Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de verhalenafdeling daarvan. In 2016 bundelde en redigeerde ik (streng!) alle tot dan toe geschreven kortverhalen in de antologie 'Recombinant' en in 2023 bracht ik de novelle 'De keizer van Populië' uit - je kan beiden gratis downloaden als je Patron wordt. In 2020 verscheen mijn debuutroman 'Fragmentariërs'. In 2023 bracht ik de opvolger 'Constellatie' uit. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.
Posts tonen met het label woestijn. Alle posts tonen
Posts tonen met het label woestijn. Alle posts tonen

dinsdag 15 maart 2011

Desert of the real (V)

5. Landing

Sara had maar een vaag besef van wat er gebeurde. Ze was nog te veel gegrepen door de doffe teleurstelling dat er helemaal niks gebeurd was en ook niks zou gebeuren, toen ze overeind gesleurd werd door Berk. Aan de andere kant van Berks pezige lichaam hield hij Xerox in een houdgreep, en dreef hij hen beiden terug naar de auto. Greet en Tom volgden al roepend – tegen elkaar en tegen Berk, en op de achtergrond werd ook onderling getierd en gescholden.
“Maar hij is gek!”
“Zeg hem dat hij gek is!”
“Hou je mond!”
“You crazy motherfuckers!”
“Get lost!”
“Waar wat laat ...”
“Zwijg!”
“Stop! Stop!”
Op ongeveer tien meter van de auto, waar bij hun aankomst nog enkele andere auto’s rond hadden gestaan, en aan de achterkant van een rotspartij die een eind verwijderd was van het plateau waar ze kwamen, liet Berk Sara en Xerox los.
“Waar was dat voor nodig?” vroeg Xerox, terwijl hij over zijn pijnlijke arm wreef. Zijn ogen stonden vol tranen. Sara deinsde terug. Berks ogen waren erg klein geworden, en zijn handen trilden.
“Godverdomme!” riep hij eerst naar de hemel, en toen keek hij de anderen beurtelings aan.
“We zijn hier voor niets gekomen! Helemaal niets!”
“Moest je daarvoor nu die man in elkaar slaan?” verweet Greet hem. Sara herinnerde zich een kort gevecht, met een oude man die neergeslagen werd.
“Jij moet vooral je mond houden,” siste Berk tegen Greet, “Je bent blij zeker? Je vindt het zeker leuk dat we belogen zijn? Je had wel wat anders gedaan als het allemaal echt geweest was. Als we vannacht contact gemaakt hadden met een beschaving van een andere wereld. Weet je eigenlijk wel wat dat betekent? Een andere wereld? Maar jij moest hier zonodig oppas komen spelen op je lief.”
Greet was nu zelf helemaal rood aangelopen.
“Moet het mij spijten dat ik niet in jullie fantasiewereld geloof? Ik kwam mee om eindelijk eens dit land te zien. Ik heb geen seconde geloofd dat er aliens zouden landen,” zei ze laatdunkend, “Waarom in godsnaam zouden ze, als ze al bestonden, contact zoeken met zo’n hoop losers als die mensen.”
“Als ons, bedoel je,” mengde Xerox zich in de ruzie, “Want dat is wat je vindt van ons, is het niet?”
“Misschien niet,” snauwde Greet terug, “Als jij niet elke dag in Sara’s broek had proberen raken.”
Sara’s ogen verwijdden zich. Ze wist wel al de hele reis dat Xerox op een meer dan vriendschappelijke manier interesse in haar getoond had, maar ze vond hem tegelijk ook zo schadeloos als wat.
“Laat mij hierbuiten,” zei ze, gegêneerd.
“Het is anders wel door jou dat we verjaagd waren uit die bar,” zei Tom, met zijn armen gekruist, maar op een afstand van zijn vriendin, alsof zij de Atlantikwall was en hij het mitrailleurgeschut erachter.
“Dat is niet waar!” zei Sara, die nu pas de enorme vermoeidheid van de voorbije weken tot zich door voelde dringen, “We zijn weggejaagd omdat we ons verdedigden!”
“Het was mijn schuld, ok?” zei Xerox, “Ik neem de verantwoordelijkheid op mij. Ja Sara, ik kon niet verdragen hoe die gluiperige venten je al de hele tijd aan het uitkleden waren met hun ogen, en geen respect voor jou hadden. En Berk heeft de schuld op zich genomen. Sorry, goed? Het spijt me dat ik geloofde in de verhalen van Jim en dat hij ons belogen heeft. En sorry, Tom, dat ik je hierin moest meeslepen.”
Tom liet wat van zijn defensieve houding varen.
“Je bent een enorme idioot, Xerox. Maar deze reis heeft mij doen inzien dat ik tien keer liever op een onbewoond eiland zou zitten met jou,” en hierna draaide hij zich naar Greet, “dan met jou.”
Berk had al een sigaret opgestoken, en grinnikte. Sara voelde zich erg ongemakkelijk.
“O, is dit de afrekening dan? Gaan we het failliet van de reis op mij afschuiven? Ik moet al de hele reis luisteren naar je stomme meningen over Amerikanen en over Amerika. Dat het een dom land is, dat de mensen dom zijn, en dat ze dik zijn, en geen cultuur hebben. Kijk eens naar jezelf. Je verkleedt je in je weekends als trol –“
“Noldorin,” onderbrak Tom haar geërgerd.
“– het maakt niet uit. Je verkleedt je als trol en werkt de ene hamburger na de andere binnen. Je bent zelf dik!”
“Het is anders ook lang geleden dat een weegschaal jou eens de waarheid verteld heeft,”
schampte Tom.
“Dat is anders! Dat is medisch!”
“Jullie zijn echt gênant,” zei Sara. Het was eruit voor ze het wist. Greet en Tom leken bevroren.
Berk haalde diep adem en blies een rookpluim uit.
“Goed,” zei hij, na nog een ademtocht, “Hiermee lossen we niks op.”
“Met geweld ook niet,” vond Sara, “Berk, ik mag je echt graag, maar dat was nergens voor nodig. Ik ben ook teleurgesteld. Ik had ook gehoopt dat het allemaal echt was. Dat ik terug iets kon vinden om in te geloven.”
Berk keek onthutst.
“Tom, Greet – kunnen jullie alsjeblieft wachten met ruziemaken of uit elkaar gaan tot we terug zijn? Het kan me niet schelen dat jullie elkaar niet meer graag zien, maar ik hoef daar geen getuige van te zijn. Ik heb zelf wel iets gehad aan deze reis. Ik vond de autoritten leuk, ik vond het weer aangenaam, ik vond de meeste mensen vriendelijk en ik vond het zelfs leuk toen we panne kregen.”
Sara voelde zich koud.
“Ik vond de Amerikanen erg goed meevallen. We kunnen iets leren van hun vriendelijkheid.”
Tom wou iets zeggen maar schudde zijn hoofd. Sara kon dat echter niet zien, want ze keek naar de rossige ondergrond nu, naar haar bleke schoenen en haast even bleke schenen in het sterrenlicht.
“En nee, Xerox, jij bent niks voor mij. En ik ben niks voor jou. Goed?”
“Waar is Xerox?” vroeg Greet. Haar stem klonk onvast. Sara keek terug op. Xerox was inderdaad verdwenen.
“Hij is toch niet weggelopen?” mompelde Tom.
“Daar is hij,” zei Berk. In de verte kwam Xerox afgerend. Hij zag er volledig afgepeigerd uit. Het licht van zijn smartphone maakte een vaag schijnsel over zijn borst. Toen hij terug bij de groep kwam, leek hij echter herboren.
“We moeten naar huis,” zei hij tussen twee happen adem door.
“Wat is er?” vroeg Berk.
Xerox draaide het scherm van de smartphone naar de groep, die dichter kwam om te kunnen zien wat hij hen wilde tonen.
“Dit zijn beelden van Brussel.”
Het duurde een volle seconden voor iedereen doorhad wat er te zien was.
“Wat is dat?”
“O God. O God,” zei Sara slechts.

maandag 14 maart 2011

Desert of the real (IV)

4. Plateau

De volgende dagen werd er weinig gesproken buiten het hoogst minimale. Iedereen leek bezig met zijn eigen zaken en deed zijn best om er een neutraal soort beleefdheid op na te houden, maar tegelijk wist iedereen ook dat de sfeer in de groep onder het nulpunt was gezakt door de schermutseling in de motelbar. Er waren stille verwijten, schaamte en schuld. Berk vermoedde dat hem ook wat van die schuld hoorde te treffen, maar dat was al na een half uur van hem afgegleden. In het verleden had hij al ergere dingen gedaan, en al veel ergere zaken gezien ook. Het vertelde hem iets over de milieus waar zijn jongere vrienden vandaan kwamen – normale middenklassegezinnen waar geweld een uitzondering was, en waar ze vooral ook omgang hadden met andere mensen uit de middenklasse die op vergelijkbare manieren opgevoed waren geweest. Snel geschokt door hoe dicht de meeste mensen nog stonden bij primitieve emoties.
De banen en autostrades weerspiegelden de emotionele eentonigheid van de laatste dagen. Stukken lijnrechte weg werden alleen maar onderbroken door wat flauwe bochten, verkleuringen in de roodzanderige grond, of hier en daar een bord dat wees op een afslag naar deze of gene gemeente. Er was ook af en toe een verkleurd bord dat de Grand Canyon aanprees, die honderden kilometers verwijderd lag van het ontmoetingspunt dat Xerox meegekregen had van zijn contacten.
Het was duidelijk dat Xerox, Tom en Berk de enigen waren die nog echt geloofden in het doel van de reis. God wist wat Sara dacht, en Greet had zich al lang naar huis geteleporteerd, mocht dat een mogelijkheid geweest zijn. Berk dacht daarentegen vaak terug aan de catastrofale ochtend dat hij zowel voor het eerst contact gemaakt had, hoe onbenullig ook, met een hogere levensvorm, en dat zijn leven zoals hij dat tot dan toe geleid had, beëindigd was geweest. Hier was niemand om aan te rijden.
“Nog minder dan 24 uur,” zei Xerox. Het was het eerste dat er gezegd werd in uren. In de achteruitkijkspiegel zaten Sara, Tom en Greet er bij als wassen poppen die half aan het smelten waren.
“Nog maar zo weinig?” vroeg Berk.
“Ja. We hebben de laatste dagen goed doorgereden. We gaan er op tijd zijn.”
“Je hebt toch de precieze coördinaten nog, hoop ik?” vroeg Tom oprecht hoopvol.
“Natuurlijk,” zuchtte Xerox, “Ik heb alles.”
Xerox’ neus was intussen grotendeels genezen. Hij stond alleen nog wat dik aan de neusbrug, maar dat viel eigenlijk niet op omdat hij van nature al een grote vogelverschrikkersneus had.
“Laat ons hopen dat zij ook op tijd zijn,” zei Tom.
“Ik weet niet of ze op een uur kijken,” zei Xerox plompverloren, terwijl hij papieren en kaarten in een map heen en weer schoof. Berk had een amusant beeld voor ogen van een buitenaards wezen met een goedkoop Chinees polshorloge.
“Wel, de tijdsaanduiding had te maken met de stand van de sterren, de maan en de zon. Dus dat is wel exact, neem ik aan?” vroeg Tom.
“Nogal,” zei Xerox afwezig, waarop hij zich tot Berk richtte: “Volgende afslag richting Limerence, dan daarna naar Hands’ Hope en Charity.”
Greet moest plots lachen. Berk keek haar aan via de achteruitkijkspiegel en trok een wenkbrauw op.
“Wat is er?” vroeg Tom, met de preventieve geamuseerdheid van iemand die zich vol overgave stort op een terminale kankerpatiënt die een slechte mop vertelt.
“Niks,” zei ze met een zucht, “Taalmopje.”
“O.”
Xerox legde de stift in zijn hand neer, leek iets te willen zeggen, maar bedacht zich toen. Er was iets dat boven Berks hoofd ging, maar hij besloot er zich niet druk in te maken.
“Hoeveel mensen gingen er ook alweer zijn?” vroeg Tom.
“Als we mogen afgaan op wat Colonel Jim zei, een honderdvijftigtal,” antwoordde Xerox, “Maar ik denk dat wij de enige buitenlanders zullen zijn. In principe was het ook alleen voor Amerikanen.”
“En dat zeg je nu. Gaat dat geen problemen opleveren?” vroeg Greet. Xerox zuchtte.
“Nee. Ik ken Jim vrij goed.”
“Is hij echt een kolonel?” vroeg Berk. Colonel Jim was een opgemerkt figuur in de internetgemeenschap die zich bezighield met UFO’s. Bovendien straalde hij in zijn posts een pragmatische betrouwbaarheid uit, niet het manische enthousiasme dat eigen was aan veel andere UFO-spotters.
“Hij heeft nog in de luchtmacht gediend,” zei Xerox, “Maar meer weet ik niet.”
“Het kan zijn dat hij een kolonel was,” kwam Tom tussenbeide, “Ik bedoel – hij had toegang tot een pak dossiers van de Amerikaanse regering waar anderen moeilijk aan konden raken.”
Xerox knikte.
“Er gaat een kolonel zijn, daar?” vroeg Sara. Niemand ging er op in.
“Hij zal wel niet echt Jim heten, dan,” zei Tom, “Als hij zo veel weet, moet hij zijn identiteit geheim houden.”
“Dat spreekt voor zich in zo’n gevallen. Hij is twee jaar geleden al eens lastiggevallen,” zei Xerox, wiens ogen glazig werden, alsof hij over een oude vriend sprak.
“Heeft hij je dat zelf verteld?” vroeg Berk.
“Ik heb het gehoord van anderen.”
Het werd even stil. Berk had ook verhalen gelezen over bekende ufologen die systematisch belachelijk gemaakt werden, mensen ook die buitenaardsen hadden ontmoet maar werden weggehoond door de politie of psychiaters, of de gevreesde mannen in het zwart, die in niks leken op de personages uit de film.
“Voor jullie is dit echt, hé?” vroeg Greet. Voor één keer klonk er geen scepsis door in haar stem.
“Absoluut,” zei Xerox zelfverzekerd. Berk moest bijna onmerkbaar glimlachen, en gaf nog wat gas bij.

Ze aten nog twee keer voor ze aankwamen op de plek waar ze moesten zijn. Xerox had iedereen een kopie gegeven van de e-mails, blogposts en documenten die hij verzameld had, en had die met overdreven veel ernst behandeld alsof het staatsgeheimen waren. Berk had er even door gebladerd, maar was te moe geweest van het constante rijden om ze echt aandachtig te lezen.
Drie uur voor de afspraak, toen het al bijna middernacht was (“Waarom spelen al die verhalen zich ’s nachts af?” had Greet in het begin van de reis met veel voldoening gevraagd, omdat ze wist dat daar geen zinnig antwoord op te geven was), begon op de anders allicht rustige, zich zacht slingerende landweg, hier en daar verkeer in te voegen dat daar normaal zeker niet thuishoorde. Telkens drie, vier mensen per auto. Twee keer een beschilderd busje vol vredestekens, oproepen tot het legaliseren van softdrugs en visuele moppen die Berk niet begreep. Xerox en Tom waren opgewonden als schoolkinderen, en ook Sara deelde de vreugde. Voor het eerst leek het allemaal veel concreter dan toen ze waren aangekomen en voor het eerst de lucht hadden opgesnoven van het ijzingwekkend hete Phoenix.

Berk keek op een afstand toe hoe enthousiasme en vreugde als een vuurwerk ontploften op het stuk woestijnplateau waar de buitenaardse bezoekers zouden landen. Xerox rende van hot naar her, schudde handen en stelde zichzelf en iedereen voor aan elkaar. Het waren voor het overgrote deel leden van hetzelfde forum. Colonel Jim was er ook, en had de buitenlandse bezoekers kort begroet. Berk was een beetje teleurgesteld in de ‘kolonel’, die er eerder uitzag als een diabeticus met een voortdurend afzakkende bril, en vet grijs haar. Terwijl Xerox zich gedroeg alsof hij terug een kleuter was die beland was op de grootste speeltuin ter wereld, gingen de vier anderen zitten. Voor de gelegenheid hadden ze een fles champagne meegenomen, die al snel afkoelde in de kou van het woestijnplateau. Berk dwong zichzelf met alle macht om zich bij zijn frisdrank te houden.
Het was een erg heldere nacht, zoals gewoonlijk hier. Berk had vanuit motelkamers of vanuit de auto bijna altijd nog vijf minuten gekeken naar de vertrouwde constellaties vooraleer hij in slaap was gevallen. Elke nacht had hij diep vanbinnen gehoopt dat hij iets zou kunnen zien – een teken dat ze wel degelijk zouden komen. Vandaag had hij daar geen seconde meer aan getwijfeld. Alle documenten wezen erop. Ze wilden komen. Ze wilden contact maken met de mensheid, maar ze vertrouwden de regeringen van de wereld niet. Wie zou ze ook kunnen vertrouwen, na alles wat regeringen, legers en economen de mensheid aangedaan hadden? Dat was oneindig veel erger dan een gevecht in een bar, of Berk zelf die per ongeluk en uit domheid een vrouw had doodgereden. Dat besef maakte hem rustig. En nu zat hij in die rust al een uur naar de hemel te staren, in de kou. Veel anderen deden hetzelfde.
De uren kwamen en gingen. Ze waren te laat. Tien minuten werden er twintig, twintig minuten werden één zenuwslopend uur, en een uur werd twee uur. Sommigen begonnen moe te worden. In de verte discussieerde Colonel Jim met zijn internetluitenanten, waaronder Xerox. Berk besloot een sigaret op te steken.
“Wat is er toch aan de hand?” mompelde Tom voor de zoveelste keer. Hij zat helemaal opgerold in slaapzakstof.
“Ze komen misschien niet meer,” zei Sara argeloos, zonder een spoor van genoegen of teleurstelling.
“Shit zeg,” zei Tom, “Ik hoop echt... Fuck. En wat gebeurt daar?”
Hij doelde op de discussie die Colonel Jim aan het voeren was. De groepjes mensen zaten er wat verslagen bij.
Drie en een half uur na het oorspronkelijke landingstijdstip vertrok de eerste auto terug waar hij vandaan gekomen was. Greet was in slaap gevallen. Tom was gaan ijsberen, en Xerox discussieerde nu alleen met Colonel Jim. Beiden werden steeds bozer. Woorden als “genuine”, “assurance” en “coordinates” bereikten Berks oren.
Vijf uur later was het geduld op. Berk had zijn hoop voelen omslaan in teleurstelling, in vermoeidheid, verslagenheid, en tenslotte, woede. Greet was terug wakker maar zei niks. Zij had gewonnen, en zat gespeeld geïnteresseerd rond te kijken. Tom leek zich te willen ingraven in de woestijn.

Verder naar deel vijf.

vrijdag 11 maart 2011

Desert of the real (II)

2. Tankstation

Berk keek op de kaart.
“Als ik het goed voor heb, dan is het volgende tankstation binnen twee kilometer,” zei Xerox, die met hem mee keek.
“We zijn daarnet inderdaad een bord gepasseerd,” zei Sara, “Maar ik weet niet meer wat er op stond.”
Ze moest lachen met haar eigen vergeetachtigheid.
“Het wordt hier snel warm, als je stilstaat,” merkte Greet op.
“Ik denk dat je gelijk hebt,” zei Berk tegen Xerox, waarop hij zich tot de anderen wendde.
“Wat doen we? Duwen we de auto tot daar, of proberen we iemand te bellen?”
“We gaan tijd verliezen als we wachten op wegenhulp,” zei Tom.
“Met de auto duwen ook,” meende Greet.
“We hebben nog twee volle dagen,” zei Sara, “Dat is toch genoeg? We kunnen –”
“Wegenhulp is te traag hier,” onderbrak Berk haar, “Bij het tankstation is vast wel iemand die ons kan helpen.”
“Weet jij niet wat er scheelt?” vroeg Xerox aan Berk. Hij haalde zijn getatoeëerde schouders op.
“Nee. Ik ben geen automecanicien.”
“Weet jij het niet?” vroeg Greet aan Tom. Tom keek alsof ze hem zonet iets gevraagd had over de ingrediënten van veevoeder.
“Hoe zou ik dat moeten weten? Ik heb nog maar twee maand mijn rijbewijs.”
Het bleef even stil. Er weerklonk een getik van opwarmend metaal. Berk gromde iets en stapte uit. Sara volgde onmiddellijk, dan Xerox, en dan Greet en Tom.

Twee uur later stond Berk, terwijl hij zwetend en gulzig van een flesje koel water dronk, onder een afdak van een stoffig tankstation bij de auto te praten met een werknemer van dat tankstation, die toevallig wel iets kende van auto's. De Amerikaan stond ingespannen te kijken naar de motor, waarbij zijn ogen helemaal onzichtbaar waren in de schaduw van de opengeklapte motorkap.
De anderen zaten even verder op een rijtje, en zeiden niets. Greet lag met haar hoofd achterover tegen de muur van het gebouw, terwijl Xerox hijgde als een hond. Sara zag er nog het minste vermoeid uit van iedereen.
"Al die moeite," zei Tom met een stem als schuurpapier, "Ik hoop echt dat het de moeite waard wordt."
Bij die woorden keek hij naar Xerox, die de bedenker van het hele plan geweest was. Xerox keek hem terug aan met zijn uitpuilende hondenogen, likte over zijn uitgedroogde mond en zei: "Mijn bron was 100% zeker. Ik heb de documenten allemaal bij op papier... en op memory stick."
"Jaja, ik weet het," zei Tom met een handgebaar.
"Kunnen aliens de zon verdragen?" vroeg Sara loom.
Vanop de achtergrond bereikten de stemmen van Berk en de Amerikaan Toms oren.
"Misschien komen ze van de zon, Sara," mompelde Greet. Tom moest in weerwil van zichzelf lachen.
"Het was een serieuze vraag," zei Sara geprikkeld.
"Er kan geen leven ontstaan op of in sterren. Er is geen water," zei Tom.
"Je had in de verhalen van Baxter wel fotinovogels," zei Xerox, "Die leefden in de zon. Leven hoeft niet gebaseerd te zijn op koolstof. Aan de andere kant konden fotinovogels en mensen niet met elkaar communiceren. Dus het lijkt me ook niet waarschijnlijk dat onze bezoekers van een ster zelf zouden komen."
"Misschien leven ze al jaren ongemerkt hier op aarde," zei Sara, "Ondergronds, of vermomd als mensen."
"Dan wel onnozel dat ze ons helemaal naar Arizona laten komen," zuchtte Tom. Greet legde een klamme, vlezige hand op zijn hand. Xerox wilde iets zeggen maar werd onderbroken door het gerinkel van een deurbel. De uitbater van het tankstation kwam naar buiten en ging wijdbeens voor het viertal staan, na een schuine blik geworpen te hebben op zijn werknemer en Berk, die nu beiden half verdwenen waren onder de motorkap van de huurauto.
"You guys look pretty exhausted. You sure you're okay?" vroeg hij met een brede grijns.
"Yes, thank you," zei Xerox.
"So you're all from Belgium, right?"
Hij verwees naar het korte gesprek dat ze gevoerd hadden toen ze met z'n vijven meer dood dan levend de shop waren in gestrompeld. Ook toen had de man de hele tijd een bovennatuurlijke, kamerbrede grijns gehad. Tom vond dat hij er uit zag als een mannelijker, oudere versie van Jake Gyllenhaal.
"Yeah," zei Xerox, allicht omdat de rest niks zei.
"I'm Mack, by the way," stelde de Amerikaan zich toen voor, "What are your names?"
"I'm Tom and this is my girlfriend Greet."
"My name is Peter but everyone calls me Xerox."
"Sara."
Mack knikte genoeglijk en tuurde even naar Route 491.
"You're lucky that we have Luis around here. He knows a thing or two about cars. Arizona ain't the best place in the world for your car to break down on you, you know. You're probably the first tourists I've seen in ten years, and those were a few Germans who had lost their way. These folks thought they were actually in Nevada, can you believe that? Never saw them again, but hope they found their way though."
Mack lachte smakelijk.
"We're going UFO hunting," zei Sara opgewekt.
Tom zuchtte.
"UFO hunting?" herhaalde Mack, waarop zijn grijns nog breder werd, "Well I suppose... New Mexico is really the best place for that, they say, but what do I know? So you reckon there'll be extraterrestrials around here?"
"Yes," zei Xerox terwijl hij naar de grond keek.
"We've arranged a meeting and everything," zei Sara.
"Have you now? Well, tell them I said hi."
Mack lachte weer.
"You don't believe in UFOs?" vroeg Xerox. Macks lach verdween langzaam.
"I've seen a lot of strange things, you know," zei hij, waarop hij zijn broek optrok en opnieuw naar de weg keek langs het tankstation, "so you know, it's certainly possible that there are, in fact, extraterrestrials out there. But I have no idea why they would come to Arizona of all places. I reckon if they came, they'd land in Washington DC or New York or something, or maybe even over there in Europe. But not here. No, the strangest things I've seen here are usually armed robberies, militia gangs who're fighting to keep out the Mexicans, or the weird guys at the motel bar a few hundred miles down the road."
"We hope our information is reliable," zei Xerox.
"Well I sure hope so too, son," zei Mack joviaal.
"You spoke of robberies and people fighting," zei Greet in Engels met een zwaar Vlaams accent, "What did you mean?"
"Oh," zei Mack monter, "The usual stuff. There ain't much to do around here. Lots of Mexicans come here looking for jobs, but when they can't find any, they turn to crime. What the militias are doing to keep them out of the state isn't alright either, let me tell you, but it can be a problem sometimes. But if you keep your head down, you don't run into too much trouble."
"Isn't Luis Mexican?" vroeg Tom, doelend op de magere jongeman die bij Berk stond en nu een grote sleutel hanteerde.
"He is, he is," bevestigde Mack, "He's a good kid. He's got a pregnant girlfriend back in Mexico."
Het viertal verwerkte die informatie even. Hun jacht naar buitenaardsen leek plots overvleugeld door lokale tragedies. Tom hield niet van dat gevoel.
"Why didn't she come with him?" vroeg Sara.
"I don't know. You could ask him, I guess, but he keeps to himself."
Er viel een stilte. Tom nam nog een grote slok water.
"Well, I'll be going back inside," zei Mack toen, "I hope you guys have a safe trip to wherever you're going."
"Thanks," mompelden de vier door elkaar. Mack ging naar binnen.
Nog voor iemand iets kon zeggen, stormde hij al weer naar buiten en drukte hij Xerox een doos in de handen.
"What's that?" vroeg Xerox.
"There's an American eagle in that box. In case you do meet the aliens. Welcome them to America."
Mack terug naar binnen. Xerox keek geamuseerd naar de doos.
"Gekke mensen," mompelde Greet, opnieuw met haar hoofd achterover tegen de muur. Xerox noch Sara zeiden nog iets. Tom deed er dan ook maar het zwijgen toe, en nam voor de zoveelste keer de omgeving in zich op - het blinkende metaal van de luifel die over het tankstation hing, het alomtegenwoordige zand en de droge aarde die licht leek te beven op het ritme van de zon, en Route 491 die naar de reizigers lonkte om hen verder mee te nemen. Hij voelde Greet ademen naast hem. Voor de miljoenste keer vroeg hij zich af of hij echt van haar hield, en voor de miljoenste keer ging hij niet op zijn twijfels in.

Een half uur later waren ze weer onderweg. De zon was al een eind gezakt, en niemand had veel te zeggen gehad, buiten enkele woorden over hoe vriendelijk Mack en Luis geweest waren om hen te helpen zonder er iets voor terug te vragen. Tom vond het confronterend voor zijn eigen vooroordelen over Amerikanen. Door daarover na te denken had hij ook al de hele tijd zin in een hamburger.
"Ik heb zin in een hamburger," zei Xerox plots. Tom lachte.
"Ik ook! Al de hele tijd!"
"Het komt zeker door dat vettig tankstation," zei Greet schamper, "Ik krijg liever geen Creutzfeldt-Jakob."
"Je kan dat al jaren hebben zonder het zelf te weten. Prionen zijn zotte dingen hoor," zei Xerox.
Berk keek sceptisch door de achteruitkijkspiegel naar het drietal op de achterbank. Sara zat vooraan en sliep.
"Er was op de kaart een motel en een wegrestaurant binnen ongeveer 150 kilometer," zei Xerox.
"Mack zei dat het daar vol rare mensen zat," zei Greet sceptisch.
"Het is niet alsof we Norman Bates gaan tegenkomen," riposteerde Xerox, die de kaart al
bovengehaald had.
"Ik heb geen zin om in de auto te slapen. En het wordt donker," mopperde Tom.
"Ik zei het alleen maar, hé. We nemen best een kamer allemaal samen," zei Greet.
Tom voelde eerst teleurstelling opkomen dat hij niet alleen kon zijn met Greet vannacht, maar herinnerde zich ook de laatste keren dat ze seks gehad hadden, wat zijn zin alweer deed overwaaien en zijn gevoel veranderde in opluchting.
"Motels hebben geen kamers voor vijf mensen. Hooguit drie."
"Mannen en vrouwen apart dan," zei Greet resoluut. Tom moest inwendig grimlachen. Berk fronste opnieuw, maar zei niets.

Verder naar deel drie.