Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de verhalenafdeling daarvan. In 2016 bundelde en redigeerde ik (streng!) alle tot dan toe geschreven kortverhalen in de antologie 'Recombinant' en in 2023 bracht ik de novelle 'De keizer van Populië' uit - je kan beiden gratis downloaden als je Patron wordt. In 2020 verscheen mijn debuutroman 'Fragmentariërs'. In 2023 bracht ik de opvolger 'Constellatie' uit. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

dinsdag 2 februari 2010

De kleine onderwereld (II)

2. Meisjes

De laatste studente die ik zou begeleiden was, een beetje tot mijn teleurstelling, geen naargeestige, uitgebuite Filipijnse met holle ogen, maar een door en door Vlaams kind dat het duidelijk niet vooraan had gestaan toen God bezig was geweest met het bedelen van intelligentie.
“De appel valt niet ver van de boom, Marieke. Wat denk je dat dat betekent?”
“Heu, dat... wel ja, je doet iets... en het is duidelijk, heu... niet ver.”
Ik krulde mijn onderlip over mijn bovenlip. Dit ging nergens naartoe. Beneden over het smalle binnenkoertje dat God weet welke functie had, zag ik door het venster Aristide iets opschrijven. Hij zag er erg geleerd uit.
“Goed dan, het volgende spreekwoord: hoge bomen vangen veel wind.”
“Haja... boomtoppen, daar kan het nogal hard waaien,” zei Marieke.
“Ja, dat is waar,” beaamde ik, “Maar wat betekent het in een situatie waarin je zoiets zou zeggen en er zijn geen bomen?”
“Ik weet het niet,” gaf ze toe.
“Het wil zeggen dat mensen die veel aandacht krijgen, bekend zijn of machtig zijn – dus, hoge bomen, omdat ze een hoge functie hebben – veel kritiek krijgen. De bomen zijn de mensen en de wind is de kritiek.”
Marieke schreef druk op. Ze had overigens een enorm groot geschrift.
“De blinde leidt de blinden. Heb je daar een idee van?”
“Dat... heu... gehandicapten elkaar opzoeken?”
“Bijna. Het gaat erover dat we eigenlijk allemaal even dom zijn, en dat dommeriken zich vaak ook laten leiden door dommeriken.”
“Maar blinden zijn toch niet altijd dom?”
“Nee. Het is figuurlijk. Een blinde ziet niet, en heeft dus letterlijk geen inzicht. Vandaar de betekenis – je moet die spreekwoorden niet zo letterlijk interpreteren.”
Ik denk dat er ergens vier figuurschaatsers achter haar ogen pirouettes aan het draaien waren.
“Weet je het verschil tussen ‘figuurlijk’ en ‘letterlijk’?”
Ze keek radeloos, en ik had een vlaag van intens medelijden met haar.
“Letterlijk is bijvoorbeeld: ik ben een man. Figuurlijk is: ik ben een varken. Ik ben natuurlijk niet echt een varken, maar omdat ik bijvoorbeeld een pak eigenschappen deel met een varken, noem ik mezelf een varken. Begrijp je het beter nu?”
Ze keek vertwijfeld.
“Je moet niet ‘ja’ zeggen om mij een plezier te doen,” zei ik.
“Sorry. Ik versta het niet goed.”
“Goed. Ik probeer het nog eens. Maar ik ga eerst een cola halen.”
Terwijl ik teleurgesteld moest constateren dat de automaat nog altijd zo goed als leeg was – Frans was niet bepaald scheutig daarmee, zoals met niets eigenlijk – dacht ik aan het feit dat ik nog steeds ongeveer 500 euro moest krijgen. Ik had morgen gelukkig een sollicitatiegesprek bij een bonafide bedrijf.

Buiten Aristide was er nog een andere medewerker van Frans, een oudere repetitor die onmiddellijk opviel tussen de jonge mensen die er werkten. Frans liep hoog met de intellectuele vaardigheden van Freddy op, want Freddy “gaf alles”. Freddy maakte op mij eerder een indruk van typisch halfcorrupte belgitude, en een slechte kant van mijn karakter zag er ook het type in dat zich wel eens liet betalen in Aziatische natura. Het was duidelijk dat Freddy wel telkens op tijd zijn geld zag. Zijn snor en buik waren even vettig. Ik stelde me Freddy, Aristide en Frans vaak voor, in afschuwelijke shorts, ergens in een uitgewoonde bar in Thailand, met grijnzen op hun boevengezichten, ladyboys op hun schoot en op de achtergrond die ene hit van Lou Depryck en zijn Hollywood Bananas.
De eerste keer dat ik Freddy zag, was in de kelder van het bureau. Frans had me gevraagd om m’n lesvoorbereidingen te zien, en in een zeldzaam genereuze bui voegde hij er aan toe dat ik die ook mocht inrekenen bij de uren die ik gepresteerd had.
“Kom ik naar je kantoor?”
“Ja, maar ik zit in de kelder. Je zal me wel vinden.”
In die nauwe, clastrofobische kelder trof ik Frans aan, die aan een tafel zat met de man die hij me voorstelde als Freddy, en een paar grof geschetste Zuidoost-Aziaten met pokdalige gezichten. De mannen zaten te vergaderen. Frans nam mijn papieren aan alsof het de normaalste zaak van de wereld was om te vergaderen in zijn kelder, en er tussen de fijnere details van de vrouwenhandel door nog eens andere zaakjes te klaren. Freddy zat er bij als een boulet met een snor, met zijn handen berustend op zijn dikke buik.

Frans was boos.
“Waarom ben je niet komen opdagen op je afspraak met Marieke? Freddy heeft dat moeten overnemen, en die mens is al zo druk bezet!”
“Jij komt ook je afspraken niet na. Ik heb nog steeds dat geld niet gezien.”
“Kom naar het bureau.”
Het was al diep herfst intussen, en de stad baadde in een wat naargeestige sfeer. De dagen dat het om negen uur ’s avonds nog volop licht en warm was, waren geweken voor de donkere drab van rondvliegende bladeren en mensen die als in rouw schuilgingen in dikke sjaals. Ik vroeg me af, terwijl ik naar het bureau onderweg was, of Frans me in razernij zou vermoorden. Of misschien wachtten Freddy of Aristide me op op een straathoek om me te laten aftuigen door ingehuurde kleerkasten.
“De examens van je studenten waren slecht!” riep hij, eens ik was aangekomen op het kantoor.
Hij rookte voor een keer niet. Zijn zoon was er ook bij. Zijn zoon was een verstandelijk gehandicapte jongen die soms ook bijkluste in het kantoor als een soort debiele Argus als Aristide er niet was. Ook Freddy was nergens te bespeuren.
“Hoezo?”
Dat raakte me natuurlijk wel in het weinige eergevoel dat ik aan mijn werk voor die charlatan nog overhield.
“Pieter was gebuisd voor zijn Engels, en zijn Nederlands was al niet veel beter.”
“Ik gaf hem geen Engels,” zei ik traag.
“Ja, goed dan. Maar hij was ook gebuisd voor Duits. Edouard... geen goed resultaat voor Engels. Abdel, voor Duits, net de helft... Goed kan je dat toch niet noemen?”
“Frans, Pieter was onbeschrijflijk lui. Daar kan ik niets aan veranderen. En ik moest Abdel Duits leren van nul. Dat hij er door is, is in feite een mirakel.”
“Maar je moet die gasten meer motiveren!”
“Al goed. Maar dat verandert wel nog niets aan het feit dat ik nog altijd niet opnieuw betaald ben. Je bent al twee maand te laat. Ik heb ook gebeld naar jou, sms’en gestuurd en een briefje achtergelaten. Je moet dan toch niet verwachten dat ik extra mijn best ga doen?”
Frans zakte in elkaar in zijn bureaustoel, leek iets aan z’n zoon te gaan vragen die er bij stond als een versgesteven kaars, maakte een pijnlijk grimas en stak een sigaret op.
“Het is allemaal niet simpel. Allez, zet u.”
Ik ging zitten en vroeg me af wel excuus Frans ging verzinnen om de betaling nogmaals uit te stellen.
“Ik heb de laatste tijd wat gezondheidsproblemen gehad, en met mijn vrouw gaat het ook niet goed.”
“Dat versta ik,” zei ik vlak, want zelfs al was het niet waar, kon ik moeilijk zeggen dat ik niet geloofde dat Frans’ vrouw kanker had, en aangezien de man zelf er uit zag alsof hij drie keer door een pulpmolen gedraaid was, leek het me ook niet zo vergezocht dat hij ook in een slechte gezondheid verkeerde.
“Enfin, het was gewoon een zware verkoudheid hoor, bij mij,” relativeerde Frans zijn eigen lijden, “Maar ja, een mens is daar toch even paraplu van, je verstaat dat wel.”
“Ja. ’t Is ook daarom dat ik zo vaak niet kan komen, Frans. Ik heb zelf ook geen goede gezondheid, en buiten mijn medicamenten moet ook mijn huur betaald worden, en mijn vriendin studeert nog.”
“Wat voor medicamenten neem je dan?” informeerde Frans.
“Medicijnen voor mijn mentale gezondheid,” overdreef ik, “Het probleem is dat als ik die een tijd niet goed doseer en te veel of te weinig neem, dat ik er nog onvoorspelbaar van kan worden.”
“Hoezo onvoorspelbaar?”
Frans liet weer een onwillekeurige blik gaan naar z’n zoon.
“Goh, als... ja, ik weet het niet. Agressief, onhandelbaar. Niet eenvoudig.”
Frans leek me nu met een heel andere blik te taxeren. Ik was de schurk gaan opzoeken met het absurde idee dat hij me misschien zou afdreigen of dat ik zijn ware gelaat ging te zien krijgen als harde crimineel, maar nu leek het eerder alsof hij zich zelf dat af te vragen of ik niet volkomen waanzinnig was. Er viel een ongemakkelijke stilte.
“Pas op, het gaat wel hoor. Maar ja, je kent dat, ’t is niet simpel.”
“Nee, nee,” zuchtte Frans, duidelijk blij met mijn aangereikte conclusie, “Bon, allez, we verleggen die afspraak met Marieke, en als je dan komt, dan betaal ik je ook. Goed?”
De gedachte kwam even bij me op om te vragen wat er zo moeilijk was aan een overschrijving, maar ik had geen zin nog langer in Frans’ rokerige aanwezigheid te verkeren. We wisselden nog wat beleefdheden uit en ik liet hem nogmaals zijn belofte herhalen, waarop hij me er nog succes met mijn gezondheid aan toevoegde. Ik wenste hem hetzelfde toe. Toen ik de deur achter me toe trok, hoorde ik Frans’ zoon verwonderd vragen: “Maar papa, jij bent toch helemaal niet ziek?”
Ergens speelde Johann Sebastian Bach in mijn hoofd een van zijn meest demonische orgelstukken.

Ik zag nog een deeltje van het geld dat Frans me schuldig was, en daarna koos ik het hazenpad. Ik had intussen bonafider werk gevonden. Onvermoeid bleef hij echter voicemails nalaten, tot ik hem een brief onder z’n deur schoof dat ik nog altijd tweehonderd vijftig euro moest krijgen van hem en dat ik ander werk had. Ik betwijfel of hij die brief bewaarde, maar de telefoons hielden alleszins op. Enkele maanden later kwam Frans weer volop in de media met zijn frauduleuze praktijken, en werd zijn bureau opgedoekt.
Als ik dezer dagen door de straat passeer waar hij gevestigd zat, slaat de geur van lijm en Marlboro me nog steeds in de neusgaten. Ik vraag me af waar Aristide z’n tijd nu mee doorbrengt. En of Abdel daadwerkelijk rechten ging studeren. Maar zonder er antwoord op te krijgen vraag ik me nog meer af of Frans nu eigenlijk een gewiekste toneelspeler was, dan wel een tragische prutser die enorm veel geluk had dat hij en zijn knoeiboel niet eerder door de rechtbanken gesleurd werden.

maandag 1 februari 2010

De kleine onderwereld (I)

1. Repeteren, repeteren

Het was de warme nazomer van 2006, en ik had geld nodig. Via een betrouwbare vriend kwam ik in die periode in contact met Frans. Die was zaakvoerder van een repetitorenbureau, wat voor de slechte verstaander neerkomt op een bureau waar studenten in moeilijkheden aan dure prijzen bijles kunnen krijgen in diverse vakken. Dergelijke bureaus hebben geen goede reputatie wegens gebrek aan reglementering, en kunnen een jungle zijn voor zowel klanten als werknemers. Ook een socialistische excellentie was in opspraak gekomen omdat ze haar thesis door zo’n bureau zou laten schrijven hebben. Dat bureau in kwestie was overigens Frans’ bedrijf, en hij bevestigde noch ontkende dat verhaal met een monkellachje dat hem volkomen typeerde. Op dat ogenblik had ik geen idee dat Frans al enkele keren in de pers was verschenen met zijn
frauduleuze praktijken, waaronder een veroordeling voor vrouwenhandel, en wist ik ook niet dat het na enkele jaren gedaan zou zijn met diezelfde praktijken. Het kon de pret van een zomer niet drukken.
Omdat ik wel had gehoord dat repetitorenkantoren er vaak een bedenkelijke reputatie op nahielden, had ik er al van bij de eerste afspraak op gestaan van alleen contractueel te werken.
Er kwam een contract, maar dat stelde eigenlijk weinig voor.
Vol goeie moed, maar gelukkig met een modicum aan achterdocht, ging ik aan de slag. De komende drie a vier maanden probeerde ik vooral studenten naar en door hun examens Duits te slepen, met schema’s, oefeningen, uitspraaklessen en woordenschatlijsten, zoals het een volbloed vrijetijdsdocent betaamde. Er zat ook een verwaaide Franstalige Brusselaar bij die ik Engels moest bijbrengen, en twee mensen wier kennis van de diepere particulariteiten van het Nederlands moest bijgevijld worden.

“En veel les geven. Zorg dat ze snel weerkomen.”
Frans was duidelijk een pedagoog met ervaring. Hij zat overigens niet graag op kantoor, en dat kon niemand hem kwalijk nemen. De muren waren namelijk van een beige dat al uitgestorven was in 1976, en er hing een voortdurende rookwalm. Eigenlijk was dat een puike prestatie, want Frans zat bijna nooit in zijn kantoor, dus als hij er zat, dan moest hij gemiddeld tien sigaretten per uur roken om het behangpapier voldoende te chambreren naar het aroma van zijn favoriete merk sigaretten.
“Hier, bel eens dat nummer.”
Er lagen erg veel handgeschreven notities en slecht gestencilde papieren op het bureau, en nergens een computer. Frans zelf leunde achterover in zijn bureaustoel, en keek toe als een reptiel. Hij droeg doorgaans kostuumvesten in hetzelfde kleur als zijn behang, en had de permanent naar beneden getrokken mondhoeken van een man die de hele dag door last heeft
van maagzuur. Zijn bril had transitielenzen en zijn haarlijn was intussen al zo ver teruggeweken
dat ze zelfs niet meer als een allegorie kon opgevat worden voor het droogleggen van Flevoland.
“Hallo. Ja, ik zal u les Duits geven.”
“Aja, goed.”
Als een echte patron knikte Frans en duwde hij zijn sigaret in de asbak.
“Geef wel nooit uw gegevens door aan die gasten,” waarschuwde Frans nadat ik de telefoon neergelegd had. Waarom was me toen niet erg duidelijk, maar later verklaarde hij dat het was omdat er vaak leraars aan de haal gingen met zijn clienteel. Dat leek plausibel, al waren de andere lesgevers die in het gebouw rondwaarden doorgaans ook mijn leeftijd, en zagen die er alles behalve inhalig of geslepen uit. Soms was het zelfs moeilijk de lesgevers van de studenten te onderscheiden. Alleen Frans troonde boven iedereen uit, met zijn boevenkapsel en zijn pornobril.
“Aristide, hebt ge de gegevens van die gast genoteerd?”
Aristide was een oude man die sprak in een plechtstatig soort Nederlands dat deed denken aan de tijd van de BRT. Soms leek hij een beminnelijke, wat verstrooide grootvader, en dan weer leek ik in zijn staalblauwe ogen iets enorm kouds op te merken, als van een ex-bokser die een paar lijken in de kast had.
“Uiteraard, Frans,” zei Aristide voorkomelijk.
Ik grabbelde een paar gestencilde briefjes mee van bij een kartonnen doos. Daarop werden namen en uren les genoteerd, en het bedrag dat de student ervoor betaald had. Op dat briefje stond steeds ook de volgende les al opgeschreven. Als het aan Frans lag, moesten studenten eeuwig blijven terugkomen, want dat betekende meer geld. Hij adverteerde zijn bureau met gedreven advertenties die hij vast zelf niet geschreven had, en strooide ronkende termen als ‘mindmapping’ en ‘mimetische imprints’ in het rond. Aanvankelijk kon ik me moeilijk iets bij die zaken voorstellen, laat staan dat ik gekwalificeerd was om jonge mensen mimetisch te gaan imprinten, maar uiteraard was het gigantische blufpoker om ouderwets bijlesgeven te verkopen als een revolutionaire techniek die zelfs van de meest geblutste prutser een geleerde zou maken.

Mijn eerste student was wat men alleen maar kon omschrijven als een ‘vlotte boy’. Een getaande blonde halfgod met een nauwelijks bedwingbare, parelwitte glimlach, en haar van zulk een geföhndheid dat zelfs Oostenrijkse schlagerzangers zouden moorden voor zo’n kapsel. Een erg sympathieke gast ook, maar nogal snel tevreden.
“Aja, betekent dat echt niet iets anders?”
“Nope.”
Duidelijk geboren als verkoper. Hij haalde z’n schouders op met een air van “ik kon maar proberen”, alsof ik plots van idee zou veranderen over waar een datief ook alweer voor diende.
“Heb je je oefeningen gemaakt?”
“Geen tijd gehad.”
Goed. Dat zou ik de komende maanden wel later horen.
“Dan doen we het nu.”
Zo waren mijn uren ook alweer gauw gevuld. De kamers in het gebouw waar ik les moest geven leken soms op bureaus die haastig ontruimd waren geweest in de jaren ’80 en sindsdien geen nieuw meubilair meer hadden gezien. Het rook er ook overal naar lijm. Voor de ‘vlotte boy’ werd ik onmiddellijk uitbetaald op de afgesproken termijn, met daarbij wel de dringende vraag of ik niet wat vaker kon komen. Omdat ik intussen al door had dat ik werkte voor een schurk, verzon ik excuses om niet te vaak te komen, zodat ik niet al te veel tijd moest verspillen en intussen kon blijven uitkijken naar ander werk. Ik weet niet of Frans het echt geloofde aangezien hij een leugenaar pur sang was, maar ik gokte erop dat als hij echt geloofde in zijn eigen leugens (“pedagogiek”, “respect”, “elkaar vaak zien!”), hij mogelijk ook vatbaar was voor geloofwaardige onzin van anderen. Aristide leek er allemaal het zijne van te denken.

Andere studenten passeerden de revue. Pieter was een erg sympathieke jonge mens die blijkbaar vooral rekende op zijn charme om het in het leven te halen, en had nooit zijn taken voorbereid. Edouard, de eerder genoemde Brusselaar, was perfect tweetalig maar had een Frans accent in zijn Engels waar met zelfs bij ‘Allo ‘Allo nog van zou opkijken. Er was ook een erg enthousiast, goedmoedig meisje dat Frans me had voorgesteld als iemand die technisch onderwijs volgde, maar eigenlijk beroeps deed en waar ik me van afvroeg of ze daar effectief wel Duits hadden, laat staan moesten kennen. Het grootste deel van de les met haar bracht ik door met te keuvelen over de trouwplannen met haar vriend. Het meeste hoop had ik voor Abdel, en die hoop was vermengd met een weemoedig, links geinspireerd medeleven dat me motiveerde om het beste uit mensen te halen. Abdels vader was een Turkse bakker ergens in een Limburgse gouw, en hij had van z’n middelbaar duidelijk een potje gemaakt. Maar hij was gedreven om vooralsnog te slagen voor de middenjury en daarna rechten te gaan doen. Kerel met het hart op de juiste plaats, en leergierig ook, dat voelde je aan. Zelfs Frans leek tegenover Abdel bewogen door meer dan financieel cynisme, en had hem naar verluidt geholpen toen hij in het ziekenhuis beland was na een zware infectie.
“Fin de siècle, wat is dat?”
“Een typisch gevoel van rond de eeuwwisseling. Men geloofde ergens dat het gedaan was met de wereld, en beschreef de wereld dikwijls als decadent, vervallen en alleen nog maar uit op puur genot.”
“Dat klinkt niet erg vrolijk,” merkte Abdel op terwijl hij opschreef wat ik zei.
“Van de meeste literatuur wordt een mens niet vrolijk,” zei ik, terwijl ik door een bepoteld venster uitkeek op straat, “Maar het is wel interessant.”
“Ja, ja. Dat zie ik.”
Ik moest Abdel iets bijbrengen over literaire stromingen. Het leek hem te boeien.
“Jammer dat ik geen tijd heb om al die dingen te lezen.”
“Dat hoeft ook niet per se. Je komt meestal rond met de korte inhoud om te slagen voor de dingen waar je voor moet slagen, en je moet kunnen uitleggen wat bijvoorbeeld naturalisme anders maakt dan postmodernisme.”
Dat waren de aangenaamste lessen, waar een student blijk gaf van wilskracht en intelligentie. Ze wisten allemaal dat Frans een bandiet eerste klas was. Ze hadden in zijn zogezegd vergrendelde kantoor boven landkaarten gevonden met routes om makkelijk Thailand in- en uit te raken, en ze voelden zich duidelijk een bende vrijbuiters als ze weer een krantenartikel hadden gevonden over Frans en zijn malafide praktijken. Frans hield die artikels overigens zelf ook bij, waarin hij de passages die zijn eigen leugens het meest tegenspraken in fluo aanduidde, alsof die hem persoonlijk gekwetst hadden. Daardoor waren zijn tussenkomsten bij de nietsdoende studenten die boven vegeteerden soms aandoenlijk. Ik deed alsof ik er niet was, op dat soort momenten. Soms slaagden ze er zelfs in om delen van het kantoor nog verder te reduceren tot een staat van permanente ombouw.
“In brand! Kun je dat geloven! Een deur in brand gestoken!” zei Frans, toen ik tegenover hem zat in zijn leger.
“Ja, er is ook erg veel lijm, natuurlijk, en dat brandt goed. Typisch middelbare school,” zei ik gelaten.
“Maar kom! Dat kost geld!”
“De jeugd heeft geen respect meer,” zei een andere lesgever, die naast me zat. Ik keek verbaasd op en vroeg me af waarom die het nodig vond te slijmen bij Frans, die intussen alweer enkele weken overtijd was met zijn betalingen.
“Precies,” zei Frans, die het hoofd schudde en besloot nog een sigaret te roken, “Nu goed, ik heb aan Aristide gevraagd om toezicht te houden. Als jullie er zijn, zorg er ook voor dat die gasten geen stommiteiten uithalen.”
“Ge kunt op mij rekenen Frans,” zei de andere lesgever, die eruitzag alsof hij uit een propagandaposter was gestapt van de jaren ’40. Ik zei niets en ging nog een stapel briefjes halen.
“Trouwens,” zei ik in de gemoedelijke sfeer die nu was neergedaald over het kantoor, “Ik heb tot hier toe bijna alleen maar aan jongens lesgegeven.”
Een duister licht werd aangeknipt achter Frans’ transitielenzen.
“Meisjes?” herhaalde hij mijn implicatie met een monkelend lachen, “Ik kan u meisjes bezorgen.”

Verder naar deel twee.

woensdag 4 november 2009

Drietand

“… stipt om halfnegen beginnen. Dat zijn zo’n beetje de regels, die je ook kan terugvinden in de map die je hebt meegekregen toen je hier de vorige keer kwam.”
Evelien sloot haar ogen en slikte. Haar mond was droog, en ze voelde zich murw geslagen door de al een uur durende uitleg van Caroline, de behulpzame dame van human resources. Tegenover Evelien zat ook Frank, een van haar toekomstige bazen, en ze merkte aan zijn blik dat hij niet alleen even verveeld was, maar dat hij telkens als hij dacht dat ze het niet zag, zijn ogen van haar hals naar haar decolleté liet glijden. De blazer die ze aan had, deed haar zweten onder haar oksels, en ze voelde tevens ook zweet in haar knieholtes en handpalmen.
“… kilometervergoeding of het terugbetalen van bijvoorbeeld een treinabonnement, maar in de regel kiezen de meeste werknemers voor…”
Frank had iets van een kolossale vis die zich in een maatpak gewurmd had, en zijn vlezige handen waren vinnen. Hij droeg geen ring – vissen dragen dat niet. Binnen drie dagen zou ze die vis elke morgen begroeten op kantoor, in deze gebouwen, in deze nog onbekende en onbeminde streek.
“… maaltijdcheques die voor een deel door de werknemer, en een deel door de werkgever betaald worden. Verder zijn er na elke performance review ook eenmalige bonussen mogelijk, of permanente loonsverhogingen boven op de anciënniteits- en indexeringsaanpassingen, maar door de moeilijke economie zijn er dit jaar geen bonussen of loonsverhogingen toegekend.”

Jan scrollde met het muiswiel door zijn map met porno, gecatalogeerd volgens genre. Eerst was er de uitgebreide collectie amateur- en anale porno, dan een beperkte verzameling met bukkakefilms vol schreeuwende Japanners, de cumshots, de deepthroats en de double penetrations, waarvan hij vooral van de laatste soort recent veel had kunnen downloaden. Dan kwamen de hentai, de interracial en de lesbische porno, vol opgedreven vrouwen met siliconen, gigantisch hoge schoenen en die om ter hardst klaarkwamen, en een folder met lolita- en teen porn, waar Jan eigenlijk al maanden niet meer naar gekeken had. Terwijl zijn erectie groeide, krabde hij aan zijn stoppelbaard. Hij opende de lesbische porno. Vandaag was het een dag voor lesbische vrouwen, vond hij. Buiten regende het.
Jan stak een sigaret op en masseerde met een ander hand zijn kruis, terwijl er een hoogpotige blondine met een jaren ’90-kapsel een hotelkamer binnenkwam, slechts gekleed in hakken en kamerjas. Op het bed lag een brunette die heel slecht deed alsof ze sliep. Jan moest grinniken, en blies een rookpluim weg over de computermonitor. Hij opende de knopjes van zijn pyjamabroek, en dacht aan gisteren.

Lucas wandelde over straat, met zijn handen diep in zijn zakken. Zelfs bij vol daglicht leek de stad gebukt te gaan onder de stolp van de melancholie. Hij negeerde een bedelaar die om aandacht en geld vroeg, en stapte dwars door een plas. Zijn rug deed pijn, en zijn hoofd zat dicht. Zijn ogen voelden nog steeds dik, en hij besefte dat hij gisteren misschien niet zo veel had moeten drinken, maar op dat ogenblik had het louterend geleken. Zijn grote, permanent trieste hondenogen gingen langs verschillende winkelvensters onder het wandelen. Grote korting op nieuwe schoenen. De laatste trends in mannenmode. Gezonde, huisbereide snacks en de lekkerste broodjes. Wie zou er ooit adverteren met slechte broodjes? Lucas hoestte en wrong zich langs een hoop uitgelaten tieners. In zijn vingers speelde hij voortdurend met de ring, en hij had al meermaals overwogen om hem gewoon in het riool te gooien, maar dat was ook zo’n zonde. Iemand anders zou er misschien nog iets aan hebben. Iemand met dezelfde naam, mogelijk lelijker, mogelijk knapper, alleszins en hopelijk trouwer. Regendruppels begonnen traag te vallen in plassen. Lucas gromde binnensmonds een vloek en zette wat gehaaster zijn weg verder.

“Ja, geen probleem,” zei Evelien, “ik begrijp alles.”
Caroline leunde met een blik van een tevreden werknemer achterover in haar stoel, en knikte. Ze droeg een grofwollen coltrui, die haar woekerige, elektrificerende kapsel op een slechte manier accentueerde. In het kunstlicht van het bureau zag ze er aan de vale kant uit. Allicht moeder van drie, met frequente dromen over betere tuinmeubels en reizen naar Frankrijk. Ze schoof het contract naar Evelien toe. Tekenen. Hier tekenen, gelezen en goedgekeurd. Naam, datum. Franks karperblik stond op volslagen oneindig. Misschien dacht hij aan de broodjes op de volgende meeting, of aan zijn lege beker automatenkoffie. Evelien deed nog even alsof ze de hoop papier aan het lezen was – onmiddellijk tekenen was zo onnozel.

Jan gaf er de voorkeur aan om op het gemak te masturberen. Hij had deze scene al meermaals bekeken, en wist ongeveer wat er ging gebeuren. De blondine was nu de vals slapende brunette aan het beffen, en de camera gleed over het lichaam van de brunette, met een close-up van haar gave, allicht niet bijgewerkte gezicht, dat desondanks wel plakte van de make-up. Echte pornogrime, met pornokapsels en pornodecors. Jan werd steeds harder, vooral toen de brunette wakker werd en er zich kirrend over verwonderde dat ze gebeft werd door een wildvreemde vrouw. Een wijd shot toonde de ranke rug van de blondine, en haar wulpse, brede kont die rustte op de hielen van haar hakken, die ze geheel conform de traditie van het genre aan had gehouden. Het was op dat ogenblik dat hij merkte, aan de rug en de kont en zelfs een beetje het haar van de blondine, dat de actrice leek op Evelien. Ze hadden dezelfde armen en lange vingers, dezelfde sterke hals. Jans erectie leek te twijfelen of ze nu net nog harder zou worden, of net niet, en kwam in conflict met een gevoel van schaamte in zijn maag. De sigaret was intussen opgebrand in de asbak. Hij besloot door te rukken.

De winkel was dicht. Lucas vloekte. Intussen was het wat harder beginnen regenen, en voelde hij zich een figurant in een slecht tv-drama. Hij probeerde hard om niet te vervallen in zelfmedelijden, maar het was moeilijk, in het licht van wat Evelien hem verweten had. Hij ging op de drempel van de winkel zitten, waar een klein afdakje boven was dat een schamele bescherming bood tegen het regengeweld, dat nu her en der shoppers uiteendreef. Alleen de taaie bejaarden bleven op straat, beschermd door veelkleurige, statige paraplu’s. Regen plensde op de terrasjes in de verte, en maakte een triest roffelende muziek op de lege tafeltjes. Kutstad.
De stad was een kut, en Lucas was dat zelf ook. En Evelien was een en al kut. Hij speelde
opnieuw met de ring in zijn vingers. Lucas was ex-verloofde, ex-vriend, ex-onnozelaar en ex-lamzak die niet genoeg had gedaan. Maar geen ex-ring, nog niet.

Evelien tekende, en bezegelde haar lot. In de gang naar het kantoor had een poster gehangen waar “Levenslang leren” op stond. Het had enorm deprimerend overgekomen. Caroline kuchte, en Frank, de bolle karper, keek toe als iemand die al even op zijn maaltijd zit te wachten.

Jan bleef tegelijk twijfelen en masturberen. Zijn ogen waren aan het scherm gelijmd, en in de driftig beffende porno-actrice zag hij alleen maar het porno-evenbeeld van Evelien. Hij dacht aan haar zuigende mond en ook aan haar kleine, maar helderblauwe ogen die hij hier weerspiegeld zag. Diezelfde ogen die dronken en beneveld naar hem hadden opgekeken vanuit het duister. Een laatste juichkreet van een vrij leven, dat Jan zelf mee om zeep had geholpen.

Lucas voelde tranen opwellen. Dan toch weer dat zelfmedelijden. Maar ook die immense, alles verzengende haat jegens haar en hem, en jegens zichzelf. Hij was nog te laf om in de Schelde te springen, en hij voelde zich dom omdat hij twijfelde of het nu wel de Schelde dan wel de Leie was die het dichtste lag. Zijn vingers probeerden de ring te vermorzelen. Hij wilde ervan af, maar wist niet hoe. Weggooien leek onelegant, weggeven uitgesloten.

Het werd zwart voor Eveliens ogen. Ze drukte de pen hard in het papier, en het papier scheurde. Frank keek op. Caroline zat versteend. Evelien verfrommelde het contract, keek beide mensen aan alsof ze nog iets ging zeggen, bedacht zich, en stormde klepperend het bedrijf uit. Nooit, nooit, nooit.

Jan kwam hevig klaar, maar nog terwijl hij zijn laatste resten zaad wegspoot over zijn buik, voelde hij zijn borst schokken en begon hij onbedaarlijk te huilen. Hij wist niet waar hij zijn kleenex eerst voor nodig had.

Lucas nam als verdoofd de pandjeswinkel in zich op. Het zag eruit als een rommelmarkt die net terug binnen was gehaald tegen de regen. Mixers, oude games, een kleine televisie, dekens en een volledige tuinset voor vrouwen van veertig. De man achter de balie liet hem weten dat de ring 35 euro waard was. Te weinig, maar Lucas had geen zin om te pingelen. Die vernedering wilde hij zichzelf besparen. Hij keek nogmaals rond. Kandelaars, kitscherig zilveren bestek en een nepzwaard. Zijn oog viel op een haast verborgen voorwerp.
“Is dat een alarmpistool?”
De verkoper kneep zijn ogen samen tot spleetjes.

woensdag 8 juli 2009

Simpele Danny (III)

3. Verontrustende berichten

Opnieuw verdween Simpele Danny uit mijn gedachten de volgende twee weken in Gent. Van het thuisfront echter bereikten steeds verontrustender berichten mijn oren. Simpele Danny had nu echt massaal zijn klandizie verloren. Hij zou een fobie voor stofzuigers ontwikkeld hebben, zijn drankautomaat werd niet meer bijgevuld, de meeste groenten en fruit kwamen nu uit ontwikkelingslanden en waren miezerig en duur, hij was dicht op onregelmatige uren, en enkele dorpelingen hadden ’s nachts vanuit zijn dakvenster mysterieuze lichtflitsen gezien. Van Colette was er nog steeds geen spoor. Nadat ook de pastoor met de staart tussen de benen was afgedropen in een ultieme poging om Simpele Danny terug op het juiste pad te brengen, was er een algemene consensus dat Simpele Danny mentaal gestoord geworden was.

Datzelfde weekend echter bracht mij in Simpele Danny’s winkel terug. Er was thuis een grote discussie aan voorafgegaan, maar uiteindelijk waren de ouders onwrikbaar: pa wou omelet eten met champignons, en ma wilde niet om de eieren gaan omdat ze bang geworden was van Simpele Danny. Daarom werd mijn leven maar opgeofferd voor zes eieren, hoewel de kans groot was dat ze ofwel schandalig duur zouden zijn, ofwel gewoon niet beschikbaar omdat ook eieren deelnamen aan het joods-bolsjevistische complot om de wereld te overheersen. Het ergerde me om meegezogen te worden in een dorps-familiaal drama dat in het veilige Gent leek op de plot van een aflevering van een domme sitcom.
Wrokkig stak ik dan ook de straat over naar Simpele Danny. Het was dicht bewolkt, en er waren geen Johns te zien. De schuifdeuren gleden zacht open, zoals gewoonlijk. Op het eerste zicht zag de winkel er niet dramatisch anders uit dan de laatste keer dat ik er geweest was: de esoterie-pulp lag er nog steeds, alle snoep was nu vervangen door mechanische onderdelen en zijn groenten oogden exotischer, maar dat was het. Voorts was de zaak nog altijd net, en was er nog voldoende vlees en kaas in zijn toonbank. Ik schrok echter op toen ik Simpele Danny zelf achter de kassa zag verschijnen. Hij zag eruit als anders, met een bruine broek uit velours en een wit hemd, maar droeg een duidelijk zelfgemaakte aluminiumfolie kap die zijn haar bedekte, waaruit twee groen geverfde voelsprieten uit ijzerdraad en een zacht soort stof kwamen, die op en neer bengelden terwijl hij sprak. Nog voor ik iets kon zeggen, zag ik ook de Billenkletser weer in beeld verschijnen. Hij sleurde met een grote juten zak en goot wat vers geoliede bouten leeg in wat vroeger een bak met zuurtjes geweest was. Ook hij droeg een gelijkaardig hoofddeksel.
“Goendag,” zei Simpele Danny, “Wat zal het zijn?”
“Een doos... eh een doos eieren,” zei ik, “twaalf stuks.”
Simpele Danny knikte en slenterde naar de afdeling gekoelde producten. Ik staarde hem na. Hij leek niet anders dan anders, niet als de schuimbekkende gek waarvoor het dorp hem nu versleet, behalve natuurlijk de voelsprieten en de aluminium kap, die hem eigenlijk nog zieliger deden voorkomen dan hij al was van nature uit. De Billenkletser schonk mij geen aandacht deze keer, en was nog een zak schroeven gaan halen. Ik vroeg me af waarom die rekken aangevuld werden, want het was duidelijk dat niemand er ooit iets uit zou kopen.
Toen Simpele Danny terug kwam met de eieren, dook ook Debbie op vanuit de privévertrekken. Ook zij droeg een aluminiumfolie kap over haar haar, en had twee roze voelsprieten, alsof ze een misvormde Teletubbie was. Ze keek naar de grond en schoot schichtig langs me heen naar de groenten, duidelijk beschaamd in haar hoofddeksel, misschien op het punt in huilen uit te barsten onder het juk van het potsierlijke ornament dat Simpele Danny haar had opgedragen te dragen.
“Alstublief,” zei hij op zijn gewoonlijke, melancholische toon, “Da’s dan anderhalve euro.”
Ik betaalde met een muntstuk van twee euro. Terwijl hij zocht naar het juiste wisselgeld, begon hij te praten, opnieuw op die ongeanimeerde, verre toon.
“Ik heb het je verteld van Colette vorige maand, he.”
Ik knikte voorzichtig.
“Dat had een betekenis. Alles heeft een betekenis. Dat is omdat je uitgekozen bent om tegen het complot te strijden en de waarheid te leren. Het is geen toeval dat je hier nu komt – niemand komt nu nog naar mijn winkel, maar ze zijn allemaal gehersenspoeld door het complot. Jij bent ook nog gebrainwasht, maar dat zal nog veranderen. Je bent van goeie wil, ik zie dat.”
Hij sprak het woord ‘gebrainwasht’ uit als een koe die ‘Creuzfeldt-Jacob’ zegt. Bliksemsnel was tragische Debbie weer verdwenen in het achtervertrek. De Billenkletser was onopgemerkt achter Simpele Danny verschenen, als zijn trouwe acoliet, zijn kobold in nood.
“Kijk,” ging Simpele Danny verder, terwijl hij langs me heen keek, alsof hij het had over zijn dagelijkse karweien in huis, “Gisteren nog hebben Gaston en ik een aanval afgeslagen. Zo gaat dat als je belangrijk wordt.”
“Een aanval?”
“Van buitenaardse wezens natuurlijk. Die zitten ook in een complot met de Amerikaanse
regering,” zei Simpele Danny als vanzelfsprekend, “Het is daarom dat ik zo’n helm draag. Tegen de straling, en de radioboodschappen. Van aluminium worden ze zot, hé.”
Ik blikte verbijsterd van Simpele Danny naar de Billenkletser.
“Het is waar,” verklaarde de Billenkletser, “ik was er zelf bij.”
Simpele Danny haalde een geel waterpistool vanonder zijn hemd met een verchroomde spiraal aan het uiteinde.
“Kijk, daarmee vechten we tegen de aliens,” legde hij uit, “Je kanaliseert je geest in dat wapen, en dan vuur je onzichtbare stralen naar de aliens. Hun hersencellen kunnen dat niet aan. Het is eigenlijk niet zo moeilijk, je moet gewoon gefocust blijven. Wacht, ik zal je ook een helm geven. Gaston.”
De kobold verdween door de deur naar de woonvertrekken. Ik was onthutst. Simpele Danny gaf me eindelijk mijn wisselgeld terug. Zijn droevige ogen fixeerden mij.
“Volgens mij kun jij nog een goeie strijder worden.”
“Ik zal er eens over nadenken,” bracht ik stamelend uit. Intussen was de Billenkletser teruggekeerd met een helm waar rode voelsprieten aan bengelden. Simpele Danny keek welwillend. Ik griste de eieren weg en maakte dat ik wegkwam.

De volgende dag werden we bij het avondmaal plots allemaal opgeschrikt door sirenes, geschreeuw en geweerschoten. We renden naar het raam van de slaapkamer van een van mijn broers, die uitkeek op straat en op Simpele Danny. Ons deel van de straat was gebarricadeerd; oproerpolitie had dranghekkens geplaatst om de kijklustigen weg te houden. Er stonden drie uitgebouwde combi’s met officieren, een ziekenwagen, mannen in uniform en wapentuig waar ik nog nooit van gehoord had. Voorbij de dranghekkens stond de pers. Het waren ronduit Amerikaanse toestanden. Er hing een laag rook over het troittoir aan Simpele Danny’s glazen schuifdeur, die klaarblijkelijk ingegooid of kapotgeschoten was.
Een tros bepantserde politieagenten stormde zijn winkel binnen op het ogenblik dat we verbaasd tegen elkaar kakelend vanaf het balkon de scene gadesloegen. De agenten waren nog niet lang binnen of in het venster boven zagen we een vonk ontspringen. Al snel ontstond brand. Het bovenste venster brak, en een figuur viel er dood uit. Grote consternatie ontstond. Met een droge klap viel Debbie in de drankautomaat. Ze was verpakt in een fluoblauwe kleding, die leek op rollen geverfd wc-papier, en had zelfs vanaf waar wij stonden duidelijk schotwonden. Binnen weerklonken knallen.
De vlammen begonnen uit het vernster te slaan, en enkele agenten en brancardiers sleepten Debbie’s lijk van de gedeukte drankautomaat naar de ziekenwagen. Haar aluminiumfolie kap met de voelsprieten priemde vanonder het witte laken. Op dat ogenblik kwamen de bepantserde agenten die kort tervoren het huis in waren gegaan, naar buiten met een pathetische schreeuwende en krijsende Simpele Danny. Zijn gezicht deed me opnieuw op een schokkende manier denken aan dat van een baby – deze keer een boze baby, welteverstaan. Hij werd in een stevige houdgreep gehouden door vier mannen, en hij hinkte. Misschien was hij in zijn been geschoten.
“Colette! Colette! Ik deed het voor jou! Ze krijgen mij niet! Godverdomme!”
Hij was volledig in het zilver gekleed, en een van zijn voelsprieten was geknakt. De ander beefde en zwiepte mee op het spastische en wanhopige op-en-neer-bewegen van zijn hoofd en schouders onder druk van de agenten.
“Verraad! Verraders! Moordenaars!”
Onder die woorden werd hij de combi binnengeduwd. De Billenkletser werd diezelfde dag teruggevonden in Simpele Danny’s geheime, tweede kelder, nadat het halve huis uitgebrand was, en werd ontoerekeningsvatbaar verklaard. Simpele Danny werd veroordeeld voor de moord op Debbie en werd geinterneerd in een instelling. Colette kwam nooit meer terug naar het dorp.

dinsdag 7 juli 2009

Simpele Danny (II)

2. Jean-Marie Bronkhorst

De volgende twee weken bleef ik in Gent, en was ik Simpele Danny zo goed als vergeten. Bij mijn thuiskomst echter wist mijn moeder, die haar nieuwtjes had van de slagersvrouw, het persagentschap van het dorp eigenlijk, dat Simpele Danny rare trekjes was beginnen vertonen.
Melkproducten van Unex voerde hij niet meer in, zeemvellen waren ook anathema geworden, de populaire plastiekwaren van Plastobel vertrouwde hij niet meer, en hij verkocht plots ook boeken, meer bepaald esoterische geschriften. Colette was nog altijd niet teruggekeerd, en hoewel het dorp aanvankelijk uiterst negatief gereageerd had op haar plotse vertrek, holderdebolder in het niets, wenste men nu wel dat ze terugkwam. Het was duidelijk dat Simpele Danny in eenzaamheid aan het wegzinken was in een mentaal moeras.
Omdat mijn moeder de laatste keer in de winkel bijna ruzie met Simpele Danny gekregen had omdat ze niet wilde weten van een exemplaar “Kommuniseren met stemmen uit de kosmos” van dhr. Jean-Marie Bronkhorst bij haar pak eieren, werd ik opgedragen om deze keer naar Simpele Danny op te rukken om om een kilo tomaten te gaan. De Johns waren weer op post, en hadden hun gemeenste blikken bijgevijld. Alleen nog hoeden, sporen en pistolen, en het waren zo allemaal Billy the Kids die je het mes op de keel zouden zetten om een sigaretje.
De schuifdeuren gleden open, en ik zag onmiddellijk dat de constellatie in de winkel veranderd was. Enkele rekken waren halfleeg, er waren vreemde, nieuwe producten (in de snoepbakken zag ik Engelse sleutels en schroeven liggen), en vlak voor de kassa lagen de boeken opgestapeld: beduimelde esoterie-pockets uit de jaren ’70, een hardcover met een onbegrijpelijke titel in het Frans, en een stapeltje boeken van Von Däniken en het soort boeken waarin staat dat de moaibeelden neergepoot zijn door aliens. Ongetwijfeld zullen ze binnen duizend jaar hetzelfde zeggen van de Eiffeltoren of het Kremlin. Simpele Danny zelf was niet aanwezig.
“Goendag,” begroette Debbie mij.
Debbie zag eruit als het soort vrouw die er eeuwig 35 zou uitzien, en in haar geval was dat geen compliment, want ze was hooguit 25. Door haar vreemde gebit en eeuwig dienstbare houding had ik weinig fantasie nodig om me voor te stellen dat ze een trieste geschiedenis torste van misbruik en geweld, ook al had ik daar geen bewijzen voor. Ze was kortom het soort mens waarvan iedereen na haar dood zou zeggen dat ze ‘braaf’ geweest was, maar allicht ontiegelijk droevige geheimen met zich had meegenomen in het graf.
Haar mogelijke toekomstperspectieven in dit dorp (promotie van assistent bij de schoonmaakproducten tot het snijden van ham, een echtscheiding, of genadig sterven op een mooie zomerdag) gingen me echter allerminst aan.
“Een kilootje tomaten graag.”
“We verkopen geen tomaten meer.”
Ze keek me aan alsof ik haar verrot ging slaan.
“O,” zei ik slechts. Mijn oog ving de blik van de Billenkletser op, die een salamiworst in de charcuterietoonbank legde.
“Danny zegt dat tomaten den duivels zijn,” zei Debbie onzeker.
“Des duivels,” verbeterde de mentaal gehandicapte Billenkletser haar. Hij ging nu achter haar staan, met zijn handen op de rug, als een echte patron, hoewel Debbie groter was dan hem (en zij op zich al niet zo groot was).
“Hebt ge al een Bronkhorst?” vroeg Debbie toen.
Ik nam het boek, met een Chriet Titulaer-kloon op de voorflap, die eruit zag als een pedofiel op leeftijd, van het rekje voor de kassa en inspecteerde even de voor- en achterkant.
“Hoeveel vragen jullie ervoor?”
“Het is maar een euro,” zei Debbie. Er klonk wanhoop door in haar stem.
“Hmm,” zei ik, waarna ik Bronkhorst en zijn geschriften terug legde, “ik zal er over nadenken.”
“Maar Danny zegt dat ge niet gered gaat worden als ge geen boek koopt,” zei Debbie.
“Ieder zijn mening,” zei ik beleefd.
De Billenkletser bliksemde mij neer met zijn ogen.
“Maar ’t is allemaal deel van het joods-bolsjitische complot!” riep Debbie uit, “Danny zegt het! Al het geld van Unex gaat naar de Joden, en dat van Plastobel naar de communisten. En Pipsi werkt samen met alle grote regeringen, en de macht, en de banken, en... en de Amerikanen.”
Deze keer verbeterde de Billenkletser haar niet. Debbie stond duidelijk iets af te rammelen waarmee Simpele Danny haar geïndoctrineerd had. Ik kon me nauwelijks voorstellen dat Simpele Danny op twee weken tijd van een melancholische kruidenier geëvolueerd was naar een charismatisch sekteleider die zijn onderdanen indoctrineerde met antisemitische complottheorieën. Ik vermoedde dat bij Debbie eerder angst om haar job te verliezen een rol speelde.
“Weet je wat... ik zal er over nadenken,” zei ik opnieuw, en ik beende de winkel uit. De Johns keken me opnieuw aan met nauwelijks verholen spot, eentje ook vanop zijn scooter, die zo opgefokt was dat hij niet door de hormoneninspectie zou komen, maar in hun blikken las ik ook een vorm van vreemde vertwijfeling.

Verder naar deel drie.

maandag 6 juli 2009

Simpele Danny (I)

1. Niemand wist waarom

Niemand wist eigenlijk waarom Danny de kruidenier precies ‘Simpele’ Danny genoemd werd, want overdreven dom of eenvoudig was hij niet. Misschien was het zijn voorkomen: nonchalant, beetje afstandelijk, met een air over zich van typisch dorpse tragedie. Zijn kruidenierszaak was een vanzelfsprekendheid, zelfs in tijden van supermarkten, en meestal ging het er rustig aan toe. De drankautomaat buiten was een trefpunt voor lokale Johns die te jong waren om op café te gaan, en er na een harde dag op de schoolbanken goedkoop ice teas dronken met een bravado alsof het halve liters bier waren. De Johns lieten het niet na van zowel brommers als vrouwen met dezelfde goefende kennersblik na te kijken, en iedereen die voor de rest niet tot hun groep behoorde, met een onuitgesproken vijandigheid te taxeren. Dat lot was nu ook mijn deel, toen ik de zonovergoten straat overstak en de schuifdeuren van de winkel zich geruisloos openden. Pas toen ik binnen was, zetten de Johns hun gesprekken over brommers en vrouwen verder. Het was elk weekend vreemder om als student terug in mijn geboortedorp te zijn.
Simpele Danny had sinds jaar en dag drie medewerkers: zijn vrouw Colette, Debbie en Gaston. De mentaal licht gehandicapte Gaston stond beter bekend als de Billenkletser, een bijnaam die hij niet verdiend had door ongewenste intimiteiten, maar omdat hij als jongen vaak had geprobeerd om gevatte moppen te vertellen. Zijn jeugdige carrière als humorist had hij moeten staken omdat hij een bijzonder slechte moppentapper bleek, maar hij had er wel een ironische bijnaam aan overgehouden.
“Goendag,” begroette Simpele Danny mij zonder veel animo. Simpele Danny zag er uit als een Elkerlyck: een grote, in elkaar gedoken dertiger met kort, donker haar en een babygezicht. Zijn melancholische, onenthousiaste teneur smoorde onmiddellijk elke conversatie in de kiem die buiten prijzen, groentensoorten of de val van de kleine van de buren ging.
“Hallo,” zei ik. De de geblokte gestalte van de Billenkletser stond ham te snijden even verderop voor een dikke dame met een grijze regenjas en een netzak die uitpuilde van de spaghetti. Debbie noch Colette waren in de winkel aanwezig.
“Wat zal het zijn?” vroeg Simpele Danny. Zijn droevige, donkere ogen keken dwars door mij heen.
“Een krop sla.”
Hij begaf zich naar zijn groentenafdeling, die tegenover de kassa lag, en haalde daar op een bijzonder werktuigelijke manier een krop sla tevoorschijn.
“Is dat alles?”
“Dat is alles.”
“Dat is dan 60 cent.”
De Billenkletser keek mij even aan onder het snijden van de ham. Ik vroeg me af of hij het me nog altijd kwalijk nam dat ik als jongen ook nooit met zijn moppen gelachen had.  Simpele Danny vertoefde in andere werelden. Ik gaf een euro, en Simpele Danny gaf mij 40 cent terug. Hij zuchtte.
“Zo’n zucht,” zei ik met een glimlach, in een ongetwijfeld ijdele poging Simpele Danny’s Weltschmerz te verlichten, maar ik was niet voorbereid op de bom die hij als antwoord dropte.
“Colette is weg,” zei hij, “zonder iets te zeggen.”
“Weg... als in weg, voor altijd?”
Hij haalde zijn schouders op met een routine van een man die zelden ja of nee zegt, en in de plaats daarvan zijn schouders ophaalt. De Sisyfus van de bebouwde kom.
“Ik weet het niet. Gisteren stond ik op en ze was weg.”
“Oei... dat is erg.”
De dikke dame in de regenjas waggelde de winkel uit na betaald te hebben. De Billenkletser had zich gewijd aan het controleren van de zuivelproducten even verderop, maar leek mij voortdurend in de gaten te houden. Ik bleef even zwijgend staan, contemplatief met de krop sla in mijn handen.
“We zien wel,” zei Simpele Danny toen.
Blij met deze passe-partout, knikte ik en nam ik afscheid.
Toen de schuifdeuren opengleden werd ik opnieuw begroet met stilzwijgend misprijzen door de Johns, dat ophield toen ik uit het zicht verdwenen was, op het grindpad van ons huis, dat aan de overkant lag.

Verder naar deel twee.

vrijdag 12 juni 2009

De ISS-blog van Frank De Winne (III)

Dag 52

T is ier echt vree saai geweest de laatste tijd. Cijferkes, sterre telle, altijd toerkes rond de wereldbol, da ete… ik smaak zelfs al Roman zijnen asem nie meer. Ma soit, gisteren eeft de koning gebeld, da was wel nog tamelijk wijs. Ge weet wel, zo in zijn typisch Vlaams hé: “Oe stelt u et, oeaarde landkenoot?” Keb em gevraagd of dat ij de laatsten tijd nog veel op zijne moto gereden heeft, maar hij mag blijkbaar nie veel meer van den dokter. K verstond da eel goe, want van dienen kinderol van ne Roman magk ier ook niets doen of ij begint sebiet te roepe tege mij, dus toen ek gevraagd aan de koning of dat ij af en toe nog ne keer aan de poeze van ons Paola zit. Hij kont er lijk nog mee lache. Wijze peet. Toen dak dacht oe wijs dat zoe zijn ier me de koning in ’t ISS te zitte begoste ‘k bijna te blijte van miserie. En vandaag benk triestig. Ik mis echt al mijn mate en kzou verdomme mijnen arm geve om nog ne keer een snelle binnen te doen in de Cuba Libre, gvd. Peace out gaste, peace out.

Dag 63

Om eerlijk te zijn, t is ier een beetje raar aan tworde. Enfin, de FRANKMAN is UITERAARD op alles voorbereid, want in de ruimte moede altijd vree oplette wa da ge doet, maar serieus, ter is ier iets nie pluis. Roman eeft weer massaal zitte zuipe, en de Nerd ebbek al twee dage nie gezien… ij zal toch nie echt al twee dage aan ’t rukke zijn? K versta genen bal van da russisch, maar khoor wel da de gesprekken over en weer stiller aan tworde zijn, en das nie normaal.

Dag 68

Gisteren ebbe we de luchtsluize moeten openzette. Waarom, vraagt ge u nu wel af zeker… wel, de Nerd is dood… Hij had zelfmoord gepleegd. Hij heeft daar zeker een week rondgehangen tegen de blafong van zijn kamer, en fack moat, da stonk nog erger dan Roman zijnen asem, kwas der echt nie goe van. Omda we ier nie me nen vent kunnen zitte die zo dood is lijk ne pier, ebbe wem zijn ruimtepak aangedaan (moeilijk, als ’t er gene zwaartekracht is, nie normaal), zijn gerief in doze gestoke en em dan late gaan door de luchtsluis terwijl da we geluisterd ebbe naar van die triestige klassieke muziek. Benede waren zook vree triestig, en Roman heeft efkes me zijn vrouw gebabbeld toen dat hij nog nie zo zat was, want daarachter, amai… enfin ja. De Nerd is nooit mijne maat geweest, maar alsgier zo tope zit dan zijde toch een beetje lijk broers hé… keb trouwens eindelijk zijn harde schijf nu. Mersie, Nerd, merci vent.

Dag 72

ter is iets mis met ’t ISS. De wereldbol onder ons word lijk kleiner, en Roman wil mij niets zegge. Keb probere belle naar de koning maar hij pakte nie op.

Dag 75

Roman is gans doorgeslage, shit vent. Keb em just in zijn bed gestoke. Die gast eeft heel ’t Iss ier volgepropt me vodka, nie normaal. Dienen heeft echt een serieus probleem, en bovendien is t contact me Moskou gelijk weggevalle.

Dag 81

Ok gaste, nu ist echt echt echt serieus. Ik weet nie of da ge nog van mij gaat ore. Kheb al drie keer geprobeert te poste, maar t ging nie want internet valt ier constant uit, en gans diene russischen brol van da station werkt ier TEGE. Zelfs msn werkt nie meer. Keb Roman moeten opsluite in één van d’andere kamers. Hij is weer beginne doorslaan achter da’k de laatste aflevering van Lost at binnegetrokke via t netwerk (serieus, hij wilde zelfs nie tope me mij kijke!), en keb em dan nog voorgesteld om nog te keer te schake en em beloofd da’k echt geen peetjes meer in tront ging smijte of izjn gat ging steke, maar tielp allemaal nie en hij wilde echt bokse. Das normaal allemaal geen probleem voor de Frankman, maar die gast vloog naar zijn kamer en hij kwam weer me ne shotgun. Shit maat. Ma hij was toen al zo zat da (k geen klote meer kon verstaan van wa datij allemaal aant broebele was, dus keb em weggestoke int materiaalkot. Tprobleem is nu wel dat de wereld altmaar kleiner word en dak TO-TAAL geen gedacht heb hoe da ‘k da ier moet oplosse.

Dag 88

Straks ga’k de sluizen opezette. ’t Is gedaan. Roman eeft ook zelfmoord gepleegd me zijne shotgun, en ter zweefden allemaal kleine bollekes bloed door t materiaalkot. Ik zie haast niets meer van de wereld, en kweet echt nie waar da we naartoe gaan. Als dat ier nog online komt, zal ’t laatste zijn wa da ge van de Frankman hoort. Kijk, ‘k ga nie blijte. Ik ga mijn lot onder oge zien gelijk ne vent, en nie wachte tot da we in Saturunus vliegen of zo. Ma, pa, ‘k ga ulder misse. Stef, Kenny en Dikke Jos, ge waart echte mate. Ik ga gewoon den eersten zijn die in de Cuba in space ga feeste. Gaste, t is goe geweest. Peace out… uldere Frank.