Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling kortverhalen daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van 'Onklare taal'. Ik ben tijdelijk gestopt met kortverhalen, maar in 2016 heb ik een geredigeerde bundel van de beste verhalen uitgebracht: 'Recombinant' is gratis te downloaden in PDF- en in EPUB-formaat.

zondag 4 december 2011

Dunning & Kruger (I)

Niet iedereen weet dat ik met schrijven effectief een maandloon verdien, maar jammer genoeg is dat niet met Nederlandstalige fictie, versregels of columns, maar met commerciële teksten in het Engels. “De best betaalde dichters,” noemde Herman De Coninck dit soort tekstenboeren, die in vaktermen bekend staan als copywriters (“Nee, nee,” heb ik al meermaals moeten zeggen boven de luide muziek van een café, “niets met rechten, geen copyrighting, copywriting). Copywriting is een essentieel onderdeel van marketing en communicatie, een beroepsklasse die buiten bij gehaaide liberalen met dollartekens in de ogen ten hoogste op een knarsetandend respect kan rekenen. Het cliché wil dat marketingmensen net slim genoeg zijn om mooie praat te verkopen en wat te layouten, maar niet genoeg om iets nuttigs te verrichten als verkoopwerk, installatie, service of design. Na human resources en incompetente managers behoren ze tot de meest geminachte werknemers binnen een bedrijf. Is daar nu echt reden toe? Misschien. Ik ben nooit gaan werken voor de waardering van de goegemeente. Maar weet dat ik even medeplichtig ben aan de toestanden die ik zo dadelijk zal beschrijven, dan dat ik me er van afkeer.

1. Brood bestellen op z’n Vlaams

Zelfs mensen met een slecht geheugen herinneren zich nog hun eerste schooldag, hun huwelijksdag, of de dag dat ze voor het eerst beseften dat hun leven een totale mislukking was. Met de eerste werkdag is dat niet anders. Mijn eerste werkdag bij het Belgische technologiebedrijf Dunning & Kruger viel samen met de eerste werkdag van 2007. Van die dag, buiten de saaie rondleiding door allerlei witte gangen en grote landschapsbureaus met lage vensters, herinner ik me twee zaken haarscherp: sales director Bernd Aatz, die volledig opgetrokken leek uit het op de tabel van Mendeljev vooralsnog afwezige element corporate (Cp), en Lutgard, die een bureau had dat omgeven werd door afschuwelijke kamerplanten en weggelopen leek uit ‘In de gloria’.

Mijn eerste chef, en tevens de vrouw die me mee had aangeworven, was Ilse. Men kon haar altijd van ver horen komen omdat ze door de lange gangen van Dunning & Kruger stapte alsof ze meedeed aan een wedstrijd snelwandelen op hakken. Ze praatte erg snel en sprak bijzonder vloeiend verschillende varianten op het West-Vlaams om zich verstaanbaar te maken bij Amerikanen, Fransen, Duitsers en Spanjaarden. Ilse rook sterk naar mandarijnen, en was een pezige vrouw met een hese stem. Tevens had ze ook een poedelkapsel dat permanent in brand leek te staan.
Andere collega’s die onder Ilses hoede vielen waren Elien (evenementen), Hendrik (grafiek en wat web) en Alfred (niet nader gespecificeerde bezigheidstherapie). Elien was van m’n eigen leeftijd en was een maand voor bij beginnen werken bij Dunning & Kruger, terwijl Hendrik al een decennium op de teller had staan in actieve dienst. Alfred, tenslotte, was zelf ooit manager geweest, maar was gedegradeerd tot kobold in dienst van Ilse omdat zijn werkmethodes sinds 1975 al niet meer aangepast waren geweest, en hij slecht meedraaide in de geavanceerde kenniseconomie van 2007. Alfred leek op professor Gobelijn en had een probleem met zijn heup. De eerste dagen slaagde hij er al in zo hard op mijn zenuwen te werken dat ik me inbeeldde dat ik hem van de trap duwde.

Ik leerde snel dat Ilse in constante staat van agitatie verkeerde. Ilse was een perfectioniste van zulk een orde dat ze niets voor elkaar kreeg. Daar kwam bij dat haar bekwaamheden op veel vlakken buiten marketing lagen. Cijfers en rapporten waren meer haar ding dan het uitvoeren van een visie. Hendrik vertelde me bijvoorbeeld dat Ilses eigen baas ooit aan het venster van zijn kantoor, dat uitkeek op het eiland van marketing, de boodschap ‘Feel the heat’ had gehangen, als corporate aanmoediging dat we de concurrentie een stap voor moesten blijven. Ilse had die handschoen opgenomen door Hendrik de boodschap ‘We warm the globe’ te laten maken, met voor elke letter één A4. Waarom had deze divisie van Dunning & Kruger in godsnaam nog een copywriter nodig met zulke briljante slagzinnen.

Mijn eerste grote vuurdoop kwam al na nauwelijks een maand. Om me persoonlijk op de hoogte te stellen van wat de concurrentie zoal uitvoerde, werd ik naar Amsterdam gesommeerd naar de grootste Europese beurs voor onze industrie. De eerder vermelde hoofdhoncho van de marketingafdeling, Joop (geen Nederlander), was zo vriendelijk om me daarvoor een lift aan te bieden.
Op die beurs zelf, een luide affaire die vooral bezocht werd door insiders, en waar een warmte heerste die gradueel alle plezier uit een mensenlichaam drukte, had ik het na een halve dag al wel gezien. Omdat ik verder weinig van nut kon zijn, had marketing-manager Ehud een opdracht voor me bedacht. Als expert inzake de olie- en de auto-industrie, stuurde hij me naar de stand van een concurrent om prijzen van een bepaald systeem te ontfutselen. Dat was een firma uit Noorwegen, en aangezien ik een beetje Noors sprak, was dat een kolfje naar mijn hand. Ik loog dat ik zwart zag en kreeg de prijzen. Probleem: de sales die me te woord had gestaan, stalkte de dagen nadien onophoudelijk de stand van Dunning & Kruger, en ik zou nooit zijn brandende blik vergeten toen hij doorhad dat ik helemaal geen medewerker was de Universiteit van Gent. Grootmoedig beloofde Ehud dan ook me niet meer op industriële spionage-opdrachten te sturen.
In Amsterdam maakte ik ook kennis met de hoofddirecteur van onze divisie, Didier Verbruggen. Didier was een humorloze, saaie man en als hij al eens glimlachte, leek hem dat zichtbaar pijn te doen. Hij was in mijn ogen het schoolvoorbeeld van een corporate monnik – een man die leefde voor zijn werk en door zijn werk geleefd werd. Zijn communicatie liet hij dan ook meestal over aan Joop, een man die qua modebesef ergens in 1997 was achtergebleven. Het moet gezegd worden dat Joop een publiek kon toespreken en niet geheel ongrappig was, maar voorts was onze grote chef marketing een gigantische windbuil die weinig te vertellen had. Bij korte, algemene mededelingen hoopte ik steeds dat Didier plots ging zeggen: "ok mannen... ik ken een mopje" maar dat gebeurde natuurlijk nooit. Het was meestal Joop die de show stal.
Op een bijeenkomst van alle sales- en marketingmensen wereldwijd, was hij als een trouwfeesten-dj die net een nieuwe variant op de polonaise ontdekt had. In dit geval was dat een mechanische stier, waar iedereen op moest kruipen om zich belachelijk te maken. De oude Alfred werd gelukkig ontzien. Ik lag er na minder dan zeven seconden en een enorm dwaze foto af.

In die dagen had ik nog geen rijbewijs, en treinde ik naar het werk. Het eerste jaar legde Dunning & Kruger voor het groepje pendelaars ook een taxidienst in van het station naar het bedrijf zelf. Alleen al daarover zou ik een boek kunnen schrijven. De baas van die kleine firma heette Mario, en was alles wat je van een man zou vermoeden die Mario heet. Hij was een goed geklede veertiger met een krullend nekmatje, rook altijd naar de deodorant en had een zwarte maîtresse. Zijn lakei die ons het vaakst vervoerde, Ronny, zei hoofdschuddend over Mario dat die "een echte vedette" was “als die een stapje in de wereld” zette.
Ronny zelf was bijna even breed als kort en moest niet onderdoen voor zijn baas als het op karakter aankwam. Hij liep al tegen de zestig, en werkte in het zwart voor Mario. In alle dimensies was Ronny luid en duidelijk aanwezig, als een volksmens pur sang. Soms bracht hij ook zijn dochter mee, die nog naar de middelbare school ging en wier voorhoofd en kin naar elkaar toegroeiden. Ronny kwam van Menen (“Miènde”) en leerde me de vele verschillende betekenissen appreciëren van het woord "godverdomme". Hij gebruikte het als hij moest remmen voor een onoplettende voetganger, als krachtterm om zijn eigen woorden extra waarheid te verlenen, of als hij een mooie vrouw zag.
De voertaal aan boord van de taxi was Steenkolenengels omdat de twee andere frequente medepassagiers Cheng uit Beijing en Austin uit Londen – oorspronkelijk uit de Caraïben – waren. Austin werd consequent ‘Houston’ genoemd door Mario, die geen woord Engels sprak.
“I don’t mind. I know what he means,” zei Austin toen ik hem daar ooit op wees.
Maar Ronny was dus een volksmens. Hij was ooit dronken met zijn auto op een politiekantoor ingereden, had een verleden als gewichtheffer en rallypiloot, en had in verschillende episodes verteld over hoe zijn beste vriend ("een advocaat!") er vandoor was gegaan met zijn vrouw, hoe hij toen met een achttien jaar jonger meisje begonnen was en hoe dit ruzie in de familie had veroorzaakt, met een uiteindelijke verzoening toen zijn moeder kanker had gekregen.
Ronny's Engels was schabouwelijk, maar Austins Nederlands was onbestaande. Ronny vertelde uitvoerig over zijn luxevakanties aan de Turkse rivièra, en dat hij om de vier maand van auto veranderde. Zijn favoriete merk was ‘Mutsibutsi’.
"How do you order bread in Flemish?" vroeg Austin op een keer.
"You just walk into a bakery and choose the type of bread you want. Something like "een groot wit brood alsjeblieft" should do the trick."
"So… “a big white bread,” is that right? Is it that simple? You don't actually say you're ordering it or that you’re buying it?"
"Why would you? Since you're already inside the bakery, they're pretty much assuming you're not going to steal it."
"Makes sense."
Austin was maar voor zes maand in België, en pendelde op weekends naar de Britse hoofdstad terug. Intussen zocht hij naar een tijdelijk onderkomen in de buurt van Kortrijk, wat hem niet makkelijk viel. Niemand wilde een appartement maar voor een half jaar verhuren. Maar Austin kloeg niet. Hij was een onverwoestbare optimist, en bovendien ook een zelfverklaarde ladies’ man, waarin hij steeds ongevraagd advies kreeg van Ronny, die zichzelf ook daarin erg deskundig achtte. Op enkele maanden tijd bestond Austins Nederlandse woordenschat uit enkele West-Vlaamse telwoorden, "godverdomme" en "poeze". Hij gaf wel toe dat een vrouw met een kat vergelijken logischer was dan hoe men het deed in het Engels, waar men bijvoorbeeld "a fit bird" kon gebruiken.
Hoe vermakelijk de taxiritten soms waren, des te deprimerender waren de treinreizen, vooral ’s ochtends, als ik probeerde om te lezen of een dutje te doen en die rust constant verstoord werd door luidruchtige ambtenaren van middelbare leeftijd.

Er waren ook dagen dat ik mee mocht rijden met Elien, die net als ik in Gent woonde. Daarvoor was ik enorm dankbaar. Ik deed ook mijn best om geen onaangename passagier te zijn. Als vanzelfsprekend werd er dan vooral gelachen met andere collega's in de auto: de onmogelijkheid van Bernds doorgedreven, messcherpe corporate persoonlijkheid, Ilses voortdurende verwarring, de aandoenlijke traagheid van Alfred, en ook wel het seksisme op de werkvloer bij Dunning & Kruger. Dunning & Kruger was namelijk overwegend een mannenbedrijf. Alfred, onze gevallen oude man, kon men nog enigszins knarsetandend ontslaan van de zwaarste verwijten, want die man kwam effectief uit een soort pregeïnformatiseerd Bakelieten Tijdperk, maar de ranzigheid van sommige andere mannen was toch iets dat veel vragen opriep. Mopjes die net iets te aangebrand roken, getrouwde mannen die suggestieve mailtjes stuurden, bazen die vrouwelijke collega’s stonden uit te kleden met hun ogen – het waren dan geen toestanden uit vieze sketches van Benny Hill, maar het was wel een van de vele kleine dingen die me aandachtiger zouden maken voor dit soort achtergrondseksisme.
Natuurlijk had ik als man van seksisme persoonlijk weinig last, en bovendien was ik ook niet populair bij de kleine minderheid homo’s die Dunning & Kruger telde. Hendrik daarentegen was een charmante grijze vos, en had af en toe wel eens last van de lokale is-hij-het-nu-of-is-hij-het-niet die rond hem drentelde. Al bij al was de aandacht voor Elien een tweesnijdend zwaard. De meeste mannelijke collega's waren de 30 al voorbij en hadden er zich bij neergelegd dat ze een groot deel van hun leven nog zouden doorbrengen aan de lichtgrijze bureaus tussen Lutgards kamerplanten. Of dat nu latente ranzigheid met zich meebracht of niet, Elien stond meer in de spotlight en kon ook meer op schouderklopjes rekenen voor haar werk (wat ze overigens uitstekend deed), terwijl ik met m’n esoterische kennis van de fijnere grammaticale punten van het Engels net zo goed een vogelwichelaar had kunnen zijn die men af en toe opzocht voor een negeerbare profetie. Dat stak wel eens.
Dit was des te duidelijker door hoe de sales & marketingafdeling van onze divisie fysiek georganiseerd was, met eiland na eiland in één groot landschapsbureau, en mensen die voortdurend af en aan liepen. Mijn bureau werd weinig bezocht, terwijl dat van Elien een hotspot was van activiteit. Dat had ook voordelen. Ik kon me daardoor meer aan één stuk concentreren op het schrijven van marketingproza per lopende meter. Onze buren waren minder fortuinlijk. De project managers zaten voortdurend tussen de hamer van de sales, die onrealistische beloftes hadden gemaakt, en het aambeeld van klanten, die het onmogelijke wilden. Twee onder hen hadden de gewoonte opgepikt enorm luid te praten aan de telefoon, waardoor het soms meer leek op een improvisatietheater dan een bureau. Verder waren het kamerplanten van Lutgard die ons scheidden van de service managers aan de ene kant, en de Europese vliegende sales aan de andere kant.

Na een paar maand klikten de zaken min of meer in een vaste routine. Ik at mijn brood met Hendrik, leurde met mijn teksten bij overkritische sales, market managers met hun eigen fetisjvocabularium ("scalability!", "leveraging!", "total cost of ownership!"), productmanagers met arendsblikken, en uiteraard Ilse. Alfred, die maar om de andere week nog kwam werken met het bravado van een geschopte hond, veroorzaakte ook nog maar weinig overlast.
Een opvallende vaststelling was dat er bij Dunning & Kruger, toch een bedrijf van meer dan 3.000 werknemers, massaal werd overgewerkt tot ’s avonds laat. Toen ik mijn contract had getekend, had men mij gezegd dat de meeste mensen “op tijd” naar huis gingen. Het waarheidsgehalte daarvan was vergelijkbaar met artikels in de Pravda in de hoogdagen van de Sovjetunie. Mensen die “op tijd” haar huis gingen, waren een zeldzaamheid, en niet vaak stamelden ze daar een halfbakken excuus bij, alsof ze zich moesten verantwoorden voor het feit dat ze niet nog een extra uur onbetaald aan hun bureau te vinden waren.
Al van in het begin had ik een hekel aan die cultuur van overwerk. Men beschouwde het als volkomen normaal dat werknemers nog bereikbaar waren tot 21u en soms later. Ik begreep dat toen niet en begrijp dat nu nog altijd niet. Een man met een interne prikklok was ik niet, en bij belangrijke projecten vond ik het aanvaardbaar om een extra inspanning te leveren, maar de overuren die bij Dunning & Kruger gedraaid werden, deden soms eerder denken aan een bedrijf in Japan in plaats van een firma in België.
Ook Ilse deed elke dag zware overuren, hoewel ze zelden wat voor elkaar kreeg, en meer tegen- dan meewerkte. Nog goed te keuren brochures, persberichten of teksten voor de website bleven zich opstapelen in haar mailbox, of ze had de neiging om vlak voor de voltooiing te veranderen van idee over hoe het moest. Die koerswijziging deelde ze dan mee op zo’n manier dat het leek alsof Hendrik, Elien, Alfred en ik een team imbecielen waren. Ilse vergat ook voortdurend belangrijke details over de diensten en goederen die Dunning & Kruger aanbood. Dat deed argumenteren met haar deed lijken op een redelijke discussie proberen voeren met een malevolente kleuter die als ultiem argument nog altijd even vlug in z’n broek kon kakken. Alleen: wij waren altijd de broek.

Verder naar deel twee.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten