Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling kortverhalen daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van 'Onklare taal'. Ik ben tijdelijk gestopt met kortverhalen, maar in 2016 heb ik een geredigeerde bundel van de beste verhalen uitgebracht: 'Recombinant' is gratis te downloaden in PDF- en in EPUB-formaat.

donderdag 8 december 2011

Dunning & Kruger (V)

5. Een oude charmeur

2009 betekende ook het aantreden van een nieuwe CEO. Ook dat was een verademing. Luc Debelder was in alles een tegenpool van zijn voorganger: Luc was groot, luid, dik en behept met een boers soort retoriek die zei waar het op stond ("vorig jaar was slecht"). Een baas die een echte baas was, in tegenstelling tot de vorige CEO, een randaristocratische technocraat die eruit zag alsof hij ooit nog een managementboek ging schrijven. Debelder zette alle zeilen bij om Dunning & Kruger uit het slop te trekken, en iedereen volgde. De vers verenigde marketingploeg van Dunning & Kruger zette het jaar alleszins stevig in: na een goeie maand viel er al een lijk uit de kast. Dit was geheel te wijten aan de werknemer zelf, een vrouw met schrikbarend wijd staande ogen en een huid waaronder problemen leken te krioelen als maden in een horrorfilm. Na diverse aanvaringen met collega's en enkele opeenvolgende mislukkingen in wat erg simpele taken waren (genre rijen sorteren in Excel) was de druppel voor onze algemene chef dat ze door het lint ging tijdens een telefoongesprek en de telefoon door het kantoor slingerde. Daarop rende ze uit het bureau, maar omdat de muren zo dun waren, konden we haar op en af horen rennen door de gang, wenend en krijsend als een Ierse banshee. Plaatsvervangende schaamte was ons deel, en de dag erop moest ze zich op orders van hogerhand op haar eigen zwaard storten.

Per definitie zijn bureaus trieste plekken - en bureaus met planten zijn de allerzieligste - maar op dat vlak hadden we het dan weer niet getroffen. Waar verondersteld werd het creatieve en communicatieve kruim van Dunning & Kruger te zitten, was een tijdscapsule uit 1974 waar alles automatisch vergeeld was. De bureaus waren krap en nicotinegeel, de muren waren beige, de kasten waren van een gelig grijs en zowel plafond als vensters waren niet bedoeld voor werknemers die bovengemiddeld groot waren. We konden er voorlopig mee leven.
Voor de rest had er zich van de ploeg een energieke mentaliteit meester gemaakt, en voor het eerst in twee jaar ging ik graag werken. De projecten werden interessanter, de collega's waren geen ingenieurs meer van middelbare leeftijd, en Lodewijk was een verademing om voor te werken na de molenwiekende Ilse. Niet dat marketing niet nog steeds gewantrouwd werd, maar we hadden alleszins meer de mogelijkheid een eigen koers te kiezen en te demonstreren waar onze meerwaarde lag. Al werd mijn werk terug zo goed als strikt copywriting, ik kreeg interessante projecten bij de vleet, waaronder ook het jaarrapport en het vers uit de grond gestampte magazine voor klanten, dat ik met veel liefde vollulde. Maar, eerlijk is eerlijk, de kleine reisjes zou ik gaan missen. Toch is er één anekdote die ik niemand zou durven onthouden: na een beurs in Londen zaten Elien en ik nog na te praten in de hotelbar met Christophe, onze zeer minzame democoördinator. Christophe was zo één van die mannen waar je op het eerste zicht nooit goed van weet of ze nu erg vriendelijk en toch een beetje verlegen zijn, dan wel ronduit homo. Als hij al een macho-opmerking maakte, kwam die er geforceerd uit.
In die hotelbar raakten we aan de praat met een schimmige Ier die zich voorstelde als een mentalist en illusionist. Hij beweerde te kunnen raden aan welk cijfer of welk geometrisch figuur we zaten te denken als hij ons vroeg er één te visualiseren (dat lukte hem), hij beweerde ook te kunnen raden wat het kamernummer van Elien was (dat lukte hem ook, ondanks dat ze hem voorloog dat hij het fout geraden had, waarop hij zei “oh, come on, don’t lie to me”), en voorts ook dat hij kon hypnotiseren. Daarvoor was ik zijn proefkonijn, en erg bevredigend waren de resultaten niet. Hij zei toen tegen me: “well, for instance, I can also tell you’re right-handed”, waarop ik zei dat dat wel erg makkelijk te ‘raden’ was. Daarna richtte hij zich tot Christophe en zei hij: “and you’re gay, for example, but you’re unaware of it”, wat aan Christophe een van de vreemdste lachbuien ontlokte die ik ooit gehoord heb. Maanden nadien nog bleef Christophe terugkomen op de verbazingwekkende talenten van de Ierse illusionist.

Terwijl ik terugdenk aan die avond in de bar van het hotel, denk ik ook terug aan de drinks en bedrijfsfeestjes die Dunning & Kruger, of toch op zijn minst onze divisie, organiseerde. Ik had er nooit een idee van hoe anderen het niet altijd licht ongemakkelijk konden vinden om plots in je bureau rechtop te staan in een kringetje, zonder muziek, zonder speciale belichting, met schuimwijn of bier. Daarbij lette ik er ook altijd streng op dat ik niet dronken werd. Een oude nachtmerrie indachtig van collega’s die me zouden zien als een bezopen marginaal, wilde ik niet dat ik, ontketend door alcohol, nog een uitschuiver à la Islamgate zou begaan, laat staan dat ik een herinnering zou moeten verdragen van clichédaden zoals met alcoholzweet op het voorhoofd op tafel staan dansen met een rondslingerende das, of me zou gaan wagen aan ongewenste intimiteiten. Voor dat laatste was er trouwens ook niet bepaald gelegenheid: Dunning & Kruger was een mannenbedrijf. Corporate marketing bevatte dan wel veel vrouwen, maar vanuit m’n studententijd werd er een soort reflex ingeschakeld die naaste vrouwelijke collega’s meer maakte tot surrogaatfamilieleden dan wat anders. De enige keer dat ik me kan herinneren dat ik iets ondernam dat op een poging leek, was op een externe drink bij een leverancier die een jubileum te vieren had. Ik begon daar te praten tegen een vrouw die dat evenement hielp coördineren, en sloeg meteen een flater toen in de eerste zin haar man al ter sprake kwam, die daar niet alleen aanwezig was, maar bovendien haar baas was en er met een gelaten glimlach bij kwam staan. In mijn verdediging: die avond kreeg ik een lift van Elien, dus had ik in principe geen alcoholgrens. Ik herinner me nog dat ik de volgende ochtend met een verfrommelde kop haar auto in stapte, en dat het eerste was dat ik eruit raspte: “Goeiemorgen. Fuck, ik ben nog altijd dronken.”

Steeds golfde er een vreemde sensatie door het bureau als Jean-Paul Van Vorst langskwam. Jean-Paul was de hoogste marketingafgezant binnen het bedrijf, en moest alleen nog maar de CEO boven zich dulden. Hij was een prototypische oude charmeur, een door de wol geverfde, gedistingeerde man die het nooit nodig had om uit te pakken met zijn connecties en relaties, want door zijn ontspannen, zorgvuldig gecultiveerde, semi-aristocratische houding (en dat snorretje!) was het voor iedereen meteen duidelijk met wie ze te maken hadden. Jean-Paul zat nooit verlegen om het soort kwinkslagen die in principe niet erg grappig zijn, maar grappiger waren omdat ze verbonden waren met zijn charme als persoon. Wat hem dan weer komisch maakte zonder dat hij dat zelf besefte, was de verhouding tot zijn persoonlijke assistent. Olijfje was een strenge, diep-West-Vlaamse vrouw met coltruien die in een ander leven regentes of hoofd van een groep huishoudelijk assistenten had kunnen worden. De zon in haar zonnestelsel was zonder meer Jean-Paul. Tijdens vergaderingen in zijn bureau kwam ze zijn tafels oppoetsen, alle communicatie voor de marketingkeizer moest langs haar passeren, en zijn agenda volgde ze met de religiositeit van een hare krisjna die elke dag de tenue van de Visjnoe moet vervangen. Door haar mix aan beklemmende moederlijkheid, Mrs. Moneypenny-achtige adoratie en de stijfgesteven conservatieve indruk die ze maakte, was ze niet erg geliefd bij de rest van corporate marketing. Ik deed zelf altijd mijn best zeer vriendelijk en voornaam tegen haar te zijn, wat me, denk ik, geen windeieren legde als het erop aan kwam iets gedaan te krijgen. Misschien kwam het door vele moeders van vriendinnen ontmoet te hebben, of mijn eigen achtergrond in een klein provincienestje in Oost-Vlaanderen, maar ik kende dit soort dames. Het hielp ook dat ik trucs kon leren door Jean-Paul zelf te observeren, een man die geboren leek met een doos bonbons onder de arm en een roos in de hand.
Toch ontsnapte ook ik niet aan de onvermijdelijke ervaring met Olijfje. Om een reden die ik me niet meer kan herinneren, had Olijfje mijn hulp ingeroepen bij het verplaatsen van enorme bestanden die niet via de gewone e-mailkanalen konden gestuurd worden. Ik gaf haar daarom stap voor stap instructies over hoe ze een site moest gebruiken waarop je bestanden kon delen.
Vijf minuten later ging de telefoon opnieuw.
“Wat voor site is dat, waar jij me naartoe gestuurd hebt? Ik zit hier nog maar juist op en ik krijg hier een mededeling: ‘do you want a sex date’?”
Olijfje sprak het woord ‘sex date’ uit als een diepgelovige christen die voor het eerst het woord ‘homofiel’ van de tong laat rollen.
“Dat heb ik nog nooit voorgehad met die site.”
“Ik ga toch geen virus krijgen hé?”
“Nee, nee. Dat is echt raar. Mja, het kan zijn dat er op die site een adverteerder zit die dat soort diensten aanbiedt.”
“’t Is toch geen pornosite?”
“Nee, het is zeker geen pornosite.”
Bij die woorden draaiden enkele collega’s hun hoofd mijn richting uit. Ik had intussen al m’n hand over mijn kaak geklemd om niet in lachen uit te barsten. Olijfje was meer gerustgesteld, en haakte af. Sindsdien mocht ik op tijd en stond opmerkingen incasseren over ‘mijn seksdate met Olijfje’.

De verbeterde sfeer, de uitdagender jobs en de grotere maturiteit zorgden er niet voor dat overwerk verdween uit mijn bestaan. Integendeel, waar ik onder het bewind van Ilse nog een vrij regelmatig leven geleid had, kwam er sluipenderweg steeds meer overwerk bij kijken. Daarin was ik zeker niet de meest overijverige collega, al was het omdat ik merkte dat andere collega’s er helemaal niks voor in de plaats kregen. Al van bij mijn aankomst bij Dunning & Kruger was men “aan het werken” aan een systeem van vlottende uren, maar van tijdsregistratie wilde men ook niet weten. De vermoedelijke reden was dat dan pas zwart op wit duidelijk zou worden hoe veel overuren de Krugerianen klopten, en dat daarmee de roep om compensatie zou stijgen. Er waren weken dat ik er vrij zeker van was dat Lodewijk alles samen meer dan 50 uur werkte voor Dunning & Kruger. Ik vroeg me af of het dat waard was. Mijn filosofie was en is nog altijd dat ik werk om te leven en niet omgekeerd. Weekendwerk vond ik dan weer minder een probleem, maar dat toonde ook het verschil tussen mijn iets oudere collega’s en mezelf: ik had geen gezin en vrienden die ik in de week wilde of kon zien. Voor hen was dat vaak omgekeerd.
Buiten dat overwerk was ik ook de salami-ontslagen niet vergeten van het jaar voordien. Mijn vader, al levenslang een vakbondsman, stelde met genoegen vast dat ik onafhankelijk van hem op enkele jaren tijd tot dezelfde conclusies aan het komen was als hem, als het erop aankwam werkgevers te vertrouwen. Daar kwam bij dat de onhandige, ouderwetse communicatie van HR binnen Dunning & Kruger het makkelijk maakte om bepaalde strategieën te doorprikken. Het beste voorbeeld was wel de introductie van een nieuw arbeidsreglement. Niemand kreeg dat op zijn of haar bureau, en elektronisch kon het blijkbaar ook niet beschikbaar gemaakt worden. Nee, op vaste plekken binnen het bedrijf (onder andere aan bureaus van HR) lag er aan een koord een inkijkexemplaar. Gecombineerd met de vigerende, strenge werkethiek, wisten de windheren van HR maar al te goed dat weinig werknemers de moeite zouden nemen om het nieuwe reglement in te kijken. Dat onze eigen HR-verantwoordelijke, de voorgenoemde gladde jongen, deed er ook al niet veel goeds aan. Met zijn achteruitgegeld haar, brede grijns en zijn voortdurende herhalen van je voornaam tijdens een gesprek (hij had vast ergens gelezen dat dat zorgt voor persoonlijke betrekking) werkt hij iedereen op de zenuwen. Je had voortdurend het gevoel dat hij je probeerde te belazeren waar je erbij zat.

2010 werd een hobbelig jaar. Er was na een tijd geen sprake meer van piekmomenten en kalme momenten - alles was belangrijk, alles was een piekmoment, als we iets niet konden leveren, dan zou de wereld ontploffen. Dat ik me daar graag vrolijk maakte werd soms knarsetandend onthaald als een gebrek aan werkernst, maar voor mij was het meer een manier om mijn verstand niet te verliezen. Het favoriete argument van gestresseerde salesmensen, hoe onbenullig hun vraag ook kon zijn en hoe weinig relevant het was binnen het grotere geheel, het geroemde “we’re losing business!”. Als er business gewonnen werd, was dat vanzelfsprekend niet ons verdienste. Ik had er ook een formule voor ontworpen, die aan de hand van het aantal geconsumeerde koppen koffie, toevallige babbels met collega’s over muziek en de eenheden verorberde snoep, moest aangeven hoeveel business we elke dag opnieuw aan het verliezen waren.
Rijkelijk laat kocht ik me in 2010 ook een auto, waardoor ik voor eeuwig verlost was van de geur van forenzen, bittere winterlucht en hufterige chauffeurs die me van de baan wilden rijden als ik fietste. Die auto bracht aanvankelijk een pak minder stress met zich mee - aangezien ik niet meer gebonden was aan trein- en busuren, was het niet erg als een vergadering wat uitliep, noch dat ik soms 'ns wat vroeger weg moest. Algauw werd ook die auto deel van de stijgende werkdruk, want daardoor voelde ik me soms alsof ik geen excuus had om niet over te werken. Als ik erop terugkijk, verwijt ik mezelf een gebrek aan assertiviteit. Ik kan dan wel zeggen dat het mijn eerste job was, maar ik had eerder moeten zeggen: "dit doe ik niet, tot hier en niet verder". Maar het is moeilijk om nee te zeggen als je met je collega’s in hetzelfde schuitje zit en je die mensen bovendien nog graag hebt ook.

In de loop van het jaar organiseerde HR een tevredenheidsenquête onder de werknemers. Uit die enquête bleek dat er erg veel ontevredenheid heerste. Dat dit nieuws het management verbaasde, was een veeg teken. Daarop werden workshops opgezet waar we in groepjes enkele focusthema's moesten kiezen, en vooral hoe we zélf tot betere werkomstandigheden konden bijdragen (want de beige bureaus, dat was duidelijk onze schuld). Een jaar later was er nog niks mee gedaan. Intussen had Dunning & Kruger tegen alle verwachtingen in een monsteromzet gedraaid, maar aan de verzuchtingen van haar werknemers werd niet tegemoet gekomen. Father knows best.

Verder naar deel zes.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten