Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de verhalenafdeling daarvan. In 2016 bundelde en redigeerde ik (streng!) alle tot dan toe geschreven kortverhalen in de antologie 'Recombinant' en in 2023 bracht ik de novelle 'De keizer van Populië' uit - je kan beiden gratis downloaden als je Patron wordt. In 2020 verscheen mijn debuutroman 'Fragmentariërs'. In 2023 bracht ik de opvolger 'Constellatie' uit. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

donderdag 9 februari 2023

De keizer van Populië: Misdaad (II)

De keizer van Populië, hoofdstuk 3 - Misdaad (II)

II. De Plastifische Oceaan


HOOFDKANTOOR VAN DE MAAKBARE MENSE, HEGEGRAD, 4:48PM

Stefanie Baekelandt ontving ons op de holle-hartelijke manier van een echte Mr. hoewel ze er zelf geen was. Ze was bezig met een Mr. Keeper op het voetbalveld dat voor haar grote fabriek lag haar doeltraptechniek aan het oefenen. Waar de fabriek van Molckx’ en van Christa De Hete vrij blokkige, lage en zielloze constructies waren omgeven door parkeerruimte, beton en hier en daar wat onkruid en staaldraadhekkens, was De Maakbare Mens andere koek. Ze lag strikt genomen al in Hegegrad zelf en lonkte naar de hoogbouw van de grootstad, met drie brutalistische torens en evenveel schoorstenen waar permanent donkergrijze rook uit walmde, brede toegangswegen op de maat gesneden van enorme vrachtwagens, en overal blauwe en oranjerode lichten die ofwel uit kleine vierkante ramen schenen, ofwel signaallichten waren voor overvliegend verkeer. De Maakbare Mens had ook een helikopterplatform en aan de achterkant van de fabriek, waar ze grensde aan de armtierige arbeidersbeluikjes die bij Sprotbeke hoorden en waar ook Boert Van Vettenberghe woonde, was een stort dat op zijn hoogste punt 20 meter in de hemel oprees.
Stefanie Baekelandt had al contact gemaakt met mijn dienstwagen toen we in de buurt waren, en de poort voor ons laten open zetten. Om het voetbalveld voor de fabriek was redelijk wat groen te zien, samen met andere sportfaciliteiten waar wisselende groepen van mensen en Mr.’s aan atletiek deden, stretchten en tennis speelden.
Ze was in een knalroze voetbaltenue op ons af gestapt, met op een afstandje de Mr. Keeper. Stefanie Baekelandt leek in elk opzicht doorsnee – een gewone vrouw van midden de dertig met haar bruinrode haar in een praktische knot, een atletisch maar geen afgetraind lichaam en een gereserveerde maar geen onvriendelijke glimlach.
“Inspecteur Haspelaer en agent Paelinck, ik had u al verwacht. Welkom bij De Maakbare Mens, heren.”
De Paling knikte kort en ik gaf Baekelandt een hand. Haar handdruk leek precies afgemeten – niet te vlezig, zoals die van Geurt, noch te hard, zoals die van Heinz Spritzmann.
“Wie lichtte u in over onze komst?”
Baekelandt knikte naar de Mr. Keeper die bij haar was komen staan – een lange androïde in een eveneens roze tenue van de voetbalploeg Hegegrad Overwint, Hegegrad Overklast, kortweg HOHO: “De algoritmes voorspelden het en kwamen via mijn Mr. Keeper tot bij mij. U was zonet bij Molckx’ geweest en in Blaest-op-den-Verre. Gekoppeld aan de lekken op KinkedIn en Twatter over de vermoedelijke doodsoorzaak van consul Ter Linden, leek het voor ons dat u op zoek was naar informatie over een speciaal type turbine die enkel in onze industrieën wordt gebruikt.”
“Dat is… verrassend correct,” zei ik, enigszins van mijn stuk. Stefanie haalde haar schouders op en wiste met een doek over haar gezicht en hals, hoewel ze niet bezweet was. De Paling gaf geen krimp.
“Niet zo verrassend. Laten we even gaan zitten in de dug-out.”
Ze troonde ons mee naar de dug-out, die uitgerust was met sportzetels. De Mr. Keeper had uit zijn buik een schaal met sportdrankjes tevoorschijn getoverd. Stefanie nam er eentje en bood er ook aan ons één aan. De Paling en ik weigerden.
“Dus, mevrouw Baekelandt: weet u meer over die turbine?”
“Als ik geen serienummer heb, weet ik niets. Er zijn in elk geval geen turbines verdwenen hier bij ons.”
“Ook niet verkocht?”
Baekelandt keek me zijdelings aan en sprak toen de Mr. Keeper aan: “Prudo, stuur de gegevens door van afgedankte turbines die verkocht zijn in de voorbije 5 jaar.”
Ik verwachtte mijn telefoon te voelen trillen maar er gebeurde niets.
“En?” vroeg ik, wat in de war.
“De Maakbare Mens verkoopt geen afgedankte turbines,” zei De Paling.
“Correct, meneer Paelinck,” zei Baekelandt koel.
De zwarte markt was nog een optie, maar waarom zou Baekelandt zich daarmee inlaten? Ze was overigens al één van de rijkste industriëlen van het land, en met een groter profiel dan Verpist, De Hete, Froger en Dickens. Ik voelde me gefrustreerd.
“Er is nog iets,” zei ik toen.
“Ja?”
“Jullie maken ook Mr. Priesters, juist?”
Stefanie keek me nu rechtstreeks aan met een neutrale, blauwgrijze blik.
“Ja?”
“Hebben jullie er ooit één verkocht aan consul Ter Linden?”
“Niet dat ik weet, maar ik kan het laten natrekken.”
Ze knikte in de richting van haar Mr. Keeper – die blijkbaar luisterde naar de naam Prudo – en leek voor het eerst tijdens het gesprek niet 100% zeker van haar stuk.
“We hebben ooit een Mr. Priester verkocht aan consul Ter Linden,” zei Prudo met een gladde, seksloze stem, “maar die is twee weken geleden defect geraakt en naar het Mr.-kerkhof gebracht. Ik kan het wrak opzoeken.”
“Graag,” zei ik, “we stappen wel mee.”
Tien minuten later en na een stille, wat lugubere wandeltocht om de gigantische fabrieken heen, stonden we gebogen over een wrak van een Mr. Priester. Zijn bril was ingeslagen en één van zijn kunstogen puilde uit. Ik had al het order gegeven aan het hoofdkwartier om het wrak te komen ophalen. Het bood een griezelige aanblik, hier op een Mr.-kerkhof staan tussen allemaal wrakken die makkelijk konden doorgaan voor menselijke lijken.
“Hoe is hij defect geraakt?” vroeg ik.
“Dat weten we niet, inspecteur Haspelaer,” zei Prudo.
“Bij definitief defect is de reden opgeven optioneel,” verklaarde Baekelandt. Haar stem klok koud en afstandelijk.
“Meestal betekent dat dat de Mr. in kwestie moedwillig vernield is,” zei De Paling achter mij.
“Dat weten we niet,” zei Baekelandt. De Paling stapte naar voren en trapte met zijn voet in de zij van de kapotte Mr. Priester, waardoor het wrak omrolde op zijn buik. Er gaapte een groot gat ter hoogte van de onbestaande anus.
“Dat weten we niet?” herhaalde De Paling.
“Hij kan gevallen zijn op een scherp voorwerp,” oordeelde Baekelandt.
Het was even stil. Enkel de wind speelde door de heuvels aan Mr.-wrakken.
“Luister, inspecteur Haspelaer,” zei Stefanie toen, beseffend dat haar hypothese belachelijk klonk, “we kijken de andere kant uit als klanten hun Mr.’s gebruiken voor seksuele doeleinden. Mr.’s zijn geen sapiënte levensvormen en zelfs geen levensvormen. Ik ben zelf geen voorstander van Mr.’s laten gebruiken voor die dingen, maar die dingen gebeuren.”
“U bent geen voorstander en u hoeft ook geen tegenstander te zijn,” zei ik, “maar u laat wel Mr.’s bouwen specifiek voor seksuele handelingen. Soms ook gemaakt naar de beeltenis van nog levende personen.”
“Hoe bedoelt u?”
“Ik toonde een foto op mijn telefoon van de blauwdruk voor een Mr. die gebaseerd was op Delly van Delly & De Drie Vogels.”
“Dat was… een concept, wellicht? Meer niet,” zei Baekelandt korzelig, “Ik kan me deze tekeningen niet herinneren, en ik heb klantengeheim. Dat is zo bepaald door de Staten-Generaal in het Akkoord van de Plastifische Oceaan.”
“Wat is de Plastifische Oceaan?”
“U staat er middenin. De Mr.-wrakken helemaal onderaan het kerkhof worden langzamerhand vloeibaar door de druk en hun ingebouwde bio-afbreekbare componenten. Vandaar de Oceaan. De brij die ontstaat wordt weer verwerkt tot nieuw materiaal.”
“Zoals?” vroeg De Paling.
“Industrieel glijmiddel.”
“Dat verklaart waarom Heinz Spritzmanns ‘Roze ballet’ een grote klant is bij u,” zei De Paling met een knikje, terwijl hij iets aflas van zijn telefoon, “en in uw jaarrekeningen zie ik ook Van Vettenberghe VZW opduiken.”
“Hij maakt er frietvet van en is een grootafnemer,” bevestigde Stefanie Baekelandt met een frons, “maar ik zie niet hoe dit relevant is.”
Ik stelde me die vraag ook maar ging De Paling uiteraard niet afvallen in een gesprek met een potentiële verdachte.

Een uur later was de forensische dienst ter plekke en reden De Paling en ik terug naar het bureau. Ik vroeg hem waarom hij plots interesse had getoond in de banden tussen Baekelandt, Spritzmann en Van Vettenberghe.
“In de Staten-Generaal heersen wisselende coalities, en één hypothetische coalitie is wat men de Roze Coalitie noemt. Van Vettenberghe, Poenie en Baekelandt, plus de volmacht van Christa De Hete die Baekelandt heeft, stemmen bijna altijd voor progressieve wetsvoorstellen, die steeds geblokkeerd worden – werden – door beide consuls en de meeste andere leden van de Staten-Generaal. De laatste tijd zijn echter ook Verpist en Froger nu en dan mee beginnen stemmen met de Roze Coalitie.”
“Goed, maar wat heeft dat te maken met de moord op Lucas Ter Linden?”
“Het is een hypothese,” gaf De Paling schokschouderend toe, “maar als ik me afvraag waarom Verpist en Froger plots mee stemmen met de Roze Coalitie terwijl ze duidelijk hun extreemrechts gedachtengoed niet hebben afgezworen, dan is dat omdat ze er hopen wel bij te varen. De kapotte Mr. en dan een andere Mr. die zich vreemd gedraag de nacht van de moord, de industriële turbine, de plaats van de moord: alles wijst in de richting van de Roze Coalitie.”
“Maar voor progressieven is consul Ultor toch een veel logischer doelwit? Die is vele malen reactionairder dan Ter Linden ooit was.”
“Voor sommige progressieven zijn gematigden een veel groter obstakel dan reactionairen, omdat zij de meerderheid vormen die stug vasthoudt aan de status quo. Consul Ter Linden belichaamde de status quo.”
“Gesteld dat je denkwerk juist is, waarom moest Cabron San Tander dan dood en moest het lijken alsof Dickie Verpist er iets mee te maken had?”
Dat antwoord kwam veel sneller dan ik had gehoopt.

zaterdag 21 januari 2023

De keizer van Populië: Misdaad (I)

De keizer van Populië, hoofdstuk 3 - Misdaad (I)


De Staten-Generaal (I)

De Staten-Generaal van Populië-Econovina bestaan al sinds de revoluties van 1848 en werden apart in Populië en Econovina opgericht. Per district van de stadstaat mag één vertegenwoordiger beslissen over nieuwe wetten en wetsvoorstellen indienen. Sommige districten verkiezen hun vertegenwoordiger, zoals Uytganck, Withaven en Welkom, terwijl de positie in andere wijken erfelijk is als in een prinsdom, zoals Groenegem of Vaderijke. De stadstaat bestaat tegenwoordig uit 11 districten (Hegegrad zelf is geen district). Dit zijn de eerste 5:
  • Blaest-op-den-Verre: industrieel district en het op één na grootste van allemaal, nominaal geleid door Christa De Hete en de thuishaven van de zuivelproducten van Molckx-Verpist, (gedeeltelijk) de robotica van de Maakbare Mens die onder andere de Mr.’s heeft bedacht, en diverse militaire fabrieken. Blaest-op-den-Verre beslaat het leeuwendeel van het zuiden en oosten van Populië-Econovina. Christa De Hete verschijnt nooit in het openbaar.
  • Denkerwaard: een klein stadsdistrict dat bijna helemaal omsloten is door Hegegrad zelf. De districtsburgemeester is altijd de rector van de Prageru Universiteit. De meeste leden van de elite van de stadstaat behaalden hier hun diploma’s hoger onderwijs. De rector vandaag is Rita Dorfs, een uitgesproken conservatieve sofiste die bekend staat om haar minzame opmerkingen, wijze glimlach en verzet tegen alle ideeën van na 1975.
  • Groenegem: een gordel aan rijke villablokken en parken die in een halve cirkel liggen tussen de verloederde wijken van Vogelarije en Sprotbeke. Vroeger vormde Groenegem het noordelijke industriële hart, met kolen-, staal- en olie-industrieën en er was een zwaar nucleair ongeval in 1979 dat de heersende Dickens-prinsen het roer deed omgooien. De wijk kreeg de naam ‘Groenegem’ nadat in de late 19de eeuw uitgebuite arbeiders in radiumfabrieken letterlijk groen oplichtten ’s nachts. De districtsburgemeester is Geurt Dickens, die niet langer de titel ‘prins’ voert.
  • Groot-Geleijcke: het meest recente district, gevormd uit een deel van het vroegere Woortzele en Klein-Geleijcke, en grenst aan Denkerwaard en het opgedoekte district Stellingwoude in het oosten. Het is een middenklasse-district waar veel woeligheid en onzekerheid heerst, en het wordt doorsneden door brede boulevards die zorgen voor botsingen in verkeer en ideeën. De positie van districtsburgemeester is vacant.
  • Klikvoorde: gevormd uit het andere deel van het oude Woortzele en kerkelijke eigendommen die terug profaan werden na de ‘Kleine Revoluties’ van 1848, 1921 en 1989. Grenst aan Groot-Geleijcke en voor de rest Hegegrad zelf, en is trots op zijn eigen tech-ondernemersklimaat, bijgenaamd Botox Valley, waar de hoofdkwartieren zitten van onder andere Twatter en OnlyFlans. De districtsburgemeester is de ‘Eerste Netizen’, de controversiële Cain Ranzigbotten.

I. De afwezige CEO


FABRIEKSTERREINEN VAN MOLCKX-VERPIST, BLAEST-OP-DEN-VERRE, 4:00PM


Richard ‘Dickie’ Molckx-Verpist stond bekend als een geniale man en een gehaaide ondernemer, en zoals vele geniale en gehaaide mannen had hij erg weinig geduld als hij het gevoel kreeg dat men zijn tijd aan het verdoen was. Dit was zo’n moment.
“De Profeet zijn aarsharen zij geprezen,” siste hij, terwijl hij achterover leunde in zijn witlederen bureaustoel en van mij naar De Paling keek, “hebben jullie echt niks beters te doen? Ter Linden is dood en nu is die loser van een San Tander ook dood, en jullie komen hier wat vragen stellen over zure melk? Denken jullie echt dat als ik of iemand van mijn fabriek San Tander dood had gewild, dat we dat zouden hebben gedaan door hem te verdrinken in mijn melk?”
“Er lagen ook kroonkurken van uw bubbelyoghurt in zijn appartement. En er zijn voetafdrukken gevonden in room die ook in uw fabrieken gemaakt wordt.”
Molckx-Verpist leunde weer voorover en legde zijn handen plat op zijn bureau. Hij had indringende blauwe ogen en een driehoekig gezicht met een klein voorhoofd, waarover strokleurig, bijna oranje haar slap naar beneden viel. Het kon ook liggen aan de vreemde, egale, ecru-kleurige belichting in zijn kantoor, dat tegelijk ruim en smal aanvoelde.
“Dat is wat men in uw vak een ‘orgie aan bewijzen’ noemt,” zei hij, “weet u hoe vaak dat voorkomt in criminele onderzoeken?”
“Nooit,” zei De Paling naast mij. Dickie sloeg met zijn handen op tafel en wees naar De Paling.
“Exact!”
Ik voelde me tegelijk betrapt en boos. Betrapt omdat ik ook wel wist dat al de zogezegde aanwijzingen in San Tanders appartement wat te gemakkelijk waren geweest en ik had willen geloven in een onhandig complot, maar ook boos omdat ik instinctief aanvoelde dat daar een weg zou leiden naar de waarheid. San Tander had iets geweten en was daarom dood.
“U staat bekend als geniaal,” zei de Paling toen karakteristiek kalm, maar onkarakteristiek spraakzaam. Verpist kon een glimlach niet onderdrukken: “Dat zegt men.”
“Een genie zou ook een ‘orgie aan bewijzen’ kunnen orkestreren precies om de verdenking van zich af te houden omdat een genie nu eenmaal slimmer te werk zou gaan en nooit zo dom zou zijn zoiets te orkestreren,” poneerde de Paling afgemeten.
Verpist leek weinig onder de indruk.
“Ja, ja, de zen-anekdote van de jonge monnik die denkt dat een berg een berg is, leert dat het geen berg is maar als zen-meester weet dat het een berg is. Hebben jullie verder nog wat te zeggen of te vragen?”
“De turbine.”
“O, juist,” zei Verpist, “ik zou het door jullie wannabe Hercule Poirot-gedrag nog vergeten.”
We hadden de CEO van Molckx’ aangetroffen toen we langs de hekkens aan het drentelen waren van de aanpalende fabrieksterreinen van La Boum, de fabriek van Christa De Hete, de districtsburgemeester van Blaest-op-den-Verre die niemand ooit te zien kreeg. De turbine was ofwel daar gemaakt, ofwel bij De Maakbare Mens. Een toegangsschrift van Satan liet op zich wachten dus hadden de Paling en ik ons aangemeld bij de robots aan de streng bewaakte toegang om het informeel te proberen, maar we hadden nul op rekest gekregen. Molckx-Verpist reed toen juist langs in zijn witte limousine en had ons opgepikt. Hij had eerst belangstellend gevraagd naar de zaak en had ons mee uitgenodigd in zijn kantoor, tot ik begonnen was over de moord op Cabron San Tander – het had me simpelweg al te toevallig geleken dat de CEO van Molckx’, dat producten uitbracht waarin San Tander was vermoord, losjes en op wandeltempo in zijn limousine langs de terreinen van La Boum werd gereden en ons daar ontmoet had.
“Hebben jullie een blauwdruk?”
“De turbine is verdwenen,” zei ik wat schaapachtig.
“Natuurlijk,” zei Verpist. Hij streek door zijn urinekleurige haar en staarde een tel naar het plafond. “Misschien heeft Poenie de papieren nog?” opperde hij toen.
“Hij kocht de turbine zelf tweedehands in een afdankverkoop hier in dit district,” wist ik, opgelucht dat ik weer wat controle kreeg over het gesprek na het gesneer van de melkmagnaat, “dat heb ik laten natrekken. Dus we weten niet of de turbine van bij La Boum of De Maakbare Mens komt. We weten wel dat het geen object was dat vaak in de afdank stond.”
Verpist keek ons om beurten aan.
“Wisten jullie dat er de nacht van de moord op Ter Linden privé-Mr.’s zijn gesignaleerd op de parking van Heinz Spritzmanns seksclub?” vroeg hij toen ernstig.
Ik haalde mijn notebloc boven.
“Ter Linden kwam meestal met een chauffeur, een uniek model Mr. in de vorm van een priester met een bril. Ik heb gehoord dat die Mr. die nacht op de parking rondwandelde, wat zeer ongebruikelijk was.”
“Wie heeft u dit verteld?” vroeg ik. Het antwoord was wellicht Wanda Froger.
“Een medewerker van Spritzmann waarmee ik aan het videobellen was.”
“Midden in de nacht?”
Verpist kneep in een witte mok die voor hem op tafel stond. Zijn handen vormden een imitatie van zijn eigen logo – twee handen die een ring trokken om de opening van een fles melk.
“Ik zou mezelf een vriend durven noemen van Chrystelle,” zei hij met een zuinige glimlach.
“Wie?” vroeg ik.
“Een pornoactrice die voor Spritzmann werkt.”
Verpist knikte.
“Ze heeft ook een OnlyFlans-account, een netwerk dat ik sponsor en waarvan ik aandeelhouder ben,” vertelde hij. Hij liet zijn mok voor wat die was en schoof ons een telefoon toe: “Check mijn belgegevens.”
De Paling nam de telefoon aan en toog snel aan het werk.
“U suggereert dat er een verband is tussen het vreemde gedrag van de Mr. en de turbine,” zei ik. Verpist monkelde en er kwam weer iets terug van zijn aloude superioriteit.
“Goed denkwerk, inspecteur.”
“De belgegevens lijken te kloppen. Mogen we uw telefoon meenemen naar het lab?”
“Nee.”
Verpist kreeg zijn telefoon terug en stond op. “Bij dezen, heren.”
Terwijl we in gedachten verzonken over het gedempte, lichtgrijze vast tapijt van de kantoren van Molckx’ terug wandelden naar de uitgang en voor de veiligheid niks tegen elkaar zeiden, gaf ik mijn ogen de kost. Achter semi-doorzichtige glazen wanden kon ik de vormen zien van geruisloos kantoorpersoneel en hoorde ik gemoffelde geluiden, niet van getik, pc’s en telefoongesprekken, maar als van een verre zee. Ik moest onwillekeurig denken aan de kunstmatige, eeuwig aangenaam warme oase die achter het hoofdbureel van Geurt Dickens lag. Ik had het gekmakende gevoel dat er mij een detail aan het ontgaan was, meerdere details zelfs. Misschien lag het aan de vaagheid van de vormen achter de wanden, of het lokaas dat eerst Froger en nu Verpist voor mij hadden uit geworpen.
Intussen was de Paling bezig op zijn tablet-pc het een en ander aan het opzoeken. Hoe die man nergens tegenaan botste, het was me een raadsel.
“Wat ben je aan het doen?”
“Sudoku’s aan het oplossen, inspecteur.”
We kwamen in het atrium van de fabriek en werden uitgeleide gedaan door een Mr. Styr, die ons nog een “yoghurtige dag” wenste. Ik grimaste en was blij toen we buiten waren. Eens we het hele terrein hadden verlaten en terug bij onze dienstwagen kwamen, toonde de Paling mij een opname van zijn tablet-pc. Die toonde onze voetstappen over het vast tapijt.
“Ziet u wat ik zie, inspecteur?”
Ik fronste en bestudeerde ondergrond. Eerst zag ik door het vast tapijt slechts witte vertakkingen en kronkelingen lopen, subtiel maar afwezig, en toen zag ik een herhaling van een bewust patroon: een witte drol.
“Het symbool van de Schijtende Vrienden,” zei ik, waarop ik de Paling aankeek.
“Slim gezien, Gianni,” gaf ik toe, “maar het bewijst niet echt iets.”
“Nee,” gaf hij op zijn beurt toe, “en dat zou Verpist ook zeggen. Maar het betekent iets dat we achtereenvolgens zijn meegegaan in de verhalen van Froger, Priem en Verpist, die alle drie banden hebben met de Schijtende Vrienden. Raad trouwens eens wie de andere twee aandeelhouders zijn van OnlyFlans, inspecteur?”
“Toch niet Froger en Priem?”
“Niet Priem. Wel Geurt Dickens.”
Ik trok een zuur gezicht en gebaarde aan de Paling om in te stappen.
“We zullen onvermijdelijk toch een bezoek moeten brengen aan De Maakbare Mens,” zuchtte ik toen, “maar geef de jongens op het bureau discreet de opdracht om een eventuele link tussen OnlyFlans en wijlen Ter Linden uit te spitten. Economische banden tot in de seksindustrie tussen mannen die normaal elkaars rivalen zijn, zijn nog geen grond om aan te nemen dat de Schijtende Vrienden samen met Geurt en Spritzmann de dood van Ter Linden hebben bedacht.”
“Er is ook nog de piste van de manchetknopen van Uytganck, inspecteur.”
“Juist,” beaamde ik, “maar we gaan eerst even zien of we een Mr. Priester kunnen vinden met een bril. Of waarom Ter Linden daar zo verknocht aan was.”
Ik vermoedde dat het weer maar eens een weinig verkwikkelijk antwoord zou hebben.

donderdag 5 januari 2023

De keizer van Populië: Brand (IV)

De keizer van Populië, hoofdstuk 2 - Brand (IV)


IV. De hitsparade


DEMONSTRATIE VAN DE VRIJE DEMOCRATEN, DISTRICT GROOT-GELEIJCKE, 2:56PM


Niet veel later zat ik in de auto met Marc Priem naast me, die zich moest bukken om niet tegen het plafond te komen met zijn kalebas-achtige hoofd. In de koffer zat een kist harige okkernoten, zonnebloempitten en een kilo potgrond. Poenie had er op gestaan die mij allemaal mee te geven “voor de goede zaak”. Als dit een rare poging was tot omkoping, was het alleszins één van de zieligste pogingen die ooit was ondernomen bij mij. Intussen zat Marc Priem uit een bloempot rauwe varkensingewanden te eten met een vork.
Ik had via mijn telefoon De Paling opgeroepen ook naar Cabron San Tander te rijden met drie agenten om het scenario waar ik nu voor vreesde te verhinderen.
“Is dat eigenlijk lekker?” vroeg ik aan Priem. Ik had Welkom al verlaten en zat op de Ringweg, niet ver van waar ik eerder vlak voor Boert Van Vettenberghes huis in panne was gevallen. Er was best veel verkeer.
“Nee,” zei Priem vlak, waarop hij ontzettend luid boerde, “maar het bevat veel proteïnen. Word je sterk van. Onze voorouders aten ook zo.”
Ik was er vrij zeker van dat onze voorouders geen rauw vlees aten maar het boven een vuur braadden, maar ik had geen zin in een discussie met Marc Priem. Hij scheurde een lap vlees met zijn tanden en kauwde luid en nadrukkelijk.
“Het is van varkens die ik zelf kweek,” zei Priem toen, waarop hij een deksel over de bloempot schoof en diep uitademde. Op het deksel stond het logo van zijn eigen boerderij-winkel, HelloFlesh.
“Er is echt veel verkeer,” mompelde ik in mezelf. We vertraagden tot in een heuse file.
“Da’s door die betoging van Theofiel Duck,” zei Marc Priem.
“Waar betoogt hij nu weer tegen?”
“Ho, inspecteurtje, Theofiel Duck is een man van het volk,” zei Priem, die me nu zijdelings begluurde met zijn schele oog, “hij zegt wat mensen denken. Niet wat de elite vindt dat we moeten denken.”
Hij boerde nog eens en zat nu stukjes rauw vlees met een tandenstoker van tussen zijn grote, gele tanden te bietsen.
“Met alle respect, maar u weet niet wat ik denk, meneer Priem, en Theofiel Duck is een leugenaar eerste klas. Zijn racisme jegens Luxemburgers is degoutant.”
“Racisme?” herhaalde Priem met ongeloof, “Theofiel spreekt gewoon de waarheid. En trouwens, er zijn ook goeie Luxemburgers. Mijn boekhouder is een Luxemburger, en Geertrui is getrouwd met een Luxemburger. Goeie vent. Beetje een sul, wel. Maar geen slechte vent.”
Priem haalde zijn telefoon boven, die er in zijn hand uitzag als een smartwatch. Het scherm had een serieuze barst.
“Kijk even,” zei Priem, die een filmpje had geladen waarin Duck op een podium iets stond te roepen. Theofiel Duck had een glanzende kaalkop en zijn ooghoeken stonden permanent naar beneden, alsof hij bang of verdrietig was, maar hij had een volle, zeer vlezige mond die er steeds nat uitzag van opwinding. Ik kon geen woord verstaan van wat Priem me toonde omdat om me heen auto’s waren beginnen toeteren. Het verkeer stond volledig stil en er klonk voorbij de auto’s gebonk en getrommel. Ik zuchtte.
Marc Priem liet zijn telefoon vallen en stapte onmiddellijk uit. Ik zuchtte opnieuw, zette de auto stil en stapte ook uit. Ik kon over de daken van de twee auto’s voor me kijken en zag voorbij het bord van het district Groot-Geleijcke een menigte met borden en spandoeken luid joelen. Ze stonden met hun rug naar ons.
“Het zijn de Vrije Democraten!” riep Marc Priem begeesterd, die in niets meer leek op de dreigende kolos vanop de Commune van Poenie maar leek op een groot kind dat Sinterklaas in de verte gezien heeft. Ik ging op de tippen van mijn tenen staan om te zien uit welke richting de Vrije Democraten van Theofiel Duck het kruispunt op zouden komen – door de commotie onder de toeschouwers te volgen, blijkbaar van rechts, uit de Debatstraat, die in vroegere tijden had geleid naar het publieke forum van Stellingwoude.
Plots werd ik aan mijn kraag naar boven gegrepen, en voor ik tijd had om te reageren, stond ik op het dak van mijn dienstwagen naast Marc Priem, die me in een zijdelingse omhelzing pakte.
“Dit is toch wat anders hé, inspecteurtje!” brulde hij naast mij, terwijl hij zijn vrije vuist in mijn schouder ramde. Ik voelde een pees kraken. Ik wilde hem zeggen dat hij terstond af het dak van mijn auto moest komen, maar toen zag ik, voorafgegaan door een marcherende band bejaarden in beige uniformen, Theofiel Duck het kruispunt op rollen, staand op een praalwagen. Hij had een megafoon in de hand.
“… het volk moet de waarheid kennen! De kogel voor Lucas Ter Linden kwam van links! De kogel komt altijd van links!”
Marc Priem liet me los en balde zijn vuisten: “Links verdient de kogel!” brulde hij bijna zo luid als een tyrannosaurus. Verschillende andere mensen die uitgestapt waren, keken naar hem op. Ook enkele omstaanders verderop, keken achterom.
“Links wil onze vrijheden vernietigen! Links staat voor massamigratie. Links zijn doetjes. De kogel komt altijd van links!” riep Duck door zijn megafoon.
“Links verdient de kogel!” herhaalde Marc Priem, zo mogelijk nog luider, als in een fascistische versie van een afro-spiritual. Zijn stemgeluid had nu ook het entourage bereikt van Duck, en iemand van Ducks veiligheidsmensen trok de aandacht van de demagoog, die na een kort over-en-weer onze richting uit keek.
“De kogel komt altijd van links!” riep hij door zijn megafoon.
“Links verdient de kogel!” riep Priem terug, intussen van enkele andere stemmen vergezeld. Theofiel likte over zijn lippen en ik voelde ondanks de tientallen meters afstand dat hij naar mij keek.
“Wel, wel,” zei hij door zijn megafoon, terwijl hij af het trapje ging van zijn praalwagen, “als dat daar niet inspecteur Haspelaer is, belast met het onderzoek naar de moord op de consul!”
Iedereen keek nu naar ons. Priem ramde opnieuw op m’n schouder.
“Komt u zich ook bij het volk voegen, inspecteur?” vroeg Theofiel door zijn megafoon, terwijl de menigte uiteenweek om hem door te laten, als een soort Rode Zee gevuld met boze boomers, skinheads en yoga-adepten die eruit zagen alsof ze roken naar patchouli en spraken met komkommers.
“Ik ben hier toevallig, meneer Duck,” zei ik. Mijn stem klonk ontstellend zwak.
“Hij is hier toevallig!” herhaalde Theofiel gemelijk door zijn megafoon.
“De inspecteur zal ons helpen,” riep Marc Priem in de menigte. Enkele mensen juichten en applaudisseerden. Dit was verschrikkelijk.
“U vecht voor de waarheid, net als ons!” scandeerde Theofiel, die nu op enkele meters van mijn auto stond, “Voor het fatsoen. Voor de herinnering aan Lucas Ter Linden!”
Nog meer gejuich.
“Ik ben aan het werk,” bracht ik uit.
Theofiel liet zijn megafoon zakken en glimlachte naar me met zijn natte vleeslippen.
“Natuurlijk,” zei hij, nog altijd luid maar gelukkig niet meer door die verduivelde megafoon. Intussen was Marc Priem van de auto gesprongen en op Theofiel toe aan het stappen.
“Mensen, laat de inspecteur door! Hij is aan het werk!” riep Theofiel in het rond, weer met de megafoon. Priem nam hem daarop in een berenknuffel.

Twee minuten later had ik op miraculeuze wijze het kruispunt verlaten en zat Priem niet langer in mijn auto. Ik zweette. Beelden van mijn ontmoeting met Duck zouden zeker viraal gaan. Wat als ik van het onderzoek werd gehaald? Ik was immers volledig apolitiek. Wat als het inderdaad waar was dat links gewelddadig was en ik nu op de hitlist stond van extreemlinkse organisaties? Maar: was de Commune van Poenie niet extreemlinks? Wat deed Marc Priem daar dan. Ik voelde dat ik te oppervlakkig aan het ademen was.
Mijn telefoon ging af. Het was De Paling.
“Gianni?”
“Inspecteur, we zijn bij Cabron San Tander.”
“Sorry dat ik te laat ben, ik werd opgehouden in Groot-Geleijcke, ik –”
“Meneer San Tander is dood,” onderbrak De Paling mij ijzig, “de eerste indicaties wijzen op moord. We zetten een veiligheidsperimeter op en nemen foto’s, maar u komt best zo snel mogelijk ter plaatse.”
“H-hoe lang al denk je dat hij dood is?”
“Recent. Zijn lijk voelde nog warm aan. Geen prettige aanblik, als ik dat mag zeggen. Is Marc Priem nog bij u?”
“Ik moest me door een demonstratie van Theofiel Duck werken, en Marc Priem is daar uitgestapt om zich er bij te voegen. Ik ben alleen.”
“Goed.”
“Theofiel zag me en deed de massa geloven dat ik aan zijn kant stond.”
“Dat probleem bespreken we straks wel.”
Ik haalde wat dieper adem. Als De Paling niet bestond, hadden ze hem moeten uitvinden.
“Weet iemand anders al dat San Tander dood is?”
“Nee, maar het zal niet lang meer duren nadat de aandacht voor Ducks demonstratie vermindert.”
“Dat begrijp ik. Heb je al een indicatie over hoe San Tander stierf?”
“Hij lijkt verdronken te zijn in zure melk.”

dinsdag 20 december 2022

De keizer van Populië: Brand (III)

De keizer van Populië, hoofdstuk 2 - Brand (III)


III. Gelukkig als de Eerste Peer


KOLCHOZE VAN DE VROLIJKE RUPS, DISTRICT WELKOM, 2:22PM


Een half uur later was ik gelukkig terug droog en had ik mijn nota’s gefotografeerd en doorgestuurd naar Gianni, maar was mijn dienstwagen in panne gevallen terwijl ik onderweg was naar de wijk Welkom. Het ergste van al – ik was vlak voor het huis van Boert Van Vettenberghe in panne gevallen. Ik was uitgestapt en had de motorkap geopend zonder iets te zeggen.
“Dag inspecteur,” begroette Boert mij, die in een petieterig klein tuinstoeltje in zijn verwaarloosde voortuin zat om wat zon te vangen, “fijn dat u ons weer een bezoek brengt!” Zijn dikke wenkbrauwen trokken zich samen in leedvermaak.
“Ik ben in panne gevallen, meneer Van Vettenberghe,” zei ik kort, voorovergebogen. De motor voelde heet aan en er kwam stoom uit de koelbuis. Waarschijnlijk was de koelvloeistof op. Ik zuchtte en rechtte mijn rug. Ik draaide me naar Van Vettenberghe, die zijn plezier niet kon verbergen in mijn ongeluk. Naast hem lag Roodborstje in een andere tuinstoel. Ze zei niets en droeg een grote zonnebril. Aan de andere kant van het grindpad naar zijn voordeur zat echter een man die me nog niet opgevallen was in een tuinbroek en een mouwloos t-shirt onkruid te wieden. Boert zag dat ik de man gezien had.
“Zeg eens hallo aan inspecteur Haspelaer, Kenny,” riep Boert naar de man, die opkeek en nu ook overeind kwam. Kenny was geen grote maar wel een gespierde man met donker haar en even donker, grof haar over zijn armen en schouders, een dikke stoppelbaard en opvallend blauwe ogen. Hij knikte me met enig wantrouwen toe maar hij kwam me vreemd genoeg bekend voor.
“Dag meneer…”
“Poephaar,” zei hij. Toen viel het me in. Kenny Poephaar was een porno-acteur uit Vogelarije die vaak samenwerkte met Heinz Spritzmann.
“Ah, meneer Poephaar,” zei ik, “aangenaam. U bent hier de tuinman?”
“Ja. De motor van uw wagen lijkt me oververhit,” zei hij met een knik in de richting van de stoom die uit de motor kwam.
“Dat denk ik ook, ja.”
“Hola Kenny,” kraste Boert als een gigantische kraai, waarna hij uit een zakje cocktailnootjes in zijn mond naar binnen goot en die krakend opat terwijl hij verder praatte, “jij bent hier als tuinman, niet als garagist, hé!”
“Laat hem inspecteur Haspelaer even helpen, Frietje,” fluisterde Roodborstje naar haar man, zonder van positie of uitdrukking te veranderen. Boert monkelde en greep naar één van Roodborstjes borsten. Paprikastof zat nu op haar borst.
“Voor één keer dan,” gaf hij toe, waarna hij naar Kenny knikte, die uit de voortuin via het grindpad naar me toe kwam.
“Ik denk gewoon dat er koelvloeistof nodig is,” zei ik, terwijl Kenny zich samen met mij over de motor boog.
“Ja,” bevestigde hij, “maar hier zit ook een schroef niet helemaal juist, waardoor je auto meer koelvloeistof verbruikt dan nodig. Ik ga even naar mijn bestelwagen, ik denk dat ik je kan helpen.”
Van nabij rook Kenny naar doordringende maar zeer mannelijke eau de cologne en olie.
“Bedankt,” zei ik. Kenny knikte en wandelde naar zijn bestelwagen. Boert was intussen toe aan een emmer gebraden kippenboutjes die onder zijn stoel stond.
“Kenny is een goede gast,” zei hij met zijn mond vol, gesticulerend met een kippenbout, “Als het aan mij lag, had je de wegendienst kunnen bellen.”
Ik haalde slechts mijn schouders op en besloot niet in te gaan op de provocatie.

Tien minuten later was ik op weg en nog eens een kwartier later was ik in Welkom, één van de weinige nog echt landelijke wijken van de megalopolis die Populië-Econovina geworden was in de voorbije decennia. Het was ook niet moeilijk te zien waarom: Welkom maakte een eerder schrale, verwaarloosde indruk, met veel taai kreupelhout, lage bomen, velden vol wild gras en onkruid, modderpoelen en verspreide, haast vanzelf in elkaar stortende oude keuterboerderijtjes. De wolken hingen er laag over de flauw glooiende heuvels en buiten één tweevaksbaan die Welkom in twee sneed, waren alle andere wegen onverhard. De bewegwijzering, zo die er al was, was amateuristisch: met stift beschreven houten planken die stonden weg te rotten in de regen, in de zon weggebleekte borden die “rustplekken” aanduidden met picnictafels, waar in veel gevallen geen tafels te bespeuren waren of er al jaren mos en onkruid over groeide, en de occasionele levensgrote cut-out langs de weg van Poenie, die steeds vrolijk zijn duim omhoog stak.
Poenie, de leider van de Commune van de Eerste Peer, was hier ongeveer 15 jaar geleden neergestreken nadat hij een aantal hectaren land en kleine boerderijtjes had opgekocht. Sommige voormalige boeren werkten nu voor zijn Commune. De Commune leefde van bio-toerisme en de bioproducten die ze zelf teelden, maar Poenie paste ook gul bij uit eigen zak. De man was immers de zoon van een gewezen topambtenaar van rijke komaf en hij had altijd al op een fonds geleefd van zijn vader zaliger zonder te moeten werken voor zijn geld. Zo was een soort communist zijn natuurlijk redelijk eenvoudig.
Ik vond Poenies centrale boerderij al met al makkelijk. De half in de grond weggezakte, smeedijzeren poort stond open en zag er verroest uit. Voorzichtig reed ik het terrein op. Rechts zag ik een bende haveloze kinderen spelen in het lange gras op en rond een speeltuintje dat de communeleden kennelijk zelf in elkaar geknutseld hadden. Recht voor mij lag de hoeve van Poenie zelf, met aangebouwde koterijen waaruit ik van in m’n auto al de mestwalm kon ruiken, en verderop een slordige boomgaard. Van links, over het onregelmatige gras dat vol molshopen stond, kwamen drie honden aangerend. Ik stopte de auto en wilde het portier openen toen ik merkte dat de honden niet alleen al vlakbij waren maar erg agressief blaften. Ik keek de andere kant op – de kinderen leken het niet te merken.
“César!” riep een energieke stem, “Josée, Imelda!”
De eigenaar van die stem was Poenie zelf, die even verderop onder een in de schaduwen verborgen pergola had gezeten en nu van het trapje naar beneden slenterde, zijn honden bij zich roepend. De dieren dropen met een zekere teleurstelling af en ik opende mijn portier.
“Ha, inspecteur Haspelaer, zeker,” begroette Poenie mij nu zelf, traag op mij af wandelend. Hij droeg een versleten jeans-overall en een strooien hoed. Zijn hoofd leek inderdaad op een omgekeerde peer, en bovenop zijn hoed stak een tak met een groot groen blad.
“Inderdaad, meneer Poenie,” knikte ik hem toe. Zijn drie honden hadden zich rond hem verzameld. Toen hij voldoende dicht genaderd was, stak ik mijn hand uit. Poenie nam die aan en schudde ze stevig.
“Meneer is niet thuis, zeg maar gewoon Poenie,” zei hij joviaal. Hij had levendige blauwe ogen en een brede glimlach die hem wat dommig deed lijken, maar uit mijn gegevens wist ik dat Poenie alles behalve een domme man was. 
“Dank u wel. Ik kom in verband met de moord op consul Ter Beken.”
“Oei,” zei Poenie, “dat is serieus.”
Het was een tel stil.
“Is het die pot perenconfituur die hij had gekregen van ons en die niet meer 100% goed was?” vroeg Poenie toen.
“Wat? Nee.”
Poenie lachte opgelucht en krabde onder zijn kin. Hij draaide zich naar zijn pergola: “Zie je wel Frans!” riep hij naar een onbekende man die in de schaduwen zat, “Ter Beken is helemaal niet gestorven aan die pot confituur!”
Die schaduwen bleken drie figuren te omvatten, die rechtop stonden en ook afdaalden naar Poenie en mij. De genoemde Frans was Lome Frans, een wat dubieuze hennepboer in de Commune, de boerin Geertrui De Rechte, die haar donkere haar in een strenge knot droeg, en tenslotte boer Marc Priem. Marc Priem was gebouwd als een tractor en had kolenschoppen van handen.
“Is er een probleem?” vroeg Priem. Eén van zijn ogen stond scheel.
“Ik kom enkel maar een paar vragen stellen. Ook aan u, meneer Priem.”
Priem monsterde mij en zette een stap dichter, op de grond spuwend: “Ja?”
“Rustig, Marc,” zei Poenie verzoenend, voor zich weer tot mij te richten, “Wat wil u weten?”
“De Commune gebruikt een turbine om fruit mee te versnipperen, juist?” vroeg ik. Poenie knikte.
“Het is een dergelijke turbine waardoor consul Ter Linden is gedraaid. We weten dat omdat de draairichting van de turbine van rechts naar links moet geweest zijn, en zulke turbines worden enkel gebruik in uw Commune.”
Poenie fronste.
“Maar onze turbines staan hier allemaal, ik kan ze u direct tonen.”
“Niet allemaal, Eerste Peer,” zei Geertrui, “we hebben er onlangs één afgedankt.”
“En wat is daarmee gebeurd?” vroeg ik.
“Ging jij die niet verkopen?” vroeg Poenie aan Marc. Marc schampte.
“Ja Marc, voor drugs, nietwaar? Bollen en weed,” vroeg Lome Frans met een grijns.
Marc schampte opnieuw. Eén van zijn schele ogen keek me aan.
“Ik ben die gaan leveren bij die keutel in Vogelarije, hoe heet hij ook alweer, Cabron.”
“Is er een bewijs van die transactie?”
“Sebiet wat transacties op uw muil anders, inspecteur,” zei Marc losjes. Lome Frans lachte en Geertrui kruiste haar armen.
“Marc,” suste Poenie, “nu niet. Inspecteur, wij doen niet aan papieren maar werken op basis van vertrouwen. Maar Marc, Cabron San Tander heeft er toch iets voor gegeven?”
Boer Priem lachte boosaardig.
“Anders gaan we het hem zelf gaan vragen. Ik ga wel mee,” bood Priem aan.
“Dat is niet gebruikelijk,” zei ik kort. Als Priem iets te verbergen had, kon ik me voorstellen dat hij ter plekke Cabron San Tander zou proberen intimideren.
“Kom nu, inspecteur,” zei Poenie, “zoals ik al zei: wij werken op basis van vertrouwen. Vertrouwen is een tweerichtingsstraat, toch?”
“Natuurlijk. Daarover gesproken: u sprak consul Ter Linden de dag voor zijn dood. Waarover ging dat gesprek?”
Poenie lachte: “Perenconfituur, natuurlijk!”

zondag 4 december 2022

De keizer van Populië: Brand (II)

De keizer van Populië, hoofdstuk 2 - Brand (II)


II. De Schijtende Vrienden


ZWEMBAD VAN WANDA FROGER, HET EIGEN HUIS, DISTRICT WITHAVEN, 1:06PM


Wanda Froger lag met een grote, groene zonnebril op in haar binnenzwembad te dobberen op een enorme opblaaskikker toen één van haar mensen me binnenliet. De villa van de Frogers was tegelijk ook de ambtswoning van de districtsburgemeester van Withaven en werd ‘het Eigen Huis’ genoemd. Het was een wit, ultramodern, hoekig en extreem lelijk gebouw vol hoge vensters, klinkloze deuren, gladgepolijste vloeren en technologische snufjes.
“Ha, die Bert!” begroette Wanda mij vrolijk, alsof ze mij al jaren kende. In werkelijkheid hadden we elkaar nog nooit gesproken en ik vond het vervelend dat ze al direct zo familiair was. Wanda was een wat gezette vrouw met een pagekapsel en een brede glimlach.
“Doe alstublieft uw schoenen uit,” fluisterde Wanda’s medewerker me haastig, bijna verontschuldigend toe, voor ze weer wegglipte langs één van de muren die ook deuren waren – of omgekeerd. Met tegenzin deed ik mijn schoenen en sokken uit terwijl Wanda met een motortje in de opblaaskikker traag dichterbij voer. Toen ik voorzichtig het trapje afdaalde naar de rand van het bad, was Wanda aangekomen en deed ze haar bril af. Het was warm hier, door het grote doorzonvenster boven.
“Dag mevrouw Froger,” begroette ik haar. Ze nam mij in zich op en gebaarde toen dat ik maar op de rand van het zwembad moest gaan zitten.
“Moet dit hier?” vroeg ik verveeld.
“Hier zijn geen stoelen,” schokschouderde Froger, “en kom me nu niet vertellen dat de politie bang is van wat natte broekspijpen.”
Ik zuchtte en rolde mijn broekspijpen op voor ik ging zitten. Wanda grinnikte.
“Sorry, Bert. Even wat plagen hé, je kent dat.”
Ik negeerde Wanda’s opmerking en haalde mijn notaboekje boven. Het water voelde wel aangenaam aan, moest ik toegeven.
“U had informatie voor mij?”
“Ja, wel. Je kent vast wel de Schijtende Vrienden?”
Ik knikte en fronste toen: “Ja, u heeft die zelf opgericht.”
“Haha, ja,” zei ze vrolijk, alsof ze zich dat nu pas herinnerde, “samen met Dickie, natuurlijk!”
Dickie was de bijnaam van Richard Molckx-Verpist, een zuivelmagnaat. De Schijtende Vrienden hadden ze 22 jaar geleden opgericht als een extreemrechtse knokploeg die buitenlanders viseerde, vooral Luxemburgers, en pamfletten had verspreid die bulkten van het racisme. De Holocaust ontkenden ze bijvoorbeeld niet, ze vonden het alleen jammer dat er “zo weinig” mensen in waren gestorven en bepleitten wat ze noemden de Yolocaust, “Auschwitz, maar dan veel grappiger”. Ze organiseerden toeristische reizen naar arme landen in Afrika en Azië specifiek om de lokale bevolking te vernederen en te terroriseren. Ook Theofiel Duck had daar zijn eerste stappen gezet als oproerkraaier, iets wat hij nu in alle talen ontkende.
“Ik weet niet of ik daar zo glunderend over zou doen, mevrouw Froger. De Schijtende Vrienden waren een fascistische militie en zijn veroordeeld voor racisme en bendevorming.”
“Door partijdige rechtbanken,” riposteerde Wanda, waarop ze wat water in het rond spatte met één hand, “en bovendien was ik er toen al lang uit. Ik ben zelf nooit veroordeeld, zoals je goed weet.” 
“Wel voor een handel in kinderporno,” beet ik haar toe.
“Ha! Je kent je geschiedenis, mooi mooi. Maar dat had niets te maken met de Schijtende Vrienden. Maar goed: jeugdzondes, nietwaar?””
Ze lachte weer. Ik zuchtte gewoon. Wanda Froger was mogelijk nog perverser dan Heinz Spritzmann, corrupter dan Geurt Dickens en extremistischer dan Janus Ultor, maar je kon niet zeggen dat ze hypocriet was. En op geweld was ze inderdaad nooit betrapt. Voor verdelen van expliciet materiaal met minderjarigen was ze er van af gekomen met een voorwaardelijke straf, waarna ze haar racistische reiservaringen had gemonetiseerd door een reisbureau op te richten.
“Nu,” zei Wanda toen, kalm met beide handen dippend in het zwembad, “het zal je misschien verbazen, maar de Schijtende Vrienden bestaan nog altijd.”
“Dat vermoedden we al.”
“Hmm. Momenteel hebben ze officieel geen leider, maar één van de belangrijkste figuren in de beweging is Marc Priem, in het dagelijkse leven een bioboer op de Commune van Poenie.”
“Dat lijkt me een serieuze tegenstrijdigheid.”
“Waarom zou dat zo zijn? Als je houdt van zuivere groenten en zuiver fruit, waarom dan geen zuiver gekweekte bevolking? Nu goed. Gisteren vertelde Marc mij dat hij onderweg was naar Vogelarije. Cabron San Tander had een kapotte appelmoesturbine gekocht en Marc vond dat supervreemd, dus hij belde me op, omdat hij dacht dat de turbine uit één van mijn fabrieken kwam. Ik vroeg er later iets over aan Poenie zelf na onze meeting bij Ter Linden, en Poenie bevestigde dat. Marc zelf dacht dat de aankoop een smoes was omdat San Tander geïnteresseerd was om te praten over lidmaatschap bij de Vrienden.”
“Cabron San Tander? Bij de Schijtende Vrienden?”
Wanda lachte hard en deed water spatten.
“Ik weet het! Met zijn stamboom? Ongelooflijk! Ze zouden de Staten-Generaal nooit mogen afschaffen, al was het omdat we dat soort komediejoden anders niet meer zouden zien.”
“San Tander is toch niet Joods?”
“Heb je hem al eens bekeken? Hij ziet eruit alsof hij ongedesemd brood kakt.”
Ik grimaste pijnlijk en hield mijn hand omhoog. 
“Ik bedoelde dat San Tander geen extremistisch profiel heeft – of had. Ik heb geen affiniteit met uw racistische praat en wil het daar niet verder over hebben. Maar dus, San Tander wilde een kapotte turbine kopen. En u suggereert dat hij daarmee Lucas Ter Linden aan flarden heeft gedraaid op de parking van ‘Het roze ballet’?”
“Inderdaad, beste Bert. Misschien dacht hij dat hij met zijn terreurmoord op een goed blaadje kon komen bij Marc.”
“Laat de vermoedens maar aan ons over,” zei ik rustig, aantekening makend, “trouwens, u was die nacht zelf op ‘Het roze ballet’, correct?”
Wanda knikte.
“Ik had het er met Geurt en Heinz over reizen. Ons aanbod uitbreiden en zo. Natuurlijk is er ook wat geneukt, maar ik was tegen 3u weer weg. Geurt is geen slechte minnaar, maar nogal rap tevreden. Steek een gag ball in zijn mond en maak hem uit voor varken en hij komt al klaar. Heinz daarentegen, ho maar –“
Aan haar racistische reizen had Wanda een – keurig – imperium overgehouden als touroperator. Ik hield haar tegen: “ik hoef echt niets te weten over uw seksuele exploten met meneer Dickens en meneer Spritzmann als het niet relevant is voor het onderzoek.”
Wanda trok grote ogen maar keek toen teleurgesteld.
“Niet dan.”
“Sprak u ook met consul Ter Linden in ‘Het roze ballet’.”
“Niet lang. Hij zat al snel in de darkrooms.”
Dat spoorde met wat Spritzmann had gezegd. Ik maakte nog een paar aantekeningen.
“Hoe bent u naar huis gegaan gisterennacht?”
“Met mijn BaekelandtBak.”
“Samen met meneer Dickens?”
“Nee, die was al eerder weg.”
“Hoe laat ongeveer?”
“Pff,” zei Wanda, die zich duidelijk begon te vervelen met de conversatie, “een half uur voor mij? Ik weet het niet. Ter Linden was er nog toen ik vertrok, dat weet ik wel, want zijn auto stond nog op de parking. Maar – hmm, dat is vreemd, ik herinner me plots iets anders.”
“Wat dan, mevrouw Froger?”
Ze spatte nog wat water op.
“Ter Linden kwam bijna altijd met een Mr. als chauffeur. Die zat toen niet in de auto.”
“Bent u zeker?”
“Ik denk het. Ik kende die Mr. zelfs, want die hielp ook altijd in zijn kantoor in de Broekentoren. Het was een Mr. die het uiterlijk had van een priester met een bril.”
“Een op maat gemaakt model?” vroeg ik, terugdenkend aan de mogelijkheid dat Ter Linden een seks-Mr. had willen bestellen naar de vorm van Delly van Delly & De Drie Vogels.
“Nee, het was één van de standaard-pastoormodellen die uitkwamen toen er steeds minder nieuwe priesterwijdingen waren. Je hebt ze vast wel al eens gezien.”
Ik knikte en schreef. Stefanie Baekelandt was nu wel heel duidelijk in het vizier gekomen, maar ik mocht ook Poenie niet vergeten, natuurlijk. Voor Froger leek het misschien de logica zelve, maar de vanzelfsprekendheid waarmee de districtsburgemeesters, die op alle media elkaar vaak naar het leven leken te staan, toch onderlinge en zelfs gemoedelijke banden hadden privé, maakte me nerveus. Ik hield niet van het idee van complotten. Ik wreef door mijn haar en klapte mijn notaboekje dicht, waarna ik het in zijn hulsje stak. Wanda was wat dichterbij komen drijven en keek zelfvoldaan naar me op.
“Nu heb ik je toch goed geholpen, denk ik!”
“We zullen zien, maar alleszins bedankt voor uw o–“ 
Ik werd onderbroken omdat Wanda me aan m’n been het zwembad in sleurde en ik met een smak op haar opblaaskikker en toen in het water belandde.
“Man overboord in het Eigen Huis!” riep ze triomfantelijk, terwijl ze het alarm deed afgaan.

zondag 20 november 2022

De keizer van Populië: Brand (I)

De keizer van Populië, hoofdstuk 2 - Brand (I)

Recente geschiedenis

Omgeven door sterkere staten als Duitsland, Frankrijk en België, besloten Populië en Econovina uit de as van Wereldoorlog I samen naar boven te kuipen. Prominente families, waarvan de meeste geen onbesproken karakter hadden door wapenleveringen aan de Centrale Mogendheden, verenigden beide statstaten tot één staat, met in het centrum het dorp Hegegrad, dat razendsnel opgebouwd werd tot een financieel en industrieel centrum. Wereldoorlog II kwam en ging, met de gebruikelijke brutale bezetting, collaboratieverhalen en heldhaftige verzetslui. De macht van de grote families, zoals Dickens, Ultor, Froger, Ter Linden, Doeck en Molckx-Verpist bleef overeind.

Uniek is het syncretisme van de staatsgodsdienst, die elementen heeft overgenomen uit het christendom, jodendom en de islam, en zich voorts ook baseert op een (gedeeltelijk) ingebeeld verleden toen Populië een kolonie was van het Ramoonse Rijk. Populië-Econovina werd lid van de Europese Unie in 1973, zeer tegen de zin van leden van de autocratische elite. Recente rapporten tonen dat de burgervrijheden in het land, eens bekend omwille van hun laissze-faire- en zelfs libertijnse attitude, sterk op de terugweg zijn sinds Janus Ultor er vier onafgebroken consulaten heeft opzitten vanaf 2002, telkens geflankeerd door een vrij zwakke medeconsul.

I. De geruchtenmolen komt op gang


HOOFDKANTOOR VAN DE FEDERALE POLITIE, HEGEGRAD, 11:17AM


Op KinkedIn verdrongen gebruikers zich om geruchten te verspreiden dat Lucas Ter Linden aan stukken was gehakt door Heinz Spritzmann zelf, de uitbater van ‘Het roze ballet’. Of dat vijandelijke mogendheden achter zijn dood zaten, vooral Luxemburg. Spritzmann verdedigde zich laconiek (“ik was een pornoster aan het neuken op het moment van zijn dood” – en toonde daar een video-opname van). Vele anderen brachten steunbetuigingen aan de familie van Ter Linden, blijkbaar niet op de hoogte van het feit dat Ter Lindens ex-vrouw en zijn drie kinderen al 6 jaar geleden verhuisd waren naar Zuid-Amerika, naar het land Puré. De condoléances van Geurt Dickens deden Lucas Ter Linden lijken op een heilige. Ik schudde m’n hoofd en sloot m’n telefoon af.
“Heb je al gekeken op Geegle?” vroeg De Paling toen ik binnen wandelde op de afdeling Forensisch Onderzoek, uiteraard helemaal met een mondmasker, plexiglas bril over m’n bril en een vormloze witte overjas.
“Nee.”
“Goed. Niets dan onzin daar,” zei de Paling, die in een gelijkaardige outfit stond, en me mee troonde naar de autopsieruimte, waar de restanten van Lucas Ter Linden uitgespreid lagen op een brede, lange, antiseptische metalen tafel alsof hij een museumstuk was.
“Valt je iets op?” vroeg De Paling aan me, terwijl drie andere assistenten zacht onder elkaar praatten aan een monitor. Ik overschouwde de repen vlees, bot en bloed.
“Ja,” zei ik toen, “de draairichting van de vermoedelijke turbine ging van rechts naar links. Industrieturbines gaan meestal in de tegengestelde richting.”
“Inderdaad,” zei de Paling, die via zijn telefoon een doorzichtige 3D-reconstructie had gemaakt van hoe Lucas Ter Linden door de jet zou gedraaid zijn. De virtualisering maakte het er niet minder gruwelijk op.
“En wat betekent dat?”
“Er is maar één klant van die turbines die turbines heeft besteld die in die richting draaien – de Commune van Poenie. En wat beter is, die wordt gemaakt in de fabrieken die eigendom zijn van Wanda Froger, Dickie Molckx-Verpist, Christa De Hete en Stefanie Baekelandt.”
“De Commune van Poenie?” De Commune was nauwelijks de naam district waardig. Een oostelijke buitenpost die deed herinneren aan het rurale fruittelersverleden van de streek, en dat ook graag zou behouden als een meer bizarre versie van archeo-ecologisme. Maar hier zat het probleem: Wanda en Poenie haatten elkaar. Poenie stond ook bekend onder zijn eretitel, ‘De Eerste Peer’. Hij had inderdaad een nogal peervormig hoofd, maar dan ondersteboven.
“Ja. Trouwens,” zei de Paling, “we hebben Ter Bekens agenda.”
“Uit zijn bureau?”
“Nee, uit de back-up in zijn Ocean-drive. Zijn bureau is gesteriliseerd.”
“Daar vreesde ik al voor. Wat zegt zijn agenda?
“Lange ontmoetingen met Wanda Froger, de Eerste Peer, Theofiel Duck en Christa De Hete.”
Christa De Hete was de mysterieuze districtsburgemeester van Blaest-op-den-Verre, maar verscheen nooit publiek. Enkel haar nogal lugubere assistent Helmut trad af en toe op als woordvoerder, en was verschrikkelijk in zijn job. Hij was de verpersoonlijking van plaatsvervangende schaamte, en in een over het algemeen schaamteloos land als Populië-Econovina betekende dat toch iets.
“Tegelijk?”
“Yes.”
“Huh.” Ik leunde achterover tegen een tafel met instrumenten en liet mijn ogen nogmaals over de troosteloze restanten glijden van Lucas Ter Linden.
“En Theofiel Duck? Wat had die oproerkraaier daar te zoeken?”
De Paling toonde me een screenshot van Ter Lindens agenda. “Moet gehoord worden!” stond onder Ducks naam, drie keer onderstreept. Ik lachte vanzelf, wat leek op vloeken in de kerk. De Paling lachte niet.
“Sorry,” zei ik toen, “is dat niet altijd Ducks kreet, dat hij “niet gehoord” wordt, hoewel hij elke week de sociale media beheerst en met een megafoon massabijeenkomsten houdt op pleinen? Hij heeft zelfs een knokploeg en een trollenbrigade die vrouwen en linksen lastigvalt online.”
“Hij wil niet gehoord worden, inspecteur,” zei De Paling, “hij wil de enige zijn die gehoord wordt. Maar wat ik vooral vreemd vind is dat hij Ter Linden bezocht, terwijl hij ideologisch dichter aanleunt bij Ultor.”
Ik dacht aan de antieke sfeer in Ultors kantoor.
“Duck is te rauw voor Ultor,” zei ik, nadenkend. Gianni knikte en ging zitten in zijn bureaustoel.
“Wellicht. Hoe was het trouwens op de Broekentoren?” vroeg hij.
“Niet zo interessant,” zuchtte ik, “Ultor ziet in het onderzoek weer een PR-slag, vrees ik, en geeft niet zo veel om de waarheid. Ik was er ook niet blij mee dat hij probeerde om onze jurisdictie te overstemmen door het bureau van Ter Linden zelf al te laten afsluiten.”
“Ja, daarom ben ik er heen gegaan voordat hij dat kon doen en heb ik al die kleinigheden kunnen weghalen voor het verzegeld werd.”
“Hoe? Jij hebt toch Boert weggebracht?”
“Ik heb hem op de bus gestoken om de hoek.”
“Hoe ging dat?”
“Moeilijk, maar moeilijk gaat ook.”
De Paling toonde me op z’n telefoon een boze mail van Van Vettenberghe, zes paragrafen lang, over hoe onheus hij behandeld was geweest door de politie en hij zeker een aangetekend schrijven zou richten tot de Staten-Generaal.
“Goed gedaan,” zei ik oprecht, “wat is er nog meegebracht uit Ter Lindens bureel?”
Gianni opende een metalen lade gevuld met gelabelde plastic zakjes. Er was er eentje met zijn reservebril in die geen glazen had, en die hij enkel op had gezet om hem omhoog te zetten in zijn grijze haar als hij een statelijke indruk had willen maken. Een fles rode wijn uit een arcologie van Groenegem, half-leeg. Koperen manchetknopen met de beeltenis op van een amfoor en een lauwerkrans.
“Is dat niet het oude symbool van Uytganck?” vroeg ik. De Paling knikte.
“Ja, en er zijn van dit type manchetknopen niet zo veel exemplaren in omloop. Allemaal gemaakt op bestelling van de districtsburgemeester 6 jaar geleden.”
Het district Uytganck had het enige kleine stukje kustlijn van Populië-Econovina, maar als toeristisch oord stelde het niet veel voor door de gure wind die er steeds over de rotsige kust blies, en het had al sinds de Oudheid geen haven meer omdat moderne schepen er niet konden aanmeren. De wijk pochte met zijn zogezegd “Ramoonse” verleden. Ik legde het zakje apart.
Er waren nog zakjes met pennen, een paar reserve-herenschoenen, een opgevouwen spandex sportbroek en een bestelbon van de Mr.-fabriek van Muscovië met uitgekraste lijnen.
“Dit is vreemd,” merkte ik op, terwijl ik dat zakje omhoog hield, “Ter Linden had toch geen Mr.’s in zijn bezit?”
“Draai het zakje eens om,” zei de Paling. Aan de achterkant was een foto vastgekleefd van Delly, bekend van Delly & De Drie Vogels.
“Ter Linden liet een seksrobot maken op basis van Delly van Delly & De Drie Vogels?”
“Dat weten we niet zeker. We hebben al een verzoek gestuurd naar de De Maakbare Mens-fabriek om te zien of daar inderdaad een dergelijke bestelling liep, maar ik kreeg alleen maar automatische mails en spam terug om er zelf één te kopen,” antwoordde de Paling.
“Ik zal persoonlijk bij Stefanie Baekelandt langs moeten, dan.”
De lijst met mensen die ik nu moest opzoeken was aan het groeien, maar wat me opviel was dat het allemaal leden waren van de Staten-Generaal. Misschien was dat niet zo vreemd aangezien dit de mensen waren die Ter Linden ook vaak zag.
Even later zaten Gianni en ik in mijn bureel en had ik een verse mok koffie in de hand. De Paling noteerde terwijl ik af en toe van mijn koffie slurpte.
“Punt één: lijst met personen om te ondervragen, intussen aangegroeid: Wanda Froger, de Eerste Peer, Theofiel Duck en Christa De Hete – zij zagen Ter Linden wellicht het laatst in zijn officieel ambt, en het model turbine dat werd gebruikt om Ter Linden aan flarden te draaien wordt enkel gebruikt in de commune van de Eerste Peer. Punt twee: we moeten een gastenlijst krijgen van ‘Het roze ballet’. Punt drie: liet Lucas Ter Linden een seksrobot maken naar model van Delly van Delly & De Drie Vogels? We moeten spreken met Stefanie Baekelandt.”
“Is dat punt vier?”
“Nee, dat hoort bij punt drie. Hoewel, misschien ook bij punt één, omwille van de turbine. Punt vier: waarom kreeg Ter Linden manchetknopen van de Uytganck?”
De Paling keek op naar mij en stopte met schrijven.
“Zijn Geurt en Ultor geen verdachten meer? Geurt was ook in ‘Het roze ballet’ vorige nacht, samen met Wanda trouwens.”
“Maak dat maar punt vijf. En wat Ultor betreft,” zuchtte ik, “maak hem maar punt zes. Als hij effectief achter de moord op zijn collega zou zitten, dan is de kans klein dat we dat gaan te weten komen. Laat staan mogen te weten komen.”
Mijn telefoon ging – een onbekend nummer.
“Hallo, met inspecteur Haspelaer.”
“Inspecteur? Ja, Wanda Froger hier,” klonk een opgewekte vrouwenstem aan de andere kant van de lijn, “Ik stoor u vast wel, maar ik heb misschien belangrijke informatie voor uw onderzoek.”
“Komt u een verklaring afleggen?”
Ze lachte alsof ik zonet iets heel geestigs had gezegd.
“Bent u gek? Nee, kom maar naar mijn villa. U vindt die wel.”
Ze legde af.
“Wanda Froger?” vroeg de Paling.
“Ja. Ik ga er best eens heen. Kijk jij voor die gastenlijst van ‘Het roze ballet’?”
Ik zette de notificaties op m’n telefoon af, maar zag nog net een bericht op Twatter binnenkomen, waarin Theofiel Duck migranten de schuld in de schoenen schoof van de “terreurmoord” op Lucas Ter Linden. Vooral Luxemburgers moesten het ontgelden in zijn tirade.

dinsdag 8 november 2022

De keizer van Populië: Moord (IV)

 

De keizer van Populië, hoofdstuk 1 - Moord (IV)


IV. Ultor en de man van eer


DE BROEKENTOREN, HEGEGRAD, 9:48 AM


Toen ik uiteindelijk binnen mocht van de stijve, als piccolo uitgedoste poortwachter van de Broekentoren, stond ik op ontploffen. We waren door Van Vettenberghes getalm inderdaad te laat aangekomen op de Staten-Generaal, waardoor we niet meer werden binnengelaten en ik nog een half uur had moeten wachten in de auto, met op de doorwegende achterbank Boert die onophoudelijk klaagde over het gebrek aan respect waarmee hij bejegend werd, De Paling probeerde te overhalen om naar een ijssalon in de buurt te rijden, zei dat hij zijn medicatie niet meer kon vinden in zijn broekzakken (die vol snoeppapiertjes, wegwerpvorkjes, muntjes en kruimels zaten) en zich kortom aanstelde als een kleuter van 300 kilo.
De Paling was intussen weggereden met Boert, die nog altijd aan één stuk door zat te oreren. Hoe De Paling altijd zo rustig was, was voor mij een mirakel.
In de koele, raamloze gang die leidde naar de Grote Textielzaal stond Janus Ultor me op te wachten in een donkergrijs pak en met een kunstige, 18de-eeuwse strik. Hij had een grijze baard en kleine, opgloeiende, diep liggende ogen. Hij zag er een beetje uit als een kwaadaardige componist op leeftijd. Ultor stond bekend als uitgesproken conservatief en elitair.
“U was te laat, inspecteur,” zei hij, als een teleurgestelde leraar.
“Meneer Van Vettenberghe had mij opgehouden, uwe excellentie.”
Ultor gebaarde mij om hem te volgen door de Textielzaal en snoof.
“Meneer Van Vettenberghes stuitende gebrek aan zelfdiscipline is mij bekend, ja, om nog maar te zwijgen van zijn vulgaire onbeleefdheid. Nochtans probeerde ik hem vergeefs een dienst te bewijzen door uw overste te instrueren om u te bevelen hem te gaan ophalen. Zo ziet u maar, ondank is des werelds loon.”
De Textielzaal toonde wandtapijten, kledij, industrieel textiel en allerlei weefapparatuur van de Middeleeuwen tot nu. Textiel had Populië-Econovina groot gemaakt, en al was het nu een relatief onbelangrijke industrietak, het was nog steeds een historische trots. Onze voetstappen weergalmden over de gepolijste marmeren vloer tot we aan de lift kwamen.
“Mijn deelneming, overigens,” zei ik. Ultor neeg het hoofd.
“De dood van mijn confrater heeft ons allemaal geschokt,” zei hij, waarbij hij allerminst geschokt klonk, “Ik heb de districtsburgemeesters gevraagd om allemaal hun volledige medewerking te verlenen aan uw onderzoek. Zij hadden hem immers de dag voordien allemaal gezien.”
“Tegelijk?”
“Op privé-audiëntie, hier,” zei Ultor, terwijl we de lift in stapten.
“Dan zullen we ook meneer ter Lindes kantoor moeten onderzoeken, uwe excellentie.”
“Uiteraard. Ik heb de deuren al laten verzegelen.”
Ik werd wat nerveus door deze informatie. Ultor had daar eigenlijk de jurisdictie niet voor. En in het geval hij ook maar enigszins betrokken was bij de dood van ter Linden, had hij natuurlijk al lang alle mogelijke sporen die naar hem konden wijzen, laten uitwissen in het kantoor, zo die er al waren.
“U zal uw uiterste best doen om de daders op te sporen,” zei Ultor die zich naar mij draaide en naar me wees. Het klonk vreemd genoeg als een beschuldiging.
“Natuurlijk, uwe excellentie.”
Door de duisternis in de lift kon ik zijn ogen niet zien.
“Ik heb persoonlijk zelfs om uw aanstelling gevraagd als inspecteur,” vervolgde de consul, “op basis van uw bewezen diensten bij de politie. U bent een trouwe dienaar van het systeem, en onbesproken.”
Het was wellicht bedoeld als compliment maar het klonk meer als een dreigement, voortgaand op het élan van zijn eerste uitspraak. De liftdeuren gingen open en kwamen uit op een lange, vierkante gang die gegoten was in streng beton. Op het einde van de gang waren de fameuze Twee Deuren, waarachter de kantoren van beide consuls schuil gingen.
“En het is precies het systeem dat nu wankel staat, inspecteur,” ging Ultor verder, terwijl hij een ouderwetse sleutelbos aan een grote ring van onder zijn antieke kostuumjas haalde, “in de Staten-Generaal zijn de poppen al aan het dansen gegaan. Sujetten als de Eerste Peer agendeerden de heropening van Stellingwoude en kregen daarbij steun van creaturen als San Tander en Ranzigbotten. De heropening van Stellingwoude! Stelt u zich dat even voor, de dood van een eerzaam man als confrater ter Linden misbruiken voor politiek gewin en populisme,” brieste Ultor.
Stellingwoude was een ruïne van een vroeger volksforum waar debatten werden gehouden in open lucht door kandidaten van diverse politieke partijen. Ultor had er zelf nog gedebatteerd als jongere man, hoewel hij zelfs in mijn jeugd al stokoud had geleken, maar tijdens zijn eerste consulaat had hij die laten afschaffen en vervangen door online debatten die door Mr.’s werden gemodereerd. De laatste jaren stonden die onder druk door virale draden en persoonlijkheden op sociale media vanuit de wijk Klikvoorde, waar districtsburgemeester Caïn Ranzigbotten dreef op een mix van platvloerse provocatie en agressieve marketing. Niemand leek de man te mogen, en toch had hij tienduizenden volgers. 
We gingen Ultors kantoor binnen, dat een opvallend contrast vormde met dat van Geurt Dickers. Bijna alles was hier donker en claustrofobisch, met geblindeerde vensters en een massieve, mahoniehouten schrijftafel, tot aan de nok gevulde boekenrekken en een grote landkaart van Oud Populië. Ultor ging zitten en gebaarde mij om hetzelfde te doen. Eens hij in zijn grote, omineuze winchester zat, schonk hij zich direct een bel cognac in. Hij bood mij ook een glas aan.
“Ik drink niet tijdens de uren, maar toch bedankt, uwe excellentie.”
Ultor gromde misnoegd en nam een grote slok.
“Ik neem aan dat u mij ook moet ondervragen,” zei hij met tegenzin. Zijn boosaardige, kleine ogen fixeerden mij.
“Wel, ik moet gewoon weten waar u consul ter Linden laatst hebt gezien, en moet nagaan of dat klopt.”
“Gisterenavond, toen zijn ontvangstdag ten einde liep, rond 17:30. Ik verliet net dit bureel samen met professoren Dorfs, Poederdrie, Buyck en Nuls. Zij kunnen dit bevestigen.”
De vier professoren die hij opsomde waren alomtegenwoordig in praatprogramma’s en vulden veel opiniepagina’s in de kranten. Dat ze dicht tegen Ultor aan schurkten was een publiek geheim, hoewel ze zich altijd lieten voorstaan op hun intellectuele onafhankelijkheid. Dat Ultor nu zeer losjes toegaf dat ze hier samen vergaderden, was op zich opzienbarend, maar ik was geen journalist. Ik noteerde hun namen.
“Dank u, uwe excellentie. Viel u verder iets op aan consul ter Linden? Of gedroeg hij zich de laatste tijd wezenlijk anders?”
Ultor haalde de schouders op en streek door zijn antieke, volle baard.
“Nee. Mijn confrater was wellicht plannen aan het maken voor de transitie na het einde van mijn ambtstermijn, dus vermoedelijk kwamen de heren en dames districtsburgemeester op zijn ontvangstdag om hem te beïnvloeden.”
Hij nam nog een slok en keek even naar de landkaart aan de muur.
“Misschien kreeg één van hen niet wat hij of zij wilde en beraamden ze daarom de moordaanslag op mijn confrater,” opperde hij, waarop hij zijn ogen sloot en achteroverleunde, “wat confrater ter Linden een ware martelaar zou maken voor het systeem. Hij was een trouw man, en een goed man. Religieus ook – een familieman. Decadent gespuis zoals er sommigen van zijn in de Staten-Generaal, konden dat natuurlijk nooit verdragen en wilden hem neerhalen tot hun eigen lamentabele niveau.”
“Uwe excellentie, consul ter Lindens restanten zijn gevonden op de parking van een seksclub.”
“Daar werd hij vast heen gelokt,” zei Ultor onverstoorbaar, “of hij ging er een eerzame zedenles geven, dat kan ook.”
Welke zedenlessen had Lucas ter Linden te geven in een darkroom? Ik zei niets.
“Bovendien,” zei Ultor, die terug vooroverleunde en zijn boosaardige ogen opende, “ook mannen van eer hebben nu en dan een verzetje nodig. Dat is normaal. Dat is de natuur die ons kenmerkt.”
Die laatste zin was woord voor woord een letterlijk citaat van een boektitel van professor Martine Poederdrie. Daarin verdedigde in tien hoofdstukken de ‘agressieve’ en ‘explorerende’ natuur van de man versus de door feminisme en vervrouwelijking opgelegde ketenen van pacifisme en empathie. Ik had het boek ook gelezen en herkende me er niet in, al kon professor Poederdrie zeer onderhoudend schrijven.
“Goed,” zei ik, toen Ultor niets meer zei, “ik weet voorlopig genoeg, uwe excellentie. Later komt een forensische ploeg nog een kijkje nemen op het kantoor van consul ter Linden.”
Janus Ultor knikte en nam nog een fikse teug cognac.
“Dat is goed. Zorg dat uw ploeg op tijd komt en op voorhand laat weten wanneer ze komt. Dan zorg ik voor een goede ontvangst.”
De recherche had op dit vlak helemaal geen verplichtingen, ook niet aan de consul, maar daar was ik plots niet zo zeker meer van. Ik had de juristiek de laatste tijd minder goed gevolgd, maar wist wel dat onder andere onder invloed van professor Dorfs de laatste tijd steeds meer conservatieve en autoriteitsgezinde wetten waren goedgekeurd door de Staten-Generaal.