Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling kortverhalen daarvan. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van 'Onklare taal'. Ik ben tijdelijk gestopt met kortverhalen, maar in 2016 heb ik een geredigeerde bundel van de beste verhalen uitgebracht: 'Recombinant' is gratis te downloaden in PDF- en in EPUB-formaat.

dinsdag 6 december 2011

Dunning & Kruger (III)

3. Een spiraal van bullshit

In een werkdag bij Donning & Kruger was de lunch een belangrijk moment. Als een Mozes scheidde het de Rode Zee van de tijd die een mens doorbracht aan een bureau, en zorgde het ook voor het broodnodige informele contact, of om de laatste geruchten te horen. Aan tafel zei ik niet veel. De meeste collega’s waren minstens vijftien jaar ouder dan mij, en hadden volledig andere interesses. ’s Zomers ging ik dan ook vaak buiten eten met Hendrik, en dat keuvelden we over muziek, interne politiek en familie. Als de zon niet scheen of als ik geen boterhammen bij had, dan was er nog altijd de refter als plan B. Die werd bestierd door een lokale traiteur, een buikige man met een zware West-Vlaamse tongval en een permanent bezweet voorhoofd. De copy van de traiteur was van een uitstekend niveau. Welke rechtgeaarde Vlaming zou er niet watertanden van “peterselie-aardappelen met stukjes bloemkool in béchamelsaus en een smakelijk lapje rosbief”? Jammer genoeg kon ik niet hetzelfde zeggen van de kwaliteit van zijn keuken. Elke dag deed hij dezelfde saus op de dagschotel, waarbij enkel de kleur en de viscositeit veranderden, en als er frietjes waren men kon het vet van de borden schrapen. Zijn broodjes hadden nooit boter en nooit mayonaise en de soep was altijd bruinoranje. Dunning & Kruger bedankte de man dan ook voor zijn diensten, en in 2008 werd de keuken overgenomen door de bekende grootcateraar Sedixo. Die begon met een charme-offensief en een prijsstijging, maar naderhand gleed ook Sedixo af tot dezelfde lamentabele kwaliteit van zijn voorganger: diarreespaghetti met een stuk worst erin, slecht doorkookte aardappelen of bloemkool die leek op knolraap, het waren dolle dagen. Elke zes maand stegen de prijzen en daalde de kwaliteit. Klagen over het eten was dan ook een favoriet tijdverdrijf van collega's. De enigen die nooit kloegen waren de Chinese collega's, die alles met de glimlach aanvaardden.

Bij Dunning & Kruger leerde ik ook koffie drinken. De uitstap naar de automaat op het einde van de gang was steeds een welkome afleiding van de monotonie van het bureau, en toen ik begon te roken kwamen daar ook de verdoken rookpauzes bij. Die vele kleine pauzes nam ik gedeeltelijk omdat mijn werklast meestal niet erg hoog lag, gedeeltelijk ook om even te kunnen ontsnappen aan Ilse. En Ilse, die bleef een onuitputtelijke lawine van waanzin over iedereen uitstorten. Ze vocht een loopgravenoorlog uit met Ehud, betreurde het vertrek van Joop naar een andere divisie (waar hij er ook in slaagde geen enkel aanwijsbaar resultaat te boeken) en zocht een bondgenoot in Jan, de geslepen baas van product management. Die schermutselingen betekenden echter weinig, omdat zij plaatsvonden in de schaduw van een oppermachtige R&D-afdeling, die bevolkt werd door ingenieurs in diverse tinten van bleekheid en carreauhemden. Hun chef was Henri Cattoir, een strenge man met een priemende blik. Hij en zijn vazallen waren wars van marketing ("waar hebben we dat eigenlijk voor nodig"), sales ("bende domoren") en project managers ("lastig!"), en zij maakten de producten waar ze zelf zin in hadden, of er nu een markt voor bestond of niet (“wij zullen dat zelf wel beter weten zeker!”). Cattoir had daarbij de divisiechef aan zijn kant. Didier Verbruggen was namelijk ook een ingenieur in zijn corporate hart, en liet het geld gul in de richting van R&D stromen. Wie R&D durfde te wijzen op zijn eigengereidheid, werd steevast om de oren geslagen met Apple als tegenvoorbeeld, want Apple was toch “ook een bedrijf dat draaide op innovatie en buikgevoel”. Alleen waren Cattoir en Verbruggen, zelf allebei al diep in de veertig, geen succesvolle miljardairs en bezaten ze samen evenveel charisma als een versleten schoenzool.

Omdat Dunning & Kruger een ingenieursbedrijf was, werd marketing benaderd met achterdocht – en Ilse vocht voor één keer een terechte strijd om meer te zijn dan een veredeld secretariaat – omdat velen er van uit gingen dat we eigenlijk te dom waren om te helpen donderen, of actief schade toebrachten aan de producten door niet elke laatste technische specificatie te vermelden op een ruimte van maar 200 woorden. Jammer genoeg hielp Ilse niet bepaald om ons imago op te krikken, aangezien ze na twee jaar nog altijd geen jota kende van de producten die we aan de man brachten, maar gelukkig konden Hendrik, Elien en ik na een tijd wel op waardering rekenen.
Een probleem dat bleef was dat hoe hoger mensen op de corporate ladder stonden, hoe meer ze zich geroepen voelden ook wat in de soep te komen roeren van marketing, tot en met keuzes van lettertypes en achtergrondkleuren toe. Daarbij lieten deze heren zich niet tegenhouden door een gebrek aan vakkennis of relevantie. Er was bijvoorbeeld een lid van de Raad van Bestuur die zijn beklag deed over de “pastelkleuren” in een bepaalde folder. Niet alleen waren de kleuren die hij niet mooi vond, geeneens pastelkleuren, hij had ze zelf het jaar voordien helpen goedkeuren als deel van de nieuwe huisstijl. Hendrik leed in stilte. Ook de copy kreeg er soms van langs. Er waren altijd wel mensen die vonden dat ze “best wel een stukje copy” konden schrijven, Ilse niet in het minst, hoewel die er een halve dag over kon doen om een incoherente email te schrijven. Bernd was dan weer allergisch aan woorden die begonnen met "un-" of "dis-" omdat die volgens hem “negatife gefoelens” opriepen. De secretaresse van Didier hield er van om nijdige mailtjes te sturen als ik op een vermeende taalfout betrapt werd. Haar meest absurde wapenfeit was een correctie van iets dat juist was, en een dubbele fout in haar eigen klacht daarover. Product management van zijn kant gaf geen moer om de elegantie en soepelheid van een tekst, zolang alle cijfers en gebruikelijke fetisjen er maar in stonden. Daarbij kreeg ik wel eens te horen dat men soms verlangde naar de dagen dat de oude Alfred zelf nog copy schreef. Ik had dan de tegenwoordigheid van geest niet te zeggen dat Alfreds teksten vol fouten stonden, voor het merendeel copypasta waren en dat sommige zinnen effectief nergens op sloegen. Of wat dacht de gemiddelde lezer van “a great user-enabled solution with lots of innovative possibilities for creativity”? Dat klanten dat soort bagger ooit onder ogen hadden gekregen, had Shakespeare vast pirouettes doen draaien in zijn graf.

Alfred was zeker niet de enige die zich bezondigde aan woordenbrijen van twijfelachtig allooi. De Vlaming is trots op zijn talen, maar er is een serieus verschil tussen vragen waar de wc is op vakantie en producten professioneel marketen en verkopen. Ik vroeg me soms af wat de Engelstaligen moesten denken als ze te horen kregen dat er broodjes “foreseen” werden na de meeting: alsof ze in de keuken rond een glazen bol de gestalte van een broodje smos hadden zien naderen uit de nevelen van de toekomst. Of wat te denken van het nep-Engelse “walking dinner”, letterlijk een lunch die een stevige wandeling maakt. Niet dat enkel niet-Engelstaligen kromme zinnen schreven: ook de Amerikanen en de Britten deden soms stevig mee. Vooral het vele Gehoofdletter en eindeloze zinnen zonder punctuatie waren een plaag om te corrigeren.

Op een dag kwam ik wat vroeger terug van de lunch om verder te werken aan God weet welke tekst toen ik plots een figuur door de gangen zag sluipen met een zware brilmontuur en een brandende blik. Het was diezelfde Noor waarbij ik was gaan spioneren voor Ehud, op die show in Amsterdam. Op slag voelde ik me weer betrapt, al wist ik niet op wat precies.
"En nog iets, Ehud," zei ik enkele uren later, tegen het einde van een meeting, "Klopt het dat hier vandaag iemand was van onze concurrent uit Noorwegen?"
Ehud liet zijn eigen bril even zakken en keek me enkele ogenblikken aan.
"Van wie heb je dat gehoord?"
"Ik heb die man hier zien rondlopen."
"Hmm. Ja, dat klopt. Hij komt voor ons werken."
Kristian Ulvik verscheen een week later in vol ornaat op het bureau. Het weerzien was niet van harte. Ik vermoedde niet zozeer dat hij zich indertijd belazerd voelde vanuit loyaliteit jegens het bedrijf waar hij toen voor werkte, maar dat het stak dat hij als gladde sales zelf compleet was voorgelogen. Gelukkig, tegen het einde van het jaar haalden we het op een conferentie nog eens op als anekdote, en toen kon er al mee gelachen worden. Kristian corrigeerde daarna zelfs vaderlijk mijn dasknoop, en feliciteerde mij met mijn pogingen om nog eens Noors te spreken (het resultaat van een keuzevak aan de universiteit). Toch nog goed voor iets, die talen.
Ehud zelf was overigens een mens met humor. Hij was van Israëlische afkomst, en dreigde er wel eens mee om de Mossad op ons af te sturen als we niet zouden doen wat hij ons vroeg. Er was ook een collega waarvan Ehud achteloos zei dat die “Joods bloed” moest hebben en dat hij dat “kon ruiken”.
Humor was echter vaak een delicate zaak bij Dunning & Kruger. Op een dag zat ik in de refter met enkele mensen van de afdeling. Collega’s waren al een hele tijd aan het doorbomen over Oswald, die er kennelijk niet was die dag.
"Weer er iemand eigenlijk waar Oswald is vandaag?" vroeg een collega.
"Geen idee. Heeft hij verlof?"
"Nee, hij zegt dat altijd," zei iemand anders.
"Ik weet waar Oswald is," zei ik, "Hij heeft zichzelf opgehangen in de demoruimte."
Dit veroorzaakte zo'n pijnlijke stilte dat ik die grap niet meer herhaald heb. Ik leerde ook dat niet iedereen komische toespelingen op porno grappig vindt. Een ander gênant moment vond plaats na een beurs. Toen zat ik met een stuntelig flirtende Joop en Ilse in een wegrestaurant, en zat ik er totaal bij voor spek en bonen – of in dit geval treurige wegrestaurantkroketten en appelmoes.
"Haha, misschien denken mensen wel dat ik jullie zoon ben," zei ik.
Zowel Ilse als Joop voelden zich aangevallen op hun leeftijd, en ik ben nooit meer met hen gaan eten. Misschien best.

Ik was de eerste om toe te geven dat m’n gevoel voor humor toondoof kon zijn – het kostte me zelfs bijna m’n job één jaar later – maar het moest ook gezegd, de meeste Krugerianen zouden een goede mop nog niet herkend hebben als ze hen kwam doodschieten. Het soort bonhomie en nepgelach met slappe mopjes dat een gewoonte is in elk bedrijf, kon me niet bekoren.
"Het is een grapje, hé!" placht Ilse vaak te zeggen na haar nerveuze, ongrappige opmerkingen waar niemand mee moest lachen. Haar gebrek aan humor ging samen met haar gebrek aan originaliteit. Als het op marketing aankwam, behielp ze zich met het looprek van enkele voorgebakken ideeën waar ze zich uit alle macht aan vastklampte. Wat voor oorspronkelijke ideeën moest doorgaan bij haar, was dan ook pijnlijk slecht - fruitboomallegorieën, ambigue Engelse slagzinnen en taalmissers waren schering en inslag. Geen mens die eigenlijk wist waarom ze in de marketing gegaan was. Hendrik en Elien zorgden ervoor dat ik niet gek werd of dat ik niet vanzelf ontslag nam. Toch waren er ook voordelen aan Ilses furie. Omdat ze zich nauwelijks kon concentreren en bij een brochure van me gestruikeld was over het eerste woord - wat een hele jeremiade met zich meebracht over mijn manier van werken - moest ik "alles volledig herschrijven". Ik veranderde letterlijk vijf betekenisloze woorden, maakte de puntgrootte kleiner en diende het document twee dagen later weer in. "Fantastisch! Veel beter!" Zo.

Toen het kouder begon te worden, nam ik steeds vaker de bus. Daardoor was ik ofwel een half uur te vroeg, of wel een half uur te laat op het werk, maar steevast miste ik mijn trein, waardoor ik pas thuis was om zeven uur. Ik miste de taxi, Ronny’s burleske grappen en Austins optimisme. Ik mist zelfs de korte gesprekken met Chen over verboden Chinese kranten.
Er was het wachten in de regen en de koude, bij een foeilelijk winkelcentrum. Of ’s ochtends aan het station, waar aan de overkant soms nog een café open was van de nacht tevoren en de kermismuziek luid uit het dampende deurgat woei.
En dan waren er de gehandicapten. Je kan het natuurlijk niemand kwalijk nemen dat hij gehandicapt is. Maar niemand kan het mij ook kwalijk nemen dat die mensen na een lange, uitputtende veldslagwerkdag of aan het beginnen van een ochtend met de kleur van rolmopsen, geweldig hard op de zenuwen werkten. Er was één lange jongen vol acné met een erg zielige glimlach, een oudere man die altijd dezelfde witte training droeg, twee kwijlende vrouwen, en dan nog één man van in de vijftig die eruitzag als een vleesgeworden remedie tegen seks. Hij had een tic waarbij hij steeds op zijn bovenlip kauwde, zag er weinig hygiënisch uit en probeerde met elke nieuwe vrouw op ‘zijn’ bus een gesprek aan te knopen. Eén keer probeerde hij ook een gesprek aan te gaan met mij. Ik negeerde hem en voelde me een slecht persoon, maar had geen zin om mijn energie nog verder te laten draineren door een zwakbegaafde wauwelaar.
Ik had intussen al talloze folders, brochures, persberichten en teksten voor de website geschreven, en de helft ervan was gewoonweg vast blijven zitten in de eeuwige bullshitspiraal van Ilse. De dagen waren erg kort. Voor de eerste keer maakte ik mee hoe het voelde om op te staan en aan te komen op het werk als het volslagen donker is, en thuis te komen in dezelfde omstandigheden. Daar kwam bij dat Hendrik dankbaar gebruik had gemaakt van het aanbod van een andere divisie om daar te komen werken en ook Alfred steeds infrequenter kwam opdagen. Elien en ik waren min of meer op elkaar aangewezen, en ik telde de uren af.

Verder naar deel vier.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten