Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de verhalenafdeling daarvan. In 2016 bundelde en redigeerde ik (streng!) alle tot dan toe geschreven kortverhalen in de antologie 'Recombinant' en in 2023 bracht ik de novelle 'De keizer van Populië' uit - je kan beiden gratis downloaden als je Patron wordt. In 2020 verscheen mijn debuutroman 'Fragmentariërs'. In 2023 bracht ik de opvolger 'Constellatie' uit. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

woensdag 11 januari 2012

Ungesicht (IV)

4. Diehards

Het was iets na drie uur. De gematigde fuifgangers en de meest onvoorzichtige drinkers waren al naar huis en het zag er niet naar uit dat er nog grote stromen volk zouden binnenkomen in 'l’Ascenseur'.
“Ik hoop eigenlijk dat het kalm blijft,” zei Irina tegen Hanne. Hanne knikte en waste een glas af.
De DJ was routinematig een set aan het afhaspelen die hij vorige week al eens uitgeprobeerd had, maar buiten Irina leek niemand van het personeel ooit de veranderingen in zijn sets op te merken.
“Je weet nooit op avonden als deze,” zei Hanne met een blik op de deur, waar buiten twee meisjes en een jongen aan het roken waren. Binnen telde Irina nog ongeveer vijfentwintig mensen, het merendeel mannen. Hun korte gesprek werd onderbroken door nieuwe klanten. Terwijl Irina een pint tapte en een glas wijn uitgoot (check, routine, check, efficiënte bewegingen van armen en handen, geld krijgen, berekening, glimlach, inschatten van graad van dronkenschap, viel behoorlijk mee) dacht ze aan de implicatie van “avonden als deze”. Verraderlijk rustig. De weinigen die na drie uur nog uitgingen, waren de diehards, en diehards waren er in alle soorten: eenzamen, getroubleerden en wanhopigen.
Er verscheen een nieuwe klant. Hij zag er niet heel scherp meer uit en bestelde een pintje. Bijna alle stemmen klonken dezelfde over de luide muziek. Ze dacht eraan dat ze weer maar eens vergeten was om oordopjes mee te nemen. De klant bedankte en betaalde.
“Wat is je naam?” vroeg hij. Irina keek hem opnieuw aan.
“Irina,” zei ze. Hij knikte en nam een korte slok.
“Gaat het een beetje, vanavond?” vroeg hij.
“Dat valt goed mee, het is niet te druk,” zei ze naar waarheid.
“Ok,” zei hij slechts. Hij keek om zich heen. Hoewel hij geen dom voorkomen had, had alles aan hem iets licht uitgerafeld, alsof de dingen achter zijn ogen net niet in orde waren, net niet helemaal daar.
"Hoe komt het dat je hier alleen bent?"
"Ik ben op een drie weken durende missie om al mijn angsten en vooroordelen te verbranden."
"Serieus?"
"Nee. Ik ben een ninja in dienst van de Vlaamse regering en ik ben belast met het oprollen van een Russisch spionagenetwerk. Mijn naam is Tomas, trouwens."
"Jij denkt dat je geestig bent?"
"Meestal," zei hij plompverloren, waarop hij z'n schouders ophaalde.
"Probeer je dat vaak, op die manier barmeiden versieren?"
Hij lachte als een wolf.
"Niet zo vaak. Ik moet ook zeggen dat ik meer succes heb bij andere types."
Irina moest zelf ook glimlachen.
"Je lijkt me nochtans zelf niet het prototype versierder."
"Dat klopt," gaf Tomas toe, "ik ben er zelfs erg slecht in. Hoe het me toch zo vaak lukt, dat weet ik niet echt, maar ik heb er een theorie over."
"Die ga je me ongetwijfeld vertellen."
"Hij is niet zo ophefmakend. Het komt hierop neer: kijk eens rond naar de mannen die hier aanwezig zijn. Vrouwen elimineren al minstens één derde omdat ze te lelijk zijn. Van de mannen die overblijven, elimineer je vervolgens de wanhopigen, de dommeriken, de bruten en de kerels die niks te vertellen hebben. Dan blijven er al niet zo veel meer over."
"Hm. Ik neem aan dat jij tot geen van die categorieën behoort?"
"Daar ga ik graag van uit. Maar goed, ik wijt het dus niet aan mijn eigen verdiensten."
Tomas' glas was leeg.
"Is het toilet daar?" vroeg hij, doelend op de deur voorbij de dansvloer, die slechts nog door twee groepjes mensen ingenomen werd.
"Nee, die deur leidt naar een magisch labyrint. Achter elke deur zit een giraf die tarotkaarten legt," zei Irina. Tomas' blik klaarde voor het eerst op.
"Interessant."
Irina ging weer aan het werk. 'l'Ascenseur' begon langzaam leeg te lopen. Op die momenten voelde het als een enorme zandloper waarvan zijzelf, Hanne, de baas, de DJ en de buitenwipper de allerlaatste korrels waren. Op een dag, hield ze zichzelf voor, zou ze voor de allerlaatste keer bij die korrels horen en terug tijd hebben voor andere dingen dan luisteren naar dronkaards, bizarre complimenten krijgen over haar uiterlijk of kortstondig opflakkerende relaties aan te gaan die snel implodeerden door drama. Was dit soort cynisme een deel van ouder worden? Ze vroeg zich ook af of ze niet wat te laatdunkend was geweest tegenover die Tomas, terwijl ze nog een klant bediende die een laatste rij shots bestelde. Aan de andere kant was het niet alsof ze hem iets verschuldigd was.
Toen ze twee minuten later weer enkele glazen had weggezet en kort met een schoteldoek langs de achterkant van de toog gegaan was, stond Tomas er terug.
"Het wordt tijd dat ik naar huis ga. Mijn vrienden vragen zich ook af waar ik zit," zei hij.
"Goeienacht nog, dan."
"Jij ook. Bedankt voor de babbel."
Hij stapte naar buiten. Irina volgde hem met haar ogen. Op straat keek hij om zich heen, met een blik en lichaamstaal van iemand die niets in het bijzonder hoopte te vinden, maar op alles kon ingaan dat zijn nieuwsgierigheid wekte. Het had een aanstekelijke kinderlijkheid die niet paste bij zijn zieke gezicht en zijn droge mond.
"Bijna vier uur. Ik denk dat we binnen een half uur gaan sluiten," zei Hanne.
"Het zal best zijn. Ik heb slaap nodig."
"Je gaat niet meer mee uit?"
"Geen zin, sorry."
Hanne trok een lelijk gezicht.
"Het is zo lang geleden dat je nog eens bent mee geweest."
"Ik weet het," antwoordde Irina,"maar het zegt me allemaal steeds minder. Ik heb het een beetje gezien."
In haar hoofd speelde een diaprojector snel een stel snapshots af van de bekendste afterparty-cafés in Gent en hun habitués. Ze waren ingedeeld volgens kleur, muziek, genre en het volk. Een grote zaal met zwart en groen die een slangenkuil was vol late twintigers. Een sympathiek donkeroranje plekje waar je zelden lastiggevallen werd, een dansding dat nooit een dansding was, een peperdure club waar soms BV's kwamen en veel verdwaalde hipsters en dan nog een duister hol met een misvormd balkon en een erg slechte DJ.
"Je voelt je toch wel nog goed?"
"Ik voel me ok, hoor," zei Irina. Doordat ze het zei, twijfelde ze echter aan de waarheid van die uitspraak. Hanne leek zich met dat antwoord tevreden te stellen.
"Ok dan. Als er iets is..."
Ze brak haar zin af om nog een klant te bestellen. Irina keek uit het venster en had zin in een sigaret, in een warm bed en drie dagen volstrekt alleen zijn.

Verder naar deel vijf.

dinsdag 10 januari 2012

Ungesicht (III)

3. Terugdraaiende velgen

"Je kijkt naar films en je denkt dat je leven ook zo zou kunnen zijn. Het decadente nachtleven, zo. Al die kronkelende lijven, oneliners en comebacks. Coole muziek die altijd bij de sfeer past. De werkelijkheid is hier echter overal hetzelfde: de meeste mensen worden niet voortdurend netjes belicht en staan te zweten, ze dragen geen kostuums van Armani of vrouwen hebben ook niet altijd de perfecte make-up aan. De grote meerderheid van de mensen heeft er zich ook bij neergelegd eerder aangenaam te zijn dan geestig. Of ze denken geestig te zijn, terwijl ze onaangenaam zijn."
De helft van Tomas' woorden ging verloren in de drums. Peter trok zijn wenkbrauwen op, nam zijn kauwgom uit zijn mond en plakte die tegen een paal.
"Je moet... toch geloven in iets van jezelf? Zelfvertrouwen is nodig. Mensen beelden zich gewoon ook graag in om een filmster te zijn."
"Misschien is dat goed om iemand een keer mee in je bed te praten, misschien, maar wat als daarna blijkt dat ze je een eikel vindt?"
"Vind jij mij een eikel?"
"Soms wel."
Peter grimaste en nam een slok.
"Coke?"
"Coke."
Wc's in cafés stonken altijd, maar ze verschilden onderling in hun type stank. De ergste toiletten roken zonder meer naar kak en rotte eieren.
Peter onthulde als een soort minitapijtverkoper zijn waar op het deksel van de wc, met de zorg die eigen was aan een druggebruiker die zichzelf een aura van respectabiliteit aanmat. Geen van beide mannen zei iets en Tomas was zijn eigen korte monoloog over het gebrek van glamour al vergeten. Hij dacht aan een werkweek die nooit meer zou komen en vond dat een aangenaam vooruitzicht.
Peter nam zijn tijd om het poeder netjes te versnijden met een bankkaart. Waarom altijd bankkaarten en geen tankkaarten of lidkaarten van de ECI Boekenclub? Tomas besloot die vraag niet luidop te stellen.
"Zo," zei Peter met een merkwaardig diepe stem. Van buiten klonk er geschuifel. Urine van elders. Het toilet stonk maar matig naar pis. De overheersende geur was een goedkoop merk van wc-tabletten die Tomas deden denken aan het parfum van één van zijn ex'en. Hij had haar nooit durven zeggen dat ze rook naar een toiletdame en dat hij haar daarom soms niet had willen kussen. De schaamte aan die herinnering worstelde met de schaamte aan het feit dat hij dat niet had durven zeggen.
Peter ging eerst. Het was zijn eigen spul. Tomas volgde. Hij moest denken aan het nummer 'Benzin' van Rammstein.

Terug in de zaal zelf was er niet onmiddellijk veel veranderd, buiten het feit dat het nog warmer aanvoelde dan daarnet. Ok, kleine tinteling, dat wel, maar verder niks meer aan de hand.
"Wat drink je nog?"
"Pintje."
Tomas wrong zich langs twee grote mannen en een tros dikke meisjes waarvan één een erg mooi gezicht had, en werd vrijwel onmiddellijk bediend. In zijn jaren café- en clubervaring had hij een haast mystieke techniek ontwikkeld om erg snel bediend te worden. Het lag aan een soort lichaamshouding, focus en een kleine dosis gedistingeerdheid, zelfs in dronkenschap. Althans, dat vertelde hij zichzelf graag, bedacht hij zich.
Voordat hij zijn wisselgeld op zak stak, gaf hij één van beide pinten door aan Peter, die z'n gsm uitgeklapt had.
"Bert is er blijkbaar. Hij staat buiten," zei Peter.
Tomas had onmiddellijk het mentale beeld van de immer vrolijke Bert in een streepjestrui. Bert met het sappige West-Vlaamse accent en Bert die wel eens voor zijn plezier een boek las. Bert die ook ooit een zeer creepy liefdesbrief geschreven had aan een kennis van Tomas, maar dat was intussen ook alweer drie jaar geleden.
"Dat hij binnen komt."
"Of dat hij buiten wacht," zei Peter plompverloren. Tomas snoof, voelde zijn neus tintelen en nam een forse slok bier.
"Mij gelijk."

Tomas nam alles tegelijkertijd zeer traag en met een enorme helderheid waar. Het was alsof hij uitgestegen was boven zijn eigen dronkenschap. In de wolkjes adem die hij blies kon hij op elk afzonderlijk moment bijna de atomen zelf gaan waarnemen die zich haarscherp aflijnden tegen de paarsige nacht van de Overpoort. De straatlichten bezaten een gelijkaardige scherpte, waarbij passanten en feestvierders die onder die lichten door liepen, nu eens levende neonuithangborden en dan weer knetterende lonten leken.
"Ik heb honger. Wil jij nog iets eten?"
Ook het gepraat om hem heen ontsnapte niet aan zijn aandacht. Op elke vraag die gesteld werd, kon hij duizend verschillende antwoorden verzinnen.
"Ik heb anders wel zin in een pita."
"Hm. En jij Tomas?"
Tomas dacht aan het meisje dat hij daarnet binnen gezien had met de grote groene ogen, vroeg zich af hoe het moest voelen om haar schouder aan te raken of in wat voor huis ze woonde. Hij stelde zich rommel op de vloer voor, dacht aan de rommel op zijn eigen vloer en moest doen denken aan hoe hol het was dat hij haar zou najagen voor zijn eigen plezier, alsof dat het enige was waar in zijn geconstipeerde, dronken toestand nog ruimte voor was. Hij moest denken aan haar haar en de verwijten die ze hem misschien kon maken als hij haar zou proberen kussen, of dat ze er integendeel op zat te wachten om deze avond versierd te worden. Men kon het nooit weten en elke interpretatie van een mogelijkheid was evenzeer geldig.
"Ik heb geen zin in pita," zei Tomas. Hij voelde zijn blik zweven en het leek alsof er een uur voorbijgegaan was. In werkelijkheid was er een minuut voorbij.
"Hmm," hoorde hij Peter zeggen, die zich in slow motion leek om te draaien en zijn sigaret weggooide, "Weet je wat? Ik ga er toch één gaan eten."
"Ik ga wel mee," zei Bert.
Tomas zag zichzelf knikken vanop de overkant van de straat, waar twee jonge Turken een erg luide discussie voerden met iemand die in een auto zat met geblindeerde vensters. Tomas dacht aan auto-achtervolgingen, snel draaiende wielschijven die in zonlicht merkwaardig genoeg altijd in de verkeerde richting leken te draaien, het glijden van lampen in tunnels over de zwarte motorkap, de grille en de vensters en hoe het leder (ongetwijfeld leder) zou ruiken, gemengd met een soort pooierdéorodant. Wie weet zou de onzichtbare chauffeer een pistool trekken en één van de twee Turkse jongens neerschieten maar dat gebeurde niet. Raam dicht, Turken hoofdschuddend, auto reed weg. Drugs? Drugs, vermoedelijk.
"Ik ga een wandeling maken," bracht Tomas uit.
"Gaat het wel?" wilde Bert weten, die het minst stoned of high of wat dan ook was.
"Ja," antwoordde Tomas met een vaag handgebaar, "Ik zie jullie straks nog wel."
Of niet, dacht hij. Of nooit. Misschien verdwijn ik wel voorgoed.
"Kom, we gaan eten," zei Peter, die duidelijk enorm hongerig was.

Verder naar deel vier.

maandag 9 januari 2012

Ungesicht (II)

2. Nachtzoo

Irina’s platte schoenen maakten bijna geen geluid op de tegels van het trottoir. Het enige waaraan een blinde zou kunnen horen dat ze over straat liep, was het doffe gerinkel van de gespen van haar schoudertas. Het was kouder aan het worden, en in de late herfst leek het steeds of de anders dicht bijeengebouwde huizen, appartementen, winkels en cafés van Gents hoekiger, hoger en wijder werden, alsof ze zich misschien vanzelf terugweken van wie in die kou nog op straat wilde komen. Maar Irina genoot op een erg eenvoudige manier van die ijzige stilte. Eind november betekende dat de meest studentendopen voorbij waren, dat de laatste grote feestjes eraan kwamen en dat de eerstejaarsstudenten intussen al een vorm van routine gevonden hadden. Het betekende ook minder verrassingen, maar dat was op zich niet zo erg.
Irina had zin in een sigaret maar ze hield zich in. Ze zou er nog wel één roken voor ze 'l’Ascenseur' binnen moest. Ze stak de Heuvelpoort over, dat onmogelijke kruispunt waar in principe veel meer ongevallen zouden moeten gebeuren dan dat er gebeurden, maar omdat iedereen er zo voorzichtig was, gebeurde er zelden iets. Drie jaar geleden was er nog een auto uitgebrand na een botsing, en vorig jaar was er een student aangereden.
Irina bekeek zichzelf zijdelings in de weerspiegeling van een hoog gebouw dat ooit een studentenresto geweest was, en nu langs alle kanten stond te verloederen. Het samenspel van hoeken, glas en jaren ’70 oogde hol en naargeestig. Onder haar hoge trappen verzamelden soms junks of marginalen die andere mensen aangaapten. Vandaag was er niemand.
Er hing regen in de lucht. Irina snoof en keek naar boven. Geen ster te zien in de donkerpaarse hemel. Ze had ergens gelezen dat Gent de slechtste luchtkwaliteit had van heel Vlaanderen. Fallout van het havengebied in het noorden, mogelijk. Of opspattend schuim van al die Gentenaars die nog verknocht waren aan hun sigaretten, sigaren en pijpen.

De Overpoort. De vergaarbak van jeugdige overmoed. Niet meer wat het geweest is. Gehaaid en snel. Toch wel overroepen. De afvoerput van studenten en marginalen. De ene drugsclub naast de andere. Vier pitabars maar echte kenners zworen slechts bij de fijne kebab van 'Collosseum' (verkeerd gespeld, al jaren). Frituur 'De Bronzen Boulet' had veel van zijn pluimen verloren omdat de eigenaar dement aan het worden was. De club op de hoek met het Stalhof was vervloekt. Alleen in 'De Cascade' kon men nog proeven van het echte studentenleven met lint, kiel en cantuscodex. 'The Apocalypse' had vaak een witte kat voor het venster zitten.
Al die uitspraken, al die zinnen. Irina voelde ze soms door haar hoofd klutsen als ze werkte. Iedereen in Gent had een mening over de Overpoortstraat, één van de zenuwcentra van jong en minder jong Gents geweld en al meer dan dertig jaar een zware uitgangsbuurt.
Irina stond buiten en rookte. Binnen had Hanne even de shift overgenomen. Als ze links keek, zag ze de straat met een flauwe kromming verder naar boven lopen. Aan de 'Overpoort Pool' stonden enkele Turkse dertigers luid te discussiëren. Eén van de vaste medewerkers van de 'Pool' stond erbij. Irina herinnerde zich dat hij Olivier heette en een erg opdringerig, onvolwassen mannetje was. Op dat soort momenten was het een voordeel dat ze met hakken aan net boven de meter tachtig kwam – dan kon ze dat slag opdringerige kobolden al neersabelen door er gewoon geringschattend naar te kijken.
Verder rechts, aan de overkant, had Mike besloten om de 'Luxor' dan toch te openen. De cafébaas van het dompige, alternatieve café waar herfstbladeren en noten op de veel te smalle dansvloer lagen, was een notoir dronkaard en had er al zeven relaties aan versleten met steeds jonger wordende vrouwen.
Nog verderop was er een gewemel rond 'Scurvy', een blinkende nieuwe club waar alleen al even blinkende mensen werden binnengelaten. De definitie van het woord klatergoud – dure maar slechte pils, goed geklede maar domme mensen en een interieur dat haar bezoekers agressief herinnerde aan de late jaren ’90, toen de zwanenzang van de megadiscotheken was ingezet. Klatergoud. Irina sprak het net niet uit en nam zich voor om het woord te onthouden, ergens te gaan gebruiken.
Aan de overkant van 'l’Ascenseur' lag het Stalhof, een dode zij-arm van de Overpoort, met aan de linkerkant van de bekasseide steeg de blokkendozen van de studentenhomes, en aan de rechterkant de debiele broertjes van de gewone Overpoortcafés. Er was een mislukte Irish pub bij die niet door Ieren werd uitgebaat en waar bijna alleen Spaanse en Italiaanse Erasmus-studenten kwamen. Er was nog een onooglijk vuil café waar de lelijkste rockers van heel Gent op een kluitje zaten, een fuifzaal die leek op een stripclub, een karaoke met verdachte Maleisiërs en tenslotte 'De Handgranaat', een zeer links nest waar vooral hangouderen en jonge communisten zaten.
Sigaretten zijn ‘the great equaliser’ had één van Irina’s docenten gezegd. Bier was dat ook. Men beweerde wel dat iedereen net wat anders reageerde op bier en dronkenschap, maar Irina vond de meeste mensen veelal dezelfde: een uitvergroting van zichzelf, met alle positieve en negatieve kanten. Jammer genoeg bleef er van sommige mensen weinig positiefs over, dan. In een jeugdboek dat ze ooit gelezen had, voerde het vaderfiguur aanstaande huwelijkskandidaten voor zijn dochter dronken om erachter te komen hoe hij werkelijk in elkaar zat. Irina had het voordeel dat ze al haar huwelijkskandidaten meestal al had leren kennen als ze dronken waren. Ondanks verschillen in persoonlijkheid, waren het vooral soorten alcohol die gedrag licht veranderden: bier maakte mensen luid, emotioneel en dom. Wijn maakte mensen moe, melig en zeurderig. Gin produceerde niet zo veel resultaat. Tequila was de kernbom onder de sterke dranken en sloeg kraters in geheugen als een soort eenmansgrenadier. Vodka werkte verraderlijk en deed mensen denken dat ze niet zo dronken waren als ze echt waren. Zware bieren maakten mensen tot lapzwanzen.
Aan haar linkerkant ging '’t Plezier' open, een café dat nooit veel klanten trok buiten die die er bijna altijd kwamen. Het was er rustig zitten als het er niet stonk naar pis.
Irina’s sigaret was op. Ze rechtte zich onwillekeurig wat meer, en ging terug de bonkende walm van 'l’Ascenseur' binnen.

Irina was bijna bij 'l’Ascenseur' aangekomen. Eén na negen, één minuut te laat, maar niemand die er iets van zei. Er was nog steeds bijna niemand op straat. Zo waren vrijdagen – leeg tot laat op de avond, daarna een explosie van volk, en dan weer een snelle leegloop rond drie uur. Wie daarna overbleef, was een diehard, een alcoholicus of iemand die problemen zocht door ervan weg te lopen in de breedst mogelijke zin.
Ze bedacht zich dat ze hier al ontelbare keren gestaan had, een sigaret had gerookt, in één beweging, in één routine. En kort overviel haar een gevoel van veraf gelegen melancholie bij die vaststelling. Hier leek het alsof altijd alles anders was, maar eigenlijk veranderde er niets. Irina staarde naar haar aansteker, en borg hem weer op.

Verder naar deel drie.

zondag 8 januari 2012

Ungesicht (I)

1. Postkaarten

"Ok, dus ik schrijf regelmatig iets op postkaartjes en stuur die naar willekeurige adressen die ik vind in een oud telefoonboek of opzoek via Google."
"Jaag je daar mensen niet de stuipen mee op het lijf?" vroeg Lina.
Tomas nam een slok gin.
"Dat kan, maar ik zie het resultaat toch nooit en het kan me ook niet schelen. Het is een bescheiden daad van rebellie."
"Wat zet je op die postkaarten?"
"Ik kras de foto uit," antwoordde Tomas nog voor de vraag volledig gesteld was, "plak er soms iets anders over uit een tijdschrift of een krant, en op de achterkant schrijf ik een kort tekstje over een boom of over een schilder, of hoe slecht de nationale voetbalploeg geworden is na 2002."
Lina’s huid voelde koel en zacht aan. Naakt gin drinken, waarom niet.
“Het is wel grappig,” moest Lina toegeven, “maar wat heb je eraan?”
Tomas besefte dat ze hem aankeek en probeerde in te schatten of hij volledig bij zijn verstand was, of gewoon excentriek. Hij liet de implicatie in het midden. Het gelige licht van de woonkamer vloeide over het bijzettafeltje, waar al drie lege glazen stonden en een halfvolle fles. Het was warm.
“De daad van het opsturen. Zoals ik al zei – het is iets onverwachts, iets dat de routine voor anderen breekt. En als ze er schrik van krijgen, is dat jammer, maar is dat niet mijn probleem.”
Hij liet zijn vinger over haar dij glijden.

De dag dat Tomas besefte dat het hem geen moer meer kon schelen wat iemand over hem dacht was een donkere dag geweest, met regen die onophoudelijk alles had doordrongen van ziekelijkheid. Hij zat in één van zijn stamcafés in de buurt van Sint-Pietersplein tegenover een zanger van een lokale metalband die erg luid praatte met een erg nadrukkelijk Antwerps accent.
“... kunnen er niets van. Ik ben het brein en ik bepaal alles, de creatieve richting, de teksten, zelfs de gitaarpartijen. Maar je kan niet alles zelf doen natuurlijk.”
De metalzanger heette Philippe maar liet zich door iedereen de zelfgekozen bijnaam Wolfskeel Grindgezang welgevallen. Tomas keek in zijn bier.
“Ja Wolfskeel,” zei één van de acolieten van de zanger, een boomlange blonde jongen met een vervaarlijk holle stem, “we hebben elkaar nodig.”
“Correctie,” verbeterde Wolfskeel hem, “jullie hebben mij nodig.”
“Vind je dat zelf niet arrogant?” vroeg Tomas toen terwijl hij het glas bier in zijn hand ronddraaide.
“Natuurlijk,” gaf Wolfskeel toe, “ik ben enorm arrogant. Maar zonder arrogantie raak je nergens.”
“Hoe komt het dan dat je geen platencontract hebt?”
Wolfskeels entourage leek even terug te wijken voor die vraag. Wolfskeel zelf leunde voorover. Hij had een knap gezicht dat er nog knapper had uitgezien als hij geen lang haar en een vreemde baard gehad had.
“De industrie oordeelt niet echt over talent,” zei hij, Tomas aankijkend, “ze kijkt of iets commercieel interessant is. De metalscène in Vlaanderen is te klein om mensen als mij te kunnen ondersteunen.”
“Er bestaan ook buitenlandse labels.”
Tomas nam een slok.
“Ja,” zei Wolfskeel met een zucht, “maar dat is zo’n fucking gedoe man. Je moet dat dan op een filesharer zetten, je verliest kwaliteit en voor hetzelfde geld stelen ze je ideeën.”
Tomas had Wolfskeel enkele weken voordien leren kennen op een kleinschalig optreden waar hij naartoe was geweest met een kennis. Ze waren daar aan de praat geraakt over Nietzsche. Een op het eerste zicht interessante conversatie was verworden tot deze cafépraat, waarin Wolfskeel voortdurend bezig was zijn ego aan het strelen en zijn bandleden af te breken.
“Dat kan goed zijn,” gaf Tomas toe, “maar het lijkt erop dat je arrogantie een schild is om te verbergen dat je onzeker bent over waar je mee bezig bent, en dat is nergens voor nodig.”
Hij zei het zacht en het leek alsof hij zichzelf van buiten zijn eigen lichaam waarnam.
“Ik ben niet onzeker. Ik ben echt zo arrogant,” zei Wolfskeel, nadrukkelijker Antwerps dan ooit.
“Dan ben je een lul,” zei Tomas na een ademtocht, “en ik ben weg.”
Hij stond op. Wolfskeel keek alsof hij Tomas zou aanvliegen, maar besloot, toen Tomas snel zijn jas aanschoot, om één van de leden van zijn entourage een klap te verkopen. Tomas maakte een inwendige aantekening dat het bier in De Handgranaat te lauw was, en had zin om in lachen uit te barsten.

“Ik begin kou te krijgen,” zei Lina met een blik op het bijna lege glas gin.
“Dan mag je teruggaan naar het bed,” zei Tomas, “ik kom zo wel.”
“Ik wacht wel even,” zei ze, alsof ze daarop een mysterieus antwoord verwachtte. Tomas zei niets. Hij dacht aan enkele uren terug, aan de stroboscopische lichten van de 'Nacho Libre', de hoge, plakkerige tafeltjes en de concentratie aan geparfumeerde, dansende lijven daar. Hoe hij daar alleen was aangekomen om drie uur ’s nachts, dronken van Duvel, en met willekeurige mensen was beginnen praten. Nu dit. Lina was de zesde in drieëntwintig dagen die hij mee naar huis had genomen, en de negende die hij gekust had. Ze was zonder twijfel ook de knapste.
“Wat doe jij soms om te ontsnappen aan... de gewone dingen, de sleur?” vroeg Tomas. Lina haalde de schouders op en keek naar de vloer.
“Uitgaan. Drugs. O, en ik maak collages.”
“Collages?” Tomas leegde zijn glas.
Opnieuw schokschouderde Lina. Haar huid was volmaakt, zonder littekens, zonder wratten, moedervlekken of mee-eters. Er was mogelijk aan gewerkt. Het gaf haar iets onmenselijks definitieloos.
“Foto’s van verschillende beroemdheden die ik op elkaar plak, zodat ze een ander gezicht krijgen,” glimlachte ze, “of allemaal hondensoorten bij elkaar die hetzelfde kleur vacht hebben.”
Tomas zette het glas neer.
“Wat doe je met die collages?”
“Ik bewaar ze in een grote map.”
“Ik toon ze trouwens nooit aan iemand,” voegde ze er snel aan toe met een schichtige blik, alsof hij haar ouder ging opbellen om te zeggen dat Lina, hun dochter die al vier jaar werkte bij een pakjesdienst, zich bezighield met onverantwoord nutteloze dingen.
“Het is nochtans het interessantste dat ik van je weet,” schatte Tomas. Hij besefte dat dat kwetsend kon geïnterpreteerd worden, maar Lina liet zich niet van haar stuk brengen of vatte die mogelijke interpretatie niet echt.
“Het is wat het is,” zei ze, “het is een leuke ontspanning.”
“Ja,” zei Tomas, zelf ontspannen, halfdronken, “dat moet het inderdaad zijn.”
“En wat doe jij, buiten postkaarten sturen naar onbekenden?”

Verder naar deel twee.

vrijdag 9 december 2011

Dunning & Kruger (VI)

6. De ingenieurste ingenieur

Als men spreekt over de milieuproblematiek, haalt men dikwijls de vergelijking aan van de kikker in een bak water die langzamerhand warmer wordt. Stopt men de kikker onmiddellijk in water van 60 graden, dan springt hij er even snel weer uit, maar als de temperatuur maar langzaam stijgt, blijft hij zitten tot hij dood is. Ik kreeg naderhand hetzelfde gevoel binnen Dunning & Kruger. Er waren vege tekenen aan de wand: Elien, die intussen wijd en zijd als een zeer competente collega gold, vertrok. Louis zei ook zijn Amerikaanse en Belgische broodheren vaarwel, en even later was het de beurt aan één van mijn directe collega’s, een copywriter met een jarenlange staat van dienst die langzaam verduisterd werd door zijn groeiende cynisme. Haast omgekeerd evenredig daarmee kwam een instroom aan nieuwe collega’s die van onmogelijkheid een sport maakten. De man die Louis tijdelijk verving was een baardige, trage man met een persoonlijke website die gemaakt leek te zijn in 1998 en voortdurend beweerde ‘swamped’ te zijn met werk, hoewel we hem nooit konden betrappen op resultaten van dat vele werk. Verder had Dunning & Kruger ook een Amerikaans bedrijf overgenomen waar onze contactpersoon voor marketing de meest clichématige ingenieur was die ooit ingenieurde: een deegachtige nerd met een zwaar geval van het Asperger-syndroom, die telkens zeven mails nodig had om uit te leggen wat hij nodig had, en niet van het idee af te brengen was dat hij best zelf ook wat teksten kon schrijven.
Op andere vlakken werd vooruitgang geboekt. We slaagden erin het bedrijfsmagazine te publiceren, we produceerden multimediacampagnes en brochures, en ook de website kreeg een serieuze injectie digitale steroïden. Het was alleen jammer dat al deze prestaties vaak gebeurden ‘ondanks’ in plaats van ‘omdat’. Eén van de redenen was dat er bij elk project wel drie of vier goedkeurders nodig waren die verder weinig tot nul inbreng noch toegevoegde waarde hadden, en de boel serieus vertraagden. Daarmee leerde ik ook opnieuw kennis maken met het hele pakket aan drogredeneringen, dat ik al niet meer gezien had sinds mijn lessen filosofie in het eerste jaar aan de universiteit. Die drogredeneringen varieerden van de ‘slippery slope’ (“als we dit doen, gaat het alleen maar erger worden!”), autoriteitsargumenten (“ik zit al 150 jaar in het vak dus ik zal het wel weten!”), cirkelredeneringen (“dit is een goed idee omdat het een goed idee is”) en m’n favoriet, het verplaatsen van de doelpalen (“zo wou ik het helemaal niet, maar dat zeg ik je nu pas, na al je uren werk!”).

Eén factor die de gestegen werkdruk veroorzaakte was baas van Lodewijk, een sympathieke man die kon geen nee zeggen tegen de pelgrims die van heinde en verre naar marketing kwamen om ons klusjes te laten opknappen, hoe onbenullig die soms ook waren en hoe zeer dat als bijtend zuur werkte aan onze beroepseer.
Interne communicatie, traditioneel een vazaleenheid van human resources, kwam ook bij ons aankloppen. De reden was duidelijk. Debelder zelf had gezien dat de knulligheid van de interne campagnes de spuigaten begon uit te lopen, waarbij slechte woordspelingen en gebrekkig Engels troef waren. Wij werden er als dokters op afgestuurd. Intussen mocht ik mezelf een veteraan noemen in pijnlijke meetings, maar de vergaderingen op het hoofdkwartier van HR golden wel als absolute toppers op dat vlak. Het hoofd van interne communicatie, een zekere Ramona, leek erop gericht zo veel mogelijk werk af te wentelen op haar eigen assistente en op ons, en kreeg al geen coherente zinnen meet over haar lippen als een tegenargument vierlettergrepige woorden bevatte of verwijzingen naar technologieën die geavanceerder waren dan MS Word. Lodewijk profiteerde ervan om op die meetings zo lang mogelijk te zwijgen en de stiltes lekker pijnlijk te laten aanslepen, wat iedereen zeeziek deed voelen van corporatitis in absentia.
Het duurde niet erg lang eer Ramona met de noorderzon verdween. Ik zag dat als een kans, en solliciteerde voor de vacature. Ik greep er jammer genoeg naast, maar niet vooraleer nog een zeer gênante rendez-vous te hebben met Ramona’s assistente, die in tussentijd alle taken op zich nam (en dat eigenlijk ook al de hele tijd gedaan hebt). Ellen was nogal verlegen. De drukker, die in onze vestiging zou langskomen met een drukproef van het bedrijfsmagazine, had beloofd ook gelijk het blad voor het personeel mee te nemen, maar Ellen weigerde naar ons te komen. Ik belde, nadat Ellen al een paar keer niet thuis had gegeven op het telefoonnummer van onze graficus Stephanie.
“Hallo Ellen,” zei ik zo charmant als ik kon, “ik heb gehoord dat er een probleem is.”
“Ik kan niet naar jullie komen.”
“Ok, kan je je laptop niet meenemen? Ik begrijp dat je veel werk hebt, maar hier is wel een vrij bureau.”
“Ik heb een desktop-computer.”
“Ach zo. Je hebt geen auto, juist?”
“Nee, inderdaad.”
“Kan je geen poolwagen gebruiken?”
“Nee, dat kan niet.”
“Als het is dat je geen rijbewijs hebt, is dat niet zo erg om toe te geven. Ik heb mijn rijbewijs zelf pas dit jaar gehaald.”
“Dat is het niet. Ik... ik durf niet rijden.”
Ik haalde diep adem.
“Je... durft... niet rijden. Ok, we kijken voor een oplossing.”
Uiteindelijk besloten Stephanie en ik de drukker naar de andere vestiging om te leiden, en zelf tot daar te rijden, tot opluchting van Ellen, die aan haar stem te horen al duizend keer gestorven was van stress en schaamte.
Toen we aankwamen, was de drukker er nog niet, en zaten we met ons drieën in een vergaderzaaltje, in het gezelschap van een pijnlijke stilte.
“Zo, dus,” zei ik, “jij hebt ook aan de Blandijn gestudeerd, niet?”
“Ja.”
“Ah, misschien kende je mijn vriend Teodor. Die zat in jouw jaar.”
“Dat was volk van de studentenvereniging, hé? Ik moest daar niet echt van weten,” kwam het er bedeesd uit, maar ik wilde van geen opgeven weten om de sfeer te verbeteren.
“Dat kan. Ik bedoel, voor ons was het vooral belangrijk dat mensen zich amuseerden, en als ze dat deden zonder studentenvereniging, dan was dat even goed.”
“Ik had niet veel vrienden.”
Ik voelde Stephanies blik zich zijdelings in mij boren.
“Hm. Waarover ging je thesis?”
“Eh... dat is een pijnlijk onderwerp.”
Stilte. Gefriemel van handen.
Stephanie sprong op. Ze had door het venster gezien dat de drukker gearriveerd was en beende de vergaderzaal uit. Meer stilte.
“Het was gewoon een nogal on- onnozel onderwerp en – ik ben aan het stotteren,” zei Ellen, waarop ze volledig zweeg. Ik wist ook helemaal niet meer wat zeggen.
Tien minuten later stond ik buiten te roken. Lodewijk kwam vanuit een andere deur naar buiten.
“Wat doe jij hier?” vroeg hij. Ik legde hem uit waarom ik in de hoofdvestiging zat. Na mijn relaas knikte hij en trok hij een gezicht dat halverwege plaatsvervangende schaamte en spot zat.
“Dat is inderdaad... pijnlijk.”

