Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling kortverhalen daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van 'Onklare taal'. Ik ben tijdelijk gestopt met kortverhalen, maar in 2016 heb ik een geredigeerde bundel van de beste verhalen uitgebracht: 'Recombinant' is gratis te downloaden in PDF- en in EPUB-formaat.

donderdag 20 december 2018

Wandelen over de langste plank (V)

(5) Eindbaas

Mijn paniekaanvallen werden frequenter, maar gebeurden gelukkig niet meer op het werk. Ik maakte noest mooie presentaties, nam sessies op voor het project om het Engels bij Oregon te verbeteren, en ik schaafde voor Ginn blogteksten bij tot ze diamanten werden. We kregen in ons team ook een nieuwe collega, de aangespoelde Amerikaan Cain. Daarmee wist ik dat mijn duidelijk zichtbare competitieve voordeel – mijn superieure Engels – was ingehaald. Dat was zo’n beetje de doodsklok. Maar dat wist Cain niet. Hij bleek een uiterst sympathieke, praatgrage man. Hij had een permanent verbrand gezicht en schaamde zich om Donald Trump.

Over Trump gesproken, ik wist in 2017 soms niet of ik de actualiteit nog moest volgen. Ik had het eerder over fatsoen, en hoe vele positieve kwaliteiten maar voor gewoon worden aangenomen, terwijl de hele wereld in de ban is van maniakken die geen enkel moreel kompas lijken te hebben. Niet alleen dat, er is een hele industrie die het schaamteloos boertig en nodeloos beledigend zijn viert als de hoogmis van de vrije meningsuiting. Is dat nu burgerparticipatie? Iemand die een duimbreed afwijkt van de rechtse hegemonie of toevallig een ander kleurtje heeft, op sociale media de meest ranzige doodsbedreigingen sturen? Meer dan ooit voelde ik me een vreemde balling uit een andere realiteit.

Met Sisteo werd het niets. Ze lieten een voicemail na om te zeggen dat ze me heel gekwalificeerd vonden, maar dat ik overredingskracht miste. Eind november kwam uiteindelijk mijn vierde evaluatiegesprek, waar de man van HR zei dat Oregon me ontsloeg. Ik zei dat ze me de redenen niet hoefden te vertellen. Celine leek er oprecht spijt van te hebben, vooral omdat ik blijkbaar goed lag in het team en altijd leek te zorgen voor sfeer. Ik geloofde haar. Maar ik geloofde ook dat ze handelde op basis van vooroordelen die al maanden eerder gevormd waren. In elk geval protesteerde ik niet.

De paniekaanvallen werden op slag minder frequent en minder erg. De dagen na m’n ontslag kreeg ik lieve sms’jes van de Mariekes en ook van de Amerikaan Cain. Dat was een kleine balsem op een gapende wonde. November was een horrormaand geweest: ziekte, het niet halen bij Sisteo, alles met Sofia dat ineenzakte als een mislukte soufflé, ontslagen worden, m’n auto crashen en meegevoerd worden door de politie. Ik voelde me als een complete loser.

Was het dat dan, bijna 35 zijn, werkloos, met 0 boeken uitgegeven, geen relatie en weinig toekomstperspectief? Was het dat dan, het middelmatige zelfmedelijden dat mij overviel terwijl miljoenen mensen een moord zouden plegen om mijn bestaan te kunnen leiden? Was het dat dan, gaan liggen in een bed van angst, al bang van m’n eigen buren, terwijl vrienden ergens rondcirkelden in banen rond andere planeten?

Nietsdoen is moeilijk

De eerste dagen na het ontslag nam ik me sowieso voor om zo weinig mogelijk te doen. Niet schrijven, niet lezen, niet discussiëren op het internet, geen mensen zien, niet sporten. Ik had wel een abonnement in een fitnesszaal, maar ironisch genoeg lag die niet op loopafstand en ik had geen fiets, dus daar stond ik dan.

De enige die met deze gang van zaken enorm blij was, was Tyr, die zich vaak naast, op en bij me kwam nestelen als ik op de zetel lag of in bed dutjes deed. Maar het was nu ook niet alsof ik wilde wisselen van plaats met hem. Hij is nog bang van een stofzuiger en kruipt onder het bed als het onweert. Geef me dan maar romans kunnen lezen en de bus kunnen nemen.

Nietsdoen vond ik niet zo eenvoudig. Ik mocht dan wel tot onder de grond gestampt zijn door omstandigheden, ik ben van nature een wroeter, een worstelaar, een knokker. Maar ik hield me koest. Geen eindeloze drinkgelagen, geen zielige berichten naar Sofia, geen wanhopige pogingen om in het gevlei te komen bij een potentiële nieuwe werkgever. Ik schreef me wel in bij de VDAB, waarbij ik reikhalzend uitkeek naar de nutteloze vacatures die ze me zouden sturen die nauwelijks zouden aansluiten bij mijn werkervaring (“marketing event assistant in Genk!” – “drollen opkuisen in het circus!” – “technical writer bij een tandlabo!”). Ik kreeg ook een afspraak bij de psychiater.

Bij mondjesmaat zag ik vrienden en vriendinnen. Daar hoorde ook Chiara bij die me het jaar voordien gedumpt had. Intussen waren we gewoon goede vrienden geworden en daar was ik blij mee. Ik kon nog altijd zien wat me aan haar had aangetrokken, maar zag eveneens dat onze relatie nooit een lang leven zou beschoren geweest zijn. Ik las veel, lag veel in de zetel en keek films en series, steeds met Tyr als mijn trouwe secondant.

Van de kant van Sofia bleef het stil. Ik dacht nog elke dag aan haar. Aan haar mooie zwarte haar dat ze in een tic constant achter haar rechteroor draaide. Aan haar grote donkere ogen, waar in haar kindertijd sommige mensen blijkbaar van dachten dat haar moeder haar mascara op gedaan had. En haar zachte kleine handen die soms konden verdwalen in mijn nek. Het was hels, maar ik moest er door.

Het verdriet brak volledig door toen ik voor tv was blijven hangen bij ‘Pitch Perfect’. Sofia had me al verteld dat sommige mensen vonden dat ze iets weg had van de actrice Anna Kendrick, en dat bleek inderdaad zo te zijn. Vooral haar mimiek en lichaamstaal waren heel gelijkaardig. Bij het fijne happy end zat ik een half uur aan een stuk onbedaarlijk te wenen. Bij een film over een a capella-dansgroep. Ook dat was 2017.

Het chagrijn van de middenklasse

Eerder zei ik dat ik mijn omstandigheden, hoe penibel ze ook waren relatief aan mijn ambities, eerder middelmatig konden genoemd worden. Maar ook dat is precies deel van die hele middelmaat, beseffen dat er vele anderen zijn die het nog zo veel harder te verduren hebben. Daklozen, vluchtelingen, mensen met een zware handicap, slachtoffers van seksueel geweld, en ga zo maar verder. Maar dat wist de eigen pijn niet weg, het maakt ze eerder nog acuter omdat ze plots aangevuld wordt met een besef van de oneindige futiliteit ervan.

Ik kreeg een beter beeld op de paniekaanvallen. Die hadden bijna altijd iets te maken met sociale situaties. Met de angst dat mensen aan m’n gezicht zouden kunnen aflezen dat er iets niet in orde met me was. Dat ze zouden vinden dat ik er uit zag als een zot, of dat ik stonk, zoals Celine ooit had gezegd, naar tabak en alcohol. Of dat ze zouden zien dat ik in elkaar kromp bij harde geluiden. Ik probeerde er doorheen te bijten en geen afspraken af te zeggen, niet te vermijden de bus te nemen en niet te stoppen met naar mijn vertrouwde supermarkten te gaan.

Temidden dit pandemonium aan grijze tristesse werkte ik ‘De Nieuwe Staat’ af, een uitgebreid politiek traktaat waar ik al twee jaar aan zat te werken. Mijn beleefde digitale baksteen door het venster van de elite, die hier uiteraard geen nota van nam. Tevens was er weer een editie van Droef, het podium voor pessimisme, waar ik in een groezelig krakerscafé een gedicht ten berde bracht met 50 redenen om zelfmoord te plegen. Ronald was in opperbeste stemming, en zijn kleine leger aan outcasts ook.

Hoewel m’n gedicht eerder komisch opgevat was, waren er toch momenten waar ik dacht dat de wereld misschien een betere plek zou zijn zonder mij – zonder die zeurkous, zonder die potverteerder die toch nooit iets zou bereiken buiten nu en dan een opinie in de marges van een weekblad of een lollige tweet die enkele honderden volgers doet glimlachen. De antidepressiva die ik nam deden te weinig, buiten mijn libido verlagen en mijn erectiele prestaties geheel onbetrouwbaar maken. Soms voelde mijn lul aan als een stuk rubber. Je de kan de man wel uit de mythe over mannelijkheid halen, maar de mythe over mannelijkheid uit de man halen is een heel ander verhaal.

Optimisme en badschuim

Wat waren de media en veel weldenkenden opgelucht toen Emmanuel Macron het Front National versloeg, toen Mark Rutte de PVV wist te verdringen van het hoogste politieke schavot of hoe het AfD in Duitsland uiteindelijk geen machtsfactor bleek in de regeringsvorming. Dat soort optimisme vond ik misplaatst. Eind 2017 leek het me dat de enige zogenaamd democratische krachten die aan de macht waren, vooral veel retoriek van extreemrechts hadden overgenomen. En die retoriek was nooit gegrond in echte feiten. Bij elke fascist hoort een samenzweringstheorie, en bij elke zelfverklaarde democraat die lucht pompt in die theorieën hoort een nuttige idioot in de media die dit kritiekloos berichten.

Ik mocht dan wel onder de grond zitten, mentaal gezien, het was me niet ontgaan hoe journalisten N-VA-kopstukken keer op keer lieten wegkomen met leugens, verdraaiingen en intentieprocessen terwijl ze hun kritische elan terugvonden als het er op aan kwam om sjoemelende socialisten aan de schandpaal te nagelen. Ik haat het om die vergelijking te maken, maar het was eigenlijk Celine writ large, die mij wriemelend onder een microscoop had gehouden terwijl anderen de ruimte hadden om te blunderen.

De psychiater vond dat ik (tenminste voor een tijd) moest stoppen met drinken. Ik ging akkoord. Het stond een genezing enkel maar in de weg. Na mijn huisarts in 2015 en mijn tandarts in 2016 was ze de nieuwste dokter in m’n leven die jonger was dan ikzelf, wat het er nog meer in wreef dat ik niet meer de glunderende jonge god was die nog allerlei ingebeelde kansen had gehad. En temidden van al die waanzin miste ik Sofia nog altijd. Tegelijk was ik langzamerhand aan het opstijgen uit de diepste krochten van miserie en zelfmedelijden. Tyr en ik waren op lange avonden vaak beste maatjes, hij opgekruld in de kom van m’n arm, ik verdiept in een boek of een film.

Ik zal niet zeggen dat ik op 1 januari 2018 weer volop hoopte. Daar was ik nog te murw voor. Maar er begon zich een schijnsel af te tekenen aan de horizon dat meer was dan enkel proberen om de volgende crash te overleven. En al bij al waren er nog vrienden, familie en was de kans niet verkeken op ander en beter werk.

Maar eerst besloot ik nog een lang en uitgebreid bad te nemen, met heel veel schuim, de asbak op de badrand en een boek bij de hand, terwijl Tyr bij me zat op de badmat, langzaam knipperend met zijn grote amberogen, alsof hij wilde zeggen “het is ok”. Er zat nog steeds liefde in me. Ik had nog altijd passie. Ik was nog altijd bereid om mee te werken aan een betere wereld. Mijn grootouders en overgrootouders overleefden één of beide Wereldoorlogen. Dan moest het toch mogelijk zijn voor mij om uit mijn mijnschacht terug naar boven te komen? 


Geen opmerkingen:

Een reactie posten