arcturus-project zou kunnen zijn? Als je mijn eerlijke mening wil: Osvald Nørkjell is een excentriek figuur, maar tot hier toe heeft Omn¡tek nauwelijks een criminele geschiedenis.”
“Dat is het juist,” pikte Jemma daar op in, “Dat is verdacht.”
“Vind je dat nu niet wat paranoïde?”
“Bewijs maar eens m’n ongelijk. Kijk,” en hierbij toverde op haar bureaublad een aantal andere dossiers tevoorschijn, “dit zijn vier casussen van organisaties en bedrijven die altijd binnen de wet opereerden, weinig fout deden, een goed imago hadden, maar plots uit het niets volledig van de rails gingen. In elk geval was het terug te leiden op hun oprichter zelf, niet op één of ander figuur dat uit het niets de macht greep.”
Charis trok de dossiers naar zich toe.
“Casuïstiek is één ding, maar harde bewijzen zijn een ander.”
Jemma dronk van haar koffie.
“Dat weet ik. Er is nog één nieuw element opgedoken, gisteren. Ze heeft het goed proberen verbergen, maar op de ruimtehaven van Krasnopol’ is iemand aangekomen waarvan we vermoeden dat het Locusta is.”
“Locusta?”
Locusta was de bijnaam van één van de beruchtste huurmoordenaars in het zonnestelsel. Bij haar eerste moorden had de politie gedacht dat ze te maken hadden gehad met een psychopaat, maar telkens had men de moorden kunnen terugbrengen naar criminele syndicaten of rijke individuen. Soms waren de opdrachtgevers geklist geweest, maar Locusta hadden ze nooit kunnen pakken.
“Maar… heb je aanwijzingen dat Omn¡tek haar heeft laten komen?”
“De encryptiecode van haar persoonsdata is een code die maar door twee bedrijven gebruikt wordt: Omn¡tek en Embraer.”
Charis zweeg even.
“Dat begint op iets te lijken.”
“Maar niet genoeg. Ik hoop dat die data-analist nog toehapt.”
“Ik hoop het ook voor jou.”
Ze dronken allebei van hun koffie.
“Hoe zit het met jouw onderzoek?” vroeg Jemma toen.
“We hebben twee mogelijke verdachten. Het lijkt me op het eerste zich een liefdesrivaliteit geweest te zijn.”
“Kennen je verdachten elkaar?”
“In de Magische Tunnel kent iedereen elkaar, maar ze hadden geen sterke band,” zei Charis, “We zijn ook nog maar twee dagen ver. De dubbelautopsie moet nog gebeuren.”
Jemma fronste en schakelde, terwijl ze in haar koffie roerde, één voor één haar implantaten en verbindingen uit. Dat gaf haar altijd een gevoel van weldadige rust.
“Gruwelijke dingen,” zei ze, in haar koffie kijkend, “het verbaast me dat jij goed slaapt.”
“Dankzij pillen,” zei Charis, “maar liever ik die dat soort gruwel zie, dan anderen.”
Jemma dacht aan foto’s die ze gezien had van half-weggerukte gezichten, verminkte genitaliën, mensen die onder een trein gesprongen waren, of de bestanden die gelekt waren van de Kannibaal van Nymosk, drie jaar terug. Ze had die een plaats gegeven, net zoals elke inspecteur en elke agent dat probeerde, maar op momenten van grote vermoeidheid leken die beelden als lawines terug naar beneden te komen, en zag ze soms voor haar geestesoog de laatste momenten van de slachtoffers.
“Laten we onszelf echter niet te veel op de schouder kloppen,” ging Charis toen verder, “we hebben dit werk gekozen, we wisten waar we aan begonnen.”
“Niet iedereen is zo. Ik denk niet dat onze goeie vriend Herschel altijd beseft wat voor werk hij doet.”
“Pas op wat je zegt,” zei Charis, “ik heb gehoord dat hij afluisternano’s heeft rondzweven door het gebouw.”
“Daar is hij nog niet sluw genoeg voor,” grijnsde Jemma.
Charis glimlachte haar zuinige leraressenglimlach, en dronk haar koffie leeg. Ze stond op, en trok haar jasje terug recht.
“Het is voorbij negen uur. Ik ga een glas drinken in 'Carpenter’s' op de hoek. Wat denk je?”
Jemma knikte langzaam, terwijl Charis al enkele passen achteruit gezet had.
“Ich komme sofort.”

Verder naar deel zes.

zaterdag 25 januari 2014

Het Arcturus-project (IV)

Uit: “FEMTOµanifest”

Resolutie 806 is een schande voor de hele mensheid en is in niks beter dan Lebensborn van de nazi’s, het Eénkindbeleid van communistisch China of het Reveil van fascistisch Rusland. Niet alleen onttrekt de rijkste klasse zich overal ter wereld makkelijk aan de Resolutie, ze zadelt veel mannen op met een gevoel van doelloosheid en nutteloosheid. Resolutie 806 heeft daarbij ook het perverse effect dat de ‘gezonde’ mannen – overwegend rijke medioren uit Europa, Oost-Azië en Antarctica – nog maar eens een extra wapen in handen krijgen die hen macht verschaft over vrouwen met een kinderwens. 

4. Sushi Boss, McMurdo, Transantarctica
“Dus,” zei Lucia, “Als ik het goed versta, is Omn¡tek volgens de AntPol bezig met verdachte dingen, en heeft jouw opdracht voor hen daarmee te maken, en zijn ze zo wanhopig dat ze aangeboden hebben om je steriliteit op te heffen.”
“Daar komt het op neer,” zei Walther. Hij en Lucia zaten tegenover elkaar in de ‘Sushi Boss’, één van Walthers favoriete sushibistro’s in McMurdo die geen eigendom was van één van de grote drie ketens en waar hij zich altijd op zijn gemak voelde. Het hielp vandaag maar weinig.
“Maar ik dacht dat je helemaal geen kinderen wilde?”
“Dat is juist,” zei Walther, die al klaar was met eten en zijn stokjes bedachtzaam parallel naast zijn bakje parkeerde, “maar je weet ook dat het meer is dan alleen kinderen op de wereld zetten.”
Lucia glimlachte een bijna verontschuldigende glimlach, en Walther ergerde zich aan zichzelf dat hij zich laafde aan haar medelijden, maar het was zo.
“Je moet ook realistisch zijn,” zei Lucia, “Het is niet omdat je plots niet meer steriel bent, dat de vrouwen uit de hemel zullen komen vallen.”
“Dat weet ik ook wel, maar het vergroot alleszins mijn kansen.”
Lucia knikte. Ze waren al jaren bevriend en zij was vorig jaar getrouwd met Carl. Zijn ogen dwaalden naar een onbestemd punt op de muur achter Lucia, die intussen verder at.
“Dat hele systeem is toch onrechtvaardig, hé, als je er bij stilstaat. Waarom moesten het mannen zijn die die behandeling moesten ondergaan?” zei hij, “Versta me niet verkeerd: ik begrijp dat het een manier was om de overbevolking aan te pakken, maar waarom niet bij beide geslachten?”
“Heb je weer artikels zitten lezen van de Mannenvrienden?” vroeg Lucia.
“Nee, ja, je moet toch toegeven dat ze een punt hebben op dat vlak.”
“Je weet zelf ook dat het te maken had met twee dingen: het is medisch simpeler om bij mannen te doen, minder destructief en bovendien was er nog het aspect van de zaadkwaliteit.”
Walther schamperde maar zei niks. Hij wist wel dat ze gelijk had en dat de Mannenvrienden een misogyne groepering waren, maar er waren momenten dat hij sympathiseerde met hun pijn. In feite was niemand gelukkig geworden van Resolutie 806, zoals ze bekend stond.
“Kom nu Walther,” zei Lucia, die nu ook klaar was met eten, “We weten allebei dat Resolutie 806 een ramp was, maar niet om die redenen. Minder kinderen op de wereld was wel degelijk een goed idee en zorgde voor een afname van honger, watersnood en ziekte in Azië en Afrika. Maar je weet ook dat feministische groepen op voorhand gewaarschuwd hadden dat geweld tegen vrouwen er niet mee ging afnemen, laat staan dat we plots een ruk voorwaarts gingen maken in macht. Op dat vlak zitten we al 75 jaar in hetzelfde limbo, wat de Mannenvrienden ook zeggen.”
“Ik weet het, ik weet het,” gaf Walther zich gewonnen. Hij las ook het nieuws. Sommige groepen steriele mannen hadden zich op diverse plaatsen op de wereld teruggetrokken en hadden een reputatie van agressie en seksueel geweld. Op Antarctica waren ze niet met veel, maar ze waren aanwezig genoeg om af en toe de media te halen. Het waren gebroken mannen, maar soms kon Walther het niet helpen dat hij begreep waarom ze zo kwaad waren.
Geruisloos nam een kelner de sushibakjes en de stokjes weg.
“Wil je nog koffie?” vroeg Walther toen.
“Waarom niet?”
“Ik betaal wel,” zei hij in een opwelling.
“Dat is lief. Maar wat ga je nu doen met de politie en met Omn¡tek?”
Walther voerde de bestelling voor koffie in en vouwde nadien zijn handen voor zijn mond.
“Wel, ik ga het alleszins niet vertellen aan Omn¡tek. Als je m’n eerlijke mening wilt, vind ik het een griezelig bedrijf. Er is ook niets dat me er contractueel toe verbindt te zeggen dat de AntPol mij gebeld heeft. Ik geef mezelf een week, en contacteer dan de AntPol opnieuw.”
Hij dacht terug aan het gezicht van Jemma Paxton-Rügen, slim en scherp, met de bedaarde ervaring van iemand die vast al 20 jaar in het vak zat. Door haar suggestie was de gedachte ook onontkombaar aan hoe het zou zijn om seks met haar te hebben, hoe onbetamelijk die gedachte ook was, maar het was ook een feit dat de AntPol-officier volkomen zijn type was. Walther had altijd al een zwak gehad voor oudere vrouwen. Vermoedelijk, zo had zijn intussen overleden oudere broer ooit beweerd, omdat Walther Ernst zelf oud geboren was geweest en zijn achternaam allesbehalve gestolen had. Ja, Konrad, die zou wel geweten hebben hoe hij uit deze knoop zou moeten raken.
“Ga je intussen doorwerken?” haalde Lucia hem uit zijn gedachten.
“Nee. Ik kan het niet. Het is niet echt een probleem, want ik zat toch voor op schema. Het is geen gecompliceerde dataset. Het probleem is dat ik niet kan ophouden met nadenken waarvoor de data bestemd is. Biologische wapens? Financiële constructies? Ik word er ook zo paranoïde van.”
“Nog meer dan anders?”
“Lach maar. Je weet toch ook dat de corporatieven en de FedPol schrikbarend veel over je weten, hoewel je niets misdaan hebt?”
Hij verwees naar een kleine verkeersboete die Lucia drie jaar geleden had geconfronteerd met de alwetendheid van gouvernementele instanties. Ze keek weg van hem door het venster, naar een willekeurige voorbijhanger. Walther wist dat er aan de overkant van de straat nog een aantal eetgelegenheden waren die hun boodschappen probeerden uit te zenden naar al wie wilde luisteren, of niet kon weigeren om te luisteren.
“Al goed dan,” zei Lucia toen, “Misschien moet je er gewoon even uit?”
“Hmm,” zei Walther, nog steeds met zijn handen samengedrukt als in een antiek gebed, “Waarheen, dan? Mijn appartement hier is comfortabel, en ik heb niet zoveel zin om zonder reden te gaan rondhangen bij mensen aan wie ik dit niet kwijt wil en geen atox-verbinding hebben.”
Lucia dacht mee na met hem.
De kelner kwam met de koffie. Walther knikte gedachteloos als bedanking, en betaalde met zijn duim.
“Kan je je broer niet opzoeken? Die woont een eind weg van McMurdo, dat helpt misschien.”
Walther trok zijn wenkbrauwen op.
“Daar had ik nog niet aan gedacht.”
Zijn gezicht verduisterde echter al weer snel.
“Laat maar. Die is ook bezig aan een opdracht voor Omn¡tek, voor zo ver ik weet.”
“Tja. Jij moet het weten.”
“Aan de andere kant,” zei Walther aarzelend, alsof hij Lucia’s opmerking niet gehoord had, “Henry is buiten jou de enige persoon die ik nu vertrouw, ondanks de afstand. Hij heeft ook niet de gewoonte om vervelende vragen te stellen.”
“De AntPol zal het misschien wel interessant vinden dat je bij hem zit. Wees maar zeker dat ze weten dat je broer ook voor Omn¡tek werkt, momenteel.”
“Zijn project heeft niks te maken met het mijne, dus ik zou geen idee hebben wat ze met die informatie zouden zijn,” wuifde Walther dat weg. Hij voelde zich op slag beter.
Ze namen allebei een slok van hun koffie.
Hij dacht aan Henry’s appartement in Shackleton, een voor zijn inkomensklasse ruim geval met hoge witte muren, en het contrast met zijn eigen smalle bezemkast die vol stond met technologie. Shackleton was te hip en te kaal naar Henry’s smaak, en bovendien kon je er ook niet veel doen bovengronds, in tegenstelling tot McMurdo, maar een verandering van landschap zou goed doen. Nu maar hopen dat Henry ook tijd had.
“Ik bel hem vanavond,” zei Walther toen, “Bedankt om naar mij te willen luisteren.”
Lucia glimlachte haar allercharmantste glimlach.
“Soms ben je ook wel een lieverd. Beloof me alleen geen artikels meer te lezen van de Mannenvrienden.”
“Wel, het zijn alleszins mijn vrienden niet.”
“Best.”
Ze toostten met hun kopje koffie en dronken het haast ritueel leeg.

Verder naar deel vijf.

vrijdag 24 januari 2014

Het Arcturus-project (III)

Uit: “Wie is Osvald?”, Shiang Magazine, jaargang 82, nummer 7 (2133)
 

De zesde rijkste man ter wereld houdt er net als zijn bedrijf een excentriek imago op na. Osvald Nørkjell laat zich er op voorstaan dat hij een maand alleen kan overleven in de ijswoestijnen van Antarctica. Hij weigert present te tekenen op onderonsjes van de industriële elite en hij geeft nooit interviews. Het is niet dat zijn bedrijf, Omn¡tek, niet verstaat hoe het moet communiceren: integendeel, de haast religieuze zwijgzaamheid van Omn¡tek maakt het één van de bekendste bedrijven van het zonnestelsel, en in de luttele twintig jaar dat het nu bestaan heeft, lijken Nørkjell en zijn uitvindingen dezelfde weg op te gaan van andere legendarische bedrijven zoals Tesla, Ygg, Apple, Juneau en EnCoin: die van een onderneming en een ondernemer die de wereld diepgaand veranderden.

3. Omn¡tek-hallen, Elisabeth, Enderbyland

Henry Bei zat in de ruime, melkwitte wachtkamer van het Omn¡tek-hoofdkwartier, en keek rustig rond. Hij was de enige persoon in de kamer. Een deurloos deurgat, in de vorm van een honingraat, gaf uitzicht op de balie in de inkomhal, waar door glas-in-lood gefilterd zonlicht naar binnen zwom over de twee receptionisten, die allebei met hun eigen werk bezig waren. Henry vermoedde dat er tijdens de winter kunstlichten op zaten om het contrast in de sobere hal nog te vergroten.
De wachtkamer was net als het deurgat zeshoekig en bevatte vier gemakkelijke stoelen van design dat hij herkende van de academie waar hij zijn opleiding gevolgd had. In pseudoserie geproduceerd, allicht, misschien een origineel ontwerp van Ulrike Cheng. De bekleding van de stoelen had dezelfde kleur als de muren. De kamer had geen internettoegang.
Voor de gelegenheid had Henry zijn enige kostuum aangetrokken, een donkerblauw pak met vierkante knopen en een lichte krijtstreep, die zijn lange gestalte benadrukten en het contrast tussen zijn olijfkleurige, Chinese gezicht en zijn helderblauwe, Westerse ogen benadrukten.
Op aanraden van de receptionisten had Henry zijn telefoon uitgeschakeld. Daar had hij weinig problemen mee.
“Meneer Bei?”
In het deurgat was ongemerkt een androgyne vrouw verschenen met een valse pelskraag. Henry stond op en stak zijn hand uit, die de vrouw aarzelend aannam, alsof het in het Omn¡tek-gebouw niet de gewoonte was om de hand te schudden.
“Meneer Nørkjell verwacht u.”
Hij knikte en volgde haar terug de inkomhal in, waar traag de lichteffecten van het glas-in-lood raamvenster over de grond leken te vegen en de receptionisten onverstoord hun werk verderzetten. De vrouw loodste hem een andere honingraat in, ontsloot twee duwvelden en ging met hem nog twee gangen in. Ze passeerden verschillende deuren zonder opschrift. Op elke deur was het logo van Omn¡tek ingebrand, net boven het codeslot, nauwelijks merkbaar.
Henry voelde zich opgelaten, maar had geen idee wat Osvald Nørkjell met hem wenste te bespreken, dus had hij er al de hele tijd niet aan proberen denken. Hij vroeg het ook niet aan de vrouw die voor hem uit ging.
Na een korte trap langs nog een gebrandschilderde venstergalerij met een binnenplaats en een scheve gang, kwamen ze aan Nørkjells kantoor, dat evenzeer schuilging achter een anonieme deur. Dubbele verzegeling, merkte hij op.
De androgyne vrouw knikte hem toe alsof hij een zware opdracht tegemoet zou gaan, en verdween toen terug, op hetzelfde moment dat de deur open gleed.
Osvald Nørkjell keek op naar Henry Bei. Hij zat aan een schrijftafel in dezelfde kleur van de inkombalie, met aan weerszijden een computerscherm, en achter hem een zeshoekig projectiescherm dat een gerasterde weergave toonde van de taiga van Enderbyland.
“Meneer Bei,” zei Nørkjell, “welkom. Gaat u zitten.”
Zelf stond hij niet op. Henry had het gevoel dat de leider van Omn¡tek al even vreemd zou reageren op een uitgestoken had als de vrouw van daarnet, dus ging hij zonder meer zitten. Nørkjell droeg een zwart pak met een streep van cyaan die van zijn hals tot onder zijn hemd liep. Net als op de foto’s had hij een sterke, wilskrachtige kin, en jonge ogen die omgeven werden door veel lijntjes en kraaienpootjes. Windlijnen, noemden Antarcticanen dat.
“Bedankt dat u tijd kon maken voor ons,” zei Nørkjell in het Chinees, “of heeft u liever dat ik Engels praat met u?”
“Het is voor mij hetzelfde,” antwoordde Henry zelf in het Chinees, “Ik voel me even goed thuis in beide talen.”
“Dat is waar,” zei de bedrijfsleider opgeruimd, terwijl hij zijn beide, harige handen op elkaar legde, “U bent het product van vele culturen hier op Antarctica. Een uithangbord, als het ware.”
“Dat zou ik niet durven beweren,” zei Henry voorzichtig.
“Natuurlijk niet,” glimlachte Nørkjell, “U bent artiest, en artiesten zijn per definitie geen uithangborden. Artiesten zijn meestal misbegrepen, of men wil er iets van maken dat ze niet zijn.”
Henry glimlachte terug.
“Goed, ik hoef u niet te vertellen wat een artiest is. U bent er zelf één, en ik niet,” zei Nørkjell nog, “Dus ter zake nu. U bent bezig aan een kunstproject voor ons, juist?”
Henry vroeg zich af waarom zo veel machtige mensen vragen stelden waar ze eigenlijk het antwoord al op wisten, dus zei hij niets.
“Onze medewerker die u gecontacteerd had, mevrouw Bagajeva, toonde me uw concepten, en ik was onder de indruk van uw vermogen tot synthese. Ik heb ook even uw portfolio doorgenomen.”
Op een mentaal commando werd het projectiescherm ingenomen door een mozaïek van Henry’s werk. Het voelde vreemd aan het hier in deze context te zien.
“Ik vind het interessant dat u een heel eigen interpretatie geeft aan Antarcticaanse thema’s als leegte, uitgestrektheid en maakbaarheid,” – en hierbij zoomde hij in op één van Henry’s recentere werken, “door u te focussen op het particuliere als schaduw van het collectieve.”
Henry neeg het hoofd. Het uitvergrote werk was van een knielende bedelaar die een onnatuurlijke schaduw wierp over de trappen van het waterstation van Nesami. Hij hield zijn hoofd naar beneden, en zijn handen waren vuil, maar de schaduw had duidelijk scherpere randen, als messen.
“Hier bijvoorbeeld,” zei Nørkjell, terwijl hij nu zelf naar de tekening keek, “zag ik onmiddellijk het kwetsbare van de bedelaar – de verstoteling – en tegelijk ook het eeuwige gevaar dat hij voorstelt.”
Bei kon nu niet anders dan glimlachen, want zo had hij zijn eigen werk precies opgevat. Nørkjell schoof terug naar de mozaïek en keek Henry nu strak aan.
“Wat zou u ervan zeggen om nog enkele opdrachten te doen, maar dan voor mij persoonlijk?”
Henry trok zijn wenkbrauwen op.
“Ik...”
“Voor u antwoordt,” hield Nørkjell hem met een handgebaar tegen, “Mijn korte uitweiding over artiesten meende ik. Ik wil u niet als uithangbord van mijn eigen geld of roem. Noch ik, noch Omn¡tek zijn op die principes gestoeld, en ik wil ook niet dat u er reclame mee zou maken dat uw opdrachten van mij komen. De vergoeding zal weliswaar royaal zijn, maar het is geen egokwestie. Het is een zaak van kunstliefhebber tot een kunstenaar.”
“Wel, ik ben verrast,” zei Henry naar waarheid, waarbij hij weer moest glimlachen, “dus... ik ben zeker geïnteresseerd. Waar had u precies aan gedacht?”
“De invulling laat ik natuurlijk aan u over, maar ik zou graag op drie bij drie meter een tekening willen voor elk continent dat de problematiek behandelt als in die tekening van u die we daarnet bekeken hebben. Gevaar en kwetsbaarheid, met andere woorden.”
Voor het eerst vond Henry het jammer dat zijn telefoon uitgeschakeld was, want nu kon hij geen notities maken. Alsof Nørkjell dat geraden had, schoof hij Henry een notebloc en een duidpen toe.
“Dank u,” zei Henry, die onmiddellijk aantekeningen begon te maken.
“U mag de kleuren en materialen gebruiken die u zelf wil.”
Henry knikte en noteerde dat.
“Het is zo,” ging Nørkjell toen verder na een korte aarzeling, wat Henry weer deed opkijken in diens heldere ogen, “dat we hier al enkele jaren een project aan het voltooien zijn dat voor onze firma zeer belangrijk is, en past in het thema waar ik u rond wil laten werken. Maar wetenschap heeft kunst nodig, snapt u? Ik heb het hier bewust niet over producten en marketing, want dat is het niet.”
Henry knikte opnieuw. De bedrijfsfilosofie van Omn¡tek was bekend genoeg. Hun anti-marketing was hun marketing, hun onorthodoxie was hun orthodoxie.
“Ik heb nog twee vragen,” zei Henry toen.
“Vraag maar.”
“Wilt u er ook dieren in betrekken? En tegen wanneer verwacht u dat ik mijn opdracht afrond?”
“Dieren?” lachte Nørkjell, “Nee, alleen mensen. Excuseert u me: alleen mannen. Dat is belangrijk. De einddatum wil ik graag leggen op 25 februari. Is dat mogelijk?”
Het klonk meer als een bevel dan een vraag. Henry wist dat dat dag en nacht werken zou betekenen.
“Dat moet lukken,” zei Henry.
“U mag uw telefoon even inschakelen, nu. Dan kunnen we het contract opmaken.”
Henry maakt de imprint en voerde de code in. Allerlei programma’s kwamen tot leven over zijn linkeroogdisplay. Nørkjell kaatste het contract naar Henry, die het binnenhaalde en doorlas. Het watermerk van Omn¡tek was duidelijk zichtbaar. De aangegeven data bevatten uitzaaiingen naar zijn agenda. Bij de leveringsdatum had zijn telefoon een nota gemaakt dat die samenviel met het moment dat Walthers huidige opdracht afliep. Hij wilde even vragen aan Nørkjell of dat iets te maken had met zijn eigen opdracht – Walther was immers ook bezig aan een opdracht voor Omn¡tek – maar bedacht zich toen en tekende. Als Nørkjell toch zo grondig de portfolio van Henry doorzocht had, zou hij mogelijk wel weten dat hij en Walther elkaar kenden.
“Zo,” zei Nørkjell toen opgeruimd, “Dat is dan geregeld.”
Hij stond nu eindelijk op, en Henry deed hetzelfde. Osvald Nørkjell was inderdaad net zo imposant als op foto. Hij maakte met zijn vingers de groet die met zijn firma geassocieerd werd, alsof hij de kunstenaar zegende, en achter Henry gleed de deur weer open.

Verder naar deel vier.

donderdag 23 januari 2014

Het Arcturus-project (II)

Uit: “Antarctica: het nieuwste continent”, door Marianne Webber (2129, IIF, Europese Unie)

Hoewel de migratie naar Antarctica, toen het continent opengesteld werd in 2054, initieel klein en verspreid was, ontstond er op basis van het werk en de mentaliteit van haar eedere bewoners, die tot dan toe slechts stations bewoond hadden, snel een mentaliteit die leidde tot een natiegevoel. Antarcticanen deelden een volstrekt unieke omgeving, en dat beseften ze. Ze namen ook deel aan een ongezien project in de geschiedenis: het levensvatbaar maken van de grootste woestijn ter wereld. Er was echter een belangrijk verschil met de eerste kolonisten die arriveerden op de Maan, of de Mars-basissen: Antarcticanen wisten van meet af aan dat ze deel uitmaakten van de hele wereld, haar geschiedenis en haar politiek. De Maan was een mythisch en dood landschap. Antarctica leefde al, en had al een eigen identiteit sinds de late 19de eeuw: ongastvrij maar avontuurlijk. Donker, maar met een messcherp daglicht. En vol van leven, maar ecologisch kwetsbaar.

2. Hoofdkwartier van de Antarcticaanse Politie, Dralnau, Getz

Jemma Paxton-Rügen hield niet van koude koffie. Nog minder hield ze van mensen die haar kwamen vertellen hoe ze haar werk precies moest doen, en momenteel werd ze met beide geconfronteerd.
“Het contact dat we voor je hebben, is betrouwbaar,” verzekerde Logan Herschel haar.
“Als dat contact zou betrouwbaar is, waarom mag ik dan niet weten hoe jullie er aan zijn gekomen?”
Jemma en Logan zaten in Logans veel te grote bureau, waar het enige voordeel het grote venster was, dat uitkeek op de hoekige ijskliffen van Getz.
“Ik kan toch niet alles meedelen?” zei Logan.
Jemma maakte van haar mond een platte streep en blies door haar neus.
“Goed dan.”
Ze ging nog eens door de data die Logan haar gegeven had. Haar eigen code was er nu door aan het gaan op zoek naar inconsistenties, maar zoals gewoonlijk was de info van de FedPol correct samengesteld. Daar waren ze goed in.
Logan wachtte geduldig af, met zijn bleke handen samengevouwen op zijn pastelkleurige schrijfblad.
“Goed,” zei Jemma opnieuw, “Gesteld dat ik die Walther Ernst zo ver krijg om samen te werken en zijn gegevens te delen, hoe ver denk je dat we zullen komen? Hij zal zelf wel weten dat Omn¡tek zijn dataverkeer in de gaten houdt, ook al weet hij niet precies waar hij toe aan het bijdragen is. Hoe meer we willen dat hij doet voor ons, hoe meer hij zal willen weten. Er is bovendien niets in dit dossier waarmee we hem zouden kunnen chanteren.”
“Ik vind ‘chanteren’ een vies woord, Jemma,” zei Logan familiar.
Jemma liet haar koude tas koffie ronddraaien in haar handen in een vergeefse poging om het warmer te krijgen.
“Ik ben niet zo delicaat. Feit is dat we Ernst een reden moeten geven om mee te werken.”
“Je kan altijd schermen met obstructie van onderzoek als hij niet meewerkt.”
“Hij had een GAI-score van 241 voor hij naar de universiteit ging. Dit is een type dat zijn rechten kent.”
Logan trok zijn mond samen als een vlieg.
“Ik heb... een idee.”
Jemma wist nog voor hij sprak, wat het idee van haar baas was, en ze wist dat ze er op in zou gaan. Omn¡tek was gewoon te grote vis om zomaar te laten liggen, en de tijd drong.

Het was makkelijker dan Jemma gedacht had om Walther Ernst te pakken te krijgen over de lijn. Zijn gezicht stond neutraal en kil. Een masker.
“Bedankt om even tijd te maken, meneer Ernst.”
Hij knikte een zo miniem mogelijke hoofdknik. De achtergrond waar hij tegen zat, was kunstgrijs. Ze wist dat hij thuis was, in zijn appartement niet ver van McMurdo, in een buurt waar niet veel jonge mensen woonden.
“U werkt momenteel aan een dataproject voor Omn¡tek, juist?”
“Dat is juist,” zei hij. Hij vroeg niet hoe Jemma dat wist, maar ze kon zien aan hem dat hij zich dat zat af te vragen, en in gedachten allicht al nota’s aan het maken was om de beveiliging van zijn persoonlijke data te verhogen.
“U hebt al recent samengewerkt met ons rond het dossier van Nanxiang en hun overtredingen van de ontginningswetten, en we zijn dat niet vergeten. We zijn daar nog altijd dankbaar voor. Daarom zouden we graag opnieuw een beroep doen op u.”
Hij knikte als teken dat Jemma mocht verdergaan.
“We hebben redenen om aan te nemen dat Omn¡tek bezig is aan een project dat heel veel schade kan berokkenen aan de wereld, en dat u daar momenteel zonder uw medeweten aan meewerkt.”
“Ik mag geen details van m’n werk vrijgeven zonder bevel van de AntPol,” zei Walther.
“Of zonder uw toestemming,” vulde Jemma naadloos aan, “dat weten we, meneer Ernst. U weet overigens allicht niet precies waar u aan meewerkt.”
“Nee,” zei hij vlak, “de datasets hebben andere namen gekregen, en fictionele waarden. Omn¡tek beschermt altijd zijn onderzoek op die manier, en ik ben slechts een controleur in tweede lijn.”
Jemma glimlachte.
“Niet zo bescheiden, meneer Ernst. U geldt als één van de beste data-analisten van Antarctica.”
Hij reageerde niet op dat compliment, maar Jemma wist wel dat het hem vleide.
“Wat zou ik dan moeten doen? Vergeet ook niet dat Omn¡tek me direct weer van m’n taak kan halen als ze dat willen.”
De arm van Omn¡tek was lang. Het bedrijf was dan ook alomtegenwoordig. Hoewel het grote publiek Omn¡tek het beste kende voor zijn AG-racers, ontwierp het ook supersnelle vrachtschepen en had het een uit de kluiten gewassen bio- en farma-industrietak die met haar dynamische progen-geneesmiddelen vooruitgang geboekt had in de strijd tegen diverse vormen van kanker.
“Ons inzage geven in uw data, daar komt het op neer.”
“Dat kan ik niet doen, sorry,” zei Walther.
Jemma rechtte haar schouders.
“Ook niet als er iets is dat wij kunnen doen voor u?”
Zijn al kleine ogen werden nog kleiner.
“Wat stelt u dan voor? Geld interesseert me niet.”
Ze merkte dat hij ongeduldig werd. Met een mentaal commando ging Jemma op haar oogdisplay nog eens na of de lijn beveiligd was. Dat was ze nog altijd.
“We kunnen uw sterilisatie opheffen.”
Walther lachte kort en bitter.
“Excuseer me, mevrouw Paxton-Rügen, maar daar ben ik niks mee. Ik wil geen kinderen.”
“En ook geen partner?” probeerde ze.
Jemma wist dat er veel vrouwen waren die sowieso geen partner wilden die steriel was. Steriele mannen hadden een bedenkelijke reputatie van geweld en frustratie die ze achter zich aan sleepten.
“Dat zijn de zaken niet van de politie,” zei Walther.
“Het spijt me,” zei Jemma, “We dachten u te kunnen helpen.”
Ze wilde zelf geen open vraag stellen naar wat hij wel zou willen, maar ze wist dat Ernst niet het type was dat er zelf over zou beginnen. Hij zweeg nu.
“Dan zal ik u met rust laten,” zei Jemma toen, “Bedankt voor uw tijd, meneer Ernst. Denk nog eens na over ons voorstel.”
“Ok,” zei hij. Hij sloot af.

Verder naar deel drie.

dinsdag 15 maart 2011

Desert of the real (V)

5. Landing

Sara had maar een vaag besef van wat er gebeurde. Ze was nog te veel gegrepen door de doffe teleurstelling dat er helemaal niks gebeurd was en ook niks zou gebeuren, toen ze overeind gesleurd werd door Berk. Aan de andere kant van Berks pezige lichaam hield hij Xerox in een houdgreep, en dreef hij hen beiden terug naar de auto. Greet en Tom volgden al roepend – tegen elkaar en tegen Berk, en op de achtergrond werd ook onderling getierd en gescholden.
“Maar hij is gek!”
“Zeg hem dat hij gek is!”
“Hou je mond!”
“You crazy motherfuckers!”
“Get lost!”
“Waar wat laat ...”
“Zwijg!”
“Stop! Stop!”
Op ongeveer tien meter van de auto, waar bij hun aankomst nog enkele andere auto’s rond hadden gestaan, en aan de achterkant van een rotspartij die een eind verwijderd was van het plateau waar ze kwamen, liet Berk Sara en Xerox los.
“Waar was dat voor nodig?” vroeg Xerox, terwijl hij over zijn pijnlijke arm wreef. Zijn ogen stonden vol tranen. Sara deinsde terug. Berks ogen waren erg klein geworden, en zijn handen trilden.
“Godverdomme!” riep hij eerst naar de hemel, en toen keek hij de anderen beurtelings aan.
“We zijn hier voor niets gekomen! Helemaal niets!”
“Moest je daarvoor nu die man in elkaar slaan?” verweet Greet hem. Sara herinnerde zich een kort gevecht, met een oude man die neergeslagen werd.
“Jij moet vooral je mond houden,” siste Berk tegen Greet, “Je bent blij zeker? Je vindt het zeker leuk dat we belogen zijn? Je had wel wat anders gedaan als het allemaal echt geweest was. Als we vannacht contact gemaakt hadden met een beschaving van een andere wereld. Weet je eigenlijk wel wat dat betekent? Een andere wereld? Maar jij moest hier zonodig oppas komen spelen op je lief.”
Greet was nu zelf helemaal rood aangelopen.
“Moet het mij spijten dat ik niet in jullie fantasiewereld geloof? Ik kwam mee om eindelijk eens dit land te zien. Ik heb geen seconde geloofd dat er aliens zouden landen,” zei ze laatdunkend, “Waarom in godsnaam zouden ze, als ze al bestonden, contact zoeken met zo’n hoop losers als die mensen.”
“Als ons, bedoel je,” mengde Xerox zich in de ruzie, “Want dat is wat je vindt van ons, is het niet?”
“Misschien niet,” snauwde Greet terug, “Als jij niet elke dag in Sara’s broek had proberen raken.”
Sara’s ogen verwijdden zich. Ze wist wel al de hele reis dat Xerox op een meer dan vriendschappelijke manier interesse in haar getoond had, maar ze vond hem tegelijk ook zo schadeloos als wat.
“Laat mij hierbuiten,” zei ze, gegêneerd.
“Het is anders wel door jou dat we verjaagd waren uit die bar,” zei Tom, met zijn armen gekruist, maar op een afstand van zijn vriendin, alsof zij de Atlantikwall was en hij het mitrailleurgeschut erachter.
“Dat is niet waar!” zei Sara, die nu pas de enorme vermoeidheid van de voorbije weken tot zich door voelde dringen, “We zijn weggejaagd omdat we ons verdedigden!”
“Het was mijn schuld, ok?” zei Xerox, “Ik neem de verantwoordelijkheid op mij. Ja Sara, ik kon niet verdragen hoe die gluiperige venten je al de hele tijd aan het uitkleden waren met hun ogen, en geen respect voor jou hadden. En Berk heeft de schuld op zich genomen. Sorry, goed? Het spijt me dat ik geloofde in de verhalen van Jim en dat hij ons belogen heeft. En sorry, Tom, dat ik je hierin moest meeslepen.”
Tom liet wat van zijn defensieve houding varen.
“Je bent een enorme idioot, Xerox. Maar deze reis heeft mij doen inzien dat ik tien keer liever op een onbewoond eiland zou zitten met jou,” en hierna draaide hij zich naar Greet, “dan met jou.”
Berk had al een sigaret opgestoken, en grinnikte. Sara voelde zich erg ongemakkelijk.
“O, is dit de afrekening dan? Gaan we het failliet van de reis op mij afschuiven? Ik moet al de hele reis luisteren naar je stomme meningen over Amerikanen en over Amerika. Dat het een dom land is, dat de mensen dom zijn, en dat ze dik zijn, en geen cultuur hebben. Kijk eens naar jezelf. Je verkleedt je in je weekends als trol –“
“Noldorin,” onderbrak Tom haar geërgerd.
“– het maakt niet uit. Je verkleedt je als trol en werkt de ene hamburger na de andere binnen. Je bent zelf dik!”
“Het is anders ook lang geleden dat een weegschaal jou eens de waarheid verteld heeft,”
schampte Tom.
“Dat is anders! Dat is medisch!”
“Jullie zijn echt gênant,” zei Sara. Het was eruit voor ze het wist. Greet en Tom leken bevroren.
Berk haalde diep adem en blies een rookpluim uit.
“Goed,” zei hij, na nog een ademtocht, “Hiermee lossen we niks op.”
“Met geweld ook niet,” vond Sara, “Berk, ik mag je echt graag, maar dat was nergens voor nodig. Ik ben ook teleurgesteld. Ik had ook gehoopt dat het allemaal echt was. Dat ik terug iets kon vinden om in te geloven.”
Berk keek onthutst.
“Tom, Greet – kunnen jullie alsjeblieft wachten met ruziemaken of uit elkaar gaan tot we terug zijn? Het kan me niet schelen dat jullie elkaar niet meer graag zien, maar ik hoef daar geen getuige van te zijn. Ik heb zelf wel iets gehad aan deze reis. Ik vond de autoritten leuk, ik vond het weer aangenaam, ik vond de meeste mensen vriendelijk en ik vond het zelfs leuk toen we panne kregen.”
Sara voelde zich koud.
“Ik vond de Amerikanen erg goed meevallen. We kunnen iets leren van hun vriendelijkheid.”
Tom wou iets zeggen maar schudde zijn hoofd. Sara kon dat echter niet zien, want ze keek naar de rossige ondergrond nu, naar haar bleke schoenen en haast even bleke schenen in het sterrenlicht.
“En nee, Xerox, jij bent niks voor mij. En ik ben niks voor jou. Goed?”
“Waar is Xerox?” vroeg Greet. Haar stem klonk onvast. Sara keek terug op. Xerox was inderdaad verdwenen.
“Hij is toch niet weggelopen?” mompelde Tom.
“Daar is hij,” zei Berk. In de verte kwam Xerox afgerend. Hij zag er volledig afgepeigerd uit. Het licht van zijn smartphone maakte een vaag schijnsel over zijn borst. Toen hij terug bij de groep kwam, leek hij echter herboren.
“We moeten naar huis,” zei hij tussen twee happen adem door.
“Wat is er?” vroeg Berk.
Xerox draaide het scherm van de smartphone naar de groep, die dichter kwam om te kunnen zien wat hij hen wilde tonen.
“Dit zijn beelden van Brussel.”
Het duurde een volle seconden voor iedereen doorhad wat er te zien was.
“Wat is dat?”
“O God. O God,” zei Sara slechts.

maandag 14 maart 2011

Desert of the real (IV)

4. Plateau

De volgende dagen werd er weinig gesproken buiten het hoogst minimale. Iedereen leek bezig met zijn eigen zaken en deed zijn best om er een neutraal soort beleefdheid op na te houden, maar tegelijk wist iedereen ook dat de sfeer in de groep onder het nulpunt was gezakt door de schermutseling in de motelbar. Er waren stille verwijten, schaamte en schuld. Berk vermoedde dat hem ook wat van die schuld hoorde te treffen, maar dat was al na een half uur van hem afgegleden. In het verleden had hij al ergere dingen gedaan, en al veel ergere zaken gezien ook. Het vertelde hem iets over de milieus waar zijn jongere vrienden vandaan kwamen – normale middenklassegezinnen waar geweld een uitzondering was, en waar ze vooral ook omgang hadden met andere mensen uit de middenklasse die op vergelijkbare manieren opgevoed waren geweest. Snel geschokt door hoe dicht de meeste mensen nog stonden bij primitieve emoties.
De banen en autostrades weerspiegelden de emotionele eentonigheid van de laatste dagen. Stukken lijnrechte weg werden alleen maar onderbroken door wat flauwe bochten, verkleuringen in de roodzanderige grond, of hier en daar een bord dat wees op een afslag naar deze of gene gemeente. Er was ook af en toe een verkleurd bord dat de Grand Canyon aanprees, die honderden kilometers verwijderd lag van het ontmoetingspunt dat Xerox meegekregen had van zijn contacten.
Het was duidelijk dat Xerox, Tom en Berk de enigen waren die nog echt geloofden in het doel van de reis. God wist wat Sara dacht, en Greet had zich al lang naar huis geteleporteerd, mocht dat een mogelijkheid geweest zijn. Berk dacht daarentegen vaak terug aan de catastrofale ochtend dat hij zowel voor het eerst contact gemaakt had, hoe onbenullig ook, met een hogere levensvorm, en dat zijn leven zoals hij dat tot dan toe geleid had, beëindigd was geweest. Hier was niemand om aan te rijden.
“Nog minder dan 24 uur,” zei Xerox. Het was het eerste dat er gezegd werd in uren. In de achteruitkijkspiegel zaten Sara, Tom en Greet er bij als wassen poppen die half aan het smelten waren.
“Nog maar zo weinig?” vroeg Berk.
“Ja. We hebben de laatste dagen goed doorgereden. We gaan er op tijd zijn.”
“Je hebt toch de precieze coördinaten nog, hoop ik?” vroeg Tom oprecht hoopvol.
“Natuurlijk,” zuchtte Xerox, “Ik heb alles.”
Xerox’ neus was intussen grotendeels genezen. Hij stond alleen nog wat dik aan de neusbrug, maar dat viel eigenlijk niet op omdat hij van nature al een grote vogelverschrikkersneus had.
“Laat ons hopen dat zij ook op tijd zijn,” zei Tom.
“Ik weet niet of ze op een uur kijken,” zei Xerox plompverloren, terwijl hij papieren en kaarten in een map heen en weer schoof. Berk had een amusant beeld voor ogen van een buitenaards wezen met een goedkoop Chinees polshorloge.
“Wel, de tijdsaanduiding had te maken met de stand van de sterren, de maan en de zon. Dus dat is wel exact, neem ik aan?” vroeg Tom.
“Nogal,” zei Xerox afwezig, waarop hij zich tot Berk richtte: “Volgende afslag richting Limerence, dan daarna naar Hands’ Hope en Charity.”
Greet moest plots lachen. Berk keek haar aan via de achteruitkijkspiegel en trok een wenkbrauw op.
“Wat is er?” vroeg Tom, met de preventieve geamuseerdheid van iemand die zich vol overgave stort op een terminale kankerpatiënt die een slechte mop vertelt.
“Niks,” zei ze met een zucht, “Taalmopje.”
“O.”
Xerox legde de stift in zijn hand neer, leek iets te willen zeggen, maar bedacht zich toen. Er was iets dat boven Berks hoofd ging, maar hij besloot er zich niet druk in te maken.
“Hoeveel mensen gingen er ook alweer zijn?” vroeg Tom.
“Als we mogen afgaan op wat Colonel Jim zei, een honderdvijftigtal,” antwoordde Xerox, “Maar ik denk dat wij de enige buitenlanders zullen zijn. In principe was het ook alleen voor Amerikanen.”
“En dat zeg je nu. Gaat dat geen problemen opleveren?” vroeg Greet. Xerox zuchtte.
“Nee. Ik ken Jim vrij goed.”
“Is hij echt een kolonel?” vroeg Berk. Colonel Jim was een opgemerkt figuur in de internetgemeenschap die zich bezighield met UFO’s. Bovendien straalde hij in zijn posts een pragmatische betrouwbaarheid uit, niet het manische enthousiasme dat eigen was aan veel andere UFO-spotters.
“Hij heeft nog in de luchtmacht gediend,” zei Xerox, “Maar meer weet ik niet.”
“Het kan zijn dat hij een kolonel was,” kwam Tom tussenbeide, “Ik bedoel – hij had toegang tot een pak dossiers van de Amerikaanse regering waar anderen moeilijk aan konden raken.”
Xerox knikte.
“Er gaat een kolonel zijn, daar?” vroeg Sara. Niemand ging er op in.
“Hij zal wel niet echt Jim heten, dan,” zei Tom, “Als hij zo veel weet, moet hij zijn identiteit geheim houden.”
“Dat spreekt voor zich in zo’n gevallen. Hij is twee jaar geleden al eens lastiggevallen,” zei Xerox, wiens ogen glazig werden, alsof hij over een oude vriend sprak.
“Heeft hij je dat zelf verteld?” vroeg Berk.
“Ik heb het gehoord van anderen.”
Het werd even stil. Berk had ook verhalen gelezen over bekende ufologen die systematisch belachelijk gemaakt werden, mensen ook die buitenaardsen hadden ontmoet maar werden weggehoond door de politie of psychiaters, of de gevreesde mannen in het zwart, die in niks leken op de personages uit de film.
“Voor jullie is dit echt, hé?” vroeg Greet. Voor één keer klonk er geen scepsis door in haar stem.
“Absoluut,” zei Xerox zelfverzekerd. Berk moest bijna onmerkbaar glimlachen, en gaf nog wat gas bij.

Ze aten nog twee keer voor ze aankwamen op de plek waar ze moesten zijn. Xerox had iedereen een kopie gegeven van de e-mails, blogposts en documenten die hij verzameld had, en had die met overdreven veel ernst behandeld alsof het staatsgeheimen waren. Berk had er even door gebladerd, maar was te moe geweest van het constante rijden om ze echt aandachtig te lezen.
Drie uur voor de afspraak, toen het al bijna middernacht was (“Waarom spelen al die verhalen zich ’s nachts af?” had Greet in het begin van de reis met veel voldoening gevraagd, omdat ze wist dat daar geen zinnig antwoord op te geven was), begon op de anders allicht rustige, zich zacht slingerende landweg, hier en daar verkeer in te voegen dat daar normaal zeker niet thuishoorde. Telkens drie, vier mensen per auto. Twee keer een beschilderd busje vol vredestekens, oproepen tot het legaliseren van softdrugs en visuele moppen die Berk niet begreep. Xerox en Tom waren opgewonden als schoolkinderen, en ook Sara deelde de vreugde. Voor het eerst leek het allemaal veel concreter dan toen ze waren aangekomen en voor het eerst de lucht hadden opgesnoven van het ijzingwekkend hete Phoenix.

Berk keek op een afstand toe hoe enthousiasme en vreugde als een vuurwerk ontploften op het stuk woestijnplateau waar de buitenaardse bezoekers zouden landen. Xerox rende van hot naar her, schudde handen en stelde zichzelf en iedereen voor aan elkaar. Het waren voor het overgrote deel leden van hetzelfde forum. Colonel Jim was er ook, en had de buitenlandse bezoekers kort begroet. Berk was een beetje teleurgesteld in de ‘kolonel’, die er eerder uitzag als een diabeticus met een voortdurend afzakkende bril, en vet grijs haar. Terwijl Xerox zich gedroeg alsof hij terug een kleuter was die beland was op de grootste speeltuin ter wereld, gingen de vier anderen zitten. Voor de gelegenheid hadden ze een fles champagne meegenomen, die al snel afkoelde in de kou van het woestijnplateau. Berk dwong zichzelf met alle macht om zich bij zijn frisdrank te houden.
Het was een erg heldere nacht, zoals gewoonlijk hier. Berk had vanuit motelkamers of vanuit de auto bijna altijd nog vijf minuten gekeken naar de vertrouwde constellaties vooraleer hij in slaap was gevallen. Elke nacht had hij diep vanbinnen gehoopt dat hij iets zou kunnen zien – een teken dat ze wel degelijk zouden komen. Vandaag had hij daar geen seconde meer aan getwijfeld. Alle documenten wezen erop. Ze wilden komen. Ze wilden contact maken met de mensheid, maar ze vertrouwden de regeringen van de wereld niet. Wie zou ze ook kunnen vertrouwen, na alles wat regeringen, legers en economen de mensheid aangedaan hadden? Dat was oneindig veel erger dan een gevecht in een bar, of Berk zelf die per ongeluk en uit domheid een vrouw had doodgereden. Dat besef maakte hem rustig. En nu zat hij in die rust al een uur naar de hemel te staren, in de kou. Veel anderen deden hetzelfde.
De uren kwamen en gingen. Ze waren te laat. Tien minuten werden er twintig, twintig minuten werden één zenuwslopend uur, en een uur werd twee uur. Sommigen begonnen moe te worden. In de verte discussieerde Colonel Jim met zijn internetluitenanten, waaronder Xerox. Berk besloot een sigaret op te steken.
“Wat is er toch aan de hand?” mompelde Tom voor de zoveelste keer. Hij zat helemaal opgerold in slaapzakstof.
“Ze komen misschien niet meer,” zei Sara argeloos, zonder een spoor van genoegen of teleurstelling.
“Shit zeg,” zei Tom, “Ik hoop echt... Fuck. En wat gebeurt daar?”
Hij doelde op de discussie die Colonel Jim aan het voeren was. De groepjes mensen zaten er wat verslagen bij.
Drie en een half uur na het oorspronkelijke landingstijdstip vertrok de eerste auto terug waar hij vandaan gekomen was. Greet was in slaap gevallen. Tom was gaan ijsberen, en Xerox discussieerde nu alleen met Colonel Jim. Beiden werden steeds bozer. Woorden als “genuine”, “assurance” en “coordinates” bereikten Berks oren.
Vijf uur later was het geduld op. Berk had zijn hoop voelen omslaan in teleurstelling, in vermoeidheid, verslagenheid, en tenslotte, woede. Greet was terug wakker maar zei niks. Zij had gewonnen, en zat gespeeld geïnteresseerd rond te kijken. Tom leek zich te willen ingraven in de woestijn.

Verder naar deel vijf.