2010 werd een uitmuntend jaar voor Dunning & Kruger, tegen alle verwachtingen in. De forse groeicijfers werden vanzelfsprekend op optimisme onthaald. Dunning & Kruger was niet soort het bedrijf dat links en rechts schouderklopjes uitdeelde, maar in de cijfers die ik onder ogen kreeg bij het voorbereidende werk aan het jaarrapport, was duidelijk dat het topmanagement en de raad van bestuur zichzelf dik in de bloemetjes gezet had. Dat mocht en was normaal, vond ik. Minder leuk: niemand anders kreeg wat. Op een strategisch moment dat veel managers er ‘toevallig’ niet weren, werd onder andere Lodewijk erop uitgestuurd om het slechte nieuws te brengen aan de verzamelde marketingploeg, wat nog meer kwaad bloed zette. Dat moment, op die vergadering in het voorjaar van 2011, was voor mij de druppel. Het ging me niet alleen om mezelf, want ik vond nu ook niet dat ik per se recht had op een vette bonus of een grote loonsverhoging, maar ik dacht aan het zeer harde werk dat veel overwerkende collega’s gedaan hadden, de onvermoeibare inzet van velen om de fouten van weinigen recht te trekken, en niet te vergeten collega’s die zelfs in lastige omstandigheden topwerk hadden afgeleverd. Ik wilde niet eindigen als Gollem uit product management, of als een vat vol cynisme en negativiteit. Daar kwam bij dat ook de managementstijl van Lodewijk zelf zo zijn gebreken had. De man was een geslepen tacticus en een ervaren rot in de marketing, maar had een paranoïde trekje waardoor hij aan ons vaak het gevoel gaf dat hij vlak achter ons stond mee te lezen. Persoonlijke initiatieven, zeker als het ging om smeulende conflictjes met deze of gene product manager, werden ontmoedigd. Op de duur stond bij elke mail een half adresboek in CC, en dat werkte verlammend. Ik moest woorden drie keer wikken en wegen. Langzamerhand voelde ik me verkrampen. Ik liet steken vallen. Na  enkele maanden zoeken, vond ik een andere job.

Ik zal het eerlijk toegeven – op mijn afscheidsdrink was ik ontroerd. Ik had dan wel maar vier jaar binnen de muren van Dunning & Kruger doorgebracht, maar in die periode was er zeker met de andere marketingcollega’s een zeer goede band ontstaan. Onder leiding van Hendrik en Karel, de copywriter met de meeste anciënniteit, die in m’n laatste paar maanden tussenin Lodewijk en mij geschoven was als manager, hadden ze een CD samengesteld vol foute hits die me een enorm plezier deden. Mijn voorliefde voor kitsch was welbekend.
De grootste opluchting van mijn kennismaking met het bedrijfsleven was dat het er niet aan toe ging zoals 'The Office' of 'Het eiland' en dat mensen zich vaak maar al te goed bewust waren van de absurditeit die inherent was aan elke werkplek. Mijn grootste teleurstelling was dat het steeds leek alsof zo veel mensen samen zo weinig gedaan kregen. België beroemt er zich op enorm productieve werknemers te hebben, en toch heb ik me nooit van de indruk kunnen ontdoen dat er een pak werknemers bestaan die zwemmen in zeeën van tijd, of hun werk zo inefficiënt organiseren dat ze steeds wel deadlines moeten overschrijden. Een bedrijf wil winst maken, en liefst zo veel mogelijk en zo lang mogelijk. Dat is de logica zelf. In dat opzicht heb ik er ook altijd mee kunnen leven dat ik betaald word omdat de firma waar ik voor werk denkt dat ik kan bijdragen aan haar eigen toekomstperspectieven - het is een pragmatische kosten-batenanalyse. Wat me echter met complete verstomming slaat, is hoe archaïsch veel bedrijven nog omgaan met hun personeel. We zitten vast in een arbeidsindeling die recht uit de 19de eeuw komt (waarom moet ik in godsnaam elke dag fysiek aan mijn bureau gaan zitten). Een gelukkige werknemer is per definitie een betere werknemer, en dat komt ook het bedrijf ten goede. Maar blijkbaar zijn er nog veel plaatsen waar men liever mensen als citroenen leeg knijpt tot ze op zijn. De lessen zijn geleerd, en de verwijten die ik mezelf kon maken, heb ik gemaakt, maar het was een harde leerschool.

donderdag 8 december 2011

Dunning & Kruger (V)

5. Een oude charmeur

2009 betekende ook het aantreden van een nieuwe CEO. Ook dat was een verademing. Luc Debelder was in alles een tegenpool van zijn voorganger: Luc was groot, luid, dik en behept met een boers soort retoriek die zei waar het op stond ("vorig jaar was slecht"). Een baas die een echte baas was, in tegenstelling tot de vorige CEO, een randaristocratische technocraat die eruit zag alsof hij ooit nog een managementboek ging schrijven. Debelder zette alle zeilen bij om Dunning & Kruger uit het slop te trekken, en iedereen volgde. De vers verenigde marketingploeg van Dunning & Kruger zette het jaar alleszins stevig in: na een goeie maand viel er al een lijk uit de kast. Dit was geheel te wijten aan de werknemer zelf, een vrouw met schrikbarend wijd staande ogen en een huid waaronder problemen leken te krioelen als maden in een horrorfilm. Na diverse aanvaringen met collega's en enkele opeenvolgende mislukkingen in wat erg simpele taken waren (genre rijen sorteren in Excel) was de druppel voor onze algemene chef dat ze door het lint ging tijdens een telefoongesprek en de telefoon door het kantoor slingerde. Daarop rende ze uit het bureau, maar omdat de muren zo dun waren, konden we haar op en af horen rennen door de gang, wenend en krijsend als een Ierse banshee. Plaatsvervangende schaamte was ons deel, en de dag erop moest ze zich op orders van hogerhand op haar eigen zwaard storten.

Per definitie zijn bureaus trieste plekken - en bureaus met planten zijn de allerzieligste - maar op dat vlak hadden we het dan weer niet getroffen. Waar verondersteld werd het creatieve en communicatieve kruim van Dunning & Kruger te zitten, was een tijdscapsule uit 1974 waar alles automatisch vergeeld was. De bureaus waren krap en nicotinegeel, de muren waren beige, de kasten waren van een gelig grijs en zowel plafond als vensters waren niet bedoeld voor werknemers die bovengemiddeld groot waren. We konden er voorlopig mee leven.
Voor de rest had er zich van de ploeg een energieke mentaliteit meester gemaakt, en voor het eerst in twee jaar ging ik graag werken. De projecten werden interessanter, de collega's waren geen ingenieurs meer van middelbare leeftijd, en Lodewijk was een verademing om voor te werken na de molenwiekende Ilse. Niet dat marketing niet nog steeds gewantrouwd werd, maar we hadden alleszins meer de mogelijkheid een eigen koers te kiezen en te demonstreren waar onze meerwaarde lag. Al werd mijn werk terug zo goed als strikt copywriting, ik kreeg interessante projecten bij de vleet, waaronder ook het jaarrapport en het vers uit de grond gestampte magazine voor klanten, dat ik met veel liefde vollulde. Maar, eerlijk is eerlijk, de kleine reisjes zou ik gaan missen. Toch is er één anekdote die ik niemand zou durven onthouden: na een beurs in Londen zaten Elien en ik nog na te praten in de hotelbar met Christophe, onze zeer minzame democoördinator. Christophe was zo één van die mannen waar je op het eerste zicht nooit goed van weet of ze nu erg vriendelijk en toch een beetje verlegen zijn, dan wel ronduit homo. Als hij al een macho-opmerking maakte, kwam die er geforceerd uit.
In die hotelbar raakten we aan de praat met een schimmige Ier die zich voorstelde als een mentalist en illusionist. Hij beweerde te kunnen raden aan welk cijfer of welk geometrisch figuur we zaten te denken als hij ons vroeg er één te visualiseren (dat lukte hem), hij beweerde ook te kunnen raden wat het kamernummer van Elien was (dat lukte hem ook, ondanks dat ze hem voorloog dat hij het fout geraden had, waarop hij zei “oh, come on, don’t lie to me”), en voorts ook dat hij kon hypnotiseren. Daarvoor was ik zijn proefkonijn, en erg bevredigend waren de resultaten niet. Hij zei toen tegen me: “well, for instance, I can also tell you’re right-handed”, waarop ik zei dat dat wel erg makkelijk te ‘raden’ was. Daarna richtte hij zich tot Christophe en zei hij: “and you’re gay, for example, but you’re unaware of it”, wat aan Christophe een van de vreemdste lachbuien ontlokte die ik ooit gehoord heb. Maanden nadien nog bleef Christophe terugkomen op de verbazingwekkende talenten van de Ierse illusionist.

Terwijl ik terugdenk aan die avond in de bar van het hotel, denk ik ook terug aan de drinks en bedrijfsfeestjes die Dunning & Kruger, of toch op zijn minst onze divisie, organiseerde. Ik had er nooit een idee van hoe anderen het niet altijd licht ongemakkelijk konden vinden om plots in je bureau rechtop te staan in een kringetje, zonder muziek, zonder speciale belichting, met schuimwijn of bier. Daarbij lette ik er ook altijd streng op dat ik niet dronken werd. Een oude nachtmerrie indachtig van collega’s die me zouden zien als een bezopen marginaal, wilde ik niet dat ik, ontketend door alcohol, nog een uitschuiver à la Islamgate zou begaan, laat staan dat ik een herinnering zou moeten verdragen van clichédaden zoals met alcoholzweet op het voorhoofd op tafel staan dansen met een rondslingerende das, of me zou gaan wagen aan ongewenste intimiteiten. Voor dat laatste was er trouwens ook niet bepaald gelegenheid: Dunning & Kruger was een mannenbedrijf. Corporate marketing bevatte dan wel veel vrouwen, maar vanuit m’n studententijd werd er een soort reflex ingeschakeld die naaste vrouwelijke collega’s meer maakte tot surrogaatfamilieleden dan wat anders. De enige keer dat ik me kan herinneren dat ik iets ondernam dat op een poging leek, was op een externe drink bij een leverancier die een jubileum te vieren had. Ik begon daar te praten tegen een vrouw die dat evenement hielp coördineren, en sloeg meteen een flater toen in de eerste zin haar man al ter sprake kwam, die daar niet alleen aanwezig was, maar bovendien haar baas was en er met een gelaten glimlach bij kwam staan. In mijn verdediging: die avond kreeg ik een lift van Elien, dus had ik in principe geen alcoholgrens. Ik herinner me nog dat ik de volgende ochtend met een verfrommelde kop haar auto in stapte, en dat het eerste was dat ik eruit raspte: “Goeiemorgen. Fuck, ik ben nog altijd dronken.”

Steeds golfde er een vreemde sensatie door het bureau als Jean-Paul Van Vorst langskwam. Jean-Paul was de hoogste marketingafgezant binnen het bedrijf, en moest alleen nog maar de CEO boven zich dulden. Hij was een prototypische oude charmeur, een door de wol geverfde, gedistingeerde man die het nooit nodig had om uit te pakken met zijn connecties en relaties, want door zijn ontspannen, zorgvuldig gecultiveerde, semi-aristocratische houding (en dat snorretje!) was het voor iedereen meteen duidelijk met wie ze te maken hadden. Jean-Paul zat nooit verlegen om het soort kwinkslagen die in principe niet erg grappig zijn, maar grappiger waren omdat ze verbonden waren met zijn charme als persoon. Wat hem dan weer komisch maakte zonder dat hij dat zelf besefte, was de verhouding tot zijn persoonlijke assistent. Olijfje was een strenge, diep-West-Vlaamse vrouw met coltruien die in een ander leven regentes of hoofd van een groep huishoudelijk assistenten had kunnen worden. De zon in haar zonnestelsel was zonder meer Jean-Paul. Tijdens vergaderingen in zijn bureau kwam ze zijn tafels oppoetsen, alle communicatie voor de marketingkeizer moest langs haar passeren, en zijn agenda volgde ze met de religiositeit van een hare krisjna die elke dag de tenue van de Visjnoe moet vervangen. Door haar mix aan beklemmende moederlijkheid, Mrs. Moneypenny-achtige adoratie en de stijfgesteven conservatieve indruk die ze maakte, was ze niet erg geliefd bij de rest van corporate marketing. Ik deed zelf altijd mijn best zeer vriendelijk en voornaam tegen haar te zijn, wat me, denk ik, geen windeieren legde als het erop aan kwam iets gedaan te krijgen. Misschien kwam het door vele moeders van vriendinnen ontmoet te hebben, of mijn eigen achtergrond in een klein provincienestje in Oost-Vlaanderen, maar ik kende dit soort dames. Het hielp ook dat ik trucs kon leren door Jean-Paul zelf te observeren, een man die geboren leek met een doos bonbons onder de arm en een roos in de hand.
Toch ontsnapte ook ik niet aan de onvermijdelijke ervaring met Olijfje. Om een reden die ik me niet meer kan herinneren, had Olijfje mijn hulp ingeroepen bij het verplaatsen van enorme bestanden die niet via de gewone e-mailkanalen konden gestuurd worden. Ik gaf haar daarom stap voor stap instructies over hoe ze een site moest gebruiken waarop je bestanden kon delen.
Vijf minuten later ging de telefoon opnieuw.
“Wat voor site is dat, waar jij me naartoe gestuurd hebt? Ik zit hier nog maar juist op en ik krijg hier een mededeling: ‘do you want a sex date’?”
Olijfje sprak het woord ‘sex date’ uit als een diepgelovige christen die voor het eerst het woord ‘homofiel’ van de tong laat rollen.
“Dat heb ik nog nooit voorgehad met die site.”
“Ik ga toch geen virus krijgen hé?”
“Nee, nee. Dat is echt raar. Mja, het kan zijn dat er op die site een adverteerder zit die dat soort diensten aanbiedt.”
“’t Is toch geen pornosite?”
“Nee, het is zeker geen pornosite.”
Bij die woorden draaiden enkele collega’s hun hoofd mijn richting uit. Ik had intussen al m’n hand over mijn kaak geklemd om niet in lachen uit te barsten. Olijfje was meer gerustgesteld, en haakte af. Sindsdien mocht ik op tijd en stond opmerkingen incasseren over ‘mijn seksdate met Olijfje’.

De verbeterde sfeer, de uitdagender jobs en de grotere maturiteit zorgden er niet voor dat overwerk verdween uit mijn bestaan. Integendeel, waar ik onder het bewind van Ilse nog een vrij regelmatig leven geleid had, kwam er sluipenderweg steeds meer overwerk bij kijken. Daarin was ik zeker niet de meest overijverige collega, al was het omdat ik merkte dat andere collega’s er helemaal niks voor in de plaats kregen. Al van bij mijn aankomst bij Dunning & Kruger was men “aan het werken” aan een systeem van vlottende uren, maar van tijdsregistratie wilde men ook niet weten. De vermoedelijke reden was dat dan pas zwart op wit duidelijk zou worden hoe veel overuren de Krugerianen klopten, en dat daarmee de roep om compensatie zou stijgen. Er waren weken dat ik er vrij zeker van was dat Lodewijk alles samen meer dan 50 uur werkte voor Dunning & Kruger. Ik vroeg me af of het dat waard was. Mijn filosofie was en is nog altijd dat ik werk om te leven en niet omgekeerd. Weekendwerk vond ik dan weer minder een probleem, maar dat toonde ook het verschil tussen mijn iets oudere collega’s en mezelf: ik had geen gezin en vrienden die ik in de week wilde of kon zien. Voor hen was dat vaak omgekeerd.
Buiten dat overwerk was ik ook de salami-ontslagen niet vergeten van het jaar voordien. Mijn vader, al levenslang een vakbondsman, stelde met genoegen vast dat ik onafhankelijk van hem op enkele jaren tijd tot dezelfde conclusies aan het komen was als hem, als het erop aankwam werkgevers te vertrouwen. Daar kwam bij dat de onhandige, ouderwetse communicatie van HR binnen Dunning & Kruger het makkelijk maakte om bepaalde strategieën te doorprikken. Het beste voorbeeld was wel de introductie van een nieuw arbeidsreglement. Niemand kreeg dat op zijn of haar bureau, en elektronisch kon het blijkbaar ook niet beschikbaar gemaakt worden. Nee, op vaste plekken binnen het bedrijf (onder andere aan bureaus van HR) lag er aan een koord een inkijkexemplaar. Gecombineerd met de vigerende, strenge werkethiek, wisten de windheren van HR maar al te goed dat weinig werknemers de moeite zouden nemen om het nieuwe reglement in te kijken. Dat onze eigen HR-verantwoordelijke, de voorgenoemde gladde jongen, deed er ook al niet veel goeds aan. Met zijn achteruitgegeld haar, brede grijns en zijn voortdurende herhalen van je voornaam tijdens een gesprek (hij had vast ergens gelezen dat dat zorgt voor persoonlijke betrekking) werkt hij iedereen op de zenuwen. Je had voortdurend het gevoel dat hij je probeerde te belazeren waar je erbij zat.

2010 werd een hobbelig jaar. Er was na een tijd geen sprake meer van piekmomenten en kalme momenten - alles was belangrijk, alles was een piekmoment, als we iets niet konden leveren, dan zou de wereld ontploffen. Dat ik me daar graag vrolijk maakte werd soms knarsetandend onthaald als een gebrek aan werkernst, maar voor mij was het meer een manier om mijn verstand niet te verliezen. Het favoriete argument van gestresseerde salesmensen, hoe onbenullig hun vraag ook kon zijn en hoe weinig relevant het was binnen het grotere geheel, het geroemde “we’re losing business!”. Als er business gewonnen werd, was dat vanzelfsprekend niet ons verdienste. Ik had er ook een formule voor ontworpen, die aan de hand van het aantal geconsumeerde koppen koffie, toevallige babbels met collega’s over muziek en de eenheden verorberde snoep, moest aangeven hoeveel business we elke dag opnieuw aan het verliezen waren.
Rijkelijk laat kocht ik me in 2010 ook een auto, waardoor ik voor eeuwig verlost was van de geur van forenzen, bittere winterlucht en hufterige chauffeurs die me van de baan wilden rijden als ik fietste. Die auto bracht aanvankelijk een pak minder stress met zich mee - aangezien ik niet meer gebonden was aan trein- en busuren, was het niet erg als een vergadering wat uitliep, noch dat ik soms 'ns wat vroeger weg moest. Algauw werd ook die auto deel van de stijgende werkdruk, want daardoor voelde ik me soms alsof ik geen excuus had om niet over te werken. Als ik erop terugkijk, verwijt ik mezelf een gebrek aan assertiviteit. Ik kan dan wel zeggen dat het mijn eerste job was, maar ik had eerder moeten zeggen: "dit doe ik niet, tot hier en niet verder". Maar het is moeilijk om nee te zeggen als je met je collega’s in hetzelfde schuitje zit en je die mensen bovendien nog graag hebt ook.

In de loop van het jaar organiseerde HR een tevredenheidsenquête onder de werknemers. Uit die enquête bleek dat er erg veel ontevredenheid heerste. Dat dit nieuws het management verbaasde, was een veeg teken. Daarop werden workshops opgezet waar we in groepjes enkele focusthema's moesten kiezen, en vooral hoe we zélf tot betere werkomstandigheden konden bijdragen (want de beige bureaus, dat was duidelijk onze schuld). Een jaar later was er nog niks mee gedaan. Intussen had Dunning & Kruger tegen alle verwachtingen in een monsteromzet gedraaid, maar aan de verzuchtingen van haar werknemers werd niet tegemoet gekomen. Father knows best.

Verder naar deel zes.

woensdag 7 december 2011

Dunning & Kruger (IV)

4. Death to America!

2008 was een schakeljaar op vele vlakken. Ilse kwam tot de conclusie, na een consultatie met haar interne I Ching, dat we een tweede copywriter nodig hadden. Ik zag daar zelf het nut niet onmiddellijk van in. De werkdruk was weliswaar hoog, maar kon lager indien Ilse en een paar andere overwerkte managers zelf niet de flessenhalzen vormden waar mijn letters en zinnen niet doorgeraakten (“kan daar nog niet iets bijgeperst worden over hoe goed dat rode draadje er uit ziet?”, “mja, nee, misschien moeten we toch weer een volledig andere focus nemen”, “maar je hebt niks gezegd over onze herontworpen lenskap!”). Bij deze opmerking hoort eigenlijk een andere opmerking: er wordt vaak geklaagd dat grote bedrijven te zwaar doorwegende, overbetaalde middenkaders hebben, terwijl mijn observatie hier eerder het tegendeel zou moeten bewijzen. Toch ontsnapte ook Dunning & Kruger niet aan die wetmatigheid. De competenten waren enorm overbelast en hadden dus absoluut geen tijd om grondig te kijken naar de tekst van een copywriter, en de incompetenten schopten het proces in de war met nutteloze commentaar, vertragingstactieken en andere afleidingsmanoeuvres in hun voortdurende strijd tegen de ontmaskering.
Het mocht allemaal niet baten, volgens Ilse was er te veel tekstwerk. Eind januari arriveerde de nieuwe collega. Jane Darrow kwam uit Australië en was met haar man naar Noord-Frankrijk verhuisd omdat hij daar Engelse les zou komen geven. Ilse, met haar gebruikelijke gevoel voor apocalyptiek, zag in de komst van Jane een definitieve versterking van de copywriting met een moedertaalspreker. Jane en ik konden het erg goed vinden met elkaar. Om die reden scheidde Ilse na een maand als een ware schooljuffrouw ook onze bureaus, omdat we regelmatig zaten te kletsen (roddelen). Intussen had ik geheel in die stijl een Ilse-bingo ontworpen, omdat het me niet meer kon schelen wat Ilse of anderen over me dachten. De bingo bevatte haar gebruikelijke maniërismen, stopwoorden, verhakkelde Engelse, Duitse of Spaanse stokpaardjes, en haar nerveuze ongrappigheid. Ik begon me ook te bezinnen op andere mogelijke practical jokes, zoals het bureau van Didier vol aluminium hangen (tot zijn nietjesmachine toe), of de vensters en deuren van Bernds bureau volplakken met isomo, waardoor het van de buitenkant leek of het volgestort was met piepschuim. Jammer genoeg had ik er de energie niet voor. De winter van 2008 was een gure, strenge winter met erg veel plensbuien, bussen die te laat waren, Ilse en haar mentale spruitjeslucht, en het gevoel dat ik vastzat in een afschuwelijk drijfzand waar elke korrel alleen de taal Corporate sprak, Corporate met een West-Vlaams accent.

Er verschenen meer donkere wolken aan de horizon. De pudding van HR wilde een interne nieuwsbrief uitsturen. Dat er op dat ogenblik binnen onze divisie alleen al twee soorten interne nieuwsbrieven circuleerden, plus nog een viertal van andere divisies, dat was blijkbaar geen argument. Werknemers konden vast niet genoeg krijgen van al die nieuwsbrieven, ook als er helemaal niks te vertellen viel. Ik schreef in die periode dan ook eens een onverstuurde nepnieuwsbrief waarin ik beweerde dat Shun, onze Antwerpse Chinees, per ongeluk een salesdeal verpest had door scheten te laten, of dat Ehud boos was opgestapt na een zakenlunch toen iemand een mopje had gemaakt over de Holocaust. In de nepnieuwsbrief werd ook gelachen met het Jommekeskapsel van divisiepresident Didier en het franglais van onze Franse collega’s.
Maar goed, terug naar het project van human resources, dat blijkbaar snakte naar erkenning voor alles wat ze deden voor hun kuddes ingenieurs, salesmensen en het uitschot van marketing. Jane en ik verdeelden de onderwerpen. Ik was eerder klaar met de mijne en stuurde mijn deel door naar haar. Bij haar onderwerpen had ik open plekken ingevuld met kleine zinnetjes onzin. Voor het onderwerp ‘International sales meeting’ had ik geschreven ‘Lots of fat people snoring’ of voor het jaarlijkse nieuwjaarsfeest ‘Free drinks on the CEO, hooray’. In een vlaag van verstrooidheid stuurde ik die versie door naar Louis in Amerika, omdat de HR-mensen daar nerveus waren geworden van het idee dat er interne HR-nieuwsbrieven gingen komen. Argeloze Louis stuurde dit door naar zijn eigen oversten zonder mijn tekst te bekijken, waardoor het terreuralarm daar volledig in het rood ging. Ik had namelijk van het voorwoord van afdelingshoofd Didier Verbruggen de volgende voorlopige zin gemaakt: ‘Didier announces his conversion to Islam. Death to America!’.
Ik werd gesommeerd naar het kantoor van de HR-verantwoordelijke, die net als ik onze eerdere verbale boksmatch omtrent de taxi niet vergeten was, en die me er allicht van verdacht bewust de nieuwsbrief te willen saboteren. Dat mijn uitschuiver met de nieuwsbrief eerder het product was van intense verveling en een groeiend cynisme met hoe het er aan toe ging bij Dunning & Kruger, dat kwam blijkbaar niet bij hen op. Om de waarheid te zeggen zei ik ook in het kantoor van HR, in aanwezigheid van Ilse, niet de waarheid. Ik ging er ten eerste al van uit dat men mij zou ontslaan, en ten tweede was ik al aan het uitkijken naar ander werk, tenzij ik wilde eindigen als de zoveelste zure, kromgetrokken Dunning & Krugeriaan.
“Wat heb je hierop te zeggen?” wilde de HR-directeur weten.
“Wat kan ik zeggen? Dat het een domme fout was en dat het niet meer zal gebeuren,” zei ik gelaten.
“Het probleem is dat dit tot in Amerika geraakt is, en je weet hoe gevoelig men daar al was voor dit initiatief. En nu dit... wat als men denkt dat Didier echt moslim geworden is het de Verenigde Staten niet meer binnen mag?”
Ik moest een lach onderdrukken door het absurde idee dat men bij de grenscontrole zou staan zwaaien met een kladnieuwsbrief van Dunning & Kruger waarin stond dat Didier, oerbrave Didier met zijn suskewietkapsel, een fundamentalistische moslim geworden was die ‘Death to America!’ geschreeuwd zou hebben.
“Is dat niet... nogal onwaarschijnlijk?”
“Je weet nooit!” zei de HR-verantwoordelijke. Ook Ilse knikte wijs, alsof ze tegenover iemand zat die helemaal nog niet wist hoe de wereld in elkaar zat.
“Goed,” zei ik, “ik wil me hier zeker niet voor verdedigen, want hier bestaat geen verdediging voor. Wat gebeurt er nu?”

Dat ik hiervoor niet ontslagen werd maar ervan af kwam met een blaam, wat kruiperij en een aangetekend schrijven, had ik te danken aan twee toevalligheden die in dezelfde week plaats hadden gevonden.
Ten eerste was Ilse ervan overtuigd geraakt dat Jane en ik incompetente nietsnutten waren en had ze haar copywriting-messias gevonden in een onafhankelijk bureau. Ik had die bui al een tijdlang voelen hangen, hoewel Ilse in alle toonaarden ontkend had dat er iets op til was (“copywriting is wel het laatste dat ik zou uitbesteden!”). In mijn week afwezigheid die aan Islamgate vooraf was gegaan, echter, was gebleken dat dat bureau dan toch niet zo geweldig was. Het was niet de eerste en zeker ook niet de laatste keer dat Ilse teleurgesteld was in externe bureaus. Daarbij stelde ze zich vast geen enkele keer de vraag of die teleurstelling niet te wijten was aan haar eigen onmogelijkheid.
Ten tweede had Jane de dag dat Islamgate losbarstte, haar ontslag ingediend. De druppel was een intense, agressieve meeting met Ilse geweest waarin onze onvolprezen chef op een nodeloos persoonlijke manier brandhout had gemaakt van alles waar Jane mee bezig was. Exit Jane dus, die even later al terug het vliegtuig op zat naar Australië. Het was jammer voor haar dat haar beeld van Europa voorgoed bepaald zou zijn door de stedelijke agglomeratie Rijsel-Kortrijk.
Het tweede toeval was de verhuis van Ilse naar een andere divisie. Elien en ik overlaadden haar met gelukwensen. Wij zouden tijdelijk ressorteren onder Jan van product management, en mijn eigenlijke nieuwe baas werd Lodewijk Bertels, een ambitieuze man die corporate marketing verzorgde en in een andere vestiging werkte.

Met Dunning & Kruger ging het niet goed. Al twee jaar op rij waren de resultaten slecht, en ook de voorspellingen voor het jaar erop zagen er somber uit. Mensen werden druppelsgewijs ontslagen. De ene week werden twee oudere collega’s op brugpensioen gestuurd, een andere week hield er eentje het zelf voor bekeken (niet door zichzelf op te hangen), dan weer werd er een afdeling in Japan opgedoekt, daarna vond er een stoelendans onder managers plaats waarbij er één verdween met een gouden handdruk, en verderop werd er ook enkele collega’s onder tijdelijk contract een zak over hun hoofd getrokken en werden ze met een Mercedes met geblindeerde ramen weggevoerd naar een onbekende plek in een nabijgelegen bos. Die plakjes salami van het personeelsbestand afsnijden was zeer uitgekiend en vermeed een collectieve ontslagbemiddeling met de vakbond. Er was iets rots in het koninkrijk, en het centrum van die necrose lag bij HR.
Bij ons was het oude Alfred die wegging, maar dat stond al lang in de sterren geschreven. Zijn vertrek viel eerder samen met de ontslagrondes dan dat het er veel mee te maken had. Daardoor viel een grote kostenpost weg voor marketing en mogelijk konden Elien en ik daardoor blijven. Ook van Ilse, de eeuwig rondcirkelende Stuka in aanvalsformatie, hadden we geen last meer. Elien en ik begrepen niet echt hoe ze er ook in een andere divisie in zou slagen mensen om de tuin te leiden met retorische trucs en haar bekende combinatie van venijn en geslijm. Voor ons brak in elk geval een periode aan van perestrojka en glasnost. Lodewijk kwam af en toe naar Kortrijk en deelde in zijn no-nonsensstijl mee dat het hem niet kon schelen of ik wat te laat aankwam of te vroeg vertrok, zolang mijn werk maar goed was.

Op ons nieuwe eiland maakten we meer kennis met product management. Jan en zijn manschappen hadden een weinig benijdenswaardige job. Ze voelden voortdurend de geest van R&D-hoofd Henri Cattoir achter hun rug rondwaren, en de macht die hij had over vele andere machtigen binnen de divisie, waardoor product management vaak meer het gevoel had achter feiten aan te hollen dan om werkelijk te managen. De macht van R&D groeide nog door toen Didier wandelen werd gestuurd tijdens een wekelijkse ontslagronde. Bernd, van zijn kant, vond dat zijn salesmensen zich helemaal niet met productkennis moesten inlaten. Zijn boutade was dan ook, in zijn flegmatieke Duitse accent: “een sales, die moet fe’kopen”.
De minst benijdenswaardige product manager was Gollem. Die bijnaam hadden Hendrik en ik voor hem bedacht. Gollem ging letterlijk gebukt ging onder jaren van frustratie met het beleid van Dunning & Kruger, zijn eigen werkverslaafde en meer geapprecieerde manager en het feit dat de wereld allicht tegen hem was. Hij was fan van Phil Collins. Gollems frustraties gingen van de nukkigheid van R&D, de vuilzakken in zijn straat, de Marokkanen die in de buurt van zijn bejaarde ouders woonden, de geslepenheid van Jan, en de kwaliteit van de maaltijden, tot Bernd en zijn macho salesbrigade die product management overstelpten met onnozele vragen. Dat veroorzaakte ondermeer dat er een marketing manager kloeg dat mijn brochures meer in technisch detail moesten gaan omdat onze eigen salesmensen anders niet genoeg verstonden, waaruit bleek dat de sales marketingmateriaal gebruikten om meer te leren over de producten die Dunning & Kruger verkocht. Product management liet het mini-marketingteam gelukkig vooral zijn eigen ding doen, en het moet gezegd, dat deden we goed.

Ik was intussen meer dan enkel copywriter. Ik prutste ook wat bij met grafisch design, en nam veel PR-werk op mij. Met vakjournalisten spreken deed ik graag, zeker als ik er een rondleiding bij een klant of in onze eigen demoruimte aan mocht koppelen. Al snel was ik daardoor ook de go-to-guy geworden om nieuwelingen in te wijden in de marketing van onze divisie. In elk potje had ik wel een vinger, want elk potje had een label met tekst nodig. De technologieën die we gebruikten, kenden nog maar weinig geheimen voor me. Ondanks mijn cynisme, koesterde ik nog altijd een restant van beroepseer en wilde ik dat m’n werk er toe deed. Met Jan, Gollem en de andere mensen aan ons eiland was de sfeer opperbest.
Onze onafhankelijkheidsbonanza had echter een beperkte houdbaarheidsdatum. We wisten dat men tegen begin 2009 alle marketingafdelinkjes wilde gaan samenvoegen tot één grote afdeling. Binnen de besparingsplannen die Dunning & Kruger doorvoerde, was dat geen onverwachte zet. Ik zag die toekomst tegemoet met een milde berusting. Samen met de copywriters van de andere divisies zou ik in één ruimte zitten met onze nieuwe baas, Lodewijk. Die nieuwe bureauruimte was in feite een oude bureauruimte die er ongewijzigd had bij gelegen sinds de jaren ’70, maar dat kon de pret van de anticipatie niet drukken. De marketingcollega’s van de andere divisies hadden ook elk hun oorlogsverhalen, en het voelde bevrijdend om ervaringen te kunnen uitwisselen over de starheid van oude krokodillen, belachelijke ideeën van managers die geen verstand hadden van marketing, en professionele kwesties die we enkel aan elkaar konden voorleggen (“waarom schrijven zo veel Amerikanen een dubbele spatie na een punt?”).

Lodewijk nam me op een dag apart. Hij legde uit dat hij de contracten van al zijn toekomstige poulains had nagekeken, en gemerkt had dat HR me aan het verkeerde barema had toegewezen, al dan niet met medeweten van Ilse. Hij zei het niet, maar hij zei het tegelijk wel, dat Ilse me eigenlijk op die manier vanaf dag één bij Dunning & Kruger al een broodje drol had doen eten. De fout werd rechtgezet, maar van het weinige respect dat er bij mij nog resteerde voor Ilse, was er nu niks meer overeind gebleven. Overigens werd Ilse zelf niet lang nadien op een zijspoor gezet in het bedrijf, in een positie waar ze zo min mogelijk schade kon berokkenen. Blijkbaar was het niet opgekomen bij HR om haar gewoon op straat te zetten, tenzij Ilse beschikte over materiaal waarmee ze de pudding kon chanteren. Wie weet. De HR-pudding vertrok overigens zelf naar andere oorden, en in de plaats van haar autoritaire regelneverij, kregen we een man met een pastaglimlach en een kop die gemaakt was om mee over de dijk in Knokke le Zoute rond te flaneren. Letterlijk iedereen had onmiddellijk een viscerale hekel aan hem.

Verder naar deel vijf.