Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de verhalenafdeling daarvan. In 2016 bundelde en redigeerde ik (streng!) alle tot dan toe geschreven kortverhalen in de antologie 'Recombinant' en in 2023 bracht ik de novelle 'De keizer van Populië' uit - je kan beiden gratis downloaden als je Patron wordt. In 2020 verscheen mijn debuutroman 'Fragmentariërs'. In 2023 bracht ik de opvolger 'Constellatie' uit. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

donderdag 16 juli 2015

Een verhaal van twee gestoorden (II)

Boekhouders op sterk water

De weg van en naar het werk was geen pretje. Horvath & Coninck betaalden m’n trein- en metro-abonnement, maar de toenemende vertragingen bij de NMBS zorgden er vaak voor dat ik te laat aankwam, en in warme maanden bleken de metro- en treinstations te verworden tot helse oorden van lawaai, zweet en onhandige drukte. Over #pendelpret is er al heel wat inkt gevloeid, maar tot je met een houten kop moet optornen tegen een vermoeide moeder die via gsm haar kinderen begeleidt door hun hele ontbijt, klaarwakkere West-Vlaamse ambtenaren moet trotseren die zo luid mogelijk zo irrelevant mogelijke onderwerpen bespreken, of tot je last hebt van de occasionele groteske eter en drinker, is het moeilijk om te appreciëren wat instant haat voor de medemens echt betekent. Een bizarre observatie was bovendien dat mensen die op de trein aten of drinken steeds in twee vormen kwamen: ofwel magere fruit- en zure salade-eters met een hemd in de broek of een modebesef dat sinds 1990 niet meer geëvolueerd leek, ofwel de marginaal uitgedoste chips-etende en bierdrinkende uitgezakten die het duidelijk geen reet kon schelen wat andere mensen over hen dachten.
Mijn werk was ook goed voor een stukje Brussel leren kennen. Vlamingen kennen Brussel niet, velen haten de stad en toegegeven, er is veel om aan te haten. Brussel is luid, alle straten zitten verstopt met agressief verkeer en de verloedering in sommige wijken is een treurig testament van hoofdstedelijke apparatsjiks die al jaren volhouden dat dat prima werkt, een hoofdstedelijk gewest opdelen in 19 aparte baronieën. Maar Brussel is ook de stad van duizend prima restaurants, Brussel leeft en ademt de wereld uit, Brussel is altijd verrassend. Ketjes zijn grootstadkinderen. Vergeet Vlamingen en Walen, de echte Belgen, dat zijn Brusselaars.

Gel Michel woonde zoals zo veel rijkere Brusselaars in de Vlaamse rand. Zijn kinderen gingen naar een Nederlandstalige school. Hij vond het goed dat ze op de speelplaats geen Frans mochten spreken, maar stelde zich wel vragen bij het nogal opdringerige “Groot-Bijgaarden, een VLAAMSE gemeente” dat aan de grenzen van het grondgebied gezet was. Henri, een andere collega die later een positie bij marketing zou opnemen als operationele marketeer, woonde ook in die streek maar sprak geen Nederlands (hij sprak wel heel goed Engels). Op een keer moest hij naar de gemeente omdat er een mol in zijn tuin zat, en hij had uren geoefend op het zinnetje “Er zit een mol in mijn tuin.” Hilariteit toen de ambtenaar een vraag terugstelde en Henri niets meer wist te zeggen. Hij had nooit gedacht aan het vervolg van het gesprek.

2012 liep aan een gezapig tempo. Ik maakte testimonials, verbeterde brochures en werkte nu en dan mee aan een campagne in een tijdschrift, want wat had je gedacht, er bestaat ook een vakpers over financiële software. Ik vroeg me af of er mensen bestonden die dat écht interessant vonden. Telkens als ik mensen vertelde over mijn job en iemand uit beleefdheid zei: “Ha, dat klinkt nog interessant,” zei ik steevast: “Lieg maar niet, het is precies zo saai als het klinkt.”
Zoals alle IT-bedrijven was Horvath & Coninck overwegend een mannenbedrijf. Op de lagere regionen, waar de programmeurs zaten, zelfs bijna exclusief. Die programmeurs vormden een vrij clichématig amalgaam aan bleke mannen met foute kapsels die haast in hun broek plasten als er nog maar een vrouw hun richting uitkeek. Sommige vrouwen speelden daar een beetje mee, zoals Iris Martin, een innemende projectmanager die altijd die seconde langer dan nodig glimlachte, sprak met een Franse douceur en elke dag piekfijn gekleed op het appel verscheen. Toen ik eens vertelde aan Jan dat ik Iris toch wel de meest aantrekkelijke vrouw vond die bij ons werkte, lachte hij.
“Ja, ik zie wel wat je bedoelt. En ze weet het, hoor, dat ze seksappeal heeft. En allez, ik ben nu wel niet voor de vrouwen, maar zoals ze bij ons zeggen, ze heeft een kop om op te schieten.”
“Godverdomme Jan, da’s echt gortig.”
Hij lachte enkel luider.
“Maar goed, ge weet toch dat die een verhouding heeft met een collega hé?”
“Ah ja? Met wie dan?”
“Denis van projectmanagement.”
“Denis? Die ziet eruit als een boekhouder die ze op sterk water gezet hebben.”
“Uiterlijk is niet al wat telt.”
Jans kale kop blonk in het zonlicht.
“Mja. Goed voor hem, zeker.”

Tegen het einde van 2012 begonnen steeds meer geruchten te circuleren dat Horvath & Coninck overgenomen zou worden. Op een druk bijgewoonde conferentie in oktober werden die geruchten officieel bevestigd. De Franse Hypher-groep zou een volledig aandeel verwerven in Horvath & Coninck, en samen met een ander aangekocht bedrijf en zijn eigen banksoftware-activiteiten een nieuwe firma vormen: Hypher Financial Solutions. Over de details van de fusie bleef het lang stil. Michel en ik vermoedden dat er eigenlijk enkel naar het financiële plaatje gekeken was en dat men niet had stilgestaan bij de praktische implicaties. Het personeel zat met heel veel vragen.
Temidden van al die onzekerheid sloeg walnootman Bertrand Beaulieu zijn slag. Op dezelfde dag werd hij het hoofd van marketing en ontsloeg hij Michel, officieel omdat Michel al maanden niet meer constructief meewerkte en de hoge bazen vonden dat marketing in het slop zat. Ik vond het een flauwe politieke afrekening en liet merken aan Bertrand dat het een tijd zou duren eer ik hem zou vertrouwen. Dat verstond hij tenminste. Of hij deed alsof. Bertrand had een verleden bij een Duitse softwaregigant en had ooit op het punt gestaan professioneel golfer te worden. Hij droeg bruine kostuums als een soort mislukte herenboer, en sprak Engels waarin hij af en toe een onbedoelde fout smokkelde, zoals “we need to expose ourselves” of “we have worked hardly”.

Het team breidde voor een laatste keer uit. Bertrand plaatste drie managers onder zichzelf, en daaronder de rest. Daardoor werd rustieke Benoît m’n nieuwe baas. Voor hem was dat na meer dan een decennium Horvath & Coninck een mooie promotie. Henri Lallemand leidde operational marketing met Géraldine de hockeyster en drie nieuwelingen: Lara Vandenberghe, de eerste Vlaamse na mij in het team, Giuliano Reale, een grafisch designer en webontwikkelaar, en tenslotte Minh Dang, een flegmatieke Parijzenaar met Viëtnameese roots, die video en motion design voor z’n rekening zou nemen. De laatste manager, die solo werkte, was Christine Henault, een Naamse die van HR ingevlogen werd als interne communicatiespecialist.
Eén van m’n eerste officiële meetings met Benoît, die nog wat onwennig was in zijn rol als baas, ging over het gevolg dat moest gegeven worden aan m’n laatste evaluatie, die nog onder de auspiciën had plaatsgevonden van Gel Michel en zijn racistische moppen.
“Buiten de gebruikelijke stijging door anciënniteit heb je geen loonsverhoging of bonus gekregen, maar je krijgt wel de bedrijfswagen waar je om gevraagd had.”
“Ik had daar niet om gevraagd.”
Benoît knipperde met zijn ogen.
“Ben je er niet blij mee?”
“Euh. Wel, ik kom met de trein en de metro, en Horvath – ik bedoel Hypher betaalt dat al. Bovendien heb ik al een auto.”
“Die auto is echt wel een financieel voordeel, hoor. Hypher betaalt de belastingen en betaalt het onderhoud, en er hoort ook een verzekering en een tankkaart bij. Het is jouw keuze, maar je zou de allereerste mens zijn die ik ken, die zoiets zou afwijzen.”
Ik moest lachen. Benoît keek me aan alsof ik een volslagen idioot was.
“Nee, ik ga het aannemen, hoor. Ik ben alleen wat verrast.”
Ik had keuze uit drie modellen en opteerde uiteindelijk voor een mooie donkerblauwe Volvo. Ik hoefde er geen opties bij. De fleet manager vond dat raar, want “da ies allemaal graties, hein!” zei hij in z’n Nederfrans. Maar nee, het hoefde niet.

Midden december was er nog the last hurrah van Horvath & Coninck. De beide heren baronnen hadden een chic landgoed afgehuurd ergens in Waals-Brabant, waar alle nieuwbakken Hypheriens van de Brusselse en Luxemburgse vestiging zich een hele avond en nacht lang konden verlustigen in uitgelezen spijzen, dure cocktails en sigaren. We werden allemaal behandeld als vorsten, met een troep zaalpersoneel die constant aan en af liep met plateaus, servetten, glazen en nieuwe borden warm voedsel, een lounge-DJ beneden in de stijlvolle kelderbar, en toastjes om u tegen te zeggen. Het liep er vol kleine d’s en verbaasde Luxemburgers.
In tegenstelling tot wat z’n werkernst deed vermoeden, was Alexandre een enthousiaste feester. Een maand eerder was hij al een naar Gent gekomen met zijn vriendin om een fuif op te luisteren die ik samen met een vriendin georganiseerd had, en de man was geen moment van de dansvloer weg te slaan geweest. Nu was hij licht beschonken, en bezwoer hij me dat ik nog niet mocht vertrekken, want het was “amper” middernacht.
“But Anton, you once told me that it was always the worst thing at office parties to be “that guy”. If you leave now, I will be “that guy”!”
Ik moest lachen.
“Sorry Alexandre, you’ll have to fend for yourself, my friend. I would have loved to stay and upstage you as “that guy”, but I’m sure you’ll find someone else to handle that role.”
“Okay then, but have one more drink with me!”
Ik reed naar huis met de glimlach, in m’n nagelnieuwe bedrijfswagen. Het was één van de laatste keren dat ik met zo’n goed gevoel en zo laat van het werk thuis zou komen.

Verder naar deel drie.

Een verhaal van twee gestoorden (I)

Aangenomen door een banshee

Ik werd aangeworven door een gestoorde en ik werd ontslagen door een andere gestoorde. Dat vat ongeveer mijn vier jaar durende carrière samen bij Hypher Financial Solutions, voorheen Horvath & Coninck. Conventionele wijsheid zegt dat je beter niet publiek je voormalige werkgever afbrandt omdat toekomstige werkgevers dat zorgwekkend vinden. Misschien dat werkgevers er dan beter voor zorgen dat ze goede werkgevers zijn in plaats van hun personeel buiten te pesten. Laat me hier nog aan toevoegen dat de perfecte werknemer en de perfecte baas niet bestaan. Het is overal iets, elk bedrijf heeft een luis in de pels. Maar sommige bedrijven hebben meer luizen in de pels dan andere, om Orwell te parafraseren.

Mijn carrière bij Horvath & Coninck begon in de zomer van 2011 al onmiddellijk in bizarre omstandigheden. Ik wilde dringend weg bij de vorige werkgever, Dunning & Kruger, en was bij Horvath & Coninck op gesprek geweest. Het bleek een rustig IT-bedrijf, gevestigd in het hart van de chiquere wijken van het Brusselse, opgericht door twee aristocraten die banden hadden met het bankwezen. Er werkten ongeveer 300 mensen, allemaal netjes in pak en das. Een verademing na de moloch die Dunning & Kruger geweest was. Ik solliciteerde voor een vacature als copywriter. Het gesprek met de HR-verantwoordelijke verliep vlot en rimpelloos, en toen kwam m’n toekomstige baas binnenwaaien, een constant geagiteerde Ierse met ogen die constant door de kamer leken te zwemmen. Ze zag eruit als een crazy cat lady, stelde gekke vragen en liet me tenslotte ter plekke een tekst schrijven. Ik had de indruk dat ik de job beet had.

Een week voor ik zou beginnen bij Horvath & Coninck, kreeg ik een telefoontje van een man die goed Nederlands sprak met een zwaar Frans accent. Hij zei dat mijn toekomstige baas het bedrijf verlaten had en vroeg of dat iets veranderde aan mijn intentie om te komen werken bij Horvath & Coninck. Ik vond dat een rare vraag en was eerder opgelucht dat ik niet zou moeten omgaan met iemand die me duidelijk een kandidaat leek voor enkele weken collocatie. Nadat ik al enkele maanden aan de slag was bij Horvath & Coninck, vertelde m’n nieuwe baas – de man die me gebeld had – me wat er aan de hand was geweest met zijn voorgangster. Mijn indruk dat Claire Conway mentaal instabiel was, bleek juist geweest. Op haar vier maand bij de firma had ze niet alleen geen enkel resultaat van betekenis neergezet, ze had ook onophoudelijk haar collega’s geterroriseerd met incoherente tirades, overal de verwarming tot subtropische temperaturen opgedreven en had blijkbaar in haar archiefkasten een lasagne van afval achtergelaten.

Mijn nieuwe baas, Michel Germineau, was een compacte Brusselaar met donker haar achteruit in de gel, een vlugge manier van bewegen en spreken, en in alles, volgens zijn collega’s, een stereotype liberale Brusseleir, hoewel hij oorspronkelijk uit Charleroi kwam. Michel sprak vloeiend Nederlands en vrij goed Engels en maakte aan de lopende band grapjes. Het begon al op de eerste dag, toen hij me tegen de lunchpauze introduceerde aan Friso, een Nederlandse sales.
“Ha Anton, het is tijd voor lunch. Zeg eens, wat vind je het ergste: Walen of Nederlanders?”
“Heu. Spanjaarden.”
Buiten Michel was er in het marketingteam ook nog PR-man Benoît Dujardin, een rustieke Waals-Brabander die al 13 jaar dienst had gedaan bij Horvath & Coninck, ondeugende blauwe ogen had en een kalend achterhoofd. Hij had iets van een vermoeide schoolmeester of een cdH-backbencher in een lokaal gemeentebestuur. Evenementen werden geregeld door Géraldine Lahy, een boomlange brunette die in haar vrije tijd hockey speelde. Ze was maar enkele maanden voor mij aangeworven. Horvath & Coninck was een bedrijf dat even oud was als ik, en in volle expansie.

De wittebroodsweken waren er geweldig. Ik had een open kantoorruimte van 30m² helemaal voor mezelf, een rustige werkomgeving, tijd om me in te werken in de producten en diensten die Horvath & Coninck aanboden, en kreeg vlot werk doorgespeeld via Michel. Horvath & Coninck was een klassieke Belgische firma. De patrons waren van de oude stempel, maar zorgden ervoor dat werknemers elke dag gratis ontbijt en lunch kregen en bovendien was er à volonté koffie, water, frisdrank en zelfs wijn.
“Ongelooflijk,” zei Michel ooit, “Horvath & Coninck is het eerste bedrijf ooit dat ik meemaak waar er in elke vergaderzaal in de kast wijnflessen staan.”
Benoît herinnerde zich zelfs een nog Guldener Tijdperk, toen personeelsleden aan tafel bediend werden en meergangenmenu’s niet ongewoon waren. Er werd dan ook vol ernst gesproken over de “Horvath-kilo’s”. Nieuwe werknemers kwamen binnen het jaar steevast vijf kilo aan. Voor mij was het niet anders.

De marketing stond er in relatieve kinderschoenen en was tamelijk oubollig. Ik voelde dat er ruimte was om die moderner aan te pakken, vinniger en creatiever. Michel dacht er ook zo over. Na een maand kregen we nog een collega, Alexandre Foret, een pezige, introverte man van eind de twintig met een schooljongenskapsel. Hij had tot voor enkele jaren fysica gedoctoreerd in Harvard. Hij zou de market intelligence voor zijn rekening nemen. Alexandre en ik lunchten vaak samen. We deelden een interesse in sciencefiction, wetenschap en een aantal existentiële vraagstukken. Hoewel ik meestal Engels sprak met m’n collega’s, probeerde ik mijn best te doen om tijdens de lunch Frans te spreken. Van hun kant probeerden de Franstaligen die het Nederlands ook machtig waren, dat met mij te oefenen.
De laatste collega die in de eerste maanden een belangrijke positie innam, was de eeuwig grijnzende Antwerpenaar Jan Cornet. Ons eerste gesprek zette onmiddellijk de toon. Ik kwam op m’n tweede werkdag buiten een rookpauze houden. Jan werkte net als ik op de zevende verdieping, en herkende me.
“Aha, zo, ook een roker, zie ik?” zei hij joviaal, met een nadrukkelijk Antwerps accent.
“Gij zijt van Antwerpen zeker?”
“En gij zijt van Gent zeker?”
Jan was meer dan 15 jaar ouder dan me, maar geenszins een oude sok. Hij was een cultuurliefhebber, moest niet weten van het Vlaams nationalisme en ging in het weekend met zijn vriend naar decadente gayfeestjes in het Brusselse.

Volgens de lift was de zevende verdieping de hoogste. Daar was ook het kantoor gevestigd van de CEO, Frank Legrand, een innemende vijftiger die eruit zag als een meester-slager. Maar er was ook een achtste etage, enkel bereikbaar via een sierlijke wenteltrap, waar de bureaus waren van de oprichters van het bedrijf. Philippe de Horvath was een buikige grijsaard met pientere ogen, een baron met contacten in de hogere politieke en financiële regionen van het land, terwijl Didier de Coninck een zwijgzame, graatmagere studax was die iets had van een monnik. Horvath was begonnen als het commerciële brein achter de onderneming, Coninck als het technische brein. Hoewel hun firma dus software leverde voor financiële instellingen, leek ze in veel aspecten zelf op een bank.
“Een gedistingeerde privébank, zeg maar,” zei Jan tijdens een rookpauze, “Oubollig, maar solide.”
De CEO was een man die tussen zijn troepen stond. Op een bepaald moment moest er een belangrijke interne communicatie voorbereid worden, en dat deed ik samen met hem en Benoît terwijl ik thuis ziek was. Ik had heel hard gewerkt aan de juiste vertaling van zijn originele tekst, die Frank zowel in het Nederlands als het Frans geschreven had (hij was perfect tweetalig en opgegroeid in Congo). De volgende dag kwam hij persoonlijk langs aan m’n bureau om me te bedanken voor m’n geleverde werk. Dat vond ik getuigen van klasse.

In de loop van 2011 werd het team versterkt door nog een collega. Het ging om de schoondochter van Philippe de Horvath, de eveneens adellijke Mathilde de Teralfene. Ze had mijn leeftijd en was een fijn gebouwde vrouw met een haakneus en intelligente ogen. Ze zou de contacten verzorgen met analisten en partners en werkte deels voor Michel, deels voor de partner manager Bertrand Beaulieu, een grote man met een hoofd dat eruit zag als een enorme walnoot.

Het was niet al rozengeur en maneschijn bij Horvath & Coninck, want dat is het nergens. De maandelijkse grote meeting met alle sales- en marketingmensen was een marteling voor de concentratie, met ellendige presentaties in verhakkeld franglais, de occasionele onbegrijpelijke sales uit Rusland die als een vleesbal dingen voor zich uit stond te mompelen, en nerd na nerd die allerlei diagrammen en lelijke slides in een eindeloze caleidoscoop in onze hoofden hamerde.
Daar kwam bij dat baas Michel, ondanks zijn constante vrolijkheid en ijver, er vrij openlijk racistische ideeën op nahield (“Het is toch geen toeval dat de enige beschaving van betekenis in Afrika in Zuid-Afrika is, toch?”). Enkel veteraan Benoît sprak hem daar laconiek op tegen. Toen Michel tijdens een teleconferentie met het team in Singapore eens een grap maakte die cultureel compleet toondoof was en waar aan de andere kant van de lijn geen reactie op kwam, zei Benoît gortdroog: “Michel, peut-être pas tout le monde aime tes blagues racistes.”

Verder naar deel twee.

donderdag 7 mei 2015

Stront

Er is een café waar ik soms zit en waar ik bewust niet wens aangesproken te worden. Door de jaren heb ik er iedereen die er vaak komt, leren kennen en hebben die mensen geleerd om me met rust te laten. Ik val er niemand lastig, er valt niemand mij lastig en dat is prima.
Ik zit op m'n vaste plek op 3/4 van de toog, zijlichaam naar de deur gewend, één arm op het hout, hand rond een glas gin-tonic, met m'n andere hand onder de toog die een smeulende sigaret vasthoudt. De cafébaas heeft zich nooit een lor aangetrokken van het rookverbod.
Uit de luidsprekers speelt een nummer van de Dire Straits. Money for nothing, dicks for free, maak ik er in m'n hoofd van. Het is geen avond om erg somber te zijn, maar de onbestemdheid hangt hier diep in de tafeltjes, de stoelen, de zakjes chips van de Aldi die obsceen achter de toog uitgestald liggen. De cafébaas zelf is aan het telefoneren. Ik weet dat hij soms gedichten schrijft en ik weet dat ze slecht zijn.
Enkele plaatsen links van me zitten Dina en Nancy, een onafscheidelijk duo avonturiersters dat intussen eind de twintig moet zijn. Nancy is praatgraag en dik, met de brede glimlach van een opgeschoten scoutsmeisje. Dina is rank maar kijkt scheel aan één oog. Ik weet niet of ze dat weet.
Rechts van me zit Ludo. Ludo is een naam voor een lul met een hoofd dat lijkt op een piemel. Deze Ludo ontsnapt niet aan de wetmatigheid der Ludo's. Hij is begin veertig, heeft ooit een lief gehad dat hij heel graag zag maar die hem liet zitten omdat hij Ludo is en niet weet hoe hij ooit iemand anders zou moeten zijn. Sindsdien heeft hij niemand meer gehad.
Ik neem een slok van m'n drank en lees verder in het boek dat ik meegenomen had van thuis. Het is een Brouwers, en zelfs met een slechte Brouwers ben je een boek aan het lezen dat met kop en schouders uitsteekt boven het gemiddelde Nederlandstalige boek. Ik lees omdat ik dan niet hoef te denken aan de huur die moet betaald worden, de rommelslaap die wacht vannacht en het werk dat zich de volgende dag weer zal aandienen. Ook dat hoort bij de onbestemdheid van deze plaats, waar inmiddels de Dire Straits zijn opgerot om plaats te ruimen voor Joan Jett. I love cock and roll, maak ik er automatisch van.
Ik heb niet gezien dat er een nieuwe persoon het café is binnengekomen, en merk het pas als ik in m'n ooghoek Ludo zie bewegen om één van zijn trieste grapjes te proberen. Het moet een vrouw zijn, denk ik, en dat is het ook. Ze heeft, net als ik, de lichaamstaal van iemand die met rust wil gelaten worden. Ze moet ongeveer mijn leeftijd hebben. Ze is lang en heeft een opvallend vooruitstekende neus. Haar haar is rafelig blond, alsof ze zonet in de regen heeft gelopen. Misschien komt ze van een ander café. Mensen die bezopen zijn, zien er vaak nat uit.
Pedro, de cafébaas, tapt haar een pintje. Pedo de cafébaas. Pedro Pedrissimo, met zijn slechte gedichten en zijn vet haar. Ook hij verdient liefde, denk ik, en ik ga verder met lezen. Ludo heeft zijn montere maar gedoemde versierpoging al opgegeven.

Een uur later en twee gin-tonics later ben ik er zo onderhand klaar mee. Het is halftwaalf en meer dan bedtijd. Er is net een man binnengekomen met een hoed en een sjaal. Het nummer dat nu weerklinkt is het enige dat ik uit m'n hoofd ken van Motörhead. The ass of spades.
De man gaat naast me staan en bestelt een glas porto. Zijn gebaren zijn manisch. Ludo neemt hem waar met een frons, net als Dina en Nancy. De onbekende vrouw kijkt hem aan alsof ze op iets wacht. Pedro schenkt hem vakkundig zijn porto uit en ontvangt zijn contanten. Het is geen avond waar Pedopedro rijk van zal worden. Bovendien is zijn reputatie als pedofiel wat overdreven. Een viezerik die meisjes van 18 probeert te versieren is hij zeker, maar bij mijn weten staat hij niet te potloodventen aan lagere scholen of heeft hij ergens een harde schijf vol groezelige kinderporno. Niet dat hij dat zou vertellen aan zijn klanten, natuurlijk.
In één gulp kapt de man zijn porto achterover, klapt zijn glaasje neer op de toog, schraapt zijn keel en zegt: "Stront."
Ik kijk verbaasd op.
"Wat?"
"Stront," knikt de man beslist.
"Stront?" mompelt Ludo.
"Precies, stront," zegt de onbekende vrouw.
"Zeg dat gerust," zegt Pedo, die nog een glas vult, deze keer voor zichzelf.
"Str-stront?" herhaal ik gepijnigd.
"Stront!" gillen de twee meiden aan de andere kant van de toog.
"Het is allemaal kak, allemaal stront," beslist de onbekende man, die nu het hele café rondkijkt, elke ingezetene apart aankijkt, knikt, en er aan toevoegt: "Laten we dat eindelijk eens toegeven."
"Hoezo alles is stront?" vraag ik.
"Een afvalproduct, hetgeen overblijft na consumptie, de stinkboel, hetgeen we ruiken om ons heen maar doen alsof het er niet is omdat het onder onze voeten door loopt in de grond."
Nirvana zet in met een nummer. Smells like teen spirit.
"Het is stront dat men tot goud probeert te bakken middels cynische alchemie als er nog een album uitkomt van 2pac, Kurt Cobain, Lou Reed of weet ik welke andere dode popster," zegt de man, gebarend naar de radio, "Politici zijn stront: als het geen onbekwame lulletjes likmevestjes zijn, zijn het malevolente broekschijters met de intellectuele sofisticatie van middelmatige zesdejaars op een middelbare school. Het openbaar vervoer is stront en wordt gebruikt door te veel stronten die geen respect tonen voor de rust van hun medemens. De kranten staan volgekladderd met stront. Onze tv-schermen druipen van de stront. Reactionaire stront waarin seksisten en racisten à la Brusselmans mogen optreden als "edgy" en "grappig", Vermeersch zweterig mag roepen over zaken waar hij best zijn mond over zou houden, en een eindeloos forum wordt geboden aan beroepsstronten uit wier lichaamsopeningen al even eindeloze drollen gedraaid worden. Magazijnen bulken van de balen stront, de voorraad kan niet op, we leven in de maatschappij van na de schaarste aan stront, stront is overal, iedereen heeft recht op stront, iedereen zal stront eten, alles bestaat uit stront."
Het café kijkt ademloos toe. De man zet zijn hoed af, bestelt nog een glaasje porto en doet ook zijn sjaal uit. Ik geef het toe, ik ben ook gegrepen door dit spektakel.
"Stront alhier en stront aldaar. De bergen koeienstront die het broeikaseffect versnellen omdat mensen graag hun McShit eten met een extra reep spek, de koeien zelf die ziek worden omdat ze hun eigen tot meel vermalen karkassen moeten opvreten, een ouroboros van stront die zich uitstrekt over de hele wereld. De globalisering van stront, met bullshitjobs, executive managementdrollen met drolhanden, droldassen en drolterminologie en drolgeld. De kleur van geld is niet rood, maar bruin. Fecale constructies omringen ons de hele dag door: plicht, vaderland, mantelpakjes voor hondjes, paringsdansen in cirkels van kak."
Pedro zet een andere plaat op. De Raggende Manne. Natuurlijk.
"Stront!" roept Ludo zo luid als hij kan. De ader op zijn lulhoofd begint vervaarlijk te kloppen.
"Inderdaad, stront!" reageert de man enthousiast. Zijn ogen schieten vuur.
"Het ergste is, het ergste is nog," roept hij, happend naar adem, met een tollende blik, "is dat iedereen er verlekkerd op is, op al die stront. Gewillig verorberen we stront per kubieke liter terwijl we geloven dat het aan het einde van die beerputtunnel licht gloort, maar 't is gewoon opnieuw stront dat we gaan zien, een vormloos bruin gat dat ons uiteindelijk zal opslokken en we er aan de andere kant zelf uitkomen als stront."
"Als stront!" roepen Nancy en Dina in koor.
"Godverdomme, als stront," zegt de onbekende vrouw.
Het wordt stil nu, en iedereen kijkt me aan. Mijn gin-tonic is leeg, Brouwers is dichtgeslagen op m'n schoot. Ik sta op en haal m'n jas van m'n barkruk, doe die aan en kijk iedereen zelf aan.
"En?" vraagt de strontredenaar van zoëven. Zijn ogen boren zich diep in mij.
"Het is stront, zeker?" zucht ik.
Hij valt me in de armen, Pedro geeft een rondje en de onbekende vrouw kust me op de wang. Ludo juicht en de twee vriendinnen joelen.
Alweer een café dat ik van m'n lijst mag halen.

zaterdag 15 november 2014

Café 'De wilgen'

Met dit ultrakortverhaal dong ik mee naar de A.L. Snijdersprijs voor zeer korte verhalen (zkv's). Het haalde niet de longlist, maar je kan het daar wel lezen (en op stemmen) zolang het online blijft! Mijn bijdrage is inzending 370.

De regen kwam met bakken uit de hemel en vormde een ondoordringbare muur. Omdat het zo’n rustige avond was in het café, moest ik ingeslapen zijn achter m’n toog. Daardoor schrok ik pas wakker toen de deur openklapte. Door het deurgat kwam een man van middelbare leeftijd in een doorweekte, lange beige jas binnen strompelen. Ik hoorde een auto wegscheuren.
“Gaat het? Meneer?” vroeg ik.
Ik snelde naar de man en schoof hem een stoel toe. Hij liet zich er op vallen en wreef over zijn knie.
“Heeft u gezien wie u aangereden heeft?”
“Nee, juffrouw,” kreunde de man, “hij is al lang weggereden.”
Zijn kleren waren doorweekt van de regen. Hij was erg stijlvol, zelfs een tikje ouderwets.
“Moet ik een dokter bellen?”
Hij keek me een ogenblik aan.
“Een dokter, juffrouw?”
“Wacht u hier even,” zei ik. Ik holde naar het vertrek achter de toog en botste op de baas, Ronny, die de trap was afgekomen, gelokt door het lawaai. Hij had een blik in zijn ogen die ik nog nooit gezien had.
“Kom mee.”
Voor ik iets kon vragen pakte Ronny m’n arm en leidde me terug naar het café. De man was weg. Ronny toonde me een krant, gedateerd op 7 november 1961. De kop zei: “Man doodgereden door eigen broer.” Plaats: aan café ‘De wilgen’.

dinsdag 1 april 2014

Ronald De Smul (II)

Enkele maanden nadien zat er een klant tegenover mij die eigenaar was van diverse KMO's in Oost- en West-Vlaanderen. Ze zocht een sitemanager voor een duurzame schrijnwerkerij, maar wilde persoonlijk het profiel komen toelichten van het type manager waar ze op zoek naar was.
"Goed, mevrouw Deroose, ik luister."
Agnes Deroose was begin de vijftig, en gepokt en gemazeld in het zakenleven. Ze droeg een neutraal donkerblauw, en had een kleine, kritische mond.
"Ik hoop dat ik op uw discretie kan rekenen."
"Dat spreekt."
"We zoeken een sitemanager voor onze schrijnwerkerij in Evergem, maar liefst iemand die zo slecht mogelijk in het profiel past."
Ik trok een wenkbrauw op.
"Waarom, als ik vragen mag?"
Deroose stond zichzelf een cynisch glimlachje toe.
"De bedoeling is dat het aanwezige personeel ofwel in opstand komt, ofwel vanzelf vertrekt. Dan kunnen we de vestiging sluiten, de manager ontslaan en de assets bij onze poot in Gent voegen."
"Daar heeft u toch geen slechte manager voor nodig?"
"Bij de overname stond in het contract dat we enkel de assets mochten verplaatsen of de vestiging mochten sluiten indien het personeel ermee akkoord ging. De manager mocht overigens geen persoon zijn die op één of andere manier met mij of met de rest van de firma verbonden was."
"Zo," zei ik, terwijl ik nadacht, "ik begrijp het. En u bent ook verplicht te tonen dat u met ons heeft gewerkt, zodat er van opgezet spel geen sprake is. U zoekt een creatieve oplossing."
Weer dat glimlachje.
"Zoiets."
"Wel, ik heb misschien wel de geknipte man voor u," zei ik traag. Het beeld van Ronald De Smul doemde op in mijn gest, met mayonaisevlek en vettige bril en al. Ik maakte een aantal afwegingen. De schrijnwerkerij in Evergem helpen kapotmaken was niet goed voor onze kortetermijnbusiness, maar het zou niet de eerste keer zijn dat we gevraagd werden een minder geschikte kandidaat naar voren te schuiven om langetermijnbelangen veilig te stellen. Agnes Deroose was bovendien een vaste klant.
"Zijn naam is Ronald De Smul. Hij vindt zichzelf een fantastische potentiële manager, maar ik geef u op een briefje dat hij binnen de maand geheid conflicten krijgt met iedereen."
"Indrukwekkend dat u zijn naam uit het hoofd kent," zei Deroose.
"Wel, je komt niet elke dag zo'n man tegen," zei ik. Ze glimlachte, deze keer oprecht.
"Zal ik hem even bellen?" stelde ik voor. Ze knikte. Ik zocht zijn profiel op en toetste zijn nummer in. Een vaste lijn. Het paste bij het beeld dat ik al van hem had. Een vrouwenstem antwoordde na twee keer overgaan.
"Hallo? Ben ik bij het huis van Ronald De Smul? U spreekt hier met Diederik Olyslaeghers van het managementselectiekantoor Aleph Direct."
"Ah. Ik ben zijn moeder. Ik zal hem eens roepen. Ronald!"
Ik zette de telefoon op luidspreker. Na wat gestommel kwam De Smul aan de lijn.
"Hallo meneer De Smul! Kent u ons nog?"
"Ja, ja natuurlijk," antwoordde hij, "van het managementbureau."
"Precies," zei ik, "Heeft u momenteel al werk? Want we hebben hier mogelijk een baan voor u."
"Ik ben geïnteresseerd," zei hij. Aan de telefoon klonk hij nog onaangenamer dan in werkelijkheid. Om de één of andere reden moest ik denken aan ajuinen.
"Ik heb hier bij mij mevrouw Deroose van Soto Logistics. Zij kan zelf best de jobinhoud omschrijven."
Ik gaf de telefoon door aan Deroose. Die schetste kort de baan, de verantwoordelijkheden en het voorgestelde loonpakket. Net als ik dacht ze allicht dat De Smul geen onraad zou ruiken. Toch kwam even het vermoeden naar boven dat we hem onderschat hadden, toen het lang stil bleef aan de lijn.
"En... hoe zit het met extralegale voordelen?" vroeg hij.
"Er hoort vanzelfsprekend een smartphone bij met abonnement, en een ruime bedrijfswagen."
"Ja maar ik heb geen rijbewijs," zei hij, "Kan dat ook in openbaar vervoer omgezet worden?"
"Natuurlijk."
Deroose trok grote ogen naar me.
"En nog een vraag: heb ik een secretaresse?"
Deroose trok nu een grimas.
"Nee, daar is de vestiging te klein voor."
"Goh, nochtans, u zei dat er 18 man werkt. Dat is toch al iets."
"Daar hoort traditioneel geen secretariaat bij."
"Ja, maar ik ben geen man van traditie!" lachte hij.
Ik sloeg met mijn hand tegen mijn voorhoofd.
"Ik hoop dat dat voor u geen dealbreaker is," zei Deroose, "want anders kan ik u niet verderhelpen."
"Mja."
Het bleef weer even stil.
"Kijk, spijtig dan," zei De Smul, "Het zal niet voor vandaag zijn."
Ik gebaarde aan Deroose om me de hoorn terug te geven.
"Meneer De Smul? Ik zou dit aanbod toch ernstig in overweging nemen als ik u was."
"Maar u weet toch wat ze zeggen? Nooit op het eerste aanbod in gaan!" kraaide De Smul triomfantelijk in m'n oor. Ik zuchtte.
"Kom, er moet toch nog te onderhandelen vallen," zei hij opgewekt, "We hebben het nog niet gehad over kantoorinrichting, kilometervergoeding, tankkaart, kredietkaart, enzovoort!"
Ik wisselde een blik uit met Deroose.
"Dat zal ook niet gebeuren, vrees ik."
Ik haakte af. Ronald De Smul was het daar duidelijk niet mee eens, want hij belde onmiddellijk terug. En hij bleef terugbellen, elke dag om twee na drie in de namiddag, telkens één poging.

Ronald De Smul (I)

Elke namiddag om twee na drie rinkelt mijn telefoon met hetzelfde nummer. Ik neem nooit op. Het blijft ook telkens bij één poging. Ik weet altijd wie het is: het is Ronald De Smul. In mijn negen jaar ervaring in de wereld van de rekrutering en profiling ben ik al heel wat unieke individuen tegengekomen, maar niemand van hen was ooit zo bizar als Ronald De Smul. Hij moest per ongeluk in mijn database terechtgekomen zijn, want voor de functies waar ik meestal kandidaten voor zoek, was hij hopeloos ongekwalificeerd. Toen ik hem voor het eerst sprak, was hij al voorbij de dertig en had hij geen enkel diploma buiten dat van de middelbare school. Ik geloof dat hij langs was gekomen om zijn beklag te doen over het feit dat we hem nog geen enkele keer gebeld hadden.
"Vertelt u eens, meneer De Smul, wat kan ik voor u doen?"
De Smul was gemiddeld gebouwd met wat buik op overschot, en afgaande op zijn kleren zou ik in hem een IT'er gezien hebben. Als consulent in de jobmarkt leer je snel mensen profilen, en kledingstijl is meestal een weggever. Bestudeerd nonchalant: marketing. Ostentatief: sales. Klassiek en streng: legal. Subtiel rijk: finance. Ik vergis me zelden.
"Awel, ik kom eigenlijk eens zien of geen jobs voor mij zijn. Ik had mij een tijdje terug bij jullie ingeschreven, maar ik had nog niets gehoord, dus kwam ik zelf even langs. Ik was toch in de buurt."
Ik had z'n profiel bij de hand, en keek van het scherm naar hem en dan weer terug. Hij had een vreemd gezicht, met een snor en baard die niet bij elkaar leken te passen, te onverzorgd om zo bedoeld te zijn, maar niet wild genoeg dat het duidelijk was dat hij er niet om gaf hoe hij er uit zag. Zijn bril was ouderwets, en accentueerde een paar ogen dat permanent gefixeerd leek op iets in zijn eigen achterhoofd, als die beeldspraak al ergens op slaat.
"Uw profiel is behoorlijk leeg. Dan kunnen we u natuurlijk niet vaak contacteren, als we niet weten wat u wil."
"Ja maar is dat jullie job niet?"
"Onze job is om u en onze klanten te helpen, maar we moeten eerst weten hoe we u kunnen helpen. Laten we beginnen bij het begin, meneer De Smul. Wie was uw laatste werkgever en wat hebt u daar gedaan?"
De Smul sloeg zijn ene been over zijn andere en keek nadenkend naar het plafond.
"Goh. Ja. In principe werk ik nog altijd."
Ik trok één wenkbrauw op.
"Ja, ik ben secretaris van een schaakclub."
"Professioneel? Ik bedoel, wordt u er voor betaald?"
"In Duvels," zei hij, waarop hij me aankeek en lachte. Toen hij zag dat ik niet lachte, streek hij door zijn lelijke snor om zijn lach te maskeren, en werd toen serieus: "Nee, ik heb de job nog niet gevonden die ik echt wil. Ik ben al drie jaar op zoek."
"En uw laatste echte job was?"
"Glazenwasser."
"Meneer De Smul," zei ik terwijl ik voorover leunde en hem zo streng mogelijk aankeek, "dit is een selectiebureau voor managers. Met alle respect voor glazenwassers, maar ik krijg niet de indruk dat notulen van een schaakclub en het reinigen van vitrines gelden als managementervaring."
"Maar hoe leer je dat anders, dan? Allez ja, niet elke manager heeft toch een dure opleiding aan een snobschool gedaan, hé?"
Het klonk niet eens vijandig bedoeld.
"Nee, je hebt ook equivalentie door ervaring, maar daar lijkt me in uw geval nauwelijks sprake van."
"Aha. Ja, maar wat als je de juiste visie hebt?"
"Hebt u die dan?"
"Zou ik hier anders zitten?"
Ik leunde terug achterover en wierp een blik op de klok van mijn computerscherm. Mijn volgende afspraak was pas over een uur, en ik zat eigenlijk al aan mijn quota van de week, dus ik had nog wel even tijd voor deze clown.
"Overtuig mij dan," zei ik, "waarom heeft u managerskwaliteiten?"
"Awel," zei De Smul, alsof hij op deze kans had gewacht, "ik ben een echte homo universalis. Ik hou van kunst, ik ben kritisch voor cultuur, ik verdiep mij graag in wetenschap en in psychologie. Ik denk voortdurend van dingen dat ze beter kunnen. Bijvoorbeeld bij de schaakclub heb ik een mailing list gemaakt omdat we anders elkaar altijd in CC moesten zetten in emails. Ik schrijf ook regelmatig naar het stadsbestuur of naar artiesten met constructieve opmerkingen over waar ik denk dat er gaten in hun plannen zitten. Ik deed dat ook bij proffen aan de univ, maar die stonden daar niet zo voor open. Die waren nogal dogmatisch. Spijtig, maar ja, niet iedereen valt te overtuigen. Daar ben ik meestal ook wel goed in, in mensen overtuigen. Dat lijkt me een evidente kwaliteit voor een goeie manager."
Hij streek door zijn vettige baard. Ik merkte nu pas dat er op zijn pull een mayonaisevlek zat.
"Hoe overtuigt u mensen?"
"Met logica en feiten."
Hij legde zijn handen samen op zijn buik.
"Logica en feiten. Maar mensen hebben gevoelens, dat beseft u toch ook?"
"Die komen niet van pas in een debat. Anders raken we nooit vooruit, hé? Als we moeten stilstaan bij hoe iedereen zich over iets voelt, dan blijven we bezig. Pas op, gevoelens hebben hun plaats, hé. Bijvoorbeeld in een film of in een goed stuk muziek. Maar niet in leiding geven."
"Niet in een schaakclub."
"Nee. Schaken is een aangelegenheid van pure logica."
Ik knikte en wist dat het tijd werd dat ik De Smul wandelen stuurde, maar er was een morbide fascinatie die me daarvan weerhield.
"Goed, vertel me eens waarom u bij uw vorige job gestopt bent."
"Ah," reageerde De Smul, met de geoefende intonatie van iemand die een anekdote al veel te vaak verteld had, "Mijn collega en ik moesten de glazen wassen van het Belgacom-gebouw. Ze hadden er ons niet bij gezegd welk Belgacom-gebouw, dus zijn we naar dat van Brussel gereden. Op die manier lag onze onkostenvergoeding hoger, en betekende dat meer inkomsten voor de firma. Zelf bedacht! Maar blijkbaar had de baas het gebouw in Gent bedoeld - hij had het alleen niet gespecificeerd - waardoor ik dacht dat hij uiteindelijk de verantwoordelijke was als Belgacom Brussel niet wilde betalen."
"En was hij dat?"
"Ik vind van wel. Nog altijd."
"Daarom hebben ze u dus ontslagen?"
"Dat zeiden ze."
De Smul zat er berustend bij. Ik schudde mijn hoofd.
"Meneer De Smul, u bent een bijzonder... persoon. Ik ga u in mijn bestand houden, maar intussen kan het geen kwaad een aantal extra opleidingen te volgen als u echt denkt dat u het managerschap in u heeft. Intussen kan ik u eerlijk zeggen dat weinig klanten van ons op zoek zijn naar iemand met uw profiel."
Hij had zelf eindelijk de mayonaisevlek gevonden op zijn pull en keek er beteuterd naar.
"Ik heb zo dadelijk een meeting met een klant, dus ik zal u helaas ook moeten laten gaan."
"Ik wil wel blijven zitten ook, hoor," schertste hij ongepast, "voor mij is dat geen probleem!"
"Voor mij wel."
Hij haalde adem.
"Ha. Ok, mijn excuses. Ik zal gaan."
Ik stond op en gaf hem een hand. Ik merkte dat zijn vingernagels vuil waren. De Smul verliet het kantoor, en ik liet me neerzinken op mijn bureaustoel toen hij uit het zicht was, en sloeg, zoals ik beloofd had, zijn profiel op.

Verder naar deel twee.

vrijdag 14 februari 2014

Ingeblikt

“Ik zou dat niet opeten als ik jou was,” zei ik tegen de vrouw die naast me zat, en net als ik zopas haar eten had gekregen. Het was de kans waarop ik gewacht had om iets tegen haar te kunnen zeggen om de ongemakkelijkheid te breken van het feit dat we stoelen naast elkaar hadden op een nauwelijks halfvolle vlucht van JFK naar Zaventem.
Ze hield haar plastic mes stil voor het dampende bord en keek me aan.
“Hoezo?”
“Ik kreeg precies hetzelfde op de heenvlucht. Niet te vreten.”
Ze grimaste, haalde haar schouders op en nam een fikse hap. Ik wilde me niet opdringen dus ik zei niks meer en liet m'n eigen bordje voor wat het was. Net toen ik het moe werd van uit het venstertje te staren, zei ze onaangekondigd: “Je hebt gelijk.”
Ze schoof haar eigen bordje aan de kant.
“Ik zei het niet om mezelf interessant te maken.”
“Mmh,” zei ze, terwijl ze haar mond afveegde met een servet, “Jammer toch. Wat een verspilling.”
“Je wil niet weten wat ze in dat eten draaien.”
“Dat geldt ook voor eten overal, hoor,” zei ze.
“Ja, maar dat smaakt beter.”
Ze leek weinig onder de indruk van dat argument. Het viel me op dat ze grote ogen had.
“Slecht eten of niet,” ging ik dapper verder, “Vliegen is altijd onaangenaam, tenzij je je een privévliegtuig kan veroorloven, of tickets voor eerste klasse. Er is altijd zo weinig beenruimte.”
“Mja.”
Ze wierp een zijdelings blik naar beneden.
“Je hebt wel grote voeten.”
Ik lachte, meer om wat spanning die gebroken werd dan wat anders.
“Tja, schoenmaat 47.”
“En is het waar wat ze zeggen over mannen met grote voeten?”
“Dat onze schoenen veel te duur zijn? Ja.”
Het was haar beurt om te lachen.
“Mooi. Goed,” zei ze toen, zichtbaar opgelucht om iets, “we zitten hier nog uren samen en ik wil best met je praten, maar haal je niets in je hoofd, ok?”
“Dat was ik ook niet van plan,” zei ik geprikkeld, en ook omdat ze wel een kwart waarheid geraakt had, hoewel ik te moe was om eigenlijk aan seks te denken, laat staan meer. Ik opende het blikje cola dat bij m’n maaltijd geleverd was.
“Maar goed, wat bracht jou naar de States?” vroeg ik toen.
“Ik was samen op reis met mijn vriend, en onze relatie overleefde de reis niet.”
“Hij zit niet op het vliegtuig hier?”
“Geen idee. Ik denk het niet.”
“Hm.”
“Hij had altijd zo'n onbedwingbare neiging om dingen uit te leggen. In het begin vond ik dat interessant omdat hij zo veel wist, maar na een tijdje sloop er hier en daar bullshit in z’n uitleg, en steeds vaker. Hij kon ook nooit z'n ongelijk toegeven. Het ergste was dat hij voortdurend dingen begon te verklaren die ik al lang wist. Tijdens een wandeling in een korenveld in Bumfuck weet ik waar, heb ik me omgedraaid en ben ik de andere kant beginnen uit wandelen, middenin één van zijn lange uitlegverhalen.”
“Waarover ging het?”
“Fructose.”
“Hij kwam niet achter je aan?”
“Niet dat ik weet. Misschien merkte hij het pas na een paar minuten dat ik weg was.”
Ze stond zichzelf een lachje toe.
“Denk je nu dat ik een impulsief en zot geval ben?” vroeg ze. Ze doorboorde me met haar diepgroene ogen. Ik grimaste.
“Daarvoor ken ik je niet goed genoeg.”
“Dat is geen antwoord op m'n vraag.”
“Het pleit niet voor je communicatievaardigheden.”
Ze glimlachte en sloeg haar ogen plots verlegen neer.
“Niet bepaald, nee,” gaf ze toe, waarop ze toch weer lachte, “maar het blijft een goed verhaal. En hoe zit het met jou? Wat is jouw verhaal?”
“Mijn verhaal?”
Ik probeerde me uit te strekken in de krappe vliegtuigstoel, wat uiteraard geen enkele zin had.
“Ik heb vele verhalen, maar als het toch moet gaan over de reis waarvan we terugkomen, dan... Het is iets gelijkaardig. Minder spectaculair. Ik dacht dat ik de liefde van m'n leven gevonden had, en ben haar gaan opzoeken.”
“Ze was een Amerikaanse?”
“Nee. Ja, eigenlijk. Haar ouders waren Belgen, maar ze groeide grotendeels op in de States.”
“Had je haar al eerder ontmoet?”
“Eén keer, in Brussel, na een receptie bij een belangrijke klant. We belandden in bed - niet mijn gewoonte, overigens - en bleven nadien contact houden. Ze leek me zo'n geweldige, avontuurlijke en slimme vrouw.”
“En nu teleurgesteld in de realiteit?”
“Teleurstelling is het woord niet. Dat zou een echt gevoel zijn. Nee, het probleem was dat ik eigenlijk niets voelde buiten een zeker onbehagen bij haar. Het was... alsof ze een andere versie was dan hoe ze zich had uitgegeven via internet, en nòg een andere versie dan de persoon die ik ontmoet had in Brussel. Er was een barrière tussen ons die niet te overbruggen viel.”
“Jullie deelden geen waarheden.”
“Zo... zou je het misschien kunnen stellen. Binnen de context van onze online-gesprekken en onze eerste ontmoeting was dat nooit opgevallen.”
“Voelde zij er zich ook zo over?”
“Ik denk het. We hebben er niets over gezegd. Het leek ons duidelijk dat we elkaar niet terug gingen zien, al had ik het idee dat zij met meer vragen zat dan ik.”
“Ze stelde die vragen niet?”
“Dat was haar beslissing.”
Ik wilde het er niet meer over hebben, maar de onbekende vrouw naast me bleef aandringen.
“Ook geen toonbeeld van effectieve communicatie,” vond ze, “Je had haar toch ook de ruimte kunnen geven van haar vragen te stellen?”
“Ze gaf zichzelf die ruimte niet door voortdurend te veranderen van onderwerp,” zei ik, blij met mijn slimme antwoord.
“Ah.”
De vrouw knikte en trok haar eigen blikje cola open.
“En jij eiste die ruimte ook niet op, brave Belg als je was,” concludeerde ze.
“Zoiets, veronderstel ik.”
“Je hoeft zo zuur niet te kijken,” lachte ze weer onverklaarbaar, “Geen van ons beiden is armer uit deze reis teruggekeerd.”
Ik glimlachte. Ze hield haar blikje omhoog naar me.
“Toostje?”
De twee blikjes raakten elkaar.