Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling kortverhalen daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van 'Onklare taal'. Ik ben tijdelijk gestopt met kortverhalen, maar in 2016 heb ik een geredigeerde bundel van de beste verhalen uitgebracht: 'Recombinant' is gratis te downloaden in PDF- en in EPUB-formaat.

zaterdag 15 augustus 2015

Hoofd geflankeerd door vlees (II)

Kelly vond het op een manier vervelend dat Fin niet was meegegaan om te roken. Voorgaande jaren hadden ze nu samen in de rook gestaan om de hoek van het huis, keuvelend over kleine en minder kleine zaken die niet voor de oren bestemd waren van hun wederhelften of van broer William. Het stak des te harder dat het Fin was die zeven jaar geleden Kelly haar eerste sigaret had aangeboden op een feestje bij hem thuis, toen hij nog volop de bon vivant was voor wie geen vloer te stevig was om door te zakken, geen plafond te hoog om door te knallen.
Niet dat Kelly iets had tegen Budur. Ze mocht haar rust en evenwicht. Fin, William en Kelly waren op hun manier alle drie onrustig, een trekje dat ze van hun moeder hadden. Bij Kelly zat die onrust het diepst en kwam hij ook het minst vaak naar boven.
“Hoe is het nog met jou?” vroeg Kelly aan Budur, nadat ze haar sigaret aangestoken had. Budur keek naar de vlam en de gloeiende askegel alsof er een diepere waarheid in besloten lag, maar misschien was dat gewoon omdat ze een hoofd kleiner was dan Kelly en geen zin had om op te kijken.
“Goed,” zei Budur. Nu sloeg ze haar ogen wel op naar Kelly. Ze waren diepbruin, bijna zwart. Kelly herinnerde zich dat Budur een postgraduaat deed in filosofie.
“Is Fin soms niet wat te druk voor jou?”
“Hij is enkel zo in gezelschap. Thuis is hij kalmer,” glimlachte ze. Kelly glimlachte ook.
“Dat is zo. Paul zegt soms dat Fin Nederlander had moeten zijn, voor hoe exuberant hij is.”
“Fin zou het niet graag horen.”
“Heeft hij iets tegen Nederlanders?”
“O nee, dat is het niet. Ik denk gewoon niet dat hij zichzelf ziet als exuberant.”
Ze haalde haar schouders op.
“We zien onszelf vaak niet zoals we werkelijk zijn. Als we al iets zijn.”
Kelly nam een trek van haar sigaret. Van binnen klonk lawaai van Paul die vrolijk tekeer ging in de keuken.
“Als we niets zijn, wat zijn we dan wel? We kunnen niet niets zijn, toch?” vroeg Kelly.
Budur glimlachte. Haar glimlach had iets ongepast guitigs.
“In figuurlijk zin zijn we natuurlijk altijd iets. Maar niet iets dat vaststaat. Dat denk ik toch. We hebben onze gewoontes, onze opvattingen… maar die veranderen.”
“Ze veranderen moeilijk,” zei Kelly.
“Of plots.”
Kelly vroeg zich af wat Budur daarmee bedoelde maar ze stelde die vraag niet luidop. Ze stelde zelden luidop vragen of probeerde niet vaak te peilen naar diepere bedoelingen zolang zijzelf niet in het vizier kwam. Mensen hielden daarvan bij haar. Ze konden het gevoel krijgen gewoon “te zijn” – opnieuw dat zijn – bij haar, en niet dat ze zich moesten uitleggen of verantwoorden.
“Hoe lang duurt je postgraduaat nog, eigenlijk?”
“Nog twee jaar, normaal. Het is langer dan ik verwacht had.”
“Waarover gaat het? Ik weet dat je me dat al eens hebt proberen uitleggen, maar het is al een tijd geleden dat ik je gezien had en ik had toen net gegeten.”
Opnieuw die guitige glimlach.
“Dat is ok. Het was toen ook maar de eerste keer dat je me zag, denk ik.”
Kelly blies een rookpluim uit, weg van Budur.
“Ik probeer een link te leggen dus de opvattingen over moraliteit en persoonlijke plicht van Nietzsche en die van het boeddhisme.”
“Is die er dan?”
Kelly had in haar kunstopleiding kort Nietzsche gezien maar kon zich nu enkel zijn woest besnorde kop herinneren en zijn op de spits gedreven uitspraken over een amoreel leven. Van het boeddhisme wist ze zo goed als niets. Monniken die beaat stonden te glimlachen in saffranen gewaden. De dalai lama met zijn zonnebril die verkleurde in het zonlicht.
“Min of meer. Nietzsche had het één en ander gelezen over het boeddhisme via Schopenhauer. Zijn begrip was zeker niet perfect, maar hij had wel een positieve waardering voor het nuchtere pessimisme van het boeddhisme.”
“Pessimisme? Die boeddhisten staan er altijd zo vrolijk bij.”
“Dat is het net. Door te zien dat alles voorbij gaat en alles maar schijn is, vinden veel boeddhisten humor in het absurde van waar de meeste mensen bezig mee zijn. Nietzsche zag daar trouwens zelf ook de grap van in.”
“Zeer geestig leek hij me niet.”
“Zijn humor was zeker een stuk boosaardiger, dat is waar. Ook dat had hij van Schopenhauer. En een grote vrouwenvriend was hij zeker ook al niet.”
Kelly hield haar hoofd scheef.
“Da’s toch wel zo’n ding hé, niet? Die filosofen waren vaak nogal raar met vrouwen.”
Budur lachte nu voluit.
“De geschiedenis van de wereld zit vergeven van de grote mannen die bij vrouwen huilende kleine jongens of gefrustreerde pubers werden. Niet alleen filosofen. Ook staatsmannen, wetenschappers, militaire leiders…”
“… en kunstenaars,” zei Kelly. Ze dacht aan de kwasten die ze was tegengekomen tijdens haar opleiding of nu nog, op bijeenkomsten van illustratoren. De gevoeligste types bleken vaak nog de lompste boeren als het aankwam op vrouwen.
“Het is dus niet eigen aan filosofen,” zei Budur. Kelly dacht plots aan Budurs afkomst, wat ze zelden deed. De vraag rees in haar op of zij zich had moeten vrijvechten om geen hoofddoek te dragen maar wel een zwarte jeans, maar opnieuw besloot ze dat niet te doen. Waarschijnlijk kreeg ze er al zo vaak vervelende vragen over.
“Enfin, succes met je postgraduaat, alleszins.”
“Dank je.”
Kelly’s sigaret was bijna op.
“Heb jij ooit gerookt?”
“Nee. Ik vind het wel fascinerend dat mensen dat doen. Gelijk welk roesmiddel, eigenlijk.”
“Hebben filosofen daar ook theorieën over?”
“Hoe meer ze er zelf gebruikten, ja.”
Kelly lachte, nam een laatste trek en trapte toen haar peuk plat op het terras.
“Kom, we gaan terug naar binnen.”

Binnen was het behaaglijk warm. Ze kwamen net aan het einde van Fin die William en Jana weer op een anekdote zat te vergasten. Jana lachte en William schudde grijnzend zijn hoofd.
“Goed dat je terug bent, Kell, Fin begint hier aan onze controle te ontsnappen,” zei William.
Fin knipoogde naar Budur maar zei niets meer. Kelly ging door naar de keuken.
“Alles onder controle, lief?” vroeg ze aan Paul, die fluitend in de weer was met drie potten tegelijk alsof het niets was.
“Maak je geen zorgen!” zei hij tussen het roeren en het schudden met een pan door, “Alles komt hier prima in orde!”
Ze gaf hem vlug een kus op zijn stoppelige wang en ging terug de woonkamer in.
“… maar kan je iemand graag zien als je die persoon ook bedriegt?” vroeg Jana net.
“Hola. Zware onderwerpen,” zei Kelly, die terug ging zitten, “mag jullie kleine zusje ook meedoen.”
“Hay guyz, what’s going on in this thread?” zei Fin met een stomme gelaatsuitdrukking.
“Fin, serieus,” zei William, waarop hij zich tot Kelly richtte: “We kwamen van het één en het ander op de aard van liefde en graag zien. Fin houdt vol dat als je iemand echt graag ziet en je de afspraak hebt elkaar niet te bedriegen, dat als je dat wel doet, dat je liegt dat je je partner graag ziet. Juist?”
Fin knikte en leunde achterover. Hij maakte een breed handgebaar.
“Ongeveer. Eén van de twee is fake. Of het bedrog is fake, of de liefde.”
“Hoe kan bedrog nu fake zijn?” vroeg Jana, “Je doet het of je doet het niet.”
“Je motivatie kan fake zijn. Je kan het doen onder dwang.”
“Dan is het geen bedrog,” vond Budur, “dat is aanranding.”
“Maar fysiek kan de daad precies hetzelfde lijken. Niemand weet wat er in je hoofd omgaat.”
“Intentie speelt een rol hé Fin,” zei William gestoord, “als je die redenering doortrekt dan zijn er heel wat dingen die raar zijn. Dan zijn moord en doodslag ook precies hetzelfde.”
“Sommige mensen denken dat.”
“Denk jij dat?”
“Wel, nee. Je hebt een punt,” gaf hij toe.
“Ik geloof wel dat sommige mensen een oprechte misstap kunnen begaan en toch hun partner graag zien,” zei Jana. Kelly dronk van haar glas.
“Hoeveel misstappen moet iemand begaan tegen dat het er te veel zijn en de liefde niet meer oprecht is?” vroeg Kelly, “Voor mij is het simpel: één keer is één keer te veel.”
“Wat is bedrog dan voor jou?” vroeg Fin.
“Alles wat je met je partner doet maar normaal niet zou doen met vrienden.”
“Hm,” zei William. Ook Jana keek bedachtzaam.
“Sommige mensen vinden iemand anders knuffelen al bedrog,” zei Budur, “Ik had ooit een vriend die daar erg kwaad om werd. Maar ik knuffelde al mijn vrienden. Hij deed dat zelf nooit.”
“Wat jammer. Knuffelen kan zo fijn zijn,” zei Fin.
“Da’s gewoon onredelijke jaloezie,” zei Kelly.
“Is jaloezie niet altijd onredelijk?” vroeg Budur.
“Niet als je redelijke aannames hebt dat je echt bedrogen wordt,” vond Jana.
“Zou jij kijken naar m’n gsm of m’n e-mails?” vroeg William zijdelings aan zijn vrouw. Jana aarzelde en draaide met haar glas in haar hand.
“Uitzonderlijk, ja. Ook al weet ik dat dat niet netjes is.”
“Ik zou dat nooit doen,” zei William ernstig.
Kelly kon zich niet voorstellen dat Paul of zij dat ooit bij elkaar zouden doen. Paul was sociaal en opgewekt en hij was fysiek met mensen, maar hij had zich nog nooit laten gaan op wilde feestjes zoals die soms voorkwamen in het theatermilieu. “Ik heb m’n part gehad,” had hij ooit tegen Kelly gezegd, en haar daarna tegen zijn borst aangedrukt. Ze herinnerde zich dat hij toen een zacht prikkende, wollen trui had gedragen. Geen van hen was een jaloers type.
“Ja? Ik wel,” zei Budur rustig. Fin trok een wenkbrauw op.
“Ja? Heb ik je daar ooit reden toe gegeven?”
“Nee,” antwoordde ze nog altijd even rustig, “maar ik stop m’n irrationele kanten niet weg. Waarom zou ik?”
“Uit respect voor m’n privacy?” suggereerde Fin.
“Wat voor privacy, Fin?” vroeg William met lood in z’n stem, “Denk je dat Budur je ondergoed met vieze strepen in nog nooit gezien heeft? Dan heb je geen recht meer op privacy.”
Kelly lachte. Budur reageerde er niet op en keek Fin gewoon aan met die enorme zwarte ogen van haar. Fin schudde langzaam z’n hoofd.
“Jij bent… een bijzondere vrouw,” zei hij stil.
“We zijn aan het afdwalen,” zei Jana, zoals altijd bij de les, “Ik vind: bedrog komt in gradaties. Je kan er niet absoluut over zijn. Je bepaalt dat zelf als koppel. Als je daar al niet uitkomt, zit het fout.”
“Daar kan ik me in vinden,” zei Kelly.
“Hebben wij daar ooit over gesproken?” vroeg William aan zijn vrouw. Zijn zware brilmontuur en frons leken één. Jana glimlachte als een wolvin.
“Is dat ooit nodig geweest?”
Op dat moment stak Paul z’n rood aangelopen, met elektrische krullen omlijste hoofd door de deur.
“Heren en dames, het eten is bijna klaar! Jullie mogen aan tafel!”

Geen opmerkingen:

Een reactie posten