Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de verhalenafdeling daarvan. In 2016 bundelde en redigeerde ik (streng!) alle tot dan toe geschreven kortverhalen in de antologie 'Recombinant' en in 2023 bracht ik de novelle 'De keizer van Populië' uit - je kan beiden gratis downloaden als je Patron wordt. In 2020 verscheen mijn debuutroman 'Fragmentariërs'. In 2023 bracht ik de opvolger 'Constellatie' uit. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

donderdag 7 mei 2015

Stront

Er is een café waar ik soms zit en waar ik bewust niet wens aangesproken te worden. Door de jaren heb ik er iedereen die er vaak komt, leren kennen en hebben die mensen geleerd om me met rust te laten. Ik val er niemand lastig, er valt niemand mij lastig en dat is prima.
Ik zit op m'n vaste plek op 3/4 van de toog, zijlichaam naar de deur gewend, één arm op het hout, hand rond een glas gin-tonic, met m'n andere hand onder de toog die een smeulende sigaret vasthoudt. De cafébaas heeft zich nooit een lor aangetrokken van het rookverbod.
Uit de luidsprekers speelt een nummer van de Dire Straits. Money for nothing, dicks for free, maak ik er in m'n hoofd van. Het is geen avond om erg somber te zijn, maar de onbestemdheid hangt hier diep in de tafeltjes, de stoelen, de zakjes chips van de Aldi die obsceen achter de toog uitgestald liggen. De cafébaas zelf is aan het telefoneren. Ik weet dat hij soms gedichten schrijft en ik weet dat ze slecht zijn.
Enkele plaatsen links van me zitten Dina en Nancy, een onafscheidelijk duo avonturiersters dat intussen eind de twintig moet zijn. Nancy is praatgraag en dik, met de brede glimlach van een opgeschoten scoutsmeisje. Dina is rank maar kijkt scheel aan één oog. Ik weet niet of ze dat weet.
Rechts van me zit Ludo. Ludo is een naam voor een lul met een hoofd dat lijkt op een piemel. Deze Ludo ontsnapt niet aan de wetmatigheid der Ludo's. Hij is begin veertig, heeft ooit een lief gehad dat hij heel graag zag maar die hem liet zitten omdat hij Ludo is en niet weet hoe hij ooit iemand anders zou moeten zijn. Sindsdien heeft hij niemand meer gehad.
Ik neem een slok van m'n drank en lees verder in het boek dat ik meegenomen had van thuis. Het is een Brouwers, en zelfs met een slechte Brouwers ben je een boek aan het lezen dat met kop en schouders uitsteekt boven het gemiddelde Nederlandstalige boek. Ik lees omdat ik dan niet hoef te denken aan de huur die moet betaald worden, de rommelslaap die wacht vannacht en het werk dat zich de volgende dag weer zal aandienen. Ook dat hoort bij de onbestemdheid van deze plaats, waar inmiddels de Dire Straits zijn opgerot om plaats te ruimen voor Joan Jett. I love cock and roll, maak ik er automatisch van.
Ik heb niet gezien dat er een nieuwe persoon het café is binnengekomen, en merk het pas als ik in m'n ooghoek Ludo zie bewegen om één van zijn trieste grapjes te proberen. Het moet een vrouw zijn, denk ik, en dat is het ook. Ze heeft, net als ik, de lichaamstaal van iemand die met rust wil gelaten worden. Ze moet ongeveer mijn leeftijd hebben. Ze is lang en heeft een opvallend vooruitstekende neus. Haar haar is rafelig blond, alsof ze zonet in de regen heeft gelopen. Misschien komt ze van een ander café. Mensen die bezopen zijn, zien er vaak nat uit.
Pedro, de cafébaas, tapt haar een pintje. Pedo de cafébaas. Pedro Pedrissimo, met zijn slechte gedichten en zijn vet haar. Ook hij verdient liefde, denk ik, en ik ga verder met lezen. Ludo heeft zijn montere maar gedoemde versierpoging al opgegeven.

Een uur later en twee gin-tonics later ben ik er zo onderhand klaar mee. Het is halftwaalf en meer dan bedtijd. Er is net een man binnengekomen met een hoed en een sjaal. Het nummer dat nu weerklinkt is het enige dat ik uit m'n hoofd ken van Motörhead. The ass of spades.
De man gaat naast me staan en bestelt een glas porto. Zijn gebaren zijn manisch. Ludo neemt hem waar met een frons, net als Dina en Nancy. De onbekende vrouw kijkt hem aan alsof ze op iets wacht. Pedro schenkt hem vakkundig zijn porto uit en ontvangt zijn contanten. Het is geen avond waar Pedopedro rijk van zal worden. Bovendien is zijn reputatie als pedofiel wat overdreven. Een viezerik die meisjes van 18 probeert te versieren is hij zeker, maar bij mijn weten staat hij niet te potloodventen aan lagere scholen of heeft hij ergens een harde schijf vol groezelige kinderporno. Niet dat hij dat zou vertellen aan zijn klanten, natuurlijk.
In één gulp kapt de man zijn porto achterover, klapt zijn glaasje neer op de toog, schraapt zijn keel en zegt: "Stront."
Ik kijk verbaasd op.
"Wat?"
"Stront," knikt de man beslist.
"Stront?" mompelt Ludo.
"Precies, stront," zegt de onbekende vrouw.
"Zeg dat gerust," zegt Pedo, die nog een glas vult, deze keer voor zichzelf.
"Str-stront?" herhaal ik gepijnigd.
"Stront!" gillen de twee meiden aan de andere kant van de toog.
"Het is allemaal kak, allemaal stront," beslist de onbekende man, die nu het hele café rondkijkt, elke ingezetene apart aankijkt, knikt, en er aan toevoegt: "Laten we dat eindelijk eens toegeven."
"Hoezo alles is stront?" vraag ik.
"Een afvalproduct, hetgeen overblijft na consumptie, de stinkboel, hetgeen we ruiken om ons heen maar doen alsof het er niet is omdat het onder onze voeten door loopt in de grond."
Nirvana zet in met een nummer. Smells like teen spirit.
"Het is stront dat men tot goud probeert te bakken middels cynische alchemie als er nog een album uitkomt van 2pac, Kurt Cobain, Lou Reed of weet ik welke andere dode popster," zegt de man, gebarend naar de radio, "Politici zijn stront: als het geen onbekwame lulletjes likmevestjes zijn, zijn het malevolente broekschijters met de intellectuele sofisticatie van middelmatige zesdejaars op een middelbare school. Het openbaar vervoer is stront en wordt gebruikt door te veel stronten die geen respect tonen voor de rust van hun medemens. De kranten staan volgekladderd met stront. Onze tv-schermen druipen van de stront. Reactionaire stront waarin seksisten en racisten à la Brusselmans mogen optreden als "edgy" en "grappig", Vermeersch zweterig mag roepen over zaken waar hij best zijn mond over zou houden, en een eindeloos forum wordt geboden aan beroepsstronten uit wier lichaamsopeningen al even eindeloze drollen gedraaid worden. Magazijnen bulken van de balen stront, de voorraad kan niet op, we leven in de maatschappij van na de schaarste aan stront, stront is overal, iedereen heeft recht op stront, iedereen zal stront eten, alles bestaat uit stront."
Het café kijkt ademloos toe. De man zet zijn hoed af, bestelt nog een glaasje porto en doet ook zijn sjaal uit. Ik geef het toe, ik ben ook gegrepen door dit spektakel.
"Stront alhier en stront aldaar. De bergen koeienstront die het broeikaseffect versnellen omdat mensen graag hun McShit eten met een extra reep spek, de koeien zelf die ziek worden omdat ze hun eigen tot meel vermalen karkassen moeten opvreten, een ouroboros van stront die zich uitstrekt over de hele wereld. De globalisering van stront, met bullshitjobs, executive managementdrollen met drolhanden, droldassen en drolterminologie en drolgeld. De kleur van geld is niet rood, maar bruin. Fecale constructies omringen ons de hele dag door: plicht, vaderland, mantelpakjes voor hondjes, paringsdansen in cirkels van kak."
Pedro zet een andere plaat op. De Raggende Manne. Natuurlijk.
"Stront!" roept Ludo zo luid als hij kan. De ader op zijn lulhoofd begint vervaarlijk te kloppen.
"Inderdaad, stront!" reageert de man enthousiast. Zijn ogen schieten vuur.
"Het ergste is, het ergste is nog," roept hij, happend naar adem, met een tollende blik, "is dat iedereen er verlekkerd op is, op al die stront. Gewillig verorberen we stront per kubieke liter terwijl we geloven dat het aan het einde van die beerputtunnel licht gloort, maar 't is gewoon opnieuw stront dat we gaan zien, een vormloos bruin gat dat ons uiteindelijk zal opslokken en we er aan de andere kant zelf uitkomen als stront."
"Als stront!" roepen Nancy en Dina in koor.
"Godverdomme, als stront," zegt de onbekende vrouw.
Het wordt stil nu, en iedereen kijkt me aan. Mijn gin-tonic is leeg, Brouwers is dichtgeslagen op m'n schoot. Ik sta op en haal m'n jas van m'n barkruk, doe die aan en kijk iedereen zelf aan.
"En?" vraagt de strontredenaar van zoëven. Zijn ogen boren zich diep in mij.
"Het is stront, zeker?" zucht ik.
Hij valt me in de armen, Pedro geeft een rondje en de onbekende vrouw kust me op de wang. Ludo juicht en de twee vriendinnen joelen.
Alweer een café dat ik van m'n lijst mag halen.

zaterdag 15 november 2014

Café 'De wilgen'

Met dit ultrakortverhaal dong ik mee naar de A.L. Snijdersprijs voor zeer korte verhalen (zkv's). Het haalde niet de longlist, maar je kan het daar wel lezen (en op stemmen) zolang het online blijft! Mijn bijdrage is inzending 370.

De regen kwam met bakken uit de hemel en vormde een ondoordringbare muur. Omdat het zo’n rustige avond was in het café, moest ik ingeslapen zijn achter m’n toog. Daardoor schrok ik pas wakker toen de deur openklapte. Door het deurgat kwam een man van middelbare leeftijd in een doorweekte, lange beige jas binnen strompelen. Ik hoorde een auto wegscheuren.
“Gaat het? Meneer?” vroeg ik.
Ik snelde naar de man en schoof hem een stoel toe. Hij liet zich er op vallen en wreef over zijn knie.
“Heeft u gezien wie u aangereden heeft?”
“Nee, juffrouw,” kreunde de man, “hij is al lang weggereden.”
Zijn kleren waren doorweekt van de regen. Hij was erg stijlvol, zelfs een tikje ouderwets.
“Moet ik een dokter bellen?”
Hij keek me een ogenblik aan.
“Een dokter, juffrouw?”
“Wacht u hier even,” zei ik. Ik holde naar het vertrek achter de toog en botste op de baas, Ronny, die de trap was afgekomen, gelokt door het lawaai. Hij had een blik in zijn ogen die ik nog nooit gezien had.
“Kom mee.”
Voor ik iets kon vragen pakte Ronny m’n arm en leidde me terug naar het café. De man was weg. Ronny toonde me een krant, gedateerd op 7 november 1961. De kop zei: “Man doodgereden door eigen broer.” Plaats: aan café ‘De wilgen’.

dinsdag 1 april 2014

Ronald De Smul (II)

Enkele maanden nadien zat er een klant tegenover mij die eigenaar was van diverse KMO's in Oost- en West-Vlaanderen. Ze zocht een sitemanager voor een duurzame schrijnwerkerij, maar wilde persoonlijk het profiel komen toelichten van het type manager waar ze op zoek naar was.
"Goed, mevrouw Deroose, ik luister."
Agnes Deroose was begin de vijftig, en gepokt en gemazeld in het zakenleven. Ze droeg een neutraal donkerblauw, en had een kleine, kritische mond.
"Ik hoop dat ik op uw discretie kan rekenen."
"Dat spreekt."
"We zoeken een sitemanager voor onze schrijnwerkerij in Evergem, maar liefst iemand die zo slecht mogelijk in het profiel past."
Ik trok een wenkbrauw op.
"Waarom, als ik vragen mag?"
Deroose stond zichzelf een cynisch glimlachje toe.
"De bedoeling is dat het aanwezige personeel ofwel in opstand komt, ofwel vanzelf vertrekt. Dan kunnen we de vestiging sluiten, de manager ontslaan en de assets bij onze poot in Gent voegen."
"Daar heeft u toch geen slechte manager voor nodig?"
"Bij de overname stond in het contract dat we enkel de assets mochten verplaatsen of de vestiging mochten sluiten indien het personeel ermee akkoord ging. De manager mocht overigens geen persoon zijn die op één of andere manier met mij of met de rest van de firma verbonden was."
"Zo," zei ik, terwijl ik nadacht, "ik begrijp het. En u bent ook verplicht te tonen dat u met ons heeft gewerkt, zodat er van opgezet spel geen sprake is. U zoekt een creatieve oplossing."
Weer dat glimlachje.
"Zoiets."
"Wel, ik heb misschien wel de geknipte man voor u," zei ik traag. Het beeld van Ronald De Smul doemde op in mijn gest, met mayonaisevlek en vettige bril en al. Ik maakte een aantal afwegingen. De schrijnwerkerij in Evergem helpen kapotmaken was niet goed voor onze kortetermijnbusiness, maar het zou niet de eerste keer zijn dat we gevraagd werden een minder geschikte kandidaat naar voren te schuiven om langetermijnbelangen veilig te stellen. Agnes Deroose was bovendien een vaste klant.
"Zijn naam is Ronald De Smul. Hij vindt zichzelf een fantastische potentiële manager, maar ik geef u op een briefje dat hij binnen de maand geheid conflicten krijgt met iedereen."
"Indrukwekkend dat u zijn naam uit het hoofd kent," zei Deroose.
"Wel, je komt niet elke dag zo'n man tegen," zei ik. Ze glimlachte, deze keer oprecht.
"Zal ik hem even bellen?" stelde ik voor. Ze knikte. Ik zocht zijn profiel op en toetste zijn nummer in. Een vaste lijn. Het paste bij het beeld dat ik al van hem had. Een vrouwenstem antwoordde na twee keer overgaan.
"Hallo? Ben ik bij het huis van Ronald De Smul? U spreekt hier met Diederik Olyslaeghers van het managementselectiekantoor Aleph Direct."
"Ah. Ik ben zijn moeder. Ik zal hem eens roepen. Ronald!"
Ik zette de telefoon op luidspreker. Na wat gestommel kwam De Smul aan de lijn.
"Hallo meneer De Smul! Kent u ons nog?"
"Ja, ja natuurlijk," antwoordde hij, "van het managementbureau."
"Precies," zei ik, "Heeft u momenteel al werk? Want we hebben hier mogelijk een baan voor u."
"Ik ben geïnteresseerd," zei hij. Aan de telefoon klonk hij nog onaangenamer dan in werkelijkheid. Om de één of andere reden moest ik denken aan ajuinen.
"Ik heb hier bij mij mevrouw Deroose van Soto Logistics. Zij kan zelf best de jobinhoud omschrijven."
Ik gaf de telefoon door aan Deroose. Die schetste kort de baan, de verantwoordelijkheden en het voorgestelde loonpakket. Net als ik dacht ze allicht dat De Smul geen onraad zou ruiken. Toch kwam even het vermoeden naar boven dat we hem onderschat hadden, toen het lang stil bleef aan de lijn.
"En... hoe zit het met extralegale voordelen?" vroeg hij.
"Er hoort vanzelfsprekend een smartphone bij met abonnement, en een ruime bedrijfswagen."
"Ja maar ik heb geen rijbewijs," zei hij, "Kan dat ook in openbaar vervoer omgezet worden?"
"Natuurlijk."
Deroose trok grote ogen naar me.
"En nog een vraag: heb ik een secretaresse?"
Deroose trok nu een grimas.
"Nee, daar is de vestiging te klein voor."
"Goh, nochtans, u zei dat er 18 man werkt. Dat is toch al iets."
"Daar hoort traditioneel geen secretariaat bij."
"Ja, maar ik ben geen man van traditie!" lachte hij.
Ik sloeg met mijn hand tegen mijn voorhoofd.
"Ik hoop dat dat voor u geen dealbreaker is," zei Deroose, "want anders kan ik u niet verderhelpen."
"Mja."
Het bleef weer even stil.
"Kijk, spijtig dan," zei De Smul, "Het zal niet voor vandaag zijn."
Ik gebaarde aan Deroose om me de hoorn terug te geven.
"Meneer De Smul? Ik zou dit aanbod toch ernstig in overweging nemen als ik u was."
"Maar u weet toch wat ze zeggen? Nooit op het eerste aanbod in gaan!" kraaide De Smul triomfantelijk in m'n oor. Ik zuchtte.
"Kom, er moet toch nog te onderhandelen vallen," zei hij opgewekt, "We hebben het nog niet gehad over kantoorinrichting, kilometervergoeding, tankkaart, kredietkaart, enzovoort!"
Ik wisselde een blik uit met Deroose.
"Dat zal ook niet gebeuren, vrees ik."
Ik haakte af. Ronald De Smul was het daar duidelijk niet mee eens, want hij belde onmiddellijk terug. En hij bleef terugbellen, elke dag om twee na drie in de namiddag, telkens één poging.

Ronald De Smul (I)

Elke namiddag om twee na drie rinkelt mijn telefoon met hetzelfde nummer. Ik neem nooit op. Het blijft ook telkens bij één poging. Ik weet altijd wie het is: het is Ronald De Smul. In mijn negen jaar ervaring in de wereld van de rekrutering en profiling ben ik al heel wat unieke individuen tegengekomen, maar niemand van hen was ooit zo bizar als Ronald De Smul. Hij moest per ongeluk in mijn database terechtgekomen zijn, want voor de functies waar ik meestal kandidaten voor zoek, was hij hopeloos ongekwalificeerd. Toen ik hem voor het eerst sprak, was hij al voorbij de dertig en had hij geen enkel diploma buiten dat van de middelbare school. Ik geloof dat hij langs was gekomen om zijn beklag te doen over het feit dat we hem nog geen enkele keer gebeld hadden.
"Vertelt u eens, meneer De Smul, wat kan ik voor u doen?"
De Smul was gemiddeld gebouwd met wat buik op overschot, en afgaande op zijn kleren zou ik in hem een IT'er gezien hebben. Als consulent in de jobmarkt leer je snel mensen profilen, en kledingstijl is meestal een weggever. Bestudeerd nonchalant: marketing. Ostentatief: sales. Klassiek en streng: legal. Subtiel rijk: finance. Ik vergis me zelden.
"Awel, ik kom eigenlijk eens zien of geen jobs voor mij zijn. Ik had mij een tijdje terug bij jullie ingeschreven, maar ik had nog niets gehoord, dus kwam ik zelf even langs. Ik was toch in de buurt."
Ik had z'n profiel bij de hand, en keek van het scherm naar hem en dan weer terug. Hij had een vreemd gezicht, met een snor en baard die niet bij elkaar leken te passen, te onverzorgd om zo bedoeld te zijn, maar niet wild genoeg dat het duidelijk was dat hij er niet om gaf hoe hij er uit zag. Zijn bril was ouderwets, en accentueerde een paar ogen dat permanent gefixeerd leek op iets in zijn eigen achterhoofd, als die beeldspraak al ergens op slaat.
"Uw profiel is behoorlijk leeg. Dan kunnen we u natuurlijk niet vaak contacteren, als we niet weten wat u wil."
"Ja maar is dat jullie job niet?"
"Onze job is om u en onze klanten te helpen, maar we moeten eerst weten hoe we u kunnen helpen. Laten we beginnen bij het begin, meneer De Smul. Wie was uw laatste werkgever en wat hebt u daar gedaan?"
De Smul sloeg zijn ene been over zijn andere en keek nadenkend naar het plafond.
"Goh. Ja. In principe werk ik nog altijd."
Ik trok één wenkbrauw op.
"Ja, ik ben secretaris van een schaakclub."
"Professioneel? Ik bedoel, wordt u er voor betaald?"
"In Duvels," zei hij, waarop hij me aankeek en lachte. Toen hij zag dat ik niet lachte, streek hij door zijn lelijke snor om zijn lach te maskeren, en werd toen serieus: "Nee, ik heb de job nog niet gevonden die ik echt wil. Ik ben al drie jaar op zoek."
"En uw laatste echte job was?"
"Glazenwasser."
"Meneer De Smul," zei ik terwijl ik voorover leunde en hem zo streng mogelijk aankeek, "dit is een selectiebureau voor managers. Met alle respect voor glazenwassers, maar ik krijg niet de indruk dat notulen van een schaakclub en het reinigen van vitrines gelden als managementervaring."
"Maar hoe leer je dat anders, dan? Allez ja, niet elke manager heeft toch een dure opleiding aan een snobschool gedaan, hé?"
Het klonk niet eens vijandig bedoeld.
"Nee, je hebt ook equivalentie door ervaring, maar daar lijkt me in uw geval nauwelijks sprake van."
"Aha. Ja, maar wat als je de juiste visie hebt?"
"Hebt u die dan?"
"Zou ik hier anders zitten?"
Ik leunde terug achterover en wierp een blik op de klok van mijn computerscherm. Mijn volgende afspraak was pas over een uur, en ik zat eigenlijk al aan mijn quota van de week, dus ik had nog wel even tijd voor deze clown.
"Overtuig mij dan," zei ik, "waarom heeft u managerskwaliteiten?"
"Awel," zei De Smul, alsof hij op deze kans had gewacht, "ik ben een echte homo universalis. Ik hou van kunst, ik ben kritisch voor cultuur, ik verdiep mij graag in wetenschap en in psychologie. Ik denk voortdurend van dingen dat ze beter kunnen. Bijvoorbeeld bij de schaakclub heb ik een mailing list gemaakt omdat we anders elkaar altijd in CC moesten zetten in emails. Ik schrijf ook regelmatig naar het stadsbestuur of naar artiesten met constructieve opmerkingen over waar ik denk dat er gaten in hun plannen zitten. Ik deed dat ook bij proffen aan de univ, maar die stonden daar niet zo voor open. Die waren nogal dogmatisch. Spijtig, maar ja, niet iedereen valt te overtuigen. Daar ben ik meestal ook wel goed in, in mensen overtuigen. Dat lijkt me een evidente kwaliteit voor een goeie manager."
Hij streek door zijn vettige baard. Ik merkte nu pas dat er op zijn pull een mayonaisevlek zat.
"Hoe overtuigt u mensen?"
"Met logica en feiten."
Hij legde zijn handen samen op zijn buik.
"Logica en feiten. Maar mensen hebben gevoelens, dat beseft u toch ook?"
"Die komen niet van pas in een debat. Anders raken we nooit vooruit, hé? Als we moeten stilstaan bij hoe iedereen zich over iets voelt, dan blijven we bezig. Pas op, gevoelens hebben hun plaats, hé. Bijvoorbeeld in een film of in een goed stuk muziek. Maar niet in leiding geven."
"Niet in een schaakclub."
"Nee. Schaken is een aangelegenheid van pure logica."
Ik knikte en wist dat het tijd werd dat ik De Smul wandelen stuurde, maar er was een morbide fascinatie die me daarvan weerhield.
"Goed, vertel me eens waarom u bij uw vorige job gestopt bent."
"Ah," reageerde De Smul, met de geoefende intonatie van iemand die een anekdote al veel te vaak verteld had, "Mijn collega en ik moesten de glazen wassen van het Belgacom-gebouw. Ze hadden er ons niet bij gezegd welk Belgacom-gebouw, dus zijn we naar dat van Brussel gereden. Op die manier lag onze onkostenvergoeding hoger, en betekende dat meer inkomsten voor de firma. Zelf bedacht! Maar blijkbaar had de baas het gebouw in Gent bedoeld - hij had het alleen niet gespecificeerd - waardoor ik dacht dat hij uiteindelijk de verantwoordelijke was als Belgacom Brussel niet wilde betalen."
"En was hij dat?"
"Ik vind van wel. Nog altijd."
"Daarom hebben ze u dus ontslagen?"
"Dat zeiden ze."
De Smul zat er berustend bij. Ik schudde mijn hoofd.
"Meneer De Smul, u bent een bijzonder... persoon. Ik ga u in mijn bestand houden, maar intussen kan het geen kwaad een aantal extra opleidingen te volgen als u echt denkt dat u het managerschap in u heeft. Intussen kan ik u eerlijk zeggen dat weinig klanten van ons op zoek zijn naar iemand met uw profiel."
Hij had zelf eindelijk de mayonaisevlek gevonden op zijn pull en keek er beteuterd naar.
"Ik heb zo dadelijk een meeting met een klant, dus ik zal u helaas ook moeten laten gaan."
"Ik wil wel blijven zitten ook, hoor," schertste hij ongepast, "voor mij is dat geen probleem!"
"Voor mij wel."
Hij haalde adem.
"Ha. Ok, mijn excuses. Ik zal gaan."
Ik stond op en gaf hem een hand. Ik merkte dat zijn vingernagels vuil waren. De Smul verliet het kantoor, en ik liet me neerzinken op mijn bureaustoel toen hij uit het zicht was, en sloeg, zoals ik beloofd had, zijn profiel op.

Verder naar deel twee.

vrijdag 14 februari 2014

Ingeblikt

“Ik zou dat niet opeten als ik jou was,” zei ik tegen de vrouw die naast me zat, en net als ik zopas haar eten had gekregen. Het was de kans waarop ik gewacht had om iets tegen haar te kunnen zeggen om de ongemakkelijkheid te breken van het feit dat we stoelen naast elkaar hadden op een nauwelijks halfvolle vlucht van JFK naar Zaventem.
Ze hield haar plastic mes stil voor het dampende bord en keek me aan.
“Hoezo?”
“Ik kreeg precies hetzelfde op de heenvlucht. Niet te vreten.”
Ze grimaste, haalde haar schouders op en nam een fikse hap. Ik wilde me niet opdringen dus ik zei niks meer en liet m'n eigen bordje voor wat het was. Net toen ik het moe werd van uit het venstertje te staren, zei ze onaangekondigd: “Je hebt gelijk.”
Ze schoof haar eigen bordje aan de kant.
“Ik zei het niet om mezelf interessant te maken.”
“Mmh,” zei ze, terwijl ze haar mond afveegde met een servet, “Jammer toch. Wat een verspilling.”
“Je wil niet weten wat ze in dat eten draaien.”
“Dat geldt ook voor eten overal, hoor,” zei ze.
“Ja, maar dat smaakt beter.”
Ze leek weinig onder de indruk van dat argument. Het viel me op dat ze grote ogen had.
“Slecht eten of niet,” ging ik dapper verder, “Vliegen is altijd onaangenaam, tenzij je je een privévliegtuig kan veroorloven, of tickets voor eerste klasse. Er is altijd zo weinig beenruimte.”
“Mja.”
Ze wierp een zijdelings blik naar beneden.
“Je hebt wel grote voeten.”
Ik lachte, meer om wat spanning die gebroken werd dan wat anders.
“Tja, schoenmaat 47.”
“En is het waar wat ze zeggen over mannen met grote voeten?”
“Dat onze schoenen veel te duur zijn? Ja.”
Het was haar beurt om te lachen.
“Mooi. Goed,” zei ze toen, zichtbaar opgelucht om iets, “we zitten hier nog uren samen en ik wil best met je praten, maar haal je niets in je hoofd, ok?”
“Dat was ik ook niet van plan,” zei ik geprikkeld, en ook omdat ze wel een kwart waarheid geraakt had, hoewel ik te moe was om eigenlijk aan seks te denken, laat staan meer. Ik opende het blikje cola dat bij m’n maaltijd geleverd was.
“Maar goed, wat bracht jou naar de States?” vroeg ik toen.
“Ik was samen op reis met mijn vriend, en onze relatie overleefde de reis niet.”
“Hij zit niet op het vliegtuig hier?”
“Geen idee. Ik denk het niet.”
“Hm.”
“Hij had altijd zo'n onbedwingbare neiging om dingen uit te leggen. In het begin vond ik dat interessant omdat hij zo veel wist, maar na een tijdje sloop er hier en daar bullshit in z’n uitleg, en steeds vaker. Hij kon ook nooit z'n ongelijk toegeven. Het ergste was dat hij voortdurend dingen begon te verklaren die ik al lang wist. Tijdens een wandeling in een korenveld in Bumfuck weet ik waar, heb ik me omgedraaid en ben ik de andere kant beginnen uit wandelen, middenin één van zijn lange uitlegverhalen.”
“Waarover ging het?”
“Fructose.”
“Hij kwam niet achter je aan?”
“Niet dat ik weet. Misschien merkte hij het pas na een paar minuten dat ik weg was.”
Ze stond zichzelf een lachje toe.
“Denk je nu dat ik een impulsief en zot geval ben?” vroeg ze. Ze doorboorde me met haar diepgroene ogen. Ik grimaste.
“Daarvoor ken ik je niet goed genoeg.”
“Dat is geen antwoord op m'n vraag.”
“Het pleit niet voor je communicatievaardigheden.”
Ze glimlachte en sloeg haar ogen plots verlegen neer.
“Niet bepaald, nee,” gaf ze toe, waarop ze toch weer lachte, “maar het blijft een goed verhaal. En hoe zit het met jou? Wat is jouw verhaal?”
“Mijn verhaal?”
Ik probeerde me uit te strekken in de krappe vliegtuigstoel, wat uiteraard geen enkele zin had.
“Ik heb vele verhalen, maar als het toch moet gaan over de reis waarvan we terugkomen, dan... Het is iets gelijkaardig. Minder spectaculair. Ik dacht dat ik de liefde van m'n leven gevonden had, en ben haar gaan opzoeken.”
“Ze was een Amerikaanse?”
“Nee. Ja, eigenlijk. Haar ouders waren Belgen, maar ze groeide grotendeels op in de States.”
“Had je haar al eerder ontmoet?”
“Eén keer, in Brussel, na een receptie bij een belangrijke klant. We belandden in bed - niet mijn gewoonte, overigens - en bleven nadien contact houden. Ze leek me zo'n geweldige, avontuurlijke en slimme vrouw.”
“En nu teleurgesteld in de realiteit?”
“Teleurstelling is het woord niet. Dat zou een echt gevoel zijn. Nee, het probleem was dat ik eigenlijk niets voelde buiten een zeker onbehagen bij haar. Het was... alsof ze een andere versie was dan hoe ze zich had uitgegeven via internet, en nòg een andere versie dan de persoon die ik ontmoet had in Brussel. Er was een barrière tussen ons die niet te overbruggen viel.”
“Jullie deelden geen waarheden.”
“Zo... zou je het misschien kunnen stellen. Binnen de context van onze online-gesprekken en onze eerste ontmoeting was dat nooit opgevallen.”
“Voelde zij er zich ook zo over?”
“Ik denk het. We hebben er niets over gezegd. Het leek ons duidelijk dat we elkaar niet terug gingen zien, al had ik het idee dat zij met meer vragen zat dan ik.”
“Ze stelde die vragen niet?”
“Dat was haar beslissing.”
Ik wilde het er niet meer over hebben, maar de onbekende vrouw naast me bleef aandringen.
“Ook geen toonbeeld van effectieve communicatie,” vond ze, “Je had haar toch ook de ruimte kunnen geven van haar vragen te stellen?”
“Ze gaf zichzelf die ruimte niet door voortdurend te veranderen van onderwerp,” zei ik, blij met mijn slimme antwoord.
“Ah.”
De vrouw knikte en trok haar eigen blikje cola open.
“En jij eiste die ruimte ook niet op, brave Belg als je was,” concludeerde ze.
“Zoiets, veronderstel ik.”
“Je hoeft zo zuur niet te kijken,” lachte ze weer onverklaarbaar, “Geen van ons beiden is armer uit deze reis teruggekeerd.”
Ik glimlachte. Ze hield haar blikje omhoog naar me.
“Toostje?”
De twee blikjes raakten elkaar.

vrijdag 31 januari 2014

Het Arcturus-project (X)

Uit: “McMurdo Courier, jg. 63, 26/02/32
[…] Wereldwijd leggen regeringen beslag op de vermogens en bezittingen van Omn¡tek. Haar voormalige oprichter en CEO, Osvald Nørkjell, wordt momenteel ondervraagd. […] onthullingen die lang zullen nazinderen […] met hier en daar opstootjes tot gevolg. Vooraanstaande politici reageren geschokt en beschuldigen diverse groepen ervan, van de onrust gebruik te maken om […]. Lees meer opinies op […] meer […] meer […] meer […].


10. Hoofdkwartier Antarcticaanse politie, Dralnau, Getz

Walther voelde zich alsof hij in één week tijd tien jaar ouder was geworden en grijs haar gekregen had, en wilde niets liever dan weg uit de muffe politiekantoren van de AntPol, of gewoon weg van Antarctica, als dat moest, want het land was in een staat van hysterie die niet meer was voorgekomen sinds de Walvisrellen. De enige twee zaken waar hij zich aan kon optrekken was dat Henry en Selene nog leefden, en dat hijzelf eveneens nog in leven was. Misschien waren hun levens zelfs nooit werkelijk in gevaar geweest.
Jemma Paxton-Rügen zat er verslagen bij. Haar eigen baas, Logan Herschel, probeerde met steeds nieuwe invalshoeken om greep te krijgen op de situatie. Ze zaten alle drie in zijn kantoor. Buiten was het donker, en de afwezigheid van internet, dat Walther vaak ervoer als bevrijdend, was hier beklemmend, tussen die klinische muren van ecru en nepnatuursteen.
“Ik voel me verantwoordelijk,” zei Walther, “Ik ben met open ogen in de val gelopen.”
Het was zijn analyse die de AntPol tot actie had doen overgaan, en uiteindelijk voor niets. Nørkjell had het allemaal op voorhand laten ontwerpen als een schaduwmiddel, met schaduwdata en met niets meer dan suggesties die gegenereerd waren door zijn databoerderijen. En voor wat? In de steden waren protesten op gang gekomen, internet stond in brand. Mediapersoonlijkheden vochten het uit in loze opiniestukken.
“Wij hadden jou eerst gecontacteerd,” zei Jemma, “Dus maak je geen zorgen.”
Ze had kringen onder haar ogen. Locusta had zich wekenlang uitgegeven voor Jemma’s collega Charis, die zo haar moordonderzoek tegelijk kon leiden en aanvullen, als een waanzinnige wereldslang.
“Ik wou gewoon dat ik iets kon doen,” zei Walther.
“Je hebt genoeg gedaan,” zei Logan, “Je hebt gedaan wat je dacht dat juist was, en meer dan dat. Ook onze experts beseften niet dat het ging om schaduwdata tot we telefoon kregen van je broer en het internet zich begon te roeren.”
Een deel van Walther voelde zich ook gepasseerd door zijn halfbroer, de artiest, die door dom toeval de waarheid was te weten gekomen. Het zou Walther en de politiemensen waarmee hij had samengewerkt, allicht nog een week gekost hebben om uit te vissen hoe het zat. Tegen dan hadden Omn¡tek-bots echter al de waarheid verspreid, met alle stukken gelekt dossier van de AntPol, die nu ook in een slecht daglicht stond. Antarctica verslikte zich erin.
“Maar wat is er uiteindelijk mee bereikt?” ging Logan verder. Hij leunde achterover en legde zijn voeten op tafel. Jemma, die aan de andere kant naast Walther zat, zei niets.
“Er is chaos, de AntPol-PR draait overuren om zich uit te leggen, er zijn debatten, mensen komen samen op pleinen en in tunnels, maar het brengt ons geen stap dichter bij het doel dat Nørkjell voor ogen had. Als hij werkelijk een egalitaire samenleving had gewild zonder geweld, vervuiling en machtsmisbruik, had hij zijn fondsen beter geïnvesteerd in een kolonie ergens op de Maan of op Mars. Met zijn geld had hij zelfs Joviaans kunnen gaan.”
Walther keek naar zijn schoenen.
“Ergens versta ik hem wel, denk ik,” zei hij. Jemma keek hem zijdelings aan.
“Misschien loog hij tegen Henry,” zei Logan, die niet gehoord had wat Walther gezegd had, “en was zijn werkelijke doel een meer algemene destabilisering van Antarctica? Opnieuw roept dat de vraag op waarom. Iemand die tot de elite behoort, heeft meestal geen belang bij chaos in de samenleving waar hij deel van uitmaakt, tenzij hem dat een voordeel oplevert. Ik zie enkel nadelen. Misschien was hij werkelijk gestoord.”
“Kunnen we hier even over ophouden?” vroeg Jemma.
Logan wierp zijn handen op.
“Goed dan. We hebben allicht gezegd wat er voorlopig te zeggen valt, voor we Nørkjell goed en wel kunnen ondervragen.”
“En voor we Locusta gevangen hebben,” zei Jemma.
Logan trok een gezicht. Walther voelde een rilling over zijn rug lopen. Ze had hem kunnen doden als ze dat gewild had, maar ze had er blijkbaar niet de opdracht toe gekregen. Ook zijn wereldbeeld lag aan scherven. Zijn verwoede pogingen tot privacy waren allemaal een maat voor niets gebleken, en zelfs het kortstondige belang dat hij gedacht had te hebben, was enkel dat geweest van een doorgeefluik. Hij dacht ook aan de Mannenvrienden, waar hij nog over gesproken had met Lucia, en hoe die nu keet aan het schoppen waren. Ze bevestigden, zoals Nørkjell moest gehoopt hebben, alle vooroordelen die van de datazwermen van Omn¡tek gelekt waren.
“Je zei dat je denkt dat je Nørkjell verstaat,” zei Jemma toen tegen Walther, “Waarom?”
Walther keek op en haalde adem.
“Ik wil voorzichtig zijn met mijn mening,” zei hij, “gezien de omstandigheden.”
“Vertel maar.”
Walther besefte dat Jemma zijn perspectief oprecht wilde weten, en dat deed deugd. Het was mogelijk als tegengif voor de hete wind van Logan, die alle richtingen uit ging maar niets wezenlijks leek te raken. Walther mocht hem niet, en hij kreeg de indruk dat Jemma en hij ook niet op al te beste voet stonden.
“Ik denk dat Osvald Nørkjell de onmogelijkheid wilde bewijzen van werkelijke verandering zolang de mensheid in haar huidige vorm bestaat.”
“Hoe bedoel je?” vroeg Logan, die nu ook terug bij de les was.
“Wel, onze samenleving is overal min of meer dezelfde, niet? Het kapitaal regeert met privileges die het naar goeddunken uitdeelt aan bevoorrechte groepen. Het is een wisselwerking. De rijkdom vormt de bron van macht voor de heersende klasse, meestal mannen, meestal van bepaalde etnische groepen – zoals wij – en zet die macht om in wetten en geweld. Op hun beurt legitimeren die zich door middel van filosofie en wetenschap, die moet verklaren waarom de dingen zijn zoals ze zijn.”
Logan fronste, en Jemma kneep haar ogen samen.
“Kan je dat nog eens herhalen in mensentaal?” vroeg Logan.
“Sorry. Wat ik wil zeggen is dat de structuur van onze maatschappij een telkens geraffineerder vorm is van vier grote invloeden die elkaar in stand houden: kapitaal, geloof, patriarchie en imperialisme. Nørkjell wilde dreigen om er één van helemaal onderuit te halen, maar daarmee onthulde hij ook de andere drie. Hij heeft getoond hoe zwak het imperium – jullie – is voor de lokroep van het kapitaal, hoe het kapitaal zich zelf laat verleiden door nepwetenschap, en tja, patriarchie… Je ziet de rellen bezig. Zolang al die factoren bestaan, kan er geen sociale vooruitgang zijn. Dat is mogelijk zijn these.”
“Ik ben benieuwd wat hij daar zelf van denkt,” zei Logan.
“Dat lijkt me weinig relevant. Interpretaties kunnen losstaan van intenties,” zei Walther zonder animo, waardoor Logan verbouwereerd zweeg.
“Is het geen tijd dat je naar huis gaat?” vroeg Jemma toen, die iets van een glimlach leek teruggevonden te hebben.
“Ik neem aan van wel. Of wacht, nee, ik wil naar Shackleton.”
“Ik breng je wel.”
Walther keek nu zelf sceptisch.
“Echt? Dat is toch heel ver voor jou.”
“We hebben je hier nodig,” voegde Logan daar aan toe.
“Dat denk ik niet. Niet nu. Gun me een dag vrij,” zei Jemma.
Logan keek van Walther naar Jemma alsof hij een kunstwerk probeerde te bestuderen, en gaf toen toe.
“Ga dan. Wees voorzichtig.”
“Altijd,” zei Jemma.
Walther haalde diep adem. Hij wist niet of het opluchting was, of droefenis.

Het Arcturus-project (IX)

REGELS VOOR PODGEBRUIK

- Na u komen nog andere trekkers. Hou de pod schoon en verzegeld.
- Indien u merkt dat iets stuk is en u kan het maken, helpt u daar ook anderen mee.
- Data-infestatie? Haal er een pro bij. Probeer zelf geen onveilige data te ontmijnen.
- IJsvorming voor de ingang kan dodelijk zijn. Opgepast!
- Vergeet vooral niet te genieten, en maak het gezellig.


9. Iskander-pod, Dome Circe, Joegokraïna

Henry Bei zat in een benarde situatie. In de pod waar hij zich schuil hield, op aandringen van zijn halfbroer, zat hij namelijk niet alleen met zijn vriendin Selene. In de hoek van de kamer zat, geboeid met een klimtouw, de CEO en oprichter van Omn¡tek, Osvald Nørkjell. Ze hadden hem enkele honderden meters buiten de pod gevonden, bijna dood en zwaar onderkoeld. Hij was nu al enkele uren terug bij bewustzijn, maar had niet veel gesproken.
Henry wist wat Walther was te weten gekomen - dan nog door een onbedoelde tip over de kunst waar Henry mee was bezig geweest voor Nørkjell. Ze hadden toen een lange, verhitte discussie gevoerd, maar de overredingskracht van Walther had hem er uiteindelijk van overtuigd dat hij gelijk had. Bovendien had over dat gesprek de schaduw gehangen van hun overleden broer, die nu misschien nog zou leven als hij zelf naar de waarschuwingen had geluisterd van zijn vrienden en familie. Daardoor waren Selene en hij hals over kop vertrokken naar een atox-pod die niet op de kaart stond, diep in het territorium van Joegokraïna. Selene had het niet leuk gevonden, maar was sneller dan Henry gekalmeerd toen ze uiteindelijk op weg waren gegaan over de uitgebreide ijsplateaus van het continent.
Antarctica was bezaaid met pods: kleine, gezellige schuilplaatsen voor trekkers en wandelaars, soms ook illegale smokkelbunkers of hoofdkwartiertjes van politieke radicalen, maar die waren meer mythe dan werkelijkheid. Henry kende het podsysteem goed. Als student had hij er vaak gebruik van gemaakt. Ze waren gratis, en elke trekker was verantwoordelijk om ze zelf terug aan te vullen. Daardoor puilden sommige pods uit van onbederfbaar voedsel in blik of voer voor sleehonden. Andere pods hadden dan weer stapels antieke boeken liggen, of rondzwervende datamodules die de inzichten moesten delen van vorige gasten. Niet deze pod, dus, de Iskander-pod. Alleen enkelingen wisten hem liggen.
Selene en Henry hadden zich aanvankelijk geïnstalleerd met thee, dekens en een paar oude series, en hadden geprobeerd niet te denken aan wat zich bovengronds kon afspelen, ver weg van hen, in de kuststeden en hun tunnels. Dat was aardig gelukt, tot dat het alarm was af gegaan.
"Meneer Bei."
Nørkjell glimlachte gepijnigd en keek naar het plafond. Ze hadden hem in een zetel in de hoek van één van de vier kamers van de pod gezet, bij een snelverwarmer, onder een wierrookverspreider. Hij zat in lichtblauw licht.
"Een van mijn favoriete uitspraken is dat toeval niet bestaat. Alles is logica, ook al verstaan we die zelf niet," ging hij verder toen Henry niet reageerde. Hij voelde zich zwaar in zijn stoel. Selene keek hem aan, maar hij ging niet in op haar blik.
"Zonder u was ik nu dood en zonder mij zat u hier niet. Wees gerust, hier eindigt het allemaal voor mij," zei Nørkjell, die nu traag van Selene naar Henry keek, om zich tenslotte tot Selene te richten.
"We hebben elkaar nog niet ontmoet. U bent de partner van meneer Bei, neem ik aan."
Selene knikte.
"Behandelt hij u goed?"
"Wat voor een vraag is dat?"
Nørkjell glimlachte die verweerde glimlach van hem waarmee hij op covers en raamafbeeldingen stond van de financiële pers, en in de context van de pod ongepast leek.
"Vergeef me," zei hij, "Ik neem aan van wel. U bent vast allebei goede personen. De meeste mensen denken dat van zichzelf. Weinigen zijn het. Ik heb altijd geprobeerd om een goed persoon te zijn, wat niet gemakkelijk is als je een bedrijf leidt. Je moet mensen soms ontslaan en beroven van hun inkomen, je moet actie ondernemen tegen concurrenten, of contacten onderhouden met ondernemers, banken en klanten die enkel uit zijn op hun eigen winst."
Henry vouwde zijn armen over elkaar.
"Of je eigen personeel laten ombrengen," zei Selene.
Nørkjell liet iets varen van zijn rust en schampte.
"Je ontkent het niet?" vroeg Selene.
Henry leunde achterover. Selene Jensen was een compacte vrouw met opvallende grijze ogen, en iemand die mensen niet snel vergaten. Ook Konrad was altijd gesteld op haar geweest.
"Nee. Ik voel minder wroeging over hun dood dan over de impact van mijn bedrijf op het milieu. Die onderzoekers en agenten waren allemaal mensen die zelf aan die impact meewerkten, vrijwillig. Bovendien, het waren ook allemaal mannen."
Henry trok zijn wenkbrauwen op maar zei nog steeds niks. Hij zat met zijn gedachten bij Walther en die agente waar hij over gesproken had maar op wiens naam hij niet meer kon komen.
"Wat heeft dat er mee te maken?" vroeg Selene.
Nørkjell rechtte zich. Henry zag hoe de spieren van zijn pezige, sterke schouders zich opspanden.
"Kent u de Mannenvrienden?"
"Ja. Die zotten."
Nørkjell keek naar Henry, die gewoon knikte.
"Bent u het eens met hun standpunten?" vroeg hij aan Henry.
"Nee. Het zijn extremisten."
"Maar vindt u ook niet dat het onrechtvaardig was dat enkel mannen moesten boeten bij de sterilisatie? U bent toch geen geweldpleger of een verkrachter?"
"Dat had er niets mee te maken," mengde Selene zich weer in het gesprek.
"Dat weet ik," zei Nørkjell, "En dat weet u. Maar kijkt u eens naar de geschiedenis. Massamoordenaars, psychopaten, lustmoordenaars, verkrachters, fraudeurs, dieven, geweldplegers, folteraars, terroristen: voor 90% of meer, mannen. Allemaal."
"U bent zelf een man," zei Henry.
"U ook. U kent ze, net als ik. De ijdele praat. De verheerlijking van domheid en brute kracht," grijnsde hij, "We hebben er mee op school gezeten, elke dag mee geluncht, hen op het internet gezien, in de constante stroom van reclame die ons omzwermde op straat en in stations. Wij zijn uitzonderingen, meneer Bei, maar we zijn geen voorhoede. Er wordt niet geluisterd naar ons. Die mannen - de meerderheid - die... patriarchie, die wint altijd. Dat is al meer dan 3.000 jaar de trieste constante in de menselijke geschiedenis."
"En daarom onmiddellijk maar alle mannen uitroeien? Ook mannen als Henry?" vroeg Selene.
"Niemand maalt om omstaanders die sterven als het is in een rechtvaardig conflict dat zich ver van hun bed afspeelt. Of zat u soms in tranen de Cascadiaanse Oorlog te volgen?"
Selene zei niets meer en ging thee halen. Henry wist dat ze stoom ging afblazen.
"Ik begrijp iets niet," zei Henry toen.
Nørkjell keek op. Hij zag er sinister uit, als een lijk dat al dagen onder het ijs had gelegen, maar Henry dwong zichzelf om hem aan te kijken.
"Waarom dan met Omn¡tek al die geneesmiddelen maken, en al die gadgets die mensen geholpen hebben in het leven? Uw klanten waren ook mannen. Als u mannen wilde uitroeien, waarom hen dan eerst helpen? Waarom heeft u uw geld en invloed niet gebruikt om in de politiek te gaan, of om onderwijsinstellingen te bekostigen? Uw concurrenten deden het wel."
"Wie zegt dat mijn uitroeiingsmiddel werkt?"
Henry was van zijn stuk gebracht.
"Maar... als het niet zou werken, waarom uw eigen medewerkers laten uitschakelen? Waarom is het leven van Walther dan in gevaar?"
"Dat heb ik al uitgelegd. Pionnen. Als ik echt massamoord had willen begaan, had ik enkel clichés bevestigd waar ik me zo tegen verzet, al geloof ik nog altijd dat de wereld een betere plaats zou zijn zonder ons. Maar met de onthulling die nu op handen is, en de paniek en de wanorde die het zal genereren, sla ik verschillende vliegen in één slag. Een wekenlang debat, meer agressieve acties van de Mannenvrienden, een onderzoek naar de onaantastbaarheid van de conglomeraten, een terugblik op de geschiedenis."
"En u?"
"Ik had er al niet meer moeten zijn."
Henry schudde zijn hoofd en stond op.
“U bent intelligent genoeg om te weten dat ik een punt heb.”
“Er is toch al vooruitgang geboekt?” probeerde Henry.
“Hoe? Stemrecht, dat sinds 1950 in zeventien staten weer werd teruggedraaid en maar in zes nieuwe ingevoerd werd. Geweldstatistieken golven op en neer maar duiken nooit onder de 17%. Moet ik nog meer cijfers meegeven? En dan heb ik het ook nog niet over geweld van mannen op andere mannen, mannen zoals u, die gevoeliger zijn en niet noodzakelijk beantwoorden aan het ideaalbeeld.”
Henry schudde opnieuw zijn hoofd.
“Van geweld heb ik weinig last gehad,” loog hij.
“Ach. Dat komt goed uit.”
Henry draaide zich om.
“Ik ga even naar de keuken.”
Nørkjell zei niets meer.

Verder naar deel tien.