Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling kortverhalen daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van 'Onklare taal'. Ik ben tijdelijk gestopt met kortverhalen, maar in 2016 heb ik een geredigeerde bundel van de beste verhalen uitgebracht: 'Recombinant' is gratis te downloaden in PDF- en in EPUB-formaat.

woensdag 7 december 2011

Dunning & Kruger (IV)

4. Death to America!

2008 was een schakeljaar op vele vlakken. Ilse kwam tot de conclusie, na een consultatie met haar interne I Ching, dat we een tweede copywriter nodig hadden. Ik zag daar zelf het nut niet onmiddellijk van in. De werkdruk was weliswaar hoog, maar kon lager indien Ilse en een paar andere overwerkte managers zelf niet de flessenhalzen vormden waar mijn letters en zinnen niet doorgeraakten (“kan daar nog niet iets bijgeperst worden over hoe goed dat rode draadje er uit ziet?”, “mja, nee, misschien moeten we toch weer een volledig andere focus nemen”, “maar je hebt niks gezegd over onze herontworpen lenskap!”). Bij deze opmerking hoort eigenlijk een andere opmerking: er wordt vaak geklaagd dat grote bedrijven te zwaar doorwegende, overbetaalde middenkaders hebben, terwijl mijn observatie hier eerder het tegendeel zou moeten bewijzen. Toch ontsnapte ook Dunning & Kruger niet aan die wetmatigheid. De competenten waren enorm overbelast en hadden dus absoluut geen tijd om grondig te kijken naar de tekst van een copywriter, en de incompetenten schopten het proces in de war met nutteloze commentaar, vertragingstactieken en andere afleidingsmanoeuvres in hun voortdurende strijd tegen de ontmaskering.
Het mocht allemaal niet baten, volgens Ilse was er te veel tekstwerk. Eind januari arriveerde de nieuwe collega. Jane Darrow kwam uit Australië en was met haar man naar Noord-Frankrijk verhuisd omdat hij daar Engelse les zou komen geven. Ilse, met haar gebruikelijke gevoel voor apocalyptiek, zag in de komst van Jane een definitieve versterking van de copywriting met een moedertaalspreker. Jane en ik konden het erg goed vinden met elkaar. Om die reden scheidde Ilse na een maand als een ware schooljuffrouw ook onze bureaus, omdat we regelmatig zaten te kletsen (roddelen). Intussen had ik geheel in die stijl een Ilse-bingo ontworpen, omdat het me niet meer kon schelen wat Ilse of anderen over me dachten. De bingo bevatte haar gebruikelijke maniërismen, stopwoorden, verhakkelde Engelse, Duitse of Spaanse stokpaardjes, en haar nerveuze ongrappigheid. Ik begon me ook te bezinnen op andere mogelijke practical jokes, zoals het bureau van Didier vol aluminium hangen (tot zijn nietjesmachine toe), of de vensters en deuren van Bernds bureau volplakken met isomo, waardoor het van de buitenkant leek of het volgestort was met piepschuim. Jammer genoeg had ik er de energie niet voor. De winter van 2008 was een gure, strenge winter met erg veel plensbuien, bussen die te laat waren, Ilse en haar mentale spruitjeslucht, en het gevoel dat ik vastzat in een afschuwelijk drijfzand waar elke korrel alleen de taal Corporate sprak, Corporate met een West-Vlaams accent.

Er verschenen meer donkere wolken aan de horizon. De pudding van HR wilde een interne nieuwsbrief uitsturen. Dat er op dat ogenblik binnen onze divisie alleen al twee soorten interne nieuwsbrieven circuleerden, plus nog een viertal van andere divisies, dat was blijkbaar geen argument. Werknemers konden vast niet genoeg krijgen van al die nieuwsbrieven, ook als er helemaal niks te vertellen viel. Ik schreef in die periode dan ook eens een onverstuurde nepnieuwsbrief waarin ik beweerde dat Shun, onze Antwerpse Chinees, per ongeluk een salesdeal verpest had door scheten te laten, of dat Ehud boos was opgestapt na een zakenlunch toen iemand een mopje had gemaakt over de Holocaust. In de nepnieuwsbrief werd ook gelachen met het Jommekeskapsel van divisiepresident Didier en het franglais van onze Franse collega’s.
Maar goed, terug naar het project van human resources, dat blijkbaar snakte naar erkenning voor alles wat ze deden voor hun kuddes ingenieurs, salesmensen en het uitschot van marketing. Jane en ik verdeelden de onderwerpen. Ik was eerder klaar met de mijne en stuurde mijn deel door naar haar. Bij haar onderwerpen had ik open plekken ingevuld met kleine zinnetjes onzin. Voor het onderwerp ‘International sales meeting’ had ik geschreven ‘Lots of fat people snoring’ of voor het jaarlijkse nieuwjaarsfeest ‘Free drinks on the CEO, hooray’. In een vlaag van verstrooidheid stuurde ik die versie door naar Louis in Amerika, omdat de HR-mensen daar nerveus waren geworden van het idee dat er interne HR-nieuwsbrieven gingen komen. Argeloze Louis stuurde dit door naar zijn eigen oversten zonder mijn tekst te bekijken, waardoor het terreuralarm daar volledig in het rood ging. Ik had namelijk van het voorwoord van afdelingshoofd Didier Verbruggen de volgende voorlopige zin gemaakt: ‘Didier announces his conversion to Islam. Death to America!’.
Ik werd gesommeerd naar het kantoor van de HR-verantwoordelijke, die net als ik onze eerdere verbale boksmatch omtrent de taxi niet vergeten was, en die me er allicht van verdacht bewust de nieuwsbrief te willen saboteren. Dat mijn uitschuiver met de nieuwsbrief eerder het product was van intense verveling en een groeiend cynisme met hoe het er aan toe ging bij Dunning & Kruger, dat kwam blijkbaar niet bij hen op. Om de waarheid te zeggen zei ik ook in het kantoor van HR, in aanwezigheid van Ilse, niet de waarheid. Ik ging er ten eerste al van uit dat men mij zou ontslaan, en ten tweede was ik al aan het uitkijken naar ander werk, tenzij ik wilde eindigen als de zoveelste zure, kromgetrokken Dunning & Krugeriaan.
“Wat heb je hierop te zeggen?” wilde de HR-directeur weten.
“Wat kan ik zeggen? Dat het een domme fout was en dat het niet meer zal gebeuren,” zei ik gelaten.
“Het probleem is dat dit tot in Amerika geraakt is, en je weet hoe gevoelig men daar al was voor dit initiatief. En nu dit... wat als men denkt dat Didier echt moslim geworden is het de Verenigde Staten niet meer binnen mag?”
Ik moest een lach onderdrukken door het absurde idee dat men bij de grenscontrole zou staan zwaaien met een kladnieuwsbrief van Dunning & Kruger waarin stond dat Didier, oerbrave Didier met zijn suskewietkapsel, een fundamentalistische moslim geworden was die ‘Death to America!’ geschreeuwd zou hebben.
“Is dat niet... nogal onwaarschijnlijk?”
“Je weet nooit!” zei de HR-verantwoordelijke. Ook Ilse knikte wijs, alsof ze tegenover iemand zat die helemaal nog niet wist hoe de wereld in elkaar zat.
“Goed,” zei ik, “ik wil me hier zeker niet voor verdedigen, want hier bestaat geen verdediging voor. Wat gebeurt er nu?”

Dat ik hiervoor niet ontslagen werd maar ervan af kwam met een blaam, wat kruiperij en een aangetekend schrijven, had ik te danken aan twee toevalligheden die in dezelfde week plaats hadden gevonden.
Ten eerste was Ilse ervan overtuigd geraakt dat Jane en ik incompetente nietsnutten waren en had ze haar copywriting-messias gevonden in een onafhankelijk bureau. Ik had die bui al een tijdlang voelen hangen, hoewel Ilse in alle toonaarden ontkend had dat er iets op til was (“copywriting is wel het laatste dat ik zou uitbesteden!”). In mijn week afwezigheid die aan Islamgate vooraf was gegaan, echter, was gebleken dat dat bureau dan toch niet zo geweldig was. Het was niet de eerste en zeker ook niet de laatste keer dat Ilse teleurgesteld was in externe bureaus. Daarbij stelde ze zich vast geen enkele keer de vraag of die teleurstelling niet te wijten was aan haar eigen onmogelijkheid.
Ten tweede had Jane de dag dat Islamgate losbarstte, haar ontslag ingediend. De druppel was een intense, agressieve meeting met Ilse geweest waarin onze onvolprezen chef op een nodeloos persoonlijke manier brandhout had gemaakt van alles waar Jane mee bezig was. Exit Jane dus, die even later al terug het vliegtuig op zat naar Australië. Het was jammer voor haar dat haar beeld van Europa voorgoed bepaald zou zijn door de stedelijke agglomeratie Rijsel-Kortrijk.
Het tweede toeval was de verhuis van Ilse naar een andere divisie. Elien en ik overlaadden haar met gelukwensen. Wij zouden tijdelijk ressorteren onder Jan van product management, en mijn eigenlijke nieuwe baas werd Lodewijk Bertels, een ambitieuze man die corporate marketing verzorgde en in een andere vestiging werkte.

Met Dunning & Kruger ging het niet goed. Al twee jaar op rij waren de resultaten slecht, en ook de voorspellingen voor het jaar erop zagen er somber uit. Mensen werden druppelsgewijs ontslagen. De ene week werden twee oudere collega’s op brugpensioen gestuurd, een andere week hield er eentje het zelf voor bekeken (niet door zichzelf op te hangen), dan weer werd er een afdeling in Japan opgedoekt, daarna vond er een stoelendans onder managers plaats waarbij er één verdween met een gouden handdruk, en verderop werd er ook enkele collega’s onder tijdelijk contract een zak over hun hoofd getrokken en werden ze met een Mercedes met geblindeerde ramen weggevoerd naar een onbekende plek in een nabijgelegen bos. Die plakjes salami van het personeelsbestand afsnijden was zeer uitgekiend en vermeed een collectieve ontslagbemiddeling met de vakbond. Er was iets rots in het koninkrijk, en het centrum van die necrose lag bij HR.
Bij ons was het oude Alfred die wegging, maar dat stond al lang in de sterren geschreven. Zijn vertrek viel eerder samen met de ontslagrondes dan dat het er veel mee te maken had. Daardoor viel een grote kostenpost weg voor marketing en mogelijk konden Elien en ik daardoor blijven. Ook van Ilse, de eeuwig rondcirkelende Stuka in aanvalsformatie, hadden we geen last meer. Elien en ik begrepen niet echt hoe ze er ook in een andere divisie in zou slagen mensen om de tuin te leiden met retorische trucs en haar bekende combinatie van venijn en geslijm. Voor ons brak in elk geval een periode aan van perestrojka en glasnost. Lodewijk kwam af en toe naar Kortrijk en deelde in zijn no-nonsensstijl mee dat het hem niet kon schelen of ik wat te laat aankwam of te vroeg vertrok, zolang mijn werk maar goed was.

Op ons nieuwe eiland maakten we meer kennis met product management. Jan en zijn manschappen hadden een weinig benijdenswaardige job. Ze voelden voortdurend de geest van R&D-hoofd Henri Cattoir achter hun rug rondwaren, en de macht die hij had over vele andere machtigen binnen de divisie, waardoor product management vaak meer het gevoel had achter feiten aan te hollen dan om werkelijk te managen. De macht van R&D groeide nog door toen Didier wandelen werd gestuurd tijdens een wekelijkse ontslagronde. Bernd, van zijn kant, vond dat zijn salesmensen zich helemaal niet met productkennis moesten inlaten. Zijn boutade was dan ook, in zijn flegmatieke Duitse accent: “een sales, die moet fe’kopen”.
De minst benijdenswaardige product manager was Gollem. Die bijnaam hadden Hendrik en ik voor hem bedacht. Gollem ging letterlijk gebukt ging onder jaren van frustratie met het beleid van Dunning & Kruger, zijn eigen werkverslaafde en meer geapprecieerde manager en het feit dat de wereld allicht tegen hem was. Hij was fan van Phil Collins. Gollems frustraties gingen van de nukkigheid van R&D, de vuilzakken in zijn straat, de Marokkanen die in de buurt van zijn bejaarde ouders woonden, de geslepenheid van Jan, en de kwaliteit van de maaltijden, tot Bernd en zijn macho salesbrigade die product management overstelpten met onnozele vragen. Dat veroorzaakte ondermeer dat er een marketing manager kloeg dat mijn brochures meer in technisch detail moesten gaan omdat onze eigen salesmensen anders niet genoeg verstonden, waaruit bleek dat de sales marketingmateriaal gebruikten om meer te leren over de producten die Dunning & Kruger verkocht. Product management liet het mini-marketingteam gelukkig vooral zijn eigen ding doen, en het moet gezegd, dat deden we goed.

Ik was intussen meer dan enkel copywriter. Ik prutste ook wat bij met grafisch design, en nam veel PR-werk op mij. Met vakjournalisten spreken deed ik graag, zeker als ik er een rondleiding bij een klant of in onze eigen demoruimte aan mocht koppelen. Al snel was ik daardoor ook de go-to-guy geworden om nieuwelingen in te wijden in de marketing van onze divisie. In elk potje had ik wel een vinger, want elk potje had een label met tekst nodig. De technologieën die we gebruikten, kenden nog maar weinig geheimen voor me. Ondanks mijn cynisme, koesterde ik nog altijd een restant van beroepseer en wilde ik dat m’n werk er toe deed. Met Jan, Gollem en de andere mensen aan ons eiland was de sfeer opperbest.
Onze onafhankelijkheidsbonanza had echter een beperkte houdbaarheidsdatum. We wisten dat men tegen begin 2009 alle marketingafdelinkjes wilde gaan samenvoegen tot één grote afdeling. Binnen de besparingsplannen die Dunning & Kruger doorvoerde, was dat geen onverwachte zet. Ik zag die toekomst tegemoet met een milde berusting. Samen met de copywriters van de andere divisies zou ik in één ruimte zitten met onze nieuwe baas, Lodewijk. Die nieuwe bureauruimte was in feite een oude bureauruimte die er ongewijzigd had bij gelegen sinds de jaren ’70, maar dat kon de pret van de anticipatie niet drukken. De marketingcollega’s van de andere divisies hadden ook elk hun oorlogsverhalen, en het voelde bevrijdend om ervaringen te kunnen uitwisselen over de starheid van oude krokodillen, belachelijke ideeën van managers die geen verstand hadden van marketing, en professionele kwesties die we enkel aan elkaar konden voorleggen (“waarom schrijven zo veel Amerikanen een dubbele spatie na een punt?”).

Lodewijk nam me op een dag apart. Hij legde uit dat hij de contracten van al zijn toekomstige poulains had nagekeken, en gemerkt had dat HR me aan het verkeerde barema had toegewezen, al dan niet met medeweten van Ilse. Hij zei het niet, maar hij zei het tegelijk wel, dat Ilse me eigenlijk op die manier vanaf dag één bij Dunning & Kruger al een broodje drol had doen eten. De fout werd rechtgezet, maar van het weinige respect dat er bij mij nog resteerde voor Ilse, was er nu niks meer overeind gebleven. Overigens werd Ilse zelf niet lang nadien op een zijspoor gezet in het bedrijf, in een positie waar ze zo min mogelijk schade kon berokkenen. Blijkbaar was het niet opgekomen bij HR om haar gewoon op straat te zetten, tenzij Ilse beschikte over materiaal waarmee ze de pudding kon chanteren. Wie weet. De HR-pudding vertrok overigens zelf naar andere oorden, en in de plaats van haar autoritaire regelneverij, kregen we een man met een pastaglimlach en een kop die gemaakt was om mee over de dijk in Knokke le Zoute rond te flaneren. Letterlijk iedereen had onmiddellijk een viscerale hekel aan hem.

Verder naar deel vijf.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten