Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de verhalenafdeling daarvan. In 2016 bundelde en redigeerde ik (streng!) alle tot dan toe geschreven kortverhalen in de antologie 'Recombinant' en in 2023 bracht ik de novelle 'De keizer van Populië' uit - je kan beiden gratis downloaden als je Patron wordt. In 2020 verscheen mijn debuutroman 'Fragmentariërs'. In 2023 bracht ik de opvolger 'Constellatie' uit. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

vrijdag 8 januari 2016

Absolutie

Over waarom ik enkele maanden stilte inlas.

Ik ben een zoeker. Aan de binnenkant van mijn schedel tast ik voorzichtig naar nieuwe gedachten, indrukken en vonken. In een mentale ruimte die zo groot kan zijn als het universum zelf, kan ik wandelen over uitgestrekte heuvels waar het enige wat het wit van de sneeuw het wit van de mist onderscheidt, mijn zelfschets is. Het verlangen om de wereld in me op te nemen is nooit groter geweest dan het verlangen om zelf een wereld te maken en daarin weg te zinken. Vandaar dat ik als kind gefascineerd voor tv zat voor de reeks 'Odyssey', waar een jongen in coma door zijn eigen droomwereld wandelde, of hoe 'The Cell' de binnenwereld van de geest in hevige kleuren en met symbolisch spektakel tot leven bracht.

En nu, nu het jaar al een paar dagen oud is, zit ik opnieuw neer in de zetel en denk ik na. In de beste traditie van het boeddhisme probeer ik bewust om geen demarcatielijnen te trekken over datums en gebeurtenissen. Ik hoef geen synthese te puren uit de opeenstapeling van feiten die ik geleefd heb en de daden die ik gesteld heb. Want niet alles daarvan is fraai, laat staan dat het dingen waren waar ik naar uitgekeken had. Maar dat is niet per se slecht. Ik had ook niet gedacht dat ik in 2015 zo veel ging lezen of dat ik tegen het einde van het jaar mijn liefde voor film zou herontdekken. Dat mooie muziek me dieper kan beroeren dan ooit en dat ik het minder belangrijk vind dan ik gedacht had om op weinig podia te staan.

M'n ogen glijden af naar de kleine kerstboom op de salontafel, die verstikt is in slingers licht, compacte kerstballen en nepvogels. Hij is lelijk maar hij is prachtig, dat trots stuk kitsch temidden van m'n tijdelijke woonkamer waar de meubels te dicht op elkaar staan, de vloer een vuilmagneet van vinyl is en één van m'n gordijnen permanent scheef hangt. Maar het is de kamer die ik nu bewoon waar het lichaam in zit dat zichzelf bewoont en dat is belangrijk om geen enkele andere reden dan dat het er voor niemand meer zal toe doen dan voor mij.

Bij de kerstboom staan twee ruw-porseleinen ijsberen, een geschenk van mijn ouders toen ik begon te avonturieren in bijberoep en die nu goed passen bij de stilte die hier heerst. Die stilte mag nog even aanhouden. Voor het jaar dat voor de deur staat, ben ik van plan niet te veel woorden te verspillen op papier of wat daar digitaal voor doorgaat. Dat is niet omdat ik niets te zeggen heb, maar omdat ik me wil kunnen focussen op wat er nog meer toe doet.

Het is geen geheim dat ik een warme fascinatie koester voor oorden als Antarctica, de Sahara, Groenland, Mars en de ruimte. Misschien is het een chronisch geval van het gras dat groener is aan de overkant. Als ik daar had gezeten, dan zou het drukbevolkte België me misschien veel meer aanspreken. Maar opnieuw: het draait om ruimte, of beter, om vorm en leegte. Ik wil de komende maanden niet de druk voelen om toch maar weer iets online te zetten, gedachten te delen met de wereld of om mee te racen voor aandacht.

Ik sluit niet uit dat ik zo nu en dan de digitale stilte doorbreek maar ik blijf hier voorlopig nog even zitten in deze zetel, terwijl dag langzaam avond wordt, de lichtjes van de kerstboom feller worden en m'n gordijnen nog altijd scheef hangen.

zaterdag 15 augustus 2015

Hoofd geflankeerd door vlees (III)

Er werd goedkeurend geproefd, genipt en gemompeld. William vond dat altijd vermakelijk aan mensen die aan hun maaltijd begonnen. Dan vielen alle gesprekken even stil en concentreerde men zich op het eten en het drinken, omdat dat zo hoorde uit beleefdheid, want de meeste mensen gaven uiteindelijk veel minder om wat ze aan het eten waren dan ze van zichzelf dachten. Hij vond al die kookprogramma’s verdacht. Nu was hij zelf niet onaardig in de keuken, maar die race om om ter fijnst afgestelde experimenten uit de oven te toveren of om doordeweekse schotels bereiden een exacte wetenschap te maken, dat vond hij belachelijk. Het draaide meer om het ego van de kok en het gevoel dat mensen daar aan konden deelnemen door zijn eten op te eten, dan dat het iets te maken had met genot. Jana dacht soms dat William cynisch was geworden door zijn sociologie maar het omgekeerde was eerder waar: hij was socioloog geworden omdat dat paste bij zijn cynisme. Wat op zich bekeken een cynische gedachte was.
“Waarom zit je zo stom te lachen?” vroeg Fin hem. Zijn oudere broer zat tegenover hem. Die had toch ook altijd alles in de gaten.
“Niets, Fin,” zei William, waarna hij een slok water nam.
“Er overigens straks nog dessert,” zei Paul van de andere hoek van de tafel.
“Paul, lieve schat, we zijn nog maar net begonnen aan de hoofdmaaltijd,” zei Kelly.
“Ik kon het maar meegeven,” zei Paul praktisch.
“Wat voor dessert is het?” vroeg William.
“Chocolademousse,” antwoordde Paul.
“Lekker lekker lekker,” zei Fin erg snel na elkaar. William en Kelly lachten.
“Fi-hin,” zei Budur.
“Sorry. Insider van toen we klein waren,“ verklaarde Fin.
“Voor de chocolademousse hebben we trouwens stukjes van Sinterklaas-chocolade gesmolten,” zei Paul, “Want die is goedkoper dan dezelfde hoeveelheid in pakjes kopen, en nog zo lekker. Hollandse koopmansgeest, al zeg ik het zelf.”
“Fondant of melkchocolade?” vroeg William.
“Van beide een beetje,” antwoordde Paul.
Er werd even verder gegeten.
“Kwam Sinterklaas ooit bij jullie thuis langs?” vroeg Fin toen aan Budur.
“Nee. We wisten wel wat het was en kregen snoep op school, maar toen ik thuis vroeg of de Sint ook bij ons kwam, legde mijn vader uit dat die niet bestond.”
“Da’s ook sneu,” vond Jana.
“Ik vond het niet zo erg,” zei Budur.
“Ik herinner me de lokale Sint die naar onze school kwam,” zei William.
“Ja, die foute Sint met die pedobril,” zei Fin.
“Wat is een pedobril nu weer?” vroeg Paul.
“Je kent dat toch, zo’n zonnebril uit de jaren ’70 die verkleurt in het zonlicht, met veel te grote glazen,” legde Fin uit, “ook wel bekend als een Freddy Horion-bril.”
“Is dat de ontwerper?” vroeg Paul.
“Nee, Freddy Horion was een crimineel die een heel gezin uitmoordde bij een roofmoord, ergens eind de jaren ’70. Hij droeg ook zo’n bril,” zei William.
“Gezellig onderwerp voor aan tafel,” zei Jana.
“Laten we het terug over vrolijkere dingen hebben, inderdaad,” zei Kelly, “Zoals de Sint.”
“Zo vrolijk maakt de Sint me niet, anders,” zei William. Zijn vrouw keek hem scheef aan.
“Waarom niet? Is de Sint weer een symptoom van onze neoliberale strafmaatschappij en het ééndimensionaal consumerisme?” vroeg ze.
William moest lachen door haar geslaagde imitatie van zijn jargon.
“Nee, ik bedoelde het racisme.”
“O, dat,” klonk het uit verschillende monden.
“Die discussie is veel heviger in Nederland dan hier,” zei Paul, “Hier heb ik er nog niet veel van gemerkt.”
“Dat is waar,” zei William, “maar het komt wel. Ik begrijp vooral niet dat mensen er zo lastig over doen om Zwarte Piet gewoon wat roetvegen te geven en geen afro-pruik en dikke rode lippen meer. Tradities veranderen toch constant?”
“Dat is niet wat veel mensen geloven,” zei Budur.
“Dat is waar, William, veel mensen houden vast aan het idee dat sommige dingen onveranderlijk zijn,” zei Jana.
“Zoals FC De Kampioenen,” schertste Fin.
“En daar worden mensen dan boos over. Ik vind dat moeilijk om te verstaan. Wat voor impact heeft dat nu op hen?” vroeg William zich af.
“Ze voelen zich bedreigd, Will,” zei Kelly, die tegenover haar man zat op de hoek.
“Door wie dan? Door een paar progressieven en Afrikanen die willen dat een traditie afstand neemt van een racistische karikatuur?” vroeg William.
“Ik vind het raar dat je je zoiets afvraagt als socioloog,” zei Fin, “je weet toch dat mensen vandaag in het Westen zich om het minste al bedreigd voelen?”
“Omdat ze bang gemaakt worden,” zei William, “door de media en door politici. Dat gaat dan over misdaad en terrorisme. Maar wat heeft Zwarte Piet daar mee te maken? Ik heb beelden gezien – uit Nederland, inderdaad Paul – waar mensen echt woest waren door het idee dat Piet niet meer in blackface en met dikke lippen ging optreden.”
“Die woede kan een kanalisering zijn van een andere drift,” zei Budur. Ze had nog niet veel gegeten.
“Hoe bedoel je?” vroeg Jana.
“Ik doe niet aan psychoanalyse,” zei Budur, “dus dat kan ik je niet zeggen. Om eerlijk te zijn verdiep ik me ook niet graag in de psychologie van racisten.”
“Maar niet iedereen die Zwarte Piet verdedigt is een racist, toch?” wierp Jana op.
“Ja, maar alle racisten verdedigen wel Zwarte Piet,” zei Budur.
Er viel een bedachtzame stilte. Bestek tikte. Voedsel werd aangesneden.
“Het is trouwens bijzonder lekker, Paul,” zei Fin.
“Dank je,” mompelde die met z’n mond vol, z’n duim omhoog stekend.
William dacht nog na over wat Budur gezegd had. Er was natuurlijk het weid verspreide idee dat de Europese cultuur op de helling stond. Dat idee was niet nieuw. Het werd al gezegd in het interbellum en het werd gebruikt om de Holocaust te rechtvaardigen. Ook hedendaagse racisten grepen dat idee aan om hun haat te rechtvaardigen. Misschien werd die primaire reactie verder versterkt doordat het iets aanraakte uit mensen hun kindertijd. Voor William was die nostalgie afwezig. Hij was per ongeluk te weten gekomen dat de Sint niet echt was toen hij vier was en zijn ouders had betrapt die speelgoed naar beneden aan het brengen waren. Fin geloofde toen zelf al niet meer in de Sint en was verbannen bij het familiale gezang van Sinterklaasliedjes omdat hij altijd schunnige parodieën zat te verzinnen op de teksten. In feite was hij nog niet zo veel veranderd. Kelly had nog lang geloofd in de Sint.
“Mag ik nog eens de kroketten?” vroeg Fin, die ze dan ook kreeg via Kelly.
“Enfin, het is goed dat er een debat over is, over die hele kwestie. 30 jaar geleden was dat ondenkbaar,” zei Fin toen, de discussie weer oprakelend.
“Het is waar. Allochtone gemeenschappen zijn mondiger geworden,” zei Jana, en toen tot Budur, “of wacht, mag ik dat woord eigenlijk nog gebruiken?”
Budur haalde haar schouders op.
“Het woord zelf wordt natuurlijk in stigmatiserende zin gebruikt, maar welk woord je ook kiest, het stigma gaat niet weg. Er zijn mensen die vallen over woordkeuze, maar ik niet zo erg. Onze buurjongens indertijd waren zwart en verwezen naar zichzelf als negers. En ik moet zeggen dat de mensen die de grofste moppen kenden over Marokkanen, meestal Marokkanen zelf waren.”
“Met jezelf lachen is één ding. Ik heb William vaak uitgemaakt voor debiel toen we klein waren, maar hij wist dat ik dat niet meende. Ik zou zoiets nooit gezegd hebben tegen iemand die ik niet kende.”
“Ja, als je op dezelfde hoogte staat, sociaal, kan zoiets acceptabel zijn,” zei William, “maar dat is iets wat veel mensen niet begrijpen aan discriminatie: dat het een systeem is, geen verzameling losse incidenten.”
“Ik ga eerlijk zijn en toegeven dat ik er niet zo veel last van heb als anderen,” zei Budur, “maar dat komt omdat ik mij kleed zoals jullie en praat zoals jullie. Mijn nicht, die een hoofddoek draagt, wordt op straat soms zomaar uitgescholden. Ze is nochtans hier geboren.”
“Dat is erg,” vond Kelly.
“Ja, en het is ook niet omdat je niet hier geboren bent, dat je mag uitgescholden worden,” zei Paul.
“Heb jij vaak te maken met anti-Nederlandse gevoelens?” vroeg Fin niet helemaal ernstig.
“Wel,” zei Paul, die z’n mond afveegde met een servet, “het zal wel niet zo erg zijn als een Afrikaan die oerwoudgeluiden moet horen, maar soms worden die clichés over Nederlanders me ook te veel hoor.”
“Ik erger me daar zelfs meer aan dan hem,” zei Kelly.
“Meestal is het niet slecht bedoeld,” zei Paul, “zo’n grap over kaas of gierigheid gaat er nog wel in. Maar ergens binnenkomen en onmiddellijk begroet worden met “oei, dienen arroganten Ollander is daar!”, dat is niet prettig. Vooral omdat ik niet denk dat ik arrogant ben.”
“Nee, maar wel luid. Dat is al voldoende voor sommige mensen,” zei Kelly.
“Ik vind het juist fijn dat Paul leven in de brouwerij brengt,” zei Fin.
Paul glimlachte beminnelijk. In het gedimde licht van de tafel leek hij plots op een Nederlandse charmezanger. Jana kneep in Williams hand, zomaar. Hij glimlachte naar haar. Het was een gezellige avond.
“Ik weet trouwens niet of jullie nog een theorie willen horen,” zei Fin toen, “maar deze discussie doet me denken aan een idee waar ik al lang mee rondloop. Wie hier onder jullie heeft er ooit gekeken naar Transformers? Ik bedoel de oude cartoon uit de jaren ’80, niet de films van Michael Bay.”
William, Kelly en Paul staken hun handen omhoog.
“Ik heb er wel eens eentje gezien, denk ik,” zei Budur, “mijn oudste broer keek ernaar.”
“Dat is helemaal aan mij voorbij gegaan,” zei Jana, “Ik vond robots stom. Dat zijn toch die robots die in auto’s en zo veranderen, hé?”
“Inderdaad,” zei Fin.
“Laat je theorie eens horen,” zuchtte William, die zich voorbereidde op een nieuwe reis in het absurde.
“Mijn theorie is dat de Transformers een propaganda-allegorie zijn voor Amerikaans conservatisme.”
“O? Dat is toch zo vergezocht niet?” reageerde William, “De cartoon was gemaakt om speelgoed te verkopen.”
“Ja, maar toch zitten er ideologische elementen in verweven,” zei Fin, “Begin bijvoorbeeld bij de leider van de goeden, Optimus Prime. Optimus voert enkel oorlog als hij moet en enkel voor nobele zaken. Zo ziet Amerika zichzelf ook graag. Bovendien zijn zijn kleuren rood, blauw en wit, met kleine gele accenten: de Amerikaanse vlag. Hij verandert in een grote truck: een symbool voor de Amerikaanse werker die onvermoeibaar lange afstanden aflegt door het grote land. Kijk naar de andere Autobots: die veranderen in sportwagens, ziekenwagens, brandweerauto’s en gewone personenauto’s, een paar uitzonderingen niet te na gesproken. Hun kleuren zijn helder en eenvoudig.”
“Wacht, wacht,” zei Kelly, “Bij de Autobots zaten er toch ook militaire voertuigen?”
“Amerikaanse militaire voertuigen, ja,” zei Fin, “En dan hebben we de Decepticons, de slechteriken. Hun leider, Megatron, is volledig wit met een paar metaalaccenten. Zijn helm lijkt met een beetje fantasie op een kap en hij heeft rode ogen.”
“Mijn God,” lachte William, “ga je nu zeggen dat Megatron een symbool is voor de Ku Klux Klan?”
“Precies,” zei Fin, met zijn vinger op tafel tikkend, “Daar komt nog bij dat Megatron verandert in een pistool. Hij kan zelf niet bewegen in zijn alternatieve vorm. Als dat geen allegorie is voor impotentie, weet ik het ook niet. Daar komt bij dat zijn luitenant, Starscream, een karikatuur is van een homo en meestal met Megatron mag schieten. Schieten.”
“Mijn God Fin, ik wist niet dat jij zo’n nerd was,” zei Jana.
Fin nam een slok.
“Er is nog meer, hoor.”
“Fin, laat het maar zitten,” zei Kelly gemoedelijk. William lachte nog wat na.
“Ik zou nog wat wijn willen,” zei Budur.
“Daar ben ik ook wel aan toe,” zei Paul dankbaar.

Hoofd geflankeerd door vlees (II)

Kelly vond het op een manier vervelend dat Fin niet was meegegaan om te roken. Voorgaande jaren hadden ze nu samen in de rook gestaan om de hoek van het huis, keuvelend over kleine en minder kleine zaken die niet voor de oren bestemd waren van hun wederhelften of van broer William. Het stak des te harder dat het Fin was die zeven jaar geleden Kelly haar eerste sigaret had aangeboden op een feestje bij hem thuis, toen hij nog volop de bon vivant was voor wie geen vloer te stevig was om door te zakken, geen plafond te hoog om door te knallen.
Niet dat Kelly iets had tegen Budur. Ze mocht haar rust en evenwicht. Fin, William en Kelly waren op hun manier alle drie onrustig, een trekje dat ze van hun moeder hadden. Bij Kelly zat die onrust het diepst en kwam hij ook het minst vaak naar boven.
“Hoe is het nog met jou?” vroeg Kelly aan Budur, nadat ze haar sigaret aangestoken had. Budur keek naar de vlam en de gloeiende askegel alsof er een diepere waarheid in besloten lag, maar misschien was dat gewoon omdat ze een hoofd kleiner was dan Kelly en geen zin had om op te kijken.
“Goed,” zei Budur. Nu sloeg ze haar ogen wel op naar Kelly. Ze waren diepbruin, bijna zwart. Kelly herinnerde zich dat Budur een postgraduaat deed in filosofie.
“Is Fin soms niet wat te druk voor jou?”
“Hij is enkel zo in gezelschap. Thuis is hij kalmer,” glimlachte ze. Kelly glimlachte ook.
“Dat is zo. Paul zegt soms dat Fin Nederlander had moeten zijn, voor hoe exuberant hij is.”
“Fin zou het niet graag horen.”
“Heeft hij iets tegen Nederlanders?”
“O nee, dat is het niet. Ik denk gewoon niet dat hij zichzelf ziet als exuberant.”
Ze haalde haar schouders op.
“We zien onszelf vaak niet zoals we werkelijk zijn. Als we al iets zijn.”
Kelly nam een trek van haar sigaret. Van binnen klonk lawaai van Paul die vrolijk tekeer ging in de keuken.
“Als we niets zijn, wat zijn we dan wel? We kunnen niet niets zijn, toch?” vroeg Kelly.
Budur glimlachte. Haar glimlach had iets ongepast guitigs.
“In figuurlijk zin zijn we natuurlijk altijd iets. Maar niet iets dat vaststaat. Dat denk ik toch. We hebben onze gewoontes, onze opvattingen… maar die veranderen.”
“Ze veranderen moeilijk,” zei Kelly.
“Of plots.”
Kelly vroeg zich af wat Budur daarmee bedoelde maar ze stelde die vraag niet luidop. Ze stelde zelden luidop vragen of probeerde niet vaak te peilen naar diepere bedoelingen zolang zijzelf niet in het vizier kwam. Mensen hielden daarvan bij haar. Ze konden het gevoel krijgen gewoon “te zijn” – opnieuw dat zijn – bij haar, en niet dat ze zich moesten uitleggen of verantwoorden.
“Hoe lang duurt je postgraduaat nog, eigenlijk?”
“Nog twee jaar, normaal. Het is langer dan ik verwacht had.”
“Waarover gaat het? Ik weet dat je me dat al eens hebt proberen uitleggen, maar het is al een tijd geleden dat ik je gezien had en ik had toen net gegeten.”
Opnieuw die guitige glimlach.
“Dat is ok. Het was toen ook maar de eerste keer dat je me zag, denk ik.”
Kelly blies een rookpluim uit, weg van Budur.
“Ik probeer een link te leggen dus de opvattingen over moraliteit en persoonlijke plicht van Nietzsche en die van het boeddhisme.”
“Is die er dan?”
Kelly had in haar kunstopleiding kort Nietzsche gezien maar kon zich nu enkel zijn woest besnorde kop herinneren en zijn op de spits gedreven uitspraken over een amoreel leven. Van het boeddhisme wist ze zo goed als niets. Monniken die beaat stonden te glimlachen in saffranen gewaden. De dalai lama met zijn zonnebril die verkleurde in het zonlicht.
“Min of meer. Nietzsche had het één en ander gelezen over het boeddhisme via Schopenhauer. Zijn begrip was zeker niet perfect, maar hij had wel een positieve waardering voor het nuchtere pessimisme van het boeddhisme.”
“Pessimisme? Die boeddhisten staan er altijd zo vrolijk bij.”
“Dat is het net. Door te zien dat alles voorbij gaat en alles maar schijn is, vinden veel boeddhisten humor in het absurde van waar de meeste mensen bezig mee zijn. Nietzsche zag daar trouwens zelf ook de grap van in.”
“Zeer geestig leek hij me niet.”
“Zijn humor was zeker een stuk boosaardiger, dat is waar. Ook dat had hij van Schopenhauer. En een grote vrouwenvriend was hij zeker ook al niet.”
Kelly hield haar hoofd scheef.
“Da’s toch wel zo’n ding hé, niet? Die filosofen waren vaak nogal raar met vrouwen.”
Budur lachte nu voluit.
“De geschiedenis van de wereld zit vergeven van de grote mannen die bij vrouwen huilende kleine jongens of gefrustreerde pubers werden. Niet alleen filosofen. Ook staatsmannen, wetenschappers, militaire leiders…”
“… en kunstenaars,” zei Kelly. Ze dacht aan de kwasten die ze was tegengekomen tijdens haar opleiding of nu nog, op bijeenkomsten van illustratoren. De gevoeligste types bleken vaak nog de lompste boeren als het aankwam op vrouwen.
“Het is dus niet eigen aan filosofen,” zei Budur. Kelly dacht plots aan Budurs afkomst, wat ze zelden deed. De vraag rees in haar op of zij zich had moeten vrijvechten om geen hoofddoek te dragen maar wel een zwarte jeans, maar opnieuw besloot ze dat niet te doen. Waarschijnlijk kreeg ze er al zo vaak vervelende vragen over.
“Enfin, succes met je postgraduaat, alleszins.”
“Dank je.”
Kelly’s sigaret was bijna op.
“Heb jij ooit gerookt?”
“Nee. Ik vind het wel fascinerend dat mensen dat doen. Gelijk welk roesmiddel, eigenlijk.”
“Hebben filosofen daar ook theorieën over?”
“Hoe meer ze er zelf gebruikten, ja.”
Kelly lachte, nam een laatste trek en trapte toen haar peuk plat op het terras.
“Kom, we gaan terug naar binnen.”

Binnen was het behaaglijk warm. Ze kwamen net aan het einde van Fin die William en Jana weer op een anekdote zat te vergasten. Jana lachte en William schudde grijnzend zijn hoofd.
“Goed dat je terug bent, Kell, Fin begint hier aan onze controle te ontsnappen,” zei William.
Fin knipoogde naar Budur maar zei niets meer. Kelly ging door naar de keuken.
“Alles onder controle, lief?” vroeg ze aan Paul, die fluitend in de weer was met drie potten tegelijk alsof het niets was.
“Maak je geen zorgen!” zei hij tussen het roeren en het schudden met een pan door, “Alles komt hier prima in orde!”
Ze gaf hem vlug een kus op zijn stoppelige wang en ging terug de woonkamer in.
“… maar kan je iemand graag zien als je die persoon ook bedriegt?” vroeg Jana net.
“Hola. Zware onderwerpen,” zei Kelly, die terug ging zitten, “mag jullie kleine zusje ook meedoen.”
“Hay guyz, what’s going on in this thread?” zei Fin met een stomme gelaatsuitdrukking.
“Fin, serieus,” zei William, waarop hij zich tot Kelly richtte: “We kwamen van het één en het ander op de aard van liefde en graag zien. Fin houdt vol dat als je iemand echt graag ziet en je de afspraak hebt elkaar niet te bedriegen, dat als je dat wel doet, dat je liegt dat je je partner graag ziet. Juist?”
Fin knikte en leunde achterover. Hij maakte een breed handgebaar.
“Ongeveer. Eén van de twee is fake. Of het bedrog is fake, of de liefde.”
“Hoe kan bedrog nu fake zijn?” vroeg Jana, “Je doet het of je doet het niet.”
“Je motivatie kan fake zijn. Je kan het doen onder dwang.”
“Dan is het geen bedrog,” vond Budur, “dat is aanranding.”
“Maar fysiek kan de daad precies hetzelfde lijken. Niemand weet wat er in je hoofd omgaat.”
“Intentie speelt een rol hé Fin,” zei William gestoord, “als je die redenering doortrekt dan zijn er heel wat dingen die raar zijn. Dan zijn moord en doodslag ook precies hetzelfde.”
“Sommige mensen denken dat.”
“Denk jij dat?”
“Wel, nee. Je hebt een punt,” gaf hij toe.
“Ik geloof wel dat sommige mensen een oprechte misstap kunnen begaan en toch hun partner graag zien,” zei Jana. Kelly dronk van haar glas.
“Hoeveel misstappen moet iemand begaan tegen dat het er te veel zijn en de liefde niet meer oprecht is?” vroeg Kelly, “Voor mij is het simpel: één keer is één keer te veel.”
“Wat is bedrog dan voor jou?” vroeg Fin.
“Alles wat je met je partner doet maar normaal niet zou doen met vrienden.”
“Hm,” zei William. Ook Jana keek bedachtzaam.
“Sommige mensen vinden iemand anders knuffelen al bedrog,” zei Budur, “Ik had ooit een vriend die daar erg kwaad om werd. Maar ik knuffelde al mijn vrienden. Hij deed dat zelf nooit.”
“Wat jammer. Knuffelen kan zo fijn zijn,” zei Fin.
“Da’s gewoon onredelijke jaloezie,” zei Kelly.
“Is jaloezie niet altijd onredelijk?” vroeg Budur.
“Niet als je redelijke aannames hebt dat je echt bedrogen wordt,” vond Jana.
“Zou jij kijken naar m’n gsm of m’n e-mails?” vroeg William zijdelings aan zijn vrouw. Jana aarzelde en draaide met haar glas in haar hand.
“Uitzonderlijk, ja. Ook al weet ik dat dat niet netjes is.”
“Ik zou dat nooit doen,” zei William ernstig.
Kelly kon zich niet voorstellen dat Paul of zij dat ooit bij elkaar zouden doen. Paul was sociaal en opgewekt en hij was fysiek met mensen, maar hij had zich nog nooit laten gaan op wilde feestjes zoals die soms voorkwamen in het theatermilieu. “Ik heb m’n part gehad,” had hij ooit tegen Kelly gezegd, en haar daarna tegen zijn borst aangedrukt. Ze herinnerde zich dat hij toen een zacht prikkende, wollen trui had gedragen. Geen van hen was een jaloers type.
“Ja? Ik wel,” zei Budur rustig. Fin trok een wenkbrauw op.
“Ja? Heb ik je daar ooit reden toe gegeven?”
“Nee,” antwoordde ze nog altijd even rustig, “maar ik stop m’n irrationele kanten niet weg. Waarom zou ik?”
“Uit respect voor m’n privacy?” suggereerde Fin.
“Wat voor privacy, Fin?” vroeg William met lood in z’n stem, “Denk je dat Budur je ondergoed met vieze strepen in nog nooit gezien heeft? Dan heb je geen recht meer op privacy.”
Kelly lachte. Budur reageerde er niet op en keek Fin gewoon aan met die enorme zwarte ogen van haar. Fin schudde langzaam z’n hoofd.
“Jij bent… een bijzondere vrouw,” zei hij stil.
“We zijn aan het afdwalen,” zei Jana, zoals altijd bij de les, “Ik vind: bedrog komt in gradaties. Je kan er niet absoluut over zijn. Je bepaalt dat zelf als koppel. Als je daar al niet uitkomt, zit het fout.”
“Daar kan ik me in vinden,” zei Kelly.
“Hebben wij daar ooit over gesproken?” vroeg William aan zijn vrouw. Zijn zware brilmontuur en frons leken één. Jana glimlachte als een wolvin.
“Is dat ooit nodig geweest?”
Op dat moment stak Paul z’n rood aangelopen, met elektrische krullen omlijste hoofd door de deur.
“Heren en dames, het eten is bijna klaar! Jullie mogen aan tafel!”

Hoofd geflankeerd door vlees (I)

Kelly vulde zes glazen cava en het gezelschap was een moment stil, wat het bruisen van de bubbels een sacrale kracht leek te geven. Fin glimlachte toen hij zag hoe ernstig en gefocust Kelly keek. Ze was zijn jongste en enige zus, een slanke vrouw met blond haar en lieve blauwe ogen, een opgeschoten type girl next door. Fin had ook haar ogen maar was grover gebouwd, wat zwaarder rond de buik en had een onregelmatige rosse baard.
“Ah, de glazen zijn vol, zie ik!” verstoorde Paul de stilte. Paul, Kelly’s man, kwam met een dienblad warme hapjes uit de keuken. Hij was een energieke en altijd goed geluimde Nederlander, waarbij zijn springerige bos krullen een pars pro toto leek voor de man zelf.
“Dat ruikt lekker!” zei Budur, Fins vrouw.
Fin moest toegeven dat het waar was. Een hint van bladerdeeg en zalm. Paul zette het dienblad op de salontafel en Kelly gaf iedereen zijn of haar eigen fluit.
“Zullen we dan maar toasten?” vroeg Paul. Hij gebaarde dat iedereen moest rechtstaan. Fin, Budur en Kelly stonden overeind, en toen ook William en Jana. William rolde met zijn ogen. Hij was de jongere broer van Fin, maar ouder dan Kelly. Hij had een ernstig, onveranderlijk gezicht en droeg een zware bril.
“Waarop toasten we dan?” vroeg Fin praktisch.
“Op ons, toch?” zei Paul. Fin glimlachte.
“Op ons, dan!” zei hij. De rest herhaalde de zin en er werd links en rechts en dwars geklinkt met de glazen. Er werd genipt, goedkeurend gemompeld. De prik van de cava was een beetje te hard naar Fins smaak.
Het was niet evident voor de twee broers en hun zuster om allemaal samen te kunnen komen, en dan nog met hun partners. Fin woonde aan de kust, Kelly in een Gentse randgemeente en William zat voortdurend in het buitenland op allerlei congressen. Paul reisde ook veel.
“Zie ons hier zitten als petits bourgeois,” grimaste William toen ze weer zaten. Hij nam een hapje.
“Dat moet kunnen. Je kan niet altijd de hemel bestormen,” vond Fin. William was docent in de sociologie en stond bekend als een strenge adept van linkse standpunten.
“Ik vind ook niet dat het bijzonder bourgeois is om hapjes te eten en cava te drinken. Het is niet alsof ik Vivaldi heb opgezet en seizoensgebonden servetten op tafel heb gelegd,” zei Kelly.
“Ik zou niets tegen Vivaldi hebben,” zei William met z’n mond vol.
“Ach komaan,” zei Jana, “Vivaldi is één van de meest clichématige componisten ooit. Er zijn zeker duizenden mémé-en-pépé-tavernes in Vlaanderen die Vivaldi heten.”
William lachte, nog steeds met zijn mond vol. Jana was enkele jaren ouder dan William en had permanent één lok wild donker haar voor haar ogen en een mond die aan één kant een beetje scheef stond, alsof ze alles bekeek met preventief sarcasme.
“Vivaldi, ja,” zei Fin, “of Richelieu.”
“Misschien zijn het ketens?” opperde Paul.
“Ik vrees dat het gewoon een gebrek aan originaliteit is bij de Vlaamse middenstand,” zei Fin.
“Moet alles ook echt origineel zijn?” vroeg Budur zacht. Fins vrouw was niet groot maar imponeerde altijd door haar geruisloze, elegante aanwezigheid. Het was alsof ze enkele centimeters van haar huid een onzichtbaar krachtveld had dat te harde, lelijke of irrelevante zaken deed afketsen.
“Daar heb je een punt,” zei Paul om onverklaarbare redenen enthousiast, “Ik bedoel, niemand klaagt toch ook dat al die Chinese restaurants Ocean Palace, Jade Garden of New Dragon heten of zo?”
“Onoriginaliteit is geen unieke Vlaamse eigenschap,” zei Jana zuinig.
Kelly zette haar glas op tafel.
“Uiteindelijk is niets volledig origineel. Alles is altijd gebaseerd op iets anders,” zei ze. Kelly was illustrator van kinderboeken. De muren van de woonkamer hingen dan ook vol prints van haar eigen werk en reproducties van artiesten die ze zelf bewonderde.
“Ok, maar er is toch een groot verschil tussen, ik zeg maar iets, een stationsromannetje dat volgens een bepaald sjabloon geschreven is, dan een roman die conventies uitdaagt en verweeft?” vond Jana.
“Is er echt een verschil, ja? Is dat niet gewoon allemaal snobisme?” hield Kelly vol.
“Snobisme is ook maar een stok om een hond mee te slaan,” zei Fin. Kelly hield haar hoofd scheef.
“Niet weer die discussie, graag,” zei William.
“Jij moet spreken, jij bent hier de übersnob,” zei Fin vurig. William lachte betrapt.
“Ik vind jou soms erger, hoor,” zei Kelly, “William komt er tenminste voor uit dat hij neerkijkt op populaire cultuur.”
“Dat is niet helemaal waar,” protesteerde hij zwak.
“Je kan toch wel moeilijk ontkennen, Kell, dat sommige dingen echt wel voor idioten zijn,” zei Paul.
Kelly zette zich schrap.
“Foute opmerking, Paul,” lachte Fin.
“Maar idioot volgens wie? Volgens hun IQ-testen of zo? Wat zegt dat echt over menselijke intelligentie?”
“Meer dan je denkt, eigenlijk,” zei William, die nog een hapje at. Fin en Budur namen er tegelijk ook eentje.
“Het zit zo,” zei William, “als een IQ-test voldoet aan de juiste wetenschappelijke normen en test op de drie klassieke domeinen – logica, wiskunde en ruimtelijk inzicht – dan krijg je al een vrij goede indicatie of iemand intelligent is of niet. Ze hebben in de jaren ’90 geprobeerd om meer intelligenties te introduceren, zoals interpersoonlijke of muzikale, maar het bleek dat mensen die zwak scoren op een traditionele IQ-test, even zwak scoren op een test die meer domeinen test.”
Hij haalde zijn schouders op.
“Sommige mensen zijn helaas minder intelligent.”
“Ja, maar dat is volgens de logica van zo’n test,” zei Kelly, “Er zijn een pak mensen die uit zo’n test kunnen komen als slim, maar bijvoorbeeld dronken worden en zich te pletter rijden tegen een boom.”
“De domste dingen worden meestal ook gedaan door de slimste mensen,” zei Jana cryptisch.
Paul, Budur en Fin lachten.
“Hoe bedoel je?” vroeg Paul, die een hapje doorspoelde met een fikse teug cava.
“Jullie kennen misschien de Darwin Awards wel,” zei Jana.
Fin en Paul knikten. Budur trok een wenkbrauw op.
“Dat waren een soort postume internetonderscheidingen voor mensen die zichzelf uit de genenpoel hadden verwijderd op een spectaculair domme manier,” legde Jana uit, “en wat me daarbij opviel was dat veel van die mensen in feite precies omwille van hun intelligentie in de problemen waren gekomen. Er was bijvoorbeeld het verhaal van een Serviër die zijn schoorsteen wilde schoonmaken door er een granaat in te droppen. Maar omdat hij besefte dat de explosie moest gebeuren in de schoorsteen zelf, wilde hij de granaat laten zakken aan een ketting. Zijn fatale fout was dat hij die ketting aan de granaat probeerde te lassen.”
Algemeen gelach.
“Goed, maar denk hier eens over na,” zei Jana, “een aap zal nooit op dat idee komen, weet niet wat een granaat is, kan niet lassen, heeft geen concept van wat een schoorsteen is, en zo verder.”
“Dat is me toch wat te algemeen,” zei Fin, “op die manier is elke persoon ter wereld een wonder.”
“We zijn allemaal winnaars,” zei William sarcastisch.
“Ik heb een veel betere lakmoesproef voor intelligentie,” bood Fin aan.
Kelly en William keken sceptisch. Ze herkenden de uitdrukking van hun broer al als hij van plan was iets volstrekt onnozels te zeggen. Jana en Paul keken verwachtingsvol. Budur hield haar gedachten in beraad.
“Of iemand fan is van FC De Kampioenen of niet,” zei hij.
“Wat?” reageerde Jana.
“Wat zegt dat dan, volgens jou?” vroeg Kelly.
Fin keek eerst naar Paul.
“Paul, ik hoop dat jij niet kijkt naar FC De Kampioenen omdat je hoopt dat je dichter kan komen tot de Vlaamse cultuur op die manier.”
“Nou, ik heb wel al eens een fragment meegepikt, maar ik vond het niets bijzonders.”
“Goed. FC De Kampioenen speelt zich af in een provinciaal universum waar niets ooit echt verandert. Elk personage heeft bepaalde, zeer beperkte dromen: de vrouwelijke personages willen in het algemeen een soort status bereiken en de mannelijke personages willen zich gewoon amuseren. Niemand staat ooit stil bij de ellendige existentiële horror waar ze zich in bevinden. Alles wat ze ondernemen, is tot mislukken gedoemd en hun posities zijn het resultaat van een vastgeklonken sociale hiërarchie waar niets enige echte consequentie blijkt te hebben. Boma blijft een rijke vetzak, Pascalleke blijft in haar café staan, Xavier blijft pintjes lekken en Doortje blijft een seut. Dat is eigenlijk alles behalve grappig. De komedie, zo moeten we geloven, vloeit voort uit simpele misverstanden die een kind uit de lagere school kan oplossen op vijf minuten. Primitieve maar oppervlakkige emoties houden de personages in een eeuwige deining maar niemand beseft in wat voor miserie ze eigenlijk verkeren. Kijk naar het huwelijk van Xavier en Carmen. Carmen is duidelijk seksueel extreem gefrustreerd en allebei zijn ze sluimerende alcoholici. Ze zouden beter uit elkaar gaan maar hebben het gevoel dat ze eigenlijk niet beter kunnen krijgen. Of kijk naar Bieke, die tot diep in de 30 wordt neergezet als één of andere hippe vrouw.”
“Of dat ze een tiener moest spelen met dat onnozele kapsel,” grijnst William.
“Precies. Uiteindelijk komt ze terecht bij een loser als Marcske die we allemaal zogezegd sympathiek moeten vinden, maar wat heeft die te bieden? Hij is een brave jongen en hij drinkt niet, maar hij heeft nul ruggengraat, is ontzettend dom en nauwelijks sociaal aangepast. Dan is er Boma. Geef zo’n Boma drie minuten in een modern industrieel, internationaal bedrijf, en hij wordt vierkant uitgelachen. Ik snap wel dat hij een soort oude franskiljon moet vertegenwoordigen, maar zijn vleesfabriek produceert duidelijk minderwaardige kwaliteit en zijn seksuele wandaden zijn allesbehalve grappig. Hij teert enkel op kapitaal en vergane glorie.”
“Jij hebt daar veel te hard over nagedacht,” oordeelde Jana.
Fin leunde achterover.
“Is dat zo? Zuslief Kelly brak daarnet een lans om populaire cultuur serieus te nemen. Dat heb ik zonet gedaan. En de existentiële horror blootgelegd van wat zichzelf voordoet als komedie. De kijker wordt uitgenodigd om te lachen met een destillaat van zijn eigen wanhopige positie.”
Paul lachte luid en gretig.
“Man. Dat heb ik nog nooit van m’n leven gehoord. Heb je ooit overwogen om theaterkritiek te schrijven?”
Paul werkte als producer voor een theaterhuis.
“Wat verdient dat?” vroeg Fin.
“Niet veel,” gaf Paul toe, “maar ik zou het toch overwegen.”
“Wat wil je nu eigenlijk zeggen?” vroeg Budur, “Dat als we niet inzien dat FC De Kampioenen niet grappig is, dat we dan dom zijn?”
“Misschien niet dom. Wel oppervlakkig.”
Kelly at een hapje en keek Fin hoofdschuddend aan.
“Vel jij dan nooit een waardeoordeel, Kell?” vroeg Fin.
“Binnen een bepaalde context. Ik vind de schilderijen van Francis Bacon geweldig, maar voor een kinderboek helemaal ongeschikt,” antwoordde ze.
“Ik zie het al voor me. ‘Hoofd geflankeerd door vlees’ voor de allerkleinsten,” grinnikte William.
“Over vlees gesproken,” pikte Paul daar vlotjes op in, “Zal ik beginnen aan de maaltijd?”
Op één hapje na was het volledige dienblad leeg.
“Prima idee, Paul,” glimlachte Kelly, “Ik kom je zo helpen maar ik ga eerst even een rookpauze houden. Wie gaat er mee?”
“Ik probeer te stoppen,” zei Fin.
“Ik hou je wel gezelschap,” zei Budur.
Beide vrouwen vertrokken naar het terras achter het huis.

Verder naar deel twee.

donderdag 16 juli 2015

Een verhaal van twee gestoorden (VI)

Exitstrategie

Bertrand, intussen, die liet betijen. Hij was nauwelijks nog in Brussel, had geen flauw benul van wat ons bezig hield of waar we aan werkten, en schoof toenemend gemor over de incompetentie in Parijs aan de kant met het aloude “geef elkaar allemaal een handje en doe jullie best”. Benoît werkte halftijds, Henri werkte sinds kort vier vijfden. Lara nam ontslag. Giuliano was actief aan het zoeken naar een andere job. Overal in Hypher was er stront aan de knikker. Cynische corporate-overlevingskunstenaars noemen dat natuurlijke afvloei die vanzelf ontstaat na een reeks ingrijpende veranderingen in een bedrijf. Het financieel team werd opgedoekt. Een mederoker met wie ik vaak gemoedelijke babbels in het Nederfrans voerde, begon zijn eigen bedrijf. Het contingent Nederlandse sales (denk flamboyante pakken met strepen, sigaren, directe humor en veel zelfvertrouwen) was aan het verkruimelen. De Duitsers schermden af waar ze mee bezig waren.
In niets herkende ik in Hypher nog het oude Horvath & Coninck. Het middelgrote, beleefde en bezorgde bedrijf van weleer, dat hard werk, competentie en een zekere horizontaliteit waardeerde, was weggeveegd door het medogenloze, verticale en byzantijnse monster in Parijs. Incompetentie tierde welig, en elke andere manager was een zetbaas van vader of zoon Duval.

Het is moeilijk om enkel in tekst weer te geven hoe veelvormig en dreigend de schaduw was die Maccha Chag had geworpen over mij als belaagde werknemer. Het was de dood van de duizend kleine messteken. Zijn constant uitstellen van feedback. Zijn vage bijvragen. Zijn grandioze, nietszeggende presentaties als hij in Brussel was. Zijn niet-nagekomen beloftes. Zijn giftige e-mails als ik ziek was of van thuis uit werkte. Nooit vijandig genoeg om uit te printen en te tonen als definitief bewijs dat het hier ging om een controlerende, manipulerende baas, maar ook nooit solide genoeg om iets uit te vissen over wat hij verlangde van zijn ondergeschikten.
Na Chags maneuver op m’n verjaardag besloot ik het er op te wagen en ging ik spreken met een vertrouwenspersoon in HR, iemand die net als ik nog het oude Horvath & Coninck had gekend, en me zelfs mee had helpen aanwerven. Diane Mestdagh was haar naam, een Bruxelloise van begin de veertig die wat men “goed geconserveerd” noemt, was. Ze sprak vrij goed Nederlands. Ik had nooit het hart om haar uit te leggen wat haar naam betekende. Misschien wist ze het zelf. Ik legde haar omzichtig uit dat ik een totale vertrouwenscrisis had in m’n manager en vroeg of Hypher me misschien niet kon ontslaan.
“Heb je overwogen om hierover te praten met de baas van je baas? Bertrand Beaulieu, toch?”
Ik grijnsde als een zieke wolf.
“Bertrand vertrouw ik ook niet.”
“Ok. En heb je zicht op een andere functie, misschien?”
“De ambitie heb ik altijd al gehad, maar ik ben de gevangene van m’n meest in het oog springende talent: Engels. Daardoor voel ik me meer een soort leraar Engels dan wat anders.”
“Hoe lang werk je al voor ons?”
“Bijna vier jaar.”
Diane vouwde haar handen samen.
“Aha. Wel, bij HR hebben we de beleidsmaatregel ingevoerd dat we willen dat mensen niet langer dan drie jaar dezelfde functie uitoefenen. Het probleem is dat als we moeten beslissen over bonussen en salarisverhogingen en andere promoties binnen marketing, we enkel één keer op een jaar Bertrand zien.”
“… die geen flauw idee heeft van waar zijn team mee bezig is.”
“Maar dat weten wij niet.”
“Nu wel.”
“Goed. Dit blijft allemaal vertrouwelijk. Heb je bewijs van het… slecht functioneren van Maccha Chag als jouw manager?”
“Indirect. Maar als ik wegga, ben ik zijn derde ondergeschikte in even veel jaren die vertrekt. Dat wil toch iets zeggen?”
Diane trok een ernstig gezicht. Ik had me op voorhand geïnformeerd bij Carla, die me te kennen had gegeven dat Chag één van de redenen was dat ze ontslag genomen had. Ze had er aan toegevoegd dat hij haar voorganger Kevin nog veel erger had behandeld.
“We gaan dit opvolgen. Het zou jammer zijn als Hypher Financial Solutions iemand als jou zou verliezen. In de regel doen we dat niet, mensen ontslaan als ze er om vragen. Maar we zullen zien of er andere oplossingen te bedenken zijn.”
HR, dat ik nog zo bespot had om zijn knulligheid, kwam inderdaad in actie. Bovendien kreeg ik te horen via Henri dat Bertrand al een tijdje in de clinch lag met Maccha omdat resultaten van zijn kant uit bleven. Christine Henault, onze interne communicatiespecialist, vertrouwde me eveneens toe dat er frustratie was omtrent Maccha. HR stuurde een e-mail naar het content marketingteam. Blijkbaar had Maccha in 2014 nooit de documenten van de werknemersevaluatie doorgestuurd. Stoïcijnse Alexandre vertoonde bijna openlijke minachting voor onze baas. Tijdens een bespreking rond een ambitieus webproject dat ik zelf had ontwikkeld, vroeg ik Bertrand of, als hij het project zou goedkeuren, hij me er alleen de leiding over zou geven – dus dat ik op gelijke hoogte zou komen als Maccha, Benoît, Henri en Christine.

Twee weken later stond ik onder de zonovergoten portiek van Hypher te roken en praatte ik met de Nederlandse sales, Friso, waar ik op m’n allereerste werkdag samen met m’n eerste baas, Michel, mee was gaan eten. Friso kwam uit Eindhoven, hield van vettige grappen en carnval.
“Hoi Anton. Al even geleden dat ik je zag!”
“Inderdaad Friso. Hoe gaat het?”
“Nou, best goed. Wist je al dat ik wegga bij Hypher?”
“Nee. Heb je ander werk gevonden?”
“Ja, ik ga volgende maand aan de slag bij een Iers IT-bedrijf.”
Ik knikte.
“Ik begrijp het. Veel mensen vertrekken of willen vertrekken.”
“Ja, hoe kan het ook anders man? Dit bedrijf is z’n eigen doodvonnis aan het tekenen.”
“Door de Franse bedrijfscultuur, die clasht met internationale ambities?”
“Precies. Hoe kan je een globale strategie verwachten van een bedrijf waar de raad van bestuur volledig bestaat uit blanke Franse mannen van tussen de 40 en de 60?”
Opnieuw knikte ik.
“En waar alles rond zonnekoning Duval draait.”
“Ja, dan heb je ’t wel gezien. In Nederland kan je absoluut niet toetreden tot een raad van bestuur als je geen werkervaring hebt in het buitenland. M’n toekomstige werkgever is dan wel Iers maar in hun bestuur zitten er Noren, Duitsers, Slovenen en Nederlanders.”
“Allemaal mannen?”
“Nee, drie vrouwen. Ook een homoseksueel.”
“Hoe weet je dat?”
“Wel, ik vroeg ‘t ‘m niet natuurlijk,” lachte Friso, “maar het was zeer obvious.”

Rond twee uur die dag kreeg ik telefoon. Maccha Chag was in Brussel, hoewel ik hem het merendeel van de dag niet gezien had. Wat ik wel gezien had, was dat er werknemers van HR rond hem zweefden als vleesvliegen. Een goed teken. De telefoon kwam uit de vergaderzaal Abraham Lincoln, een verdiep lager. Het was Maccha.
“Hi Anton. Could you come down and join us in meeting room Abraham Lincoln?”
“Sure, I’ll be there in a minute.”
Toen ik uit de lift stapte (want fuck trappen) en ik binnen keek in de vergaderzaal, zag ik dat buiten Maccha ook Bertrand en een HR-acoliet aanwezig waren. Ik wist instinctief dat ze me ofwel gingen ontslaan, ofwel dat ik één of andere vernederende reprimande zou krijgen. Het was het eerste.
“While we believe you have some considerable talents, such as your language skills, we were hoping that you’d be more of a storyteller. Despite requests on our part to evolve more in this direction, we feel this evolution hasn’t happened. As such, we are letting you go.”
De hele tijd bleef ik Maccha’s ondoordringbare blik vasthouden. Bertrand zat er bij met een gezicht alsof hij zonet een drol in zijn kopje koffie ontdekt had. De HR-man vervulde vlotjes zijn taak als beul en schoof me enkele documenten voor. Ze hadden m’n adres fout. Hij verliet de zaal om dat te corrigeren, wat me in een ongemakkelijke stilte achterliet met Maccha en Bertrand. Ik keek naar het mica tafelblad om oogcontact te vermijden. Wat moest ik zeggen? “You’re a fucking sociopath, Maccha!” Nee. Ontslagen worden was zo erg nog niet. Maar het was wel een bluts in m’n ego. Vooral omdat de reden zo compleet buitenaards klonk. Ik, een slechte verhalenverteller? Ik, die al meer dan 30 kortverhalen, 7 manuscripten en talloze satirische artikels geschreven had? En wat voor “requests”? Het had geen zin. Ik was vrij. Was het de bunzenbrander van HR onder Maccha’s anus die er voor gezorgd had dat hij me liet ontslaan? En wat wist Bertrand werkelijk van dit alles? Maakte het iets uit?

Een uur later zat ik op de trappen buiten aan Hypher Financial Solutions. Ik rookte een laatste sigaret met Giuliano.
“You’re free, man,” zei hij, “when I heard the news, I was happy for you.”
“Thanks. But it still stings a bit.”
“I understand. But you know, the same happened to me three years ago before I came to work here. I was hired here and had two months of double pay. It was the best thing that could have happened to me.”
Ik glimlachte en tikte een askegel af.
“So what did they say to you about me getting fired?”
“Oh, that you weren’t functioning as they hoped you would and that it had absolutely nothing to do with the upcoming budget cuts. So I asked if you were going to get replaced. Bertrand said they didn’t know yet. So, yeah, bullshit reason.”
“Seems like it. Well, at least you’re now free of all my poop jokes.”
“Wouldn’t that have been great? That they’d have fired you because of your poop jokes?”
“Imagine explaining that to a future employer.”
Onze sigaretten waren op.
“Come to Ghent some time, Giuliano. Tell the others I’ll miss them.”
“We’ll miss you too.”
We gaven elkaar een broederlijke knuffel.

Ik ademde diep uit, stapte naar de tramhalte en sloot m’n ogen. Vier jaar Brussel. Vier jaar financiële software proberen marketen. Aangenomen door een gestoorde, ontslagen door een gestoorde, allebei in de zomer. Het leven is cyclisch.

Een verhaal van twee gestoorden (V)

Een totale psychopaat

Ik had het bij het foute eind. Een maand later, voor we de kerstperiode in gingen en we intussen wisten dat Benoît definitief terug zou komen in een andere functie in januari, was er een marketingmeeting in Parijs die van begin tot einde één en al ellende was. De Parisiennes hadden een bus geboekt voor een toeristische rondrit door avondlijk Parijs, maar niet alleen had ik al eens op zo’n bus gezeten in de zomer van 2011, door de aangeslagen vensters en de duisternis was er haast niets te zien. De rondrit duurde bijna drie uur en de magen van alle opzittenden raakten ernstig ontregeld. We hadden de bus niet eens enkel voor onszelf. Er was geen enkel venster vrij, dus ik zat benedendeks, waar Alexandre en Guiliano zo vriendelijk waren om me gezelschap te houden. Giuliano was net vader geworden.
Een eenzame Duitse marketeer die leek op Agent Smith uit de Matrix was er ook bij, en Chag was afgezakt uit Londen met zijn assistente Carla. Kevin Waters had vorig jaar ontslag genomen. Carla was een charmante half-Italiaanse met enorme ogen. Zij kondigde na een half jaar dienst eveneens haar ontslag aan in Parijs.
Het enige soelaas was dat we in het restaurant nadien geen tafel hoefden te delen met de Parijse collega’s, die de hele tijd hoog kirden als dames van de Rotary-club die zonet een Upperdare-avond geregeld hebben. Het eten was matig. Het hotel nadien was een luguber labyrint met zware draperieën, protserige bedlijsten en een kamertapijt waar je voeten drie centimeter in wegzonken. Ik wilde niet nadenken over wat zich allemaal in dat tapijt kon schuilhouden.
De genadeslag kwam in twee fases de dag erop, toen de eigenlijke vergadering plaatsvond. Niet alleen faalde de presentatie die ik zelf mocht geven omtrent correct taalgebruik spectaculair omdat er een conversiefout gebeurd was die al m’n afbeeldingen uitgewist had, Bertrand gaf me niet de verhoopte steun opdat de Françaises eindelijk zouden luisteren naar m’n adviezen en beste praktijken omtrent vlot Engels taalgebruik. Twee onder hen zaten zelfs ostentatief onder elkaar te roddelen en te giechelen. Demoraliserend.
Het klapstuk kwam van Maccha Chag zelf, die doodgemoedereerd zijn plannen voor content marketing voor het hele jaar uitrolde. Ik zat erbij als versteend. Toen wist ik: ik moet hier weg.

2015 betekende ook een wissel aan de top van de macht. Jean-Charles Duval, zoon van Horus, had besloten dat Hypher Financial Solutions voortaan zou geleid worden door François Duval, zijn eigen eerstgeborene. Niemand stelde zich daar openlijk vragen bij. Duval junior was een vroege veertiger die de kwieke uitstraling van zijn vader geërfd had, net als zijn karakteristieke maniërismen bij het spreken, maar inhoudelijk had hij niets te vertellen. Op een grote bijeenkomst in – alweer – Parijs in het voorjaar speechte hij meer dan een uur volledig in het Frans een brij aan gemeenplaatsen, halve waarheden en grandioze statements bij elkaar. Lara en Laurine moesten me een paar keer aantikken opdat ik niet in slaap zou vallen.
Ik was de hel in getreden en had alle hoop laten varen. Ik was hier en daar aan het solliciteren, maar de combinatie van een aanhoudend gezondheidsprobleem, een verhuis en een situatie tussen twee relaties in had elk beetje werkpret uit mij geplet.
Als ik om me heen keek in dat muffe auditorium, leken alle andere werknemers die daar zaten onder een bizarre betovering te verkeren. Niet alleen werd er onkritisch geluisterd naar Duval, sommige collega’s, waaronder de net teruggekeerde Mathilde, zeiden nadien dat ze het “boeiend” hadden gevonden, als brave leerlingen die zonet een ex cathedra-preek van een wereldvreemde leraar gedwee hadden overgeschreven.
“Mijn hoofd kan hier niet bij, Jan,” zei ik tegen mijn Antwerpse confidante terwijl we over een reling van het conferentiegebouw leunden en allebei rookten.
“Wat valt er te snappen? Le papa heeft gezorgd dat zijn fiston ook zijn bedrijfje krijgt. Wat hij daarnet zei, maakt niets uit. Hij is nu de baas, en wij gaan volgen. Dat is de Franse bedrijfscultuur.”
“Ik haat dat.”
Jan trok filosofisch aan zijn sigaret en tuurde uit over de Parijse daken.
“Ik zou genieten van de wijn en de toastjes als ik jou was.”
“Die waren inderdaad niet mis,” zei ik, milder.
“Zeg eens, ik heb gehoord dat de sales ook een nieuwe chef hebben,” zei ik toen.
“Ja, we hebben hem vandaag ontmoet,” antwoordde Jan, “het is blijkbaar een Israëlische Fransman.”
“O? Hoe is hij?”
“Typische salesdirecteur,” zei Jan terwijl hij aan zijn baard krabde, “Een totale psychopaat.”
Ik dacht aan m’n eigen nieuwe baas, Maccha Chag. Ook hij had iets sociopatisch, nu ik er bij stilstond. De oppervlakkige charme, de gebroken beloftes, de leugens – gebrek aan empathie? Ik wist het niet. De reling waar we tegen aan leunden, leek plots een stuk breekbaarder.

Chag haalde enkele weken later vol bonhomie het hele content marketingteam naar Londen voor een tweedaagse vergadering. Ik was sceptisch. Alexandre, Mathilde en Laurine keken er naar uit. Alexandre begon al wel wat nattigheid te voelen in verband met Chag en zijn eindeloze gebeloof, maar Mathilde en Laurine waren zoals eerder gezegd nogal ruim bedeeld in de goedgelovigheid en de gezagsgetrouwheid. In Londen werden we door een breed grijnzende Chag verwelkomd, met aan zijn zijde onze Franse collega uit het contentteam, Amarie, één van de betere Françaises, in de zin dat er met haar te werken viel en ze ook niet onder de invloed stond van de coterie Parisiennes.
Zoals op eerder vergaderingen bleef Chag er op hameren dat we hem moesten kunnen vertrouwen en dat we altijd vrijelijk onze mening mochten geven. Er werd een spel gespeeld met brieven en papieren over wat we goed vonden aan Hypher, wat minder en wat we zouden willen veranderen. We moesten een video tonen die iets persoonlijks voor ons betekende. En er werd een hele actielijst opgesteld van wie wat ging doen om de kwaliteit van ons gezamenlijke werk te verbeteren.
Toegegeven, zelfs ik verliet Londen met een relatief goed gevoel. Chag had ons meegenomen op de London Eye, we waren naar een 3D-theater met bewegende zitjes geweest en we hadden zijn favoriete Indische restaurant bezocht. Er was ook een seminariespreker langsgekomen die een hardcore marketeer was. Hij was al bezig aan zijn derde bedrijf en had de vorige twee verkocht. Ik vroeg me af hoe veel echtscheidingen hij al gehad had.
Het duurde niet lang eer mijn scepsis volop terugkwam.
“Hey Anton. Did Maccha ever come back to you about your actions?” vroeg Laurine me op een dag.
“No. I did most of mine, though. Never got a response.”
Vanachter zijn eigen bureau om de hoek horde ik Alexandre gniffelen. Zijn lach klonk steeds als een onderdrukte hoest. Ik stond op zodat ik Laurine en Alexandre allebei kon zien. Mathilde was er niet.
“That’s our manager for you, I’m afraid.”
“But it’s so weird,” zei Laurine, “we had this great meeting and spent two days making this list. And now… nothing.”
“I’ve come to accept this about Maccha, unfortunately,” zei Alexandre in zijn droog-Franse monotoon.
“How do you work around it? I’ve been waiting again for weeks on feedback.”
Het was waar. Mijn takenlijst was aan het opdrogen. Bijna alles zat vast bij Chag. Als hij al reageerde, was het met vage, alomvattende commentaren die subtiel mijn hele bestaan in vraag leken te stellen. Ik haatte dat soort geladen vragen. “Is dit wat we echt willen schrijven?”, “Wat willen we hiermee vertellen aan de markt?”. Een manager moet managen en kritiek hoort bij zijn taak, maar hij moest me ook niet het gevoel geven dat ik al bijna 8 jaar in het rond aan het blunderen was.
“I just… don’t inform him,” zei Alexandre.
Hij kon zich dat permitteren. Zijn werk als market intelligence officer gaf hem een lijn naar de walnootgod, Bertrand Beaulieu zelf. Laurine werkte voor Alexandre.

Het ging van kwaad naar erger. Dagen dat ik spontaan besloot van thuis uit te werken, wist Maccha dat altijd onmiddellijk, nog voor dat ik hem geïnformeerd had. Hij leek iemand te hebben die hem op de hoogte hield van mijn afwezigheden. Ik was vaker ziek. Psychisch was het zwaarste leed geleden nu ik medicatie had, maar de voortdurende stress van de nutteloosheid van m’n werk maakte zich kenbaar op andere manieren. Ik werd balorig, als apen die na een tijdje met stront beginnen gooien als ze te vaak hetzelfde moeten doen. Waarom moest ik de hele tijd slecht geschreven documenten in franglais verbeteren en onnozele paragrafen over softwaremodules schrijven voor de site? Waarom schreef ik niet aan complexe white papers, was ik niet bezig campagnes aan het scripten of clevere advertenties aan het bedenken?
Nadat ik drie weken lang had moeten blijven aandringen op feedback, haalde Maccha me naar Engeland, enkel om feedback te geven, waardoor ik anderhalve dag verloor. Op mijn verjaardag, die samenviel met een monsterstaking en een bijbehorende monsterfile, dwong hij me naar het werk te komen met de auto, omwille van “zichtbaarheid” terwijl de helft van Hypher in Brussel thuis was gebleven.
Een hoopgevende sollicitatie ketste af in de allerlaatste ronde. Het was begin juni, intussen, en ik was de wanhoop nabij. Ik had op een zondagavond m’n allereerste totale paniekaanval. Ik hoorde in gedachten de profetische woorden van Benoît, na zijn terugkeer in januari. Hij had me apart genomen en gezegd: “Anton, ik weet dat je de dingen goed wil doen. Soms te goed. Je kan niet altijd blijven vechten tegen een systeem. Anders ga je eindigen zoals ik, met een burn-out.”
Wijze woorden van de rustieke Waals-Brabantse hobbytuinier. Maar ik had er niets meer aan, nu. Het was te laat.

Een verhaal van twee gestoorden (IV)

“Pas dans mes yeux!”

Het jaar Onzes Heeren 2014 was één lange trombone-toon annex remspoor in de broek van een langzame depressie. Daar had ik gedeeltelijk een neurologisch manco onder het schedeldak aan te danken, maar Hypher Financial Solutions droeg er ook zijn steentje toe bij. Het budget voor de keuken en de persooneelsfeestjes slonken. Het was gedaan met de occasionele lekkernij: we kregen diepvriespizza’s van Dr. Oetker, smakeloze en kleurloze vis, en natte koude bonen. Feestjes gingen niet meer door op kastelen en in chique loungebars, maar in de refter. Minh en Giuliano amuseerden zich er mee om de talrijke heliumbalonnen leeg te laten lopen in hun mond zodat ze konden spreken als Donald Duck.

Ik werd gefrustreerd langs alle kanten. Bij m’n vorige werkgever had ik het werk gedaan van mezelf, Benoît en Alexandre samen. Dat was te veel geweest, toegegeven, maar nu had ik te weinig om handen. Benoît gaf me te kennen dat ik zelf moest komen aandraven met initiatieven maar schoot elk nieuw initiatief toonloos af. Een glossy corporate brochure – “mag niet van Hypher in Parijs”, een handige lijst of video’s die kort en helder onze technologieën en jargon uitleggen – “te betuttelend voor klanten”, gerichte lessen Engels geven aan wie het nodig had – “dat is je taak niet”, RFA’s helpen herschrijven – “dat moeten ze zelf doen”.
Na het gekapseisde en uiteindelijk te elfder ure rechtgetrokken webproject van Henri had ik geen grote taken meer. Daar kwam bij dat er steeds vaker copy werd geproduceerd in Frankrijk, meestal van een bedenkelijk niveau. Tegen dat de zomer er aan kwam, voelde ik me gedemotiveerder dan Eeyore. Treinen leken trager dan ooit, als ik met de auto kwam was er altijd wel ergens een ongeval, een opstopping of een staking, en het gewone bureauvolk had nooit een idee wat er allemaal bedisseld werd in de mastaba’s van CEO Duval en zijn faraonische Nazgûl. Bertrand was vaak afwezig. De maandelijkse teamvergadering met de hele marketingploeg was niets meer dan een verijdeld aframmelen van taken die iedereen had gekregen, waar Bertrand duidelijk voor de eerste keer hoorde waar iedereen mee bezig was.
Het enige wat me redde waren mijn frequente rookpauzes met Jan, babbels met Alexandre of Giuliano, en het occasionele stoom afblazen met Lara. Tot mijn schaamte moest ik bekennen dat ik me ook steeds sneller ergerde aan de kleine gewoontes van m’n collega’s, zoals Giuliano die elke dag een enorm hoog opgetast bord groenten kwam opeten voor zijn computerscherm, de stagiaire Laurine die de hele tijd op fluistertoon in zichzelf zat te praten, of hoe Henri de gewoonte had impromptu vergaderingen met zijn mensen te organiseren op twee meter van m’n bureau.

Roken zorgde gelukkig voor meer sociaal contact. Het hield ook m’n Frans op peil, dat, het moet gezegd, al flink verbeterd was sinds de dagen dat ik dacht dat je gewoon ’s ochtends “bon matin” kon zeggen. Ik volgde een “table de conversation” om mijn Frans verder te verbeteren. Na enkele maanden moest ik daar de brui aan geven. De lesgeefster was een competente, zij het licht neurotische jonge vrouw, maar mijn medestudenten waren drie Spaanstalige vrouwen die vanzelfsprekend heel andere fouten maakten dan ik. Hun Frans was bovendien ook een stuk slechter dan het mijne.
“Savez-vous que chaque mot qui se termine sur –iège est masculin?” vroeg de lerares.
“Haha, comme Liège,” grapte ik.
“Ah, mais liège sans majuscule est aussi un mot,” kaatste ze terug, “tu sais que ça veut dire?”
“Ben, non.”
Ze gaf een beschrijving – er mocht geen andere taal gesproken worden dan Frans in de les, hoewel ze zelf een mond Nederlands, Engels en Spaans sprak – waaruit ik snel concludeerde dat ze “kurk” bedoelde. Ik knikte. De Spaanse vrouwen begrepen het niet. De lerares ging over tot uitbeelden.
“Allez, comme avec une bouteille de champagne,” zei ze. Ze maakte een handbeweging die het schudden met een fles moest voorstellen maar mij deed denken aan iets anders. De señora’s fronsten.
“Comme si, quand le bouchon…”
Opnieuw die beweging. Ik moest op de binnenkant van m’n wangen bijten om niet te lachen.
“Et quand le bouchon saute hors de la bouteille…”
Ze verbeeldde een soort fontein, en voegde er aan toe, “pas dans mes yeux!”
Mijn God mijn God mijn God. Ik hield m’n notablok voor m’n mond en bestierf het inwendig van het lachen. Eindelijk begrepen mijn medestudenten het. Niemand anders leek de ongelooflijke dubbelzinnigheid opgemerkt te hebben.

Na de vakantie kwam er een verrassing: Benoît was afwezig. Bernard had iets gemompeld over een “afspraak bij een specialist”. Benoît kwam de volgende dag niet terug, bleef uiteindelijk de hele week weg en bij het begin van volgende week was zijn afwezigheid al uitgerekt tot een maand. De reden, die wist niemand. Zelfs Bertrand beweerde de reden niet te weten. Dat bracht uiteraard speculatie op gang. Sommigen dachten aan kanker. Anderen dachten een opflakkeren van een mysterieuze langetermijnziekte – Benoît was immers vaker ziek dan andere collega’s. Een burn-out werd ook gesuggereerd, zeker omdat Benoît er al enkele maanden het werk bij nam van Mathilde, die op zwangerschaps- en moederschapsverlof was. Ik dacht aan depressie, niet enkel omdat ik zelf depressief was, maar ook omdat die rustieke, goede oude Benoît me op het eerste zicht geen stresskip leek, noch overwerkt. Bovendien, ondanks onze conflicten omtrent zijn rigiditeit en koppigheid, deelde hij een flegmatieke, om niet te zeggen melancholische trek met me die de terminaal melancholieken snel herkennen bij elkaar.
Geen anekdote illustreert dat beter dan de gruwelijke World Happiness Day in 2014, waar HR iedereen samengedrumd had in de refter, een bedrijfsgoeroe een toespraak had laten geven over hoe we gelukkig moesten zijn en daarbij onophoudelijk ‘Happy’ van Pharell door de boxen had laten schallen. De cellofanen gelukscoach was nog maar tien minuten aan het werk of ik hield het voor bekeken. Het beste van alles: in de lift hing een A4 met daarop “If you want to be happy, just be – Leo Tolstoy”. Niet alleen ergerde de taalfout me (er ontbrak een “so”, anders is de voorwaarde voor geluk in die zin enkel het louter bestaan), maar Tolstoj was nu ook niet bepaald wat ik een fuifnummer zou noemen bij wie geluk en plezier op de eerste plaats kwamen.
Toen ik door de gangen sloop van ons nagenoeg lege verdieping (er wachtten op de collega’s nog verplichte lach- en handjeklapsessies), trof ik Benoît aan achter zijn bureau.
“Moet jij niet beneden zijn?” vroeg hij streng.
“Moet jij daar ook niet zijn?” kaatste ik terug.
Benoît zuchtte.
“Da’s niets voor mij, dat soort initiatieven.”
“Dan begrijp je waarom ik weggevlucht ben.”
Hij stond zichzelf een korte glimlach toe en knikte.

Toen bleek dat Benoîts afwezigheid maand na maand verlengd werd en hij niet zou terugkeren voor begin 2015, zei ik openhartig tegen Bertrand, die tijdelijk Benoîts managerschap van mij had moeten overnemen, dat ik niet wilde lijkenpikken, maar dat als Benoît niet of in een andere capaciteit zou terugkomen, ik de uitdaging wilde aan gaan. Bovendien, dacht ik bij mezelf, ik zit al bijna zeven jaar in een uitvoerende, ondergeschikte functie. Bertrand dacht dan misschien wel dat ik soms een schertsfiguur was, ik wist dat ik het voorrecht had dat collega’s me vertrouwden, dat ik bepaalde leidinggevende kwaliteiten bezat en dat ik als enige net als Benoît in voldoende mate Engels, Frans en Nederlands sprak. Ik dacht dat Alexandre mogelijk een concurrent kon worden.
Bertrand zei dat hij overtuigd wilde worden en dat ik “meer initiatieven” moest nemen. Dus dat deed ik. Ik begon Benoîts taken uit te voeren die al maanden waren blijven liggen, knoopte contacten aan met mensen uit allerlei divisies in België, Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, en stelde een ambitieuze agenda op.
Twee weken later echter werd Maccha Chag ingevlogen vanuit Londen en werd ons gezegd dat hij tijdelijk Benoîts positie zou overnemen. Ik was een beetje teleurgesteld maar niet helemaal ontmoedigd. Chag had een lange meeting met me, waarin ik hem vertelde over m’n eigen ambities. Chag verzekerde me dat hij slechts een naam was die tijdelijk een plek op het organigram invulde. Ik hoopte vurig dat dat zo was, want in de loop van anderhalf jaar had Chag bewezen dat hij twee dingen kon: loze beloftes maken en op absurd korte termijn gunsten eisen van het marketingteam in Brussel. Bovendien, zo dacht ik, hem permanent Benoîts opvolger maken zou weinig zinvol zijn, tenzij hij een verhuis overwoog naar België. Daar kwam bij dat Chag buiten Engels enkel Gujarati sprak, een taal die niet bepaald behoorde tot het lijstje met belangrijke talen binnen Hypher Financial Solutions.

Verder naar deel vijf.