Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling kortverhalen daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van 'Onklare taal'. Ik ben tijdelijk gestopt met kortverhalen, maar in 2016 heb ik een geredigeerde bundel van de beste verhalen uitgebracht: 'Recombinant' is gratis te downloaden in PDF- en in EPUB-formaat.

donderdag 16 juli 2015

Een verhaal van twee gestoorden (II)

Boekhouders op sterk water

De weg van en naar het werk was geen pretje. Horvath & Coninck betaalden m’n trein- en metro-abonnement, maar de toenemende vertragingen bij de NMBS zorgden er vaak voor dat ik te laat aankwam, en in warme maanden bleken de metro- en treinstations te verworden tot helse oorden van lawaai, zweet en onhandige drukte. Over #pendelpret is er al heel wat inkt gevloeid, maar tot je met een houten kop moet optornen tegen een vermoeide moeder die via gsm haar kinderen begeleidt door hun hele ontbijt, klaarwakkere West-Vlaamse ambtenaren moet trotseren die zo luid mogelijk zo irrelevant mogelijke onderwerpen bespreken, of tot je last hebt van de occasionele groteske eter en drinker, is het moeilijk om te appreciëren wat instant haat voor de medemens echt betekent. Een bizarre observatie was bovendien dat mensen die op de trein aten of drinken steeds in twee vormen kwamen: ofwel magere fruit- en zure salade-eters met een hemd in de broek of een modebesef dat sinds 1990 niet meer geëvolueerd leek, ofwel de marginaal uitgedoste chips-etende en bierdrinkende uitgezakten die het duidelijk geen reet kon schelen wat andere mensen over hen dachten.
Mijn werk was ook goed voor een stukje Brussel leren kennen. Vlamingen kennen Brussel niet, velen haten de stad en toegegeven, er is veel om aan te haten. Brussel is luid, alle straten zitten verstopt met agressief verkeer en de verloedering in sommige wijken is een treurig testament van hoofdstedelijke apparatsjiks die al jaren volhouden dat dat prima werkt, een hoofdstedelijk gewest opdelen in 19 aparte baronieën. Maar Brussel is ook de stad van duizend prima restaurants, Brussel leeft en ademt de wereld uit, Brussel is altijd verrassend. Ketjes zijn grootstadkinderen. Vergeet Vlamingen en Walen, de echte Belgen, dat zijn Brusselaars.

Gel Michel woonde zoals zo veel rijkere Brusselaars in de Vlaamse rand. Zijn kinderen gingen naar een Nederlandstalige school. Hij vond het goed dat ze op de speelplaats geen Frans mochten spreken, maar stelde zich wel vragen bij het nogal opdringerige “Groot-Bijgaarden, een VLAAMSE gemeente” dat aan de grenzen van het grondgebied gezet was. Henri, een andere collega die later een positie bij marketing zou opnemen als operationele marketeer, woonde ook in die streek maar sprak geen Nederlands (hij sprak wel heel goed Engels). Op een keer moest hij naar de gemeente omdat er een mol in zijn tuin zat, en hij had uren geoefend op het zinnetje “Er zit een mol in mijn tuin.” Hilariteit toen de ambtenaar een vraag terugstelde en Henri niets meer wist te zeggen. Hij had nooit gedacht aan het vervolg van het gesprek.

2012 liep aan een gezapig tempo. Ik maakte testimonials, verbeterde brochures en werkte nu en dan mee aan een campagne in een tijdschrift, want wat had je gedacht, er bestaat ook een vakpers over financiële software. Ik vroeg me af of er mensen bestonden die dat écht interessant vonden. Telkens als ik mensen vertelde over mijn job en iemand uit beleefdheid zei: “Ha, dat klinkt nog interessant,” zei ik steevast: “Lieg maar niet, het is precies zo saai als het klinkt.”
Zoals alle IT-bedrijven was Horvath & Coninck overwegend een mannenbedrijf. Op de lagere regionen, waar de programmeurs zaten, zelfs bijna exclusief. Die programmeurs vormden een vrij clichématig amalgaam aan bleke mannen met foute kapsels die haast in hun broek plasten als er nog maar een vrouw hun richting uitkeek. Sommige vrouwen speelden daar een beetje mee, zoals Iris Martin, een innemende projectmanager die altijd die seconde langer dan nodig glimlachte, sprak met een Franse douceur en elke dag piekfijn gekleed op het appel verscheen. Toen ik eens vertelde aan Jan dat ik Iris toch wel de meest aantrekkelijke vrouw vond die bij ons werkte, lachte hij.
“Ja, ik zie wel wat je bedoelt. En ze weet het, hoor, dat ze seksappeal heeft. En allez, ik ben nu wel niet voor de vrouwen, maar zoals ze bij ons zeggen, ze heeft een kop om op te schieten.”
“Godverdomme Jan, da’s echt gortig.”
Hij lachte enkel luider.
“Maar goed, ge weet toch dat die een verhouding heeft met een collega hé?”
“Ah ja? Met wie dan?”
“Denis van projectmanagement.”
“Denis? Die ziet eruit als een boekhouder die ze op sterk water gezet hebben.”
“Uiterlijk is niet al wat telt.”
Jans kale kop blonk in het zonlicht.
“Mja. Goed voor hem, zeker.”

Tegen het einde van 2012 begonnen steeds meer geruchten te circuleren dat Horvath & Coninck overgenomen zou worden. Op een druk bijgewoonde conferentie in oktober werden die geruchten officieel bevestigd. De Franse Hypher-groep zou een volledig aandeel verwerven in Horvath & Coninck, en samen met een ander aangekocht bedrijf en zijn eigen banksoftware-activiteiten een nieuwe firma vormen: Hypher Financial Solutions. Over de details van de fusie bleef het lang stil. Michel en ik vermoedden dat er eigenlijk enkel naar het financiële plaatje gekeken was en dat men niet had stilgestaan bij de praktische implicaties. Het personeel zat met heel veel vragen.
Temidden van al die onzekerheid sloeg walnootman Bertrand Beaulieu zijn slag. Op dezelfde dag werd hij het hoofd van marketing en ontsloeg hij Michel, officieel omdat Michel al maanden niet meer constructief meewerkte en de hoge bazen vonden dat marketing in het slop zat. Ik vond het een flauwe politieke afrekening en liet merken aan Bertrand dat het een tijd zou duren eer ik hem zou vertrouwen. Dat verstond hij tenminste. Of hij deed alsof. Bertrand had een verleden bij een Duitse softwaregigant en had ooit op het punt gestaan professioneel golfer te worden. Hij droeg bruine kostuums als een soort mislukte herenboer, en sprak Engels waarin hij af en toe een onbedoelde fout smokkelde, zoals “we need to expose ourselves” of “we have worked hardly”.

Het team breidde voor een laatste keer uit. Bertrand plaatste drie managers onder zichzelf, en daaronder de rest. Daardoor werd rustieke Benoît m’n nieuwe baas. Voor hem was dat na meer dan een decennium Horvath & Coninck een mooie promotie. Henri Lallemand leidde operational marketing met Géraldine de hockeyster en drie nieuwelingen: Lara Vandenberghe, de eerste Vlaamse na mij in het team, Giuliano Reale, een grafisch designer en webontwikkelaar, en tenslotte Minh Dang, een flegmatieke Parijzenaar met Viëtnameese roots, die video en motion design voor z’n rekening zou nemen. De laatste manager, die solo werkte, was Christine Henault, een Naamse die van HR ingevlogen werd als interne communicatiespecialist.
Eén van m’n eerste officiële meetings met Benoît, die nog wat onwennig was in zijn rol als baas, ging over het gevolg dat moest gegeven worden aan m’n laatste evaluatie, die nog onder de auspiciën had plaatsgevonden van Gel Michel en zijn racistische moppen.
“Buiten de gebruikelijke stijging door anciënniteit heb je geen loonsverhoging of bonus gekregen, maar je krijgt wel de bedrijfswagen waar je om gevraagd had.”
“Ik had daar niet om gevraagd.”
Benoît knipperde met zijn ogen.
“Ben je er niet blij mee?”
“Euh. Wel, ik kom met de trein en de metro, en Horvath – ik bedoel Hypher betaalt dat al. Bovendien heb ik al een auto.”
“Die auto is echt wel een financieel voordeel, hoor. Hypher betaalt de belastingen en betaalt het onderhoud, en er hoort ook een verzekering en een tankkaart bij. Het is jouw keuze, maar je zou de allereerste mens zijn die ik ken, die zoiets zou afwijzen.”
Ik moest lachen. Benoît keek me aan alsof ik een volslagen idioot was.
“Nee, ik ga het aannemen, hoor. Ik ben alleen wat verrast.”
Ik had keuze uit drie modellen en opteerde uiteindelijk voor een mooie donkerblauwe Volvo. Ik hoefde er geen opties bij. De fleet manager vond dat raar, want “da ies allemaal graties, hein!” zei hij in z’n Nederfrans. Maar nee, het hoefde niet.

Midden december was er nog the last hurrah van Horvath & Coninck. De beide heren baronnen hadden een chic landgoed afgehuurd ergens in Waals-Brabant, waar alle nieuwbakken Hypheriens van de Brusselse en Luxemburgse vestiging zich een hele avond en nacht lang konden verlustigen in uitgelezen spijzen, dure cocktails en sigaren. We werden allemaal behandeld als vorsten, met een troep zaalpersoneel die constant aan en af liep met plateaus, servetten, glazen en nieuwe borden warm voedsel, een lounge-DJ beneden in de stijlvolle kelderbar, en toastjes om u tegen te zeggen. Het liep er vol kleine d’s en verbaasde Luxemburgers.
In tegenstelling tot wat z’n werkernst deed vermoeden, was Alexandre een enthousiaste feester. Een maand eerder was hij al een naar Gent gekomen met zijn vriendin om een fuif op te luisteren die ik samen met een vriendin georganiseerd had, en de man was geen moment van de dansvloer weg te slaan geweest. Nu was hij licht beschonken, en bezwoer hij me dat ik nog niet mocht vertrekken, want het was “amper” middernacht.
“But Anton, you once told me that it was always the worst thing at office parties to be “that guy”. If you leave now, I will be “that guy”!”
Ik moest lachen.
“Sorry Alexandre, you’ll have to fend for yourself, my friend. I would have loved to stay and upstage you as “that guy”, but I’m sure you’ll find someone else to handle that role.”
“Okay then, but have one more drink with me!”
Ik reed naar huis met de glimlach, in m’n nagelnieuwe bedrijfswagen. Het was één van de laatste keren dat ik met zo’n goed gevoel en zo laat van het werk thuis zou komen.

Verder naar deel drie.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten