Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de verhalenafdeling daarvan. In 2016 bundelde en redigeerde ik (streng!) alle tot dan toe geschreven kortverhalen in de antologie 'Recombinant' en in 2023 bracht ik de novelle 'De keizer van Populië' uit - je kan beiden gratis downloaden als je Patron wordt. In 2020 verscheen mijn debuutroman 'Fragmentariërs'. In 2023 bracht ik de opvolger 'Constellatie' uit. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

vrijdag 12 juni 2009

De ISS-blog van Frank De Winne (III)

Dag 52

T is ier echt vree saai geweest de laatste tijd. Cijferkes, sterre telle, altijd toerkes rond de wereldbol, da ete… ik smaak zelfs al Roman zijnen asem nie meer. Ma soit, gisteren eeft de koning gebeld, da was wel nog tamelijk wijs. Ge weet wel, zo in zijn typisch Vlaams hé: “Oe stelt u et, oeaarde landkenoot?” Keb em gevraagd of dat ij de laatsten tijd nog veel op zijne moto gereden heeft, maar hij mag blijkbaar nie veel meer van den dokter. K verstond da eel goe, want van dienen kinderol van ne Roman magk ier ook niets doen of ij begint sebiet te roepe tege mij, dus toen ek gevraagd aan de koning of dat ij af en toe nog ne keer aan de poeze van ons Paola zit. Hij kont er lijk nog mee lache. Wijze peet. Toen dak dacht oe wijs dat zoe zijn ier me de koning in ’t ISS te zitte begoste ‘k bijna te blijte van miserie. En vandaag benk triestig. Ik mis echt al mijn mate en kzou verdomme mijnen arm geve om nog ne keer een snelle binnen te doen in de Cuba Libre, gvd. Peace out gaste, peace out.

Dag 63

Om eerlijk te zijn, t is ier een beetje raar aan tworde. Enfin, de FRANKMAN is UITERAARD op alles voorbereid, want in de ruimte moede altijd vree oplette wa da ge doet, maar serieus, ter is ier iets nie pluis. Roman eeft weer massaal zitte zuipe, en de Nerd ebbek al twee dage nie gezien… ij zal toch nie echt al twee dage aan ’t rukke zijn? K versta genen bal van da russisch, maar khoor wel da de gesprekken over en weer stiller aan tworde zijn, en das nie normaal.

Dag 68

Gisteren ebbe we de luchtsluize moeten openzette. Waarom, vraagt ge u nu wel af zeker… wel, de Nerd is dood… Hij had zelfmoord gepleegd. Hij heeft daar zeker een week rondgehangen tegen de blafong van zijn kamer, en fack moat, da stonk nog erger dan Roman zijnen asem, kwas der echt nie goe van. Omda we ier nie me nen vent kunnen zitte die zo dood is lijk ne pier, ebbe wem zijn ruimtepak aangedaan (moeilijk, als ’t er gene zwaartekracht is, nie normaal), zijn gerief in doze gestoke en em dan late gaan door de luchtsluis terwijl da we geluisterd ebbe naar van die triestige klassieke muziek. Benede waren zook vree triestig, en Roman heeft efkes me zijn vrouw gebabbeld toen dat hij nog nie zo zat was, want daarachter, amai… enfin ja. De Nerd is nooit mijne maat geweest, maar alsgier zo tope zit dan zijde toch een beetje lijk broers hé… keb trouwens eindelijk zijn harde schijf nu. Mersie, Nerd, merci vent.

Dag 72

ter is iets mis met ’t ISS. De wereldbol onder ons word lijk kleiner, en Roman wil mij niets zegge. Keb probere belle naar de koning maar hij pakte nie op.

Dag 75

Roman is gans doorgeslage, shit vent. Keb em just in zijn bed gestoke. Die gast eeft heel ’t Iss ier volgepropt me vodka, nie normaal. Dienen heeft echt een serieus probleem, en bovendien is t contact me Moskou gelijk weggevalle.

Dag 81

Ok gaste, nu ist echt echt echt serieus. Ik weet nie of da ge nog van mij gaat ore. Kheb al drie keer geprobeert te poste, maar t ging nie want internet valt ier constant uit, en gans diene russischen brol van da station werkt ier TEGE. Zelfs msn werkt nie meer. Keb Roman moeten opsluite in één van d’andere kamers. Hij is weer beginne doorslaan achter da’k de laatste aflevering van Lost at binnegetrokke via t netwerk (serieus, hij wilde zelfs nie tope me mij kijke!), en keb em dan nog voorgesteld om nog te keer te schake en em beloofd da’k echt geen peetjes meer in tront ging smijte of izjn gat ging steke, maar tielp allemaal nie en hij wilde echt bokse. Das normaal allemaal geen probleem voor de Frankman, maar die gast vloog naar zijn kamer en hij kwam weer me ne shotgun. Shit maat. Ma hij was toen al zo zat da (k geen klote meer kon verstaan van wa datij allemaal aant broebele was, dus keb em weggestoke int materiaalkot. Tprobleem is nu wel dat de wereld altmaar kleiner word en dak TO-TAAL geen gedacht heb hoe da ‘k da ier moet oplosse.

Dag 88

Straks ga’k de sluizen opezette. ’t Is gedaan. Roman eeft ook zelfmoord gepleegd me zijne shotgun, en ter zweefden allemaal kleine bollekes bloed door t materiaalkot. Ik zie haast niets meer van de wereld, en kweet echt nie waar da we naartoe gaan. Als dat ier nog online komt, zal ’t laatste zijn wa da ge van de Frankman hoort. Kijk, ‘k ga nie blijte. Ik ga mijn lot onder oge zien gelijk ne vent, en nie wachte tot da we in Saturunus vliegen of zo. Ma, pa, ‘k ga ulder misse. Stef, Kenny en Dikke Jos, ge waart echte mate. Ik ga gewoon den eersten zijn die in de Cuba in space ga feeste. Gaste, t is goe geweest. Peace out… uldere Frank.

donderdag 11 juni 2009

De ISS-blog van Frank De Winne (II)

Dag 15

yo gaste, ier bennek were ze, de FRANKMAN. Maar kben ier in tgeniep aan tschrijve want de vluchtleiding is precies vree kwaad op mij. Roman is ziek ze peize dat ’t mijn schuld is. De Nerd zegt al drie dage niets meer tege mij en kmoet alle shifte alleen doen maar ze zijn mij wel den elen tijd aan t controlere. Serieus, ik ben geen vier jaar meer ze, of ist omdat ze da Belgske nie vertrouwe? Pff en kzit ier nog zes maande, fuck zeg.

Dag 16

de Nerd is gewoon keizwaar aan zijne piet aan ’t snokke. Roman is weer zat gaan slape dus de FRANKMAN mag ier den boel rechtoude, shit. Keb tal gezegt aan de vluchtleiding da de Nerd aan t rukke was maar tinteresseerden ulder precies geen fluit, dus moestek maar cijferkes doorgeve lijk anders. Straks ga ‘k toch ne keer kijke of da de nerd nog goeie porno liggen eeft, want kben mijn externe arde schijf vergete, en camme op msn da lukt hier ook nie zo goe.

Dag 24

ok, de Robert… respect maat. Gisteren een zonnepaneel afgebroke en die gast eeft dat hersteld. Tging wel vree traag, maar ja, das normaal in de ruimte. Roman was vies op mij omdat hij zei dat ’t een van die chocopops was die in da zonnepaneel gevloge was via de wc. Da kan volges mij wel nie maar bon. Ma goe, de Nerd eeft ons gered en ik moest tenminste geen drie uur meer cijfkers doorgeve aan die gaste benede. Als t ier zo saai is word alles spannend, keb zelfs goesting om nog ne keer te schake tegen de Roman, want in minesweeper wast ij nie zo goe.

dag228 diene vodka van roman is serieus strag spul, ojo moatje… wadde gewed me de nerd dak tegen em kon winne in tschake en dan gingtij mij zijne oorno tonnne mak ben weer verlore, dju.

Dag 37

Nu benk echt serieus PISSED gaste, ma ECHT. Kad echt nie veel wiet meegepakt naar ’t ISS omda’k wist da ze daar tege zijn en al diene zever, en vuur maken in een ruimteschip is megagevaarlijk en al, maar keb da nog al gedaan dus kweet SERIEUS WEL WAAR DAK MEE BEZIG BEN. Bovendien ist al meer dan een maand gelede dak nog ne goeien toep gesmoord eb, en vandaag adde we vree ard gewerkt om een klein gaslekske te vinde en toe te make, en keb zeker zes uur zo nen toernevies moete vastoude die g’alleen maar kunt gebruiken in space, en Roman en de Nerd maar prutse, ojo, en ik hing daar ma wa te zweve me diene toernevies – keb zefls geen scheetlolleke gemaakt omda’k nie durfde! Dus daarachter peist de FRANKMAN nu ga ‘k mij ne keer ne serieus zwaren toep rolle zie, maar HUPLA, AFGEPAKT. Da de Roman ier alle avonden alf zat rond zweeft op zijne rooie kop en da de Nerd alle dage aan zijne piet zit te sleure, das allemaal nie erg, maar als Frankske ne keer nen joint wil smore ist weer spel ze. Bende debiele.

Verder naar deel drie.

woensdag 10 juni 2009

De ISS-blog van Frank De Winne (I)

Dag 3

Yo gasten hoe ist, FRANKSE HIER VAN EXPEDITIE 20 OP T ISS, YOOOO. Met dat er hier in de ruimte voor t moment toch nie vree veel te doen is, dacht ik maar keer een blogske te poste. Ge wilt zeker allemaal wete hoe dat dat hier is en al, maar om echt vree eerlijk te zijn ist ier SERIEUS saai – allez ja, ge ziet wel allemaal vree goe de sterren en zo, en de wereld zo onder u zien draaien das feitelijk ook wel wijs, maar achter een tijdje et ge’t toch al allemaal gezien ze, vooral omdat het al den tweede keer is da ik ier in space zit. kmoet ier ook serieus moeite doen om goe te tiepen me da raar toetsenbord ier, want tis zo van diene qwertybrol.

Dag 4

die ochtendinspectie van t station was maar saai ze… achter een paar dagen kent ge hier gans da ISS vanbuite. En ik was vergete oe zwaar dat dat eten ier tegesteeeeekt. ’t Is precies lijk of dak alle dage kattebrokke moe ete, en ze rieken ook vree naar den adem van Roman… kvraag mij serieus af of dat hij eerst een beetje asemt op dat ete voor da wet kunnen opete.

Dag 5

Roman wilde schake tegen mij maar omda alles ier toch in t rondvliegt was da nie zo makkelijk, maar goe, hij had gelijk nog wa magneetjes meegepakt dus da ging nog. Ik had nog nooit geschaakt en echt wijs vondek t nu ook nie, kbedoel allé, die gast zit daar lijk een uur te kijke naar die peetjes op da bord en dan doet hij zijne zet, ik ehb echt veel rapper gespeeld maar toch ben ‘k verlore. Tis te zeggen, Roman zei dat ik verloren ad, en toen hebbek da bord daar maar gesmete – AL DIE PEETJES VLOGE NIE NORMAAL ZOT DOOR GANS T ISS! Kmoest echt kweenieoeard lacheee. Roman vond ’t lijk wel nie zo wijs.

Dag 7

kheb de nachtshift en de vluchtleiding slaapt lijk ook al daar benede, dus nog een beetje tijd om nog ne keer te schrijve!! Roman was weer bezig me iets vree ingewikkeld en toen dak een mopke maakte vond hij tweer nie geestig. Ik peis echt dat diene mens nog nooit gelachen eeft in zijn leve… oe kunde nu mijn schete nie geestig vinde? kheb gisteren ook gemoond naar de aarde… haha, get mss allemaal mijn ol gezien zonder daggetwist! ENFIN, om voort te gaan over Roman, wadak nog nie gezegd ad is dat dat dus ne Rus is, en k kan u verzekere dat die manne DOODSERIEUS zijn, behalve als aan de vodka gezeten en. Hij zit dikkels in t russisch te babbele me de mense benede, en das zo heel den tijd van zjposhtriva vajie bashkvelklva muchtsibish da da en zo, en hij heeft ook gezegd dak er nie meer mag tussenkome en ZDVA DROVDJE roepe omdat da “not funny” is. Allez, not funny. Hij is not funny ja. Dikke spast. keb daarjust één van zijn schaakpeetjes teruggevonde maar kga nog zien wa da’k daarmee doe!

Dag 10

’t Viel mij just te binne da’k feitelijk nog niets gezegd eb over DE NERD. Enfin, hij noemt Robert maar ik noem em altijd de nerd. Waarom? omdat t nen dikke nerd is aja. Heeel den dag zit hij achter zijne computer naar cijferkes te kijke, en hij zegt nooit iets terug op msn tege mij… hij wist ook begot nie wa da netlog was. Diene mens is toch nie meer van onzen tijd. O SHIT da was ek nog vergete!!!! Ke daarjust terwijl da Roman sliep achter zijn glas vodka (jaja, me die ballen drank die in de ruimte rondzweven en zo… blijkbaar vind ij da wel geestiger dan mijn chocopops die’k gisteren bij t ontbijt allemaal rondsmeet maar bon) hebbek da schaakpeetje in zijn ol geduwd. Twas toch al bruin

Verder naar deel twee.

dinsdag 5 mei 2009

De patriarch

de eersten aan Xenophanes. Ruiken naar olie en deodorant. Boven is de zon al op. Hier merkt men alleen wisselingen tussen dag en nacht en in de aantallen, want de rest is schemer. Het bidden is al lang begonnen. Methodisch, genadig. Gestaag. Op het einde van de laatste wagon, hoeder in de achterhoede, oudste der oudsten. Je ziet er anders uit dan ik me herinner. Niet uit arduin gekapt. Die halfnobele Christuskop met hemdsboord en grote olijfkleurige ogen. Laten we bidden in deemoed. De vroegsten en de laatsten hebben het het hardste te verduren. Woorden zwellen aan. Lippen die al een tijd geen water meer gesmaakt hebben. Het zijn geen stemmen die nu spreken. Geratel van buizen, de cadans van een onderstel, het spookachtige langsglijden van de wind door tunnels en bochten, druppelen van grondvocht op metaal of een hoest van een passagier. Ik hoor en ik zie alles. Je stapt uit aan Aristokles. Anderen dringen binnen. Ademend. Harten die slaan.

De metro komt dadelijk aan. Het is halfzeven ’s ochtends, maandag. Huis en toevluchtsoord liggen nog veraf. Ik ben doordrongen van schaamte.

Met het voortschrijden van de dagen slijt het houten crucifix in mijn handen tot elke druppel vocht die er in zit uitgeperst is en hij ontvlambaar wordt als ogen vol woedende tranen en brullende zeeën mensen met fakkels. Maar dat is niet nu, want oordelen is nog niet aan mij. Gezegend zij de Vader en de onsterfelijke Zoon. Traag bewegende, kauwende handen op het kruisbeeld, gevlekt en gekorreld in koel, onderbroken licht. Nieuwe, traag bewegende vormen onderbreken licht en leven om binnen- en buiten te stromen aan Polydeukes. Kranten gaan open en dicht. Samengeplakte vogelvleugels. Vredesduiven bedrukt met onheil. Pooiers met glad haar en hoeren die niet eens weten dat ze hoeren zijn. Gevallen jongeren. Vooral voor hen bid ik. Raak levend en wel uit deze hallen. Denderend metaal. Spoorwissel. Wissel van hymne. God luistert. Hij luistert altijd.

Nog minder dan drie minuten. Had ik meer energie, ik zou me op de sporen werpen om de schande aan stukken te rijten – het is tenslotte toch maar een lichaam. Ik ben gebroken. Verdoofd door het slaan en het stampen, het gespuw. Verdiende ik dit. Verdient iemand dit.

Athanasios. Vele ouden van dagen. Slecht aangepaste ogen. Papieren, lege bekers koffie.
Symptomen van onmacht en verval. Het omringt ons en verbindt. Ik ben een riool van menselijke emoties, angstzweet en lust, traagheid en hebzucht. In het begin was er helemaal niets. Het einde is ook een laatste sissende adem in een slangenkuil. Van Athanasios tot Theodora, onder de laatste basiliek met holle fundamenten. Modderspatten op schoenen, en verdoolde oosterse toeristen. In het oosten is geen licht meer. Het is volkomen logisch dat men zoekt naar het licht op de donkerste plaatsen. Zwart om meer licht te vangen. Rimpels en rafels. Het zijn geen stemmen die spreken. Monotone, gedempt ijzeren gillen. Ergens knapt een kabel. Je kijkt op door een licht dat plots flikkert. De stem van God is overal. Waar is zijn Zoon. Waar is mijn Zoon. Twee ouderen praten. Een met gebogen rug. Generaties hebben er hun hoofd te rusten gelegd. Nu is zij een huls. De andere staat als een mummie.

Hij kijkt mijn richting uit en ik sluit de ogen. Laat me. We zijn aan Theodora. De deuren openen zich. Een grijsmetalen welkom. Zou iemand hier kunnen zien wat er met mij gebeurd is. Zou die daar in staat zijn zoiets te doen. Slaat hij thuis zijn vrouw. Breed uitgelopen handen. Een dikzak staart. Een oude vrouw met een snor houdt me in de gaten, vanuit de schaduwen van haar dikke hoofddoek. Ik zou willen wenen. Ik voel niets. Laat me met rust. Het pandemonium van de massa. Volop in gang. Traag schommelt de wieg. Buiten is er duisternis.

Ik ben de hoeder van mijn broeder. Neergeslagen, dooreengerammelde gezichten. Rommelende vetkwabben, in verdriet vertrokken gezichten zonder hoop op redding. Gebeden op eensporige ritmes. Laat me boete doen voor de afgestompten, Vader. Mijn zoon stierf opdat ze zouden leven. De dwazen. Met bloed geschilderde iconen. Het ongeboren leven doden is de hoogste misdaad. Er is nog gratie, hoop ik. Een jongen kijkt me aan met lege ogen. Gebarsten aders in het oogwit. Zijn dunne mond opent zich alsof hij iets gaat zeggen, maar dan plakt hij zijn oren dicht. Hoog Knossos. De minotauren stappen op. Gevorkte voeten en briesende neuzen. De zwakken wijken terug. Wij zijn allen kinderen van dezelfde vader die altijd luistert.

Ik heb het gevoel dat ik niet besta. Ik sta naast mijn eigen lichaam en kan elke trillende ruggenwervel tellen, en de witknokige handen die zich om de gladgewreven palen wringen. Ik ben een levende dode. Ik ruik ongelooid leder. De metro stijgt door de tunnels onder de Syntagmaberg, terug dichter bij het daglicht. Ik ben nog niet klaar om het te verdragen. Ik zal veroordeeld worden. Door de zon. Door moeder en door vader. Brandende rode vlekken. Wurgvocht. Ik kijk naar beneden en voel het ademen van een minotaur in mijn haar. Ik wil klein zijn en genegeerd worden.

De bellen rinkelen. Dit is een teken. Aan Syntagma stapen velen uit. Zetten hun reis verder richting bezit en macht. Niets is machtiger dan de Vader (hoewel ook hij het offer van de Zoon niet kon en ook niet wilde verhinderen). Ik sta op en spreid de handen. Laten we zacht zingen voor zij die ons verlaten en de wereld herboren en gezegend betreden. Zweet en droogte. De smaak van verse vijgen, lang geleden in een zongestrooide tuin.

Op het einde van de wagon staat een oude man recht. Hij ziet eruit alsof hij al dagen niet meer geslapen, gedronken en gegeten heeft. Zijn mond hangt open en zijn ogen zijn gesloten. De minotauren letten niet op hem. Niemand let op hem. Plaatsvervangende schaamde. We razen onder Syntagma naar Praxis. Voorlaatste halte voor ik af zou moeten. In het gestreepte licht van de vleklampen buiten is de man nu eens een skelet, dan weer een schuwe, in zwart en wit getekende priester die in extase verkeert. Ik bekijk hem zonder gene. Waarom zou ik dat ook niet doen. Langzaam opent hij zijn ogen. Ze staan vol tranen. Zijn lippen bewegen in zijn donkere baard. Wat hij fluistert is onverstaanbaar door het rammelen van de metro, het gieren van de stalen wielen op de verweerde sporen. Praxis. Mensen en gorgonen stappen in. Krulslangen laten zich koud en ongevoelig langs mijn gloeiende huid glijden. Niets kan me nog raken. Ik zet een stap dichter, van paal tot paal, bij de oude man, die in het schokken van het metrostel wonderwel overeind blijft. Uit zijn hand bengelt een koord van een kruisbeeld.

De lijnen van de ondergrond hebben hun geheimen al lang prijsgegeven. Ze zijn geen kluwen meer aan gordiaanse knopen. In sommige gangen hoorde ik echo’s van smekelingen bij orakels, in andere zag ik in het raam de Zoon die de voeten van de reizigers waste. Alle wegen leiden naar het licht, ook de allerdonkerste. Ik weet dat Gij ons niet verlaten hebt.

Hij gaat zitten. Uitgeput. Met afwezige ogen. Hij kijkt niet in deze wereld, maar ziet een andere. Twee gorgonen sissen tegen een minotaur. Anderen trachten verwoed nog te lezen. Een baby krijst een wagon verderop. We razen voorbij Daphnis & Kloë. Ik stap niet af. Ik had er al lang moeten af zijn. Er is niemand die er iets om geeft. Perkamenten man. Gewikkeld in een zwarte lijkwade. Rouwt om deze wereld. In weerwil van alles moet ik glimlachen. De wagon danst mee met het beven van mijn benen. Of is het omgekeerd. Zeemansbenen. Te veel water is altijd slecht. Slechte beslissingen. De ogen van de priester zijn diepronde manen van een andere wereld, en draaien mijn richting uit. Ik wend me niet af. Ik sta naakt en beschuldigd voor iedereen.

Je hebt het begrepen. Ik lees moed. Weinigen komen tot mij met meer dan hoon. Laat ons samen vragen om vergiffenis, want wij zijn allemaal zondaars. De oude man opent traag zijn armen. Niemand die kijkt terwijl de metro stopt aan Eleutheria. Ik laat mijn hoofd zakken. Door de mechanische stemmen van het perron en in de tram waait een samengenaaide hymne. Ik weet dat ik ze altijd al gehoord heb. Ook ik open mijn armen. Ik ben bekrast met kentekens. Je zal thuis komen. Je zal opnieuw liefde kennen. Waardiger handen zullen je nog aanraken. We gaan naar

zaterdag 2 augustus 2008

Terwijl wij van weelde en van bloemen genieten, sluipt de dood nabij met onhoorbare pas

In een dorp ergens te lande ligt een oude vrouw op haar slaapkamerbed. Ze ziet eruit alsof ze uit een vernietigingskamp komt. Ze is niet dood, maar het is duidelijk dat ze stervende is. In de hoek van de kamer zit een norse, vertwijfelde oude man.

Een jonge man rent haastig de trap op van een Gents appartementsgebouw. Sirenes dreunen keihard door zijn hoofd, en een nieuwe schokgolf adrenaline overweldigt hem als hij het appartement binnenstormt. Op de vloer ligt het meisje met wie hij enkele uren tervoren gebroken had, roerloos en klein.

In een voorstad van Antwerpen schrijft een meisje enkele korte e-mails en brieven naar mensen allerhande. Het zijn afscheidsbrieven. Sommigen krijgen het miniemste onder de kattenbelletjes, anderen krijgen een wat langere versie, maar er is niemand die werkelijk te weten komt wat er al jaren in haar omgaat. In een kistje bij het bed zit een glimmend mes.

Een dochter en een zoon komen de kamer binnen. Hun vader groet hen nauwelijks merkbaar, of zelfs helemaal niet. In het schemerlicht zijn zijn gelaatstrekken die van omgeploegde aarde die al veel te lang geen regen meer gezien heeft. De volwassen kinderen, allebei veertigers, beseffen dat dit één van de laatste keren zal zijn dat ze hun moeder levend zullen gezien hebben. Wat valt er nog te zeggen? Ze is niet meer in staat te communiceren. De medicijnen overstemmen haar gevoel van intense pijn, van het gezwel dat zich een weg vreet door haar lichaam, en hebben haar in een diepe, verwarde slaap ondergedompeld. En vroeger was ze zo’n sterke vrouw, zelden ziek, altijd in de weer.

De sirenes die daarnet nog in zijn hoofd bonkten, weerklinken nu echt, en zouden normaal pijn doen aan zijn oren, maar het gevoel dat alles overstemt is dat van wanhoop en boosheid. Hij heeft al meer dan genoeg problemen. Zij was één van die problemen, maar blijkbaar geen probleem dat zich makkelijk liet oplossen. Hij zit in de ambulance en kijkt naar haar. Ze ziet er grauw uit. Drieëntwintig en vroeg oud. Hij kon het ook soms zien als ze teveel gedronken had, of als ze wanhopig was (zoals nu). Hoe in dat tere lichaam al die kwalijke geschiedenissen opgeslagen waren. De ambulance raasde door het verkeer.

Nu het haast zo ver is, is de twijfel geweken. En het voelt weldadig, om niet te zeggen goed. Haar kamer is volledig opgeruimd, en er ligt een brief met instructies te wachten op haar ouders. Die brief stond tevens bol van verontschuldigingen, maar er is ook een deel van haar dat, voor één keer, al die verontschuldigingen niet helemaal meende, omdat ze er zeker van is dat de wereld een betere plek zou zijn zonder haar. In de badkamer loopt het bad vol. De kamer is volledig opgeruimd.

De familie is geen familie waarin affectie hoog in het vaandel gedragen wordt. Het zijn trotse mensen, bouwers, werkers en zelfstandigen, geen artistieke figuren of mensen die zich in idiote avonturen zouden storten. En toch zoeken broer en zus nu troost bij elkaar, buiten de kamer. Er wordt niet veel gezegd: de feiten spreken voor zich. Op gedempte toon wordt af en toe de hoop geuit dat de lijdensweg niet te lang is. Hoewel er een kruisbeeld in de hall hangt, is de oude eed van Hippocrates die later eigendom werd van de Kerk, en onder meer omvat het leven zo lang mogelijk te rekken, hier ver weg. Ze beseffen wel dat het niet abnormaal is om je moeder te verliezen, maar dat helpt niet om de pijn en het verdriet tegen te houden. Want vanaf nu zal alles anders worden. De oude norse man in de kamer is, niet zoals zijn vrouw die langzaam wegteert op het bed, een vat vol energie of iemand die grootse familiefeesten zal organiseren. Hij is er niet de man naar om iedereen samen te houden – het interesseert hem niet. Hij is een klomp bevroren potgrond, en alleen zijn vrouw heeft hem af en toe kunnen ontdooien – of de drank. Maar nu wordt alles anders.

Enkele uren later staart het meisje naar het plafond. Aan haar bed zit haar nieuwbakken ex-vriend.
“Waar dacht je toch in godsnaam aan?” vraagt hij. Omdat het zo stil is, klinkt het niet als een beschuldiging.
“Ik stortte in,” zegt ze, zich oprichtend. Ze hangt volgeplakt met elektroden en heeft zo’n hoogst onflatteuze, aseksuele ziekenhuisjurk met bolletjes aan. Het ziet er tegelijk zielig en grappig uit.
“Het leek alsof ik plots weer zes jaar terug werd gekatapulteerd, weet je,” zegt ze, hem niet rechtstreeks aankijkend, “Het werd gewoon teveel. Ik kon het niet meer aan. En ik voelde me een moordenaar.”
Hij kijkt nu zelf ook weg van haar.
“Het was de juiste beslissing.”
“Ik weet het, ik weet het. Maar wat als ik het gehouden had? Dan had ik mijn leven helemaal kunnen omkeren, en tenminste iets opbouwen dat ergens op leek. Iets wat mensen zouden kunnen respecteren.”
“Het is ook daarom dat ik eruit wilde,” zegt hij, “Ik vond niet dat ik nog respect verdiende. Geen job, geen perspectieven, ziek geworden, familie die gestorven is… Enfin, je begrijpt het wel.”
“Maar ik zie je graag. Telt dat niet?”
“Soms is het moeilijk omdat te geloven.”
Ze gaat weer liggen en sluit haar ogen.
“Als er wel één ding is dat je moet geloven, is het dat wel. Ik weet dat je van me vind dat ik de waarheid niet vaak spreek, en ik doe soms domme dingen. Zoals dit. Maar ik ben honderd procent zeker dat ik enorm veel van je hou.”
Vanonder haar gesloten oogleden komen er tranen. Hij staat op uit de stoel bij het raam, en pakt zacht, heel zacht, alsof het elk moment kan verdwijnen, haar hand vast. Niet met de koele, analyserende greep van een dokter of een verpleger, maar met de warme aanraking van iemand die geen woorden meer over heeft om iets te kunnen zeggen.

Het meisje gaat in bad. Ze vindt het op een bepaalde manier gênant dat haar ouders haar naakt zullen vinden, maar met kleren aan in bad stappen, dat gaat ook niet. En het heeft tegelijkertijd ook een zekere puurheid, alsof met het uitdoen en netjes opvouwen van haar kleren ook het laatste restje van omhulling is verdwenen dat haar nog enigszins in verbinding stelt met de rest van de wereld. Als een astronaut op ruimtewandeling die zelf zijn kabel doorsnijdt, en dan gewoon wegzweeft, op naar onbekende oorden. Er zitten geen citaten in haar hoofd, geen wijsheden uit alle boeken die ze gelezen heeft, die haar nu begeleiden. Er is alleen maar het weldadig warme water. Het snijden gebeurt haast automatisch, zonder dat ze bij moet nadenken. Geen twijfel, God, geen twijfel, wat voelt dat goed. Het doet minder pijn dan ze gevreesd had, en terwijl ze kijkt naar de koraalrode wolk die zich kringelend als inkt vermengt met het water, voelt ze langzaam het delirium opkomen waarover ze al gehoord had. Ze laat haar hoofd achterover zakken, en voelt de warmte van het water en haar eigen bloed om haar heen. Dit is geen einde, maar een nieuw begin. Voor haar, voor de wereld, voor alles. Ze ademt uit.

vrijdag 25 april 2008

Vendetta

Rocco Taglieri stond in de keuken en werkte aan het avondeten. Daar zijn tandartspraktijk thuis was en zijn vrouw Helene buitenshuis werkte bij een consultancy-firma, nam hij doorgaans het eten op zich. Het was ook het enige waarin hij volgens zijn vrouw goed was. Rocco was immers niet grappig, want alle mopjes die hij probeerde te vertellen, liepen spaak op zijn accent of waren van zulk een bedroevend niveau dat de mensen er eerder triest dan blij van werden. Hij was een gesloten man met weinig interesses buiten zijn werk en de keuken: voetbal volgde hij niet, bier interesseerde hem niet, en over films en boeken had hij nooit veel te zeggen. Volgens sommigen was Rocco gewoon verlegen, maar Helene vond hem een grote dommerik. Dat werd verder in de hand gewerkt door zijn nogal trage natuur en de hitsige aard van zowel Helene als hun drie kinderen. Zo was het gekomen dat hij ook de behoefte niet meer voelde om nog iets te vertellen, teruggedreven als hij was door zijn assertieve echtgenote en opgroeiende kinderen.
"Rocco! Ben je weer aan het treuzelen?"
Helene stond wijdbeens voor hem in het deurgat van de keuken, terwijl Rocco contemplatief in twee potten kokend water aan het staren was.
"De soep komt er zo aan. De gasten mogen aan tafel."
Vanavond waren Helenes baas en zijn vrouw gekomen, en daardoor was ze nog geprikkelder dan gewoonlijk. Zelfs de kinderen waren verbannen naar hun grootouders opdat ze niet zouden storen. Inmiddels was Helene weggestoven met twee rode flappen achter haar aan, die rond de schouders uit haar dure maar onelegante kleed staken. En zeggen dat ze hem daarnet weer eens had uitgelachen met zijn bruine bretellen.
Rocco maakte rustig een deuntje fluitend de tomatensoep klaar, terwijl geluid van gesprekken en muziek zijn oren bereikten vanuit het aanpalende vertrek. Kaarslicht, Mozart, af en toe een flard Frans. En dan te bedenken dat hij de stad ontvlucht was om zich te vestigen in de pretentieloze rust van het platteland. Met een zucht ritste hij zijn gulp open en piste hij in de tomatensoep. De gele urine klaterde in de warme soep, en met vaste hand roerde hij alles goed door elkaar.
Toen hij zijn soep opgediend had en de gasten verder onder elkaar praatten over hun derde auto, zwembaden, reizen naar Brazilië, Japan en Australië (waarbij ook die vreselijke vakantiefoto's moesten getoond worden waar Rocco steevast verbrand op stond), bleef hij even, terwijl hij zijn duofriteuse aan zette, luisteren naar het geslurp uit de woonkamer. Helenes baas, meneer De Ridder, mompelde een goedkeurende opmerking. Zijn vrouw, die opgetrokken leek uit marmer en bladgoud, glimlachte beminnelijk.
"Wat vinden jullie van de soep?" vroeg Rocco, die half in het deurgat kwam staan.
"Niet met je voorbindschort aan!" lipte Helene naar haar man. De gasten knikten beleefd en zeiden dat ze goed was. Taglieri glimlachte bescheiden en ging terug naar zijn keuken. Daar opende hij een grote pot stoverij die al de halve dag had staan pruttelen, en roerde er even in. Uit een kast onder de pompsteen haalde hij toen een emmertje met een luchtdicht deksel en goot de inhoud van dat emmertje bij de stoverij. De stront die Rocco al drie dagen opgespaard had, klotste in de stoverij. De geweldige stank kon hij verdoezelen met veel kruiden en een aantal speciale pepers. Hij zette de grote pot nog wat op het vuur zodat de stront zich kon aanpassen aan de temperatuur en structuur van de stoverij. Toen richtte hij zijn aandacht op de sla en begon driftig de slabladeren in zijn yoghurt-mayonaise te mengen.
"Er zat teveel water in je soep!" verweet Helene hem, die even door de keuken passeerde om naar het toilet te gaan. Rocco reageerde niet en zette zijn frieten voor de eerste keer naar boven.
Hij glimlachte naar Helene toen ze terug langs hem beende.
"Onnozelaar," zei ze verwijtend. Het was toch al tenminste niet in het Frans, zoals gewoonlijk, dacht Rocco, nog wat in het stoofvlees roerend. De stront zag er heerlijk uit. Die liet hij echter even voor wat hij was en meeneuriënd met Mozart ging hij met de kom salade naar het toilet. Eens hij de deur gesloten had, begon hij zich nauwgezet af te rukken boven de half-doorzichtige kom sla. Als hij erin keek, had hij even spijt dat hij zijn werk zo moest bekladden, maar hij wist dat het moest. Na een minuutje in gedachten op andere plaatsen vertoefd te hebben met andere vrouwen, lag Rocco's zaad te blinken op de slabladeren. Tevreden waste hij zijn handen, ritste hij zijn broek dicht en mengde hij in de keuken de sla verder, deze keer vrolijk zingend.
"Rocco!" siste Helene, die na een tijdje weer in de keuken stond, "Zing niet zo!"
Taglieri zweeg en glimlachte. Helene verdween, rood aangelopen door de wijn die ze al op had. Met de frieten had hij geen gemene streek uitgehaald, en ook de andere koude groenten waren in orde. Alles was nu klaar. Met zijn gewoonlijke laconieke uitdrukking diende hij daarna alles op. Het beeld van de superbourgeois meneer De Ridder die even het hoofd neeg terwijl stront en zaad op zijn bord geschept werden, was onbetaalbaar. Nadat hij iedereen bediend had, bleef hij even staan om hun reacties op te meten.
"Straks komt er nog een vleesspecialiteit. Ik hoop dat niemand onder u vegetariër is?"
Helene keek Rocco kritisch aan.
"Nee, nee," mompelden beide gasten.
Meneer De Ridder had al enkele happen stoverij geproefd en fronste.
"Apart aroma," gaf hij toe, "sterker gekruid dan gewoonlijk."
"Het is niet Rocco's specialiteit," zei Helene luchtig, "Hij is beter in pasta's en zo."
"Ach ja, u bent een Italiaan," glimlachte meneer De Ridder.
Mevrouw De Ridder leek zich onwel te voelen. Haar bord was nauwelijks aangeroerd.
"Ik zal u verder laten eten," zei Taglieri droog.
Helene zuchtte van opluchting. Rocco gleed de keuken in. Nu was het tijd voor de grote finale. Rocco's buurman kweekte groenten, en onder het voorwendsel dat Rocco zelf ook wel eens wilde beginnen aan een moestuin, had hij enkele pesticiden geleend. Deze had hij rijkelijk op voorbereide geraspte wortelen en veldsla gespoten die moesten verwerkt worden in vleesrollen die hij naar eigen recept gemaakt had. De deeg ervoor was reeds klaar, en de groenten ook. In de woonkamer hoorde hij mevrouw De Ridder opstaan. Snel stoof ze door de keuken naar het toilet. Taglieri deed alsof hij haar niet zag en ging de bergplaats in die naast het toilet was.
Mozart wist nog steeds van geen ophouden en was dominanter gaan klinken. Rocco floot weer mee, terwijl hij het plastiek ontrolde van het vlees. Hij keek er even naar, fronste en besloot om te beginnen met een stukje arm van hun jongste zoon. Hij nam een halsstukje van hun dochter en tenslotte wat onderbuik van hun oudste zoon. Rocco rolde het plastiek weer dicht en hoorde de sas van de wc naast hem. Mevrouw De Ridder kwam onvast naar buiten, haar mond met een servet afvegend.
"Gaat het, mevrouw?" vroeg Taglieri, die uit de bergplaats kwam.
"Ik… ik voel me niet zo goed."
"Zware kost, ik weet het," zei Rocco, "Ik hoop dat ik u niet onwel gemaakt heb."
"Het gaat wel. Het zal de autorit naar hier geweest zijn. Onze Alain rijdt nogal snel."
Vanuit de keuken bereikte hen gelach van Onze Alain en Helene. Al meermaals had hij vermoed dat zijn vrouw een verhouding had met haar baas, maar hij had het nooit hard kunnen maken.
"Ik zal u verder laten werken," zei mevrouw De Ridder, toen ze Rocco naar zijn kookpotten en pannen zag kijken. Rocco knikte en ging weer aan het werk. Hij draaide de half-bevroren lichaamsdelen van zijn kinderen in de vleesrollen, en ging af en toe een vingertje, dan weer een stukje kuit te halen.
Na enkele minuten schoof hij zijn rollen de oven in. Op dat ogenblik kwam Helene terug in de keuken, aan haar blik te zien nog steeds niet goed gezind.
"Rocco, wat voor vuiligheid zat er in die stoverij? Heb je er soms potgrond in gekapt of zo? Waar zaten je gedachten, cretin?"
Ze kon natuurlijk niet schreeuwen als anders omdat meneer en mevrouw De Ridder er nog waren en onder elkaar stil een gesprek voerden, waarbij Rocco de verzoenende toon hoorde die Onze Alain aansloeg.
"Het was gewoon als anders, Helene," zei Taglieri. Hij leunde tegen zijn oven en dronk een glas water.
"Niets om je over op te jagen," zei hij rustig, na een slok water.
"Nicole was er anders wel slecht van," zei Helene dreigend, "Rocco, waag het niet dit avondje hier te verpesten, want anders ben ik nog niet met jou klaar."
Rocco zei niets, waar hij vroeger nog zwak zou geprotesteerd hebben. Helene dook de woonkamer weer in, en Taglieri dacht plots aan Tantalos, die door de goden gestraft was omdat hij hen zijn eigen zoon had voorgezet aan de feestdis. Een oordeel van God vreesde hij niet. Buiten was het weliswaar donker en regenachtig, maar niets wees op een straf die uit de hemel zou neerdalen.
Het glas water was leeg en de vleesrollen waren klaar. Omzichtig ging hij met de plateau naar de gasten, en drong er op aan dat ze zoveel moesten nemen als ze konden. Nicole De Ridder zag er nog steeds zwak uit, en Alains bril was een beetje van zijn neusbrug gezakt.
"Niet teveel, Rocco," zei Helene toen hij bij haar kwam met zijn plateau. Taglieri glimlachte en genoot van het dunne laagje vernis aan vriendelijkheid in haar stem. Hij kon haast haar nagels aan dat vernis horen krabben uit frustratie.
"Kom Helene, anders eet je die zo graag," zei Rocco.
"Allez Helene," zei meneer De Ridder joviaal, "je man heeft alles hier speciaal voor ons gemaakt."
"Goed dan," zei Helene, "Om u een plezier te doen."
Rocco's glimlach werd nog warmer. De plateau was nu leeg en hij verdween er weer mee in de keuken. Daarna ging hij naar de diepvries om er het ijs uit te halen. Het ijs was al een kleine minuut aan het ontdooien en alle gesprekken in de woonkamer waren stilgevallen, toen mevrouw De Ridder weer opstond. Rocco zat op een stoel bij het aanrecht in een doos stracciatella te lepelen en keek geamuseerd toen ze binnenkwam in de keuken.
"O… sorry… ik voel me zo ziek."
Taglieri stond op.
"Ik zal u helpen."
Hij ging achter haar staan en legde zijn arm rond haar schouder om haar te ondersteunen, nam toen een groot mes van het aanrecht en sneed haar strot door. Het maakte een afgrijselijk geluid, en bloed brakend zakte Nicole in elkaar. Rocco spoelde het mes af terwijl mevrouw De Ridder in een steeds groter wordende vlek bloed lag te sterven. Op dat ogenblik hoorde hij een kreet van afschuw komen uit de woonkamer. Het was meneer De Ridder.
Rocco kwam mild kijkend de woonkamer in en zag meneer De Ridder ontzet staren naar de halfopgeten vinger die hij in zijn hand had. Helene was volledig wit weggetrokken.
"Wat is dat?" bracht hij uit.
"De wijsvinger van mijn jongste zoon," antwoordde Taglieri.
Alain begon spontaan te braken. De groenten met pesticiden, de sla met Rocco's sperma erop, de stront bij de stoverij, de pis in de tomatensoep, alles kwam eruit. Helene gilde en maakte aanstalten om recht te staan en Rocco aan te vliegen. De tijd was gekomen om te handelen.
"Blijf zitten!" zei hij ongemeen fel tegen zijn vrouw, die stomverbaasd op haar stoel neer zonk.
"Vond u het niet lekker, meneer De Ridder?" vroeg Rocco. Alain antwoordde niet en zat te hijgen en te snikken. Alles rondom hem hing onder de kots. Taglieri knikte en haalde een pistool uit zijn broekzak, richtte en schoot Alain De Ridder met een droge knal dood. Even schokte zijn lichaam nog en braakte hij wat bloed, waarop hij met zijn gezicht voorover in een bord kots en vleesrol viel. Helene zat te beven.
"Waarom… waarom?" snikte ze.
"Na al die jaren durf je nog vragen waarom. Al vijftien jaar moet ik alle vuiligheid van jou  slikken. Nu worden de rollen eens omgedraaid."
Helene zweeg.
"Arrivederci," prevelde Rocco, waarop hij zijn echtgenote doodschot. Hij stopte het pistool terug, slenterde naar de keuken en wijdde zich verder aan zijn stracciatella, terwijl Mozart toe was aan zijn requiem